ANS luistert: A Fine Frenzy
Iedere week belicht ANS-Online een cd die op kantoor wordt grijsgedraaid. De ene keer een golden oldie, de andere keer überhippe kutmuziek.
Week 35: A Fine Frenzy – One Cell In The Sea (2007)
Als er een gemoedstoestand is waar veel muziek voor en over is geschreven is het wel liefde(sverdriet). Je hebt artiesten die zich eenmalig op dat terrein wagen en artiesten die zich in dit genre specialiseren. A Fine Frenzy behoort tot die laatste categorie. Haar eerste album, One Cell In The Sea, is gevuld met gezapige deuntjes. Nergens springt ze echt uit de band, maar met het nummer Almost Lover, een jammernummer pur sang, bewijst ze dat rustige riedeltjes niet per se karakterloos zijn. Het is geen album dat intensief luisteren uitlokt, maar ook niet teleurstelt als je daar toch de moeite voor neemt. Praktijkervaring wijst uit dat het zorgt voor een sterke afname in verkeersagressie en snelheid waarmee ANS Luistert wordt geschreven. Pieter Hengst
Week 34: Major Lazer – Guns Don’t Kill People… Lazers Do (2009)
De week tussen Lowlands en het begin van het collegejaar sla ik liever over. Brak en vol heimwee draai ik de hele dag muziek waar ik een paar dagen eerder nog vol overgave op stond rond te springen. Het album van Major Lazer is zo’n plaat. Major Lazer is een fictieve Jamaicaanse commando met een laserarm, die tevens eigenaar is van een dancehall nachtclub. De tracks van dit eerste album worden gekenmerkt door opzwepende drums en raps die op het randje van hysterisch zijn. De muziek lijkt meer een parodie op dancehall dan deze Jamaicaanse stroming in zuivere vorm, mede door de overvloedig gebruikte digitale effecten. Ondanks dat is stilzitten op deze heerlijk smerige muziek onmogelijk en is het album hét medicijn tegen de Lowlandsdip of de introkater. Jozien Wijkhuijs
Week 33: Ellie Goulding – Lights (2010)
Volgens menig ANS-oor is deze plaat een typisch geval van überhippe kutmuziek. Toch verdient de 23-jarige Britse fake blonde zangeres meer lof. Haar stem is er niet bepaald één van dertien in een dozijn, met haar eigenaardige trilletjes, grote bereik en bijzondere klankkleur. Erg, érg jammer dat dit briljante geluid wordt verpest door de elektronische geluidjes die haar hele debuutalbum domineren. Ongelooflijk dat zo’n talent zich ermee inlaat het nu al mislukte genre ‘Folktronica’ te willen scheppen ten koste van haar eigen authenticiteit. Tip aan Ellie: schop je producer Starsmith eruit en maak een akoestische versie van je plaat. Hulde aan Giel Beelen die haar met een live optreden de kans gaf de luisteraars een stukje echte Goulding te geven! Eva-Marijn de Vries
Week 26: Miles Davis – Sketches of Spain (1960)
Een enorm uitgestrekt en veelzijdig land beschrijven in iets meer dan drie kwartier jazz. Een hels karwei, maar Miles Davis is het gelukt. De verzengende hitte van Andalusië, het jonge lentegroen van het opstandige Baskenland, de bij tijd en wijlen eruptieve bewoners van het Iberisch schiereiland en natuurlijk de Flamenco. Alles hoor je terug op Sketches of Spain. De eenzame trompet intensiveert de nummers dusdanig, dat van ware jazz geen sprake meer is. Verwacht dus geen swingende saxofoons, drums of piano’s, maar vooral kleine, heel kleine muziek die in ieder achtergrondgeluid verloren gaat. Sketches of Spain is de zomerplaat voor allen die dromen van een vakantie in het land van stierenvechten, tapas en swingend voetbal maar niet verder komen dan Nijmegen en omstreken. Henk Strikkers
Week 25: Peter Katz – First of the last to know (2010)
Wie al geen hoge pet op heeft van mannelijke singer-songwriters zal het album First of the last to know van de Canadese Peter Katz een standaard, saaie plaat vinden. De twaalf nummers op zijn vierde album zijn echter niet over één kam te scheren. Van romantische, cliché teksten (“I’ll leave the light on ‘till you come home”) tot uit-de-put-praatmuziek (“All you need is right here in this room”) en dieprakende teksten in onder andere The Fence over zinloos geweld bij een homofiele student. Deze veelzijdigheid en enkele bijdragen van onder andere zangeres Melissa McClelland en de inmiddels overleden violist Oliver Schroer, maken dat deze plaat raakt. Geen muziek om blij van te worden, wel muziek om tot jezelf te komen. Leuke bijkomstigheid: Katz is fan van Holland en probeert zelfs ons taaltje te spreken in zijn promofilmpje voor zijn tour door ons kikkerlandje! Eva-Marijn de Vries
Week 24: Kery James – À l’ombre du show business (2008)
Dit is, zeker de eerste paar keer dat je het opzet, geen fijne muziek om naar te luisteren. Verwacht geen zalvende, rustgevende melodietjes die de ANS Luistert normaal sieren. Eerder het tegenovergestelde. Als je toch besluit je oren bloot te stellen aan deze rauwe Franse rap uit de banlieue raak je wel enorm gemotiveerd. En daarin zit de grote kracht van deze Franse hiphopherrie. Wat Scatman deed voor Gebrselassie, doet Kery James voor mij als ik op de fiets zit. Dat de teksten niet te volgen zijn, doet geen afbreuk aan deze creatieve variatie op het franse chanson. Iedereen begrijpt dat een boze agressieve neger alle ellende van de banlieue door de microfoon slingert. Vreemd genoeg inspireert dat. Pieter Hengst
Week 23: CocoRosie – La maison de mon rêve (2004)
Ongeveer twee maanden geleden kwam ik de huiskamer binnenlopen toen er vage freak folk uit de stereo schalde. Naast gitaren hoorde ik getrommel op pannen, rare soundscapes en twee vrouwen die extatisch zingen dat Jezus niet van hun nigger friends houdt. Het was even doorbijten toen ik de plaat voor het eerst hoorde. Maar na een paar keer is het heerlijk wegdromen bij de melodieën van de twee zussen. De teksten zijn poëtisch en hebben vaak een satirische ondertoon. Dit is een plaat die kan worden grijsgedraaid en waar je elke keer nieuwe lagen in ontdekt. In mei is het nieuw album Grey Oceans uitgekomen. En hoewel mijn huisgenoten het niet met me eens zijn, vind ik dat het debuut niet is overtroffen. Misschien nog even doorbijten. Dirk van den Brand
Week 22: The Avett Brothers – I And Love And You (2009)
Een echt zomeralbum vond ik als begeleiding van de zware laatste loodjes nog niet op zijn plaats. De melancholische folkrock van The Avett Brothers vormt het perfecte alternatief. I And Love And You is al het zesde studioalbum van de gebroeders Seth en Scott Avett en bassist Bob Crawford. Net als op hun andere albums bestaat de muziek op het album uit een mix van onder andere folk, country en rock & roll. Op het album wordt een heel scala aan instrumenten gebruikt, waaronder een contrabas, mandoline, percussie en zelfs een tuba. De muziek kabbelt rustig voort, maar ongemerkt blijft het wel degelijk hangen. Wie teksten als ‘Three words that became hard to say: I and Love and You’ niet schuwt, zal net als ik verslaafd raken aan dit album. Jozien Wijkhuijs
Week 21: Joan as Police Woman – Real Life (2006)
Als ‘de vrouwelijke opstanding van een in de Mississippi verzopen kat’, zo klinkt Joan Wasser volgens een oud-ANSer. Hij heeft gelijk, op Real Life doet Wasser best een beetje denken aan haar verdronken geliefde Jeff Buckley. Niet dat ze soortgelijke ingewikkelde songstructuren hanteert of het loepzuivere stemgeluid heeft van Buckley, maar ergens ademen de veelal trage, verdrietige, romantische liederen eenzelfde sfeer. Telkens wordt haar hese, schelle stem prachtig spaarzaam begeleid door warme pianoklanken of een simpele gitaarpartij, een minieme ritmesectie én een smaakvolle gastbijdrage van Antony Hegarty (van The Johnsons). Real Life is de perfecte plaat voor een regenachtige dag en voor mij een herinnering aan vervlogen liefdes: droevig maar wonderschoon. Timo Pisart
Week 20: Coconut Records – Davy (2009)
Nog één week. Dan breekt mijn drie maanden durende sabbatical oftewel een hele lange vakantie aan. De precieze invulling daarvan ligt nog niet vast, de soundtrack wel. De tweede plaat van Coconut Records, het muzikale project van acteur Jason Schwartzmann (The Darjeeling Limited, Rushmore), vervult daarin een grote rol. Na de gelukkige ontdekking van debuutalbum Nighttiming – West Coast stond snel bovenaan de iTunes-lijst ‘25 meest afgespeelde’ – is opvolger Davy een zomerplaat bij uitstek gebleken. Met het relaxte Microphone, het zonnige Wires en natuurlijk met The Summer. De zonnebrand staat al klaar.
Anne Elshof
Week 19: I Am Oak – On Claws (2010)
Eens in de zoveel tijd ontdek ik een artiest waar ik niet anders dan lyrisch over kan zijn. Het Utrechtse I Am Oak – het alterego van Thijs Kuijken – is er zo een. Op zijn kamer nam hij verleden jaar On Claws op, dat bol staat van sfeervolle indiefolk met akoestische gitaar, banjo, orgel, minimalistische percussie en een enkele strijker en trompet. De betoverende zang van Kuijken en zijn meerstemmige ondersteuning bezorgden me al het eerste nummer een brok in de keel, om me uiteindelijk drieëndertig minuten lang het zwijgen op te leggen. On Claws is een plaat om voor te gaan zitten, bij weg te dromen en jezelf in te verliezen. Ik word er telkens weer stil van. Timo Pisart
Week 18: The Velvet Underground – Loaded (1970)
‘Who loves the sun, who cares that it makes plants grow.’ Onder begeleiding van die cynische tekst begaf ik me deze week door miezerbuien en windstoten van en naar het ANS-kantoor. Ook op de rest van Loaded draait iconisch frontman Lou Reed zijn hand niet om voor opmerkelijke zinsnedes, bijvoorbeeld wanneer hij je in het schijnbaar opgewekte nummer Rock & Roll verzekert: ‘Despite all the amputations, you could still dance to a rock & roll station’. Wie een combinatie van schrander stekelige teksten en experimentele rock waardeert, kan eigenlijk bij het gehele oeuvre van The Velvet Underground terecht. Maar het mooie, lome Oh! Sweet Nuthin’ waarmee dit album afsluit, maakt van Loaded mijn favoriet. Anne Elshof
Week 17: Hans Teeuwen & The Painkillers – How it Aches (2010)
Wie had ooit gedacht dat Hans Teeuwen écht kon zingen? In het project Hans Teeuwen Zingt coverde de komiek een paar jaar terug al allerlei jazzstandards, overigens niet onverdienstelijk. Met How It Aches zet hij zichzelf definitief op de kaart van het Nederlandse jazzlandschap. Betekent dat dat er niets meer valt te lachen? Natuurlijk niet! Met teksten als Tell your husband not to worry, I will fuck you only once en I like your cunt blijft Teeuwen de koning van de platvloerse lach. Gelukkig staan er – naast bijvoorbeeld de klassieker Snelkookpan – ook een paar gevoelige ballades en funky croonnummers op How it Aches, dat al met al een verrassend frisse plaat is geworden. Ja, voortaan kan Hans Teeuwen zich ook ‘zanger’ noemen. Timo Pisart
Week 16: TV on the Radio – Return to Cookie Mountain (2006)
Met een haast dwingende kracht vuurt Wolf Like Me, waarmee de ongemasterde versie van Return to Cookie Mountain opent, zich op je af. Na dit aanstekelijke muzikale geweld schiet de rest van de plaat zo ongeveer alle kanten uit. Van de Bowie-esque vocalen op Blues from Down Here, via Bowie himself die de achtergrondzang op zich neemt op Province, tot het magnetiserende I Was a Lover. Hoewel ik geenszins problemen had gehad met een album vol Wolf Like Me’s, zorgt deze eclectische verzameling voor een luisterervaring die, met enige aandacht, meer dan de moeite waard is. En anders is er altijd nog de repeatknop.
Anne Elshof
Week 15: Bohren und der Club of Gore – Black Earth (2002)
Alsof je in een doodskist ligt. Zo zijn de sferische klanken van Bohren und der Club of Gore ooit bedoeld. Black Earth is eenenzeventig minuten aan één stuk naargeestige, deprimerende, loodzware ‘doom jazz’. Over slepend trage contrabas en drums – vaak niet meer dan een fluisterende hihat en met brushes gestreelde snare – hijgt een saxofoon langzame, treurige melodieën. Op de achtergrond worden de mineurakkoorden verder ingekleurd door droevige synthesizerklanken en af en toe een stemmige Rhodes. Het is loungejazz, maar zou ieder cocktailfeestje bederven. De zware geluidslandschappen, die amper nog nummers te noemen zijn, zijn intiem. Soms zelfs zwoel, en gevaarlijk. Ze zijn hoogst geschikt voor trage liefdesscènes, laat in de zomernacht. Ja, draai op mijn begrafenis maar Bohren. Timo Pisart
Week 14: The Dodos – Visiter (2008)
Na het aanschouwen van de cover-art die niet in dit rijtje zou misstaan (het commentaar bij de laatste albumcover zou evengoed hierop van toepassing kunnen zijn, fourth grade hoeft enkel in kindergarten te worden veranderd), is de muziek die erachter schuilgaat een aangename verrassing. Het album opent met het door zomerse banjoklanken voortgestuwde Walking, dat vlekkeloos overgaat in het innemende Red and Purple. Met dit behaaglijke begin en daaropvolgende nummers als Fools en The Season, toont Visiter zich een uiterst prettige metgezel tijdens een treinreis, op de fiets naar de uni of bij het doorlopen van je ochtendritueel. Ochtendgloren en banjoklanken zijn een goede combinatie. Anne Elshof
Week 13: Balthazar – Applause (2010)
We zouden ons moeten schamen. Pas na 18 platen noemen wij onze zuiderburen voor het eerst. En dat terwijl er zoveel wonderschone muziek uit België komt. dEUS natuurlijk, maar ook Evil Superstars, Isbells, Zita Swoon, Triggerfinger, Absynthe Minded en, nou ja, nog veel meer. Balthazar zou met Applause wel eens de jongste – en hipste – band in dit rijtje kunnen worden. Lome, kurkdroge bas en groovende drums stuwen de rokerige melodieën, die wel wat naar de laatste Arctic Monkeys rieken. Echt een hogere versnelling wordt nergens ingetrapt, maar dat verhoogt de ongrijpbaarheid van Balthazar alleen maar. Ik kan er de vinger nog niet opleggen, maar dit voelt als de meest intrigerende plaat die afgelopen jaren vanuit het Zuiden is komen aanwaaien. Timo Pisart
Week 12: The Shins – Oh, Inverted World (2001)
Hun debuutalbum was al lang en breed uit, opgevolgd door een tweede plaat zelfs, toen de film Garden State me tot The Shins introduceerde. ‘You gotta hear this one song. It’ll change your life’, zegt Natalie Portman wanneer ze haar tegenspeler New Slang laat luisteren. Het is een goede gewoonte om bij alles wat wordt aangeprezen als iets wat je leven zal veranderen, er zeker van te zijn dat het dit niet zal doen. New Slang noch de rest van de dromerige, bitterzoete klanken op Oh, Inverted World zullen je wereld op zijn kop zetten. Toch verlieten The Shins mijn cd-speler wekenlang niet. Niet vanwege een bombastisch effect op mijn leven, maar omdat er zoveel mooie, bedachtzame liedjes op staan. Anne Elshof
Week 11: Sparklehorse – Good Morning Spider (1998)
Toen ik eind 2008 voor het eerst kennismaakte met Sparklehorse wist ik niet wat me overkwam. De eerste noten suggereerden een mooie voortkabbelende lofi popplaat. Binnen twintig seconden maakt die pracht en praal echter al plaats voor één van de naarste en krachtigste nummers in mijn muziekbibliotheek, met snerpende gitaren en een schelle vervormde schreeuwstem. Ik werd overvallen door een allesverterend gevoel: ‘Was alle muziek maar zo oprecht naar.’ Godzijdank klinkt niet de gehele plaat zo, dat had ik niet overleefd. Na het eerste nummer verandert het album toch in die prachtige, trage, zware – maar zalvende – lofi-plaat. Twee weken geleden pleegde Mark Linkous, het genie van Sparklehorse, zelfmoord. Ik heb Good Morning Spider maar weer eens opgezet. Het klinkt beklemmender dan ooit. Timo Pisart
Week 10: Johan – Pergola (2001)
Terwijl ik vorige week stevig in mijn winterjas gewikkeld in het gras lag om de eerste zonnestralen van dit jaar te verwelkomen, dacht ik even aan spontaan uit de lucht vallende tuinkabouters. Tumble and Fall, het bescheiden hitje van Johan’s tweede plaat Pergola, is een van de nummers die ik steevast met de lente associeer. De band, die feitelijk door frontman Jacco de Greeuw werd gevormd, ging eind vorig jaar ter ziele. Bij het laatste optreden in Paradiso kreeg Johan een gouden plaat uitgereikt voor Pergola, dat vol fijn in het gehoor liggende gitaarpopliedjes staat. Met als voornaamste invloed The Beatles is de muziek weinig revolutionair te noemen, maar wat maakt dat uit wanneer het lentegevoel je bekruipt. Anne Elshof
Week 9: De Jeugd van Tegenwoordig – De Machine (2008)
De echte ANS-kenner weet het natuurlijk al lang: de meest geluisterde plaat op het kantoor is helemaal geen indie, geen folk en zeker geen gezapige pop. En we schamen ons er niet voor dat we van De Jeugd houden. De beats zijn te gek, de teksten misschien wat puberaal. Ach, je moet ervan houden. En dat doen wij. Wanneer we er echt doorheen zitten – 04:29, deadlineavond – zet iemand De Machine op, en weldra wordt luid meegebruld met Kerk, Er is een hitje en mijn persoonlijke favoriet Bertje. Eigenlijk weet ik niet zo goed waarom we zo kunnen genieten van De Jeugd. Zijn het de opzwepende synthesizers? De meebrulbare vocalen? Of het feit dat het zo fout is, dat het goed wordt? Wat maakt het uit, wij zingen vrolijk verder: ‘BOYBOOOOOY’. Timo Pisart
Week 8: Belle and Sebastian – Dear Catastrophe Waitress (2003)
‘Waarom is het steeds zo zwaarmoedig?’, was onlangs het commentaar op het gros van de albums die deze rubriek tot nu toe hebben gesierd. Na een korte blik op mijn bescheiden fysieke cd-collectie concludeerde ik dat daar slechts één plaat tussen zit die als vrolijk bestempeld kan worden. Zeven jaar en drie albums na het alomgeprezenTigermilk en If You’re Feeling Sinister gooide Belle and Sebastian het met Dear Catastrophe Waitress over een andere boeg en verwerd het Schotse indiepopgezelschap van ‘wistful’ tot ‘shiny happy people’. Het album staat vol opgewekte melodieën en lieflijke harmonieën, waarmee zelfs van een saaie kantoorbaan een upbeat nummer wordt gemaakt. Toch ontkomt ook deze ANS luistert niet aan wat mistroostigheid. Luister maar naar de teksten. Anne Elshof
Week 7: The Veils – Nux Vomica (2006)
Maar weinig zangers klinken zo gekweld als Finn Andrews. Klinkt zijn stem het eerste moment als een beheerste bariton, het volgende slaat hij over in getormenteerde schreeuwen. Er staan best wat lichte nummers op de plaat, hoor. Het merendeel van Nux Vomica is echter pikzwart. Het gejank van Andrews wordt meestal begeleid door opzwepende drums, stuwende bassen en scheurende gitaren. Soms neemt de band gas terug en wordt Andrews slechts omlijst door een stemmige piano. Voor velen zal de plaat te zwaar zijn. Maar ik zet de cd telkens op, vooral voor het gekrijs dat door merg en been gaat.
Timo Pisart
Week 6: Headless Heroes – The Silence of Love (2009)
In de Valentijnsweek kon het natuurlijk niets anders dan een liefdesliedjesplaat worden. The Silence of Love klinkt als een Knuffelrock-achtige compilatie, maar is in werkelijkheid een coverproject à la Nouvelle Vague. Nummers van onder meer Nick Cave, I Am Kloot en The Jesus and Mary Chain worden in een nieuwe, lichtelijk psychedelische jas gestoken. Het merendeel van de nummers is eerder een beklag dan een hymne over de liefde, zoals de illustratie op de albumcover al doet vermoeden. En als de teksten al geen malheureuse inslag hadden, dan zou het melancholieke stemgeluid van zangeres Alela Diane hier wel voor zorgen. De stelletjes kunnen bij het luisteren van deze plaat met een gerust hart tegen elkaar aan kruipen, de lonely hearts club kan naar hartelust mee zingen. Anne Elshof
Week 5: The Cohens – The Cohens (2009)
Hippelingen uit het indiecircuit, omarm uw nieuwe goden. Met ronkende orgels, stuiterende drums en opgefokte zang vuurt Nijmeegs trio The Cohens op hun naamloze debuut-EP een achttal muzikale bommetjes af. En ze schieten altijd raak. Ieder nummer raast in sneltreinvaart voorbij, altijd catchy, pissig en fel. Het mooiste: The Cohens heeft écht een eigen smoel. Hate it or love it, maar deze band zou in het genre (welk genre eigenlijk?) verschrikkelijk groot kunnen worden. Niet voor niets won de band vorig jaar al de bandwedstrijden Roos van Nijmegen en Gesel van Gelderland en werd derde bij de Sena Performers PopNL-award. Hopelijk is het snel gedaan met hun sabbatical, want ik kan wel een nieuw shot gebruiken. Timo Pisart
Week 4: Ben Gibbard & Andrew Kenny – HOME: Volume 5 (2003)
De krachten van bekende en minder bekende namen uit de indiepop scene worden in de serie HOME tot kleine parels van albums gebundeld. Voor de vijfde editie werden Ben Gibbard – bekend van Deathcab for Cutie en The Postal Service – en Andrew Kenny – minder bekend van The American Analog Set – gestrikt. Eigenlijk is alles wat je van dit album moet weten dat er acht mooie luisterliedjes opstaan, van You Remind Me of Home tot Secrets of the Heart. De zoetgevooisde stem van Gibbard afgewisseld met die van Kenny, beiden enkel begeleid door akoestische gitaar. Niets meer, zeker niets minder.
Anne Elshof
Week 3: Arctic Monkeys – Humbug (2009)
Weg hoekige, catchy gitaren, weg agressief uitgespuwde zanglijnen en weg opgefokte drums. Met Humbug is Arctic Monkeys meer gelaagd – volwassen? – geworden. De gortdroge producties hebben plaatsgemaakt voor uitgesponnen muren van geluid die worden geconsumeerd door de galm en zijn volgeverfd met details. De schuldige is Josh Homme – frontman van Queens of the Stone Age – die de plaat heeft geproduceerd. Nooit groovden de Monkeys zo gevaarlijk, én nooit speelden ze daarnaast zulke fijngearrangeerde liedjes – zoals frontman Alex Turner ze met zijn zijproject zo mooi maakt. Vier jaar geleden bracht Arctic Monkeys haar debuut uit op 23 januari, en werd de band bestempeld als hype. Met Humbug bewees Arctic Monkeys definitief meer te zijn dan die hype. Veel meer. Timo Pisart
Week 2: Nick Drake – Five Leaves Left (1969)
Het tragische levensverhaal van Nick Drake is even legendarisch als ’s mans muziek. Waar de albums van de door depressies getormenteerde folkzanger tijdens zijn leven vrijwel onopgemerkt bleven, zijn ze na Drake’s vroegtijdige en mysterieuze dood volop geprezen. Zo ook het debuutalbum Five Leaves Left. De nummers, die in toon variëren van pure folk tot jazzy, vallen als een warme deken om je heen. Het album voert je moeiteloos mee en wanneer je bent aangekomen bij het etherische Cello Song – dat overigens verdienstelijk is gecovered door The Books en Jose Gonzalez – vraag je je af hoe men dit destijds zo over het hoofd heeft kunnen zien.
Anne Elshof
Week 1: Alamo Race Track – Black Cat John Brown (2006)
Met ijskoude tenen fietste ik vandaag langs het Goffertpark en voor het eerst sinds de zomer zag ik het park in de schemering. Onmiddellijk schoot de herinnering aan een magisch optreden door mijn hoofd – niet aan Coldplay. Een half jaar geleden zag ik Alamo Race Track in het prachtige openluchttheater in het park optreden. En dat na meer dan een jaar radiostilte. Dolgelukkig was ik, dat het Nederlandse Excelsiorbandje nog bestond. Op hun laatste plaat, Black Cat John Brown staat ongrijpbare – maar catchy! – pop. Stiekem mijn favoriete cd van Nederlandse bodem. Alamo Race Track bestaat nog steeds, en staat begin maart in LUX. Op de site van de band is er niets over te vinden, maar ik ben erbij. Timo Pisart
Week 51: Ryan Adams and The Cardinals – Cold Roses (2005)
Nu de koude definitief heeft toegeslagen en ijsbloemen zich op de ruiten vormen, is het tijd om Cold Roses weer uit de digitale kast te trekken. Op deze eerste van de in totaal drie platen met backing band The Cardinals ging hyperproductieve singer-songwriter Ryan Adams terug naar zijn alt-country roots. Dit tot vreugde van menig recensent, die over het algemeen weinig heil zagen in Adams’ rock-georiënteerde projecten. Zoals het country betaamt wordt er op Cold Roses veel hartzeer bezongen. De ene keer met iele stem en sobere begeleiding, de andere keer met warme klankkleur en volledige benutting van The Cardinals, die overigens live het best tot hun recht komen. Anne Elshof
Week 50: Radiohead – Kid A (2000)
Het is weer lijstjestijd: ieder zichzelf respecterend muziekmedium kijkt terug op de ‘jaren nul’ en stelt de vraag: ‘Wat is het beste album van de afgelopen tien jaar?’ Noemen OOR, NME en mijn collega-hoofdredacteur Is This It van The Strokes het neusje van de muzikale decenniumzalm, Pitchfork en ikzelf zeggen: Kid A van Radiohead. De eerste luisterbeurt vond ik het een kutplaat, maar uiteindelijk kropen de griezelige melodieën mijn schedelpan binnen, om daar nooit meer weg te gaan. Kid A is de ultieme nachtplaat: de iele stem van Yorke wordt verzwolgen door elektronica en psychotische blazers. En alles klopt.
Timo Pisart
Week 49: Julian Casablancas – Phrazes for the Young (2009)
Terwijl de debuutplaat van The Strokes in allerlei media tot (een van de) beste albums van het afgelopen decennium wordt uitgeroepen, heeft frontman en muzikaal mastermind achter het New Yorkse vijftal net een soloalbum uit. Keyboard heavy is het sleutelwoord in de recensies van Casablancas’ solowerk. Het gebruik van synthesizers en andere elektronische toetsinstrumenten is misschien ook wel het grootste verschil met het Strokes oeuvre. Nummers als Out of the Blue en 11th Dimension gaan hierdoor de richting van luchtige dansmuziek op. Met zinsnedes als I know I’m going to hell in a leather jacket/At least I’ll be in another world while you’re pissing on my casket is er in de teksten echter nog genoeg welt- en andere schmerz te beleven. Anne Elshof
Week 48: Benjamin Herman – Campert (2007)
Eigenlijk verandert alles wat de productieve saxofonist Benjamin Herman aanraakt in goud: de platen met New Cool Collective zijn stuk voor stuk te gek, zijn soloplaten swingen als opgefokte parenclubleden en zijn samenwerkingen met Hans Teeuwen, Pete Philly & Perquisite en Paul Weller zijn allemaal noemenswaardig. En dat voor iemand die minstens een plaat per jaar uitbrengt. Herman kwam in 2007 met de cd Campert, een uit de hand gelopen soundtrack bij de documentaire over de dichter/schrijver. Campert is jazzy, maar niet té. Een echte lekker lome zondagochtendplaat, en het perfecte eerbetoon.
Timo Pisart
Week 47: Seabear – The Ghost That Carried Us Away (2007)
Nogmaals een plaat uit 2007 en nogmaals folk. Dit keer niet uit het broeierige zuiden van de VS maar uit het koude IJsland. De liedjes die de in totaal zeven bandleden met variërende instrumenten – waaronder ukelele, xylofoon, banjo en harmonica – maken, zijn echter alles behalve koelbloedig. De ene keer lieflijk, de andere keer melancholisch, maar altijd hartverwarmend en met de kinderlijke creativiteit die de Scandinaven in het bloed lijkt te zitten. In maart 2010 brengt het zevental een nieuw album uit getiteld We Built a Fire. Tot die tijd warm ik me graag aan I Sing I Swim en andere parels van het debuutalbum.
Anne Elshof
Week 46: Bowerbirds – Hymns for a Dark Horse (2007)
Dromerige folky liedjes. Bowerbirds is een hippie-duo dat leeft in een hutje in de bossen van North Carolina. Op Hymns for a Dark Horse, hun debuut, bezingen zij min of meer continu de schoonheden van de natuur. De spaarzame arrangementen – sobere samenzang, omlijst door akoestische gitaar, spaarzame drums, piano en accordeon – zijn prachtig. Onlangs speelden Phil, Beth en de meetourende drummer ‘Yan’ in Doornroosje een steengoede show, die eindigde met een ontroerende akoestische versie van Bur Oak, midden in het publiek. [klik hier voor een vergelijkbare uitvoering] Als de bossen waar de Bowerbirds wonen net zo mooi zijn als hun muziek, zou ik er graag wonen. Timo Pisart

(Advertenties)





Midden in het publiek akoestisch? Wat een kut gimmick
Ja, vaak wel. Watson had in ieder geval nog een mooi ‘megafoon-jetpack’. Maar dit was erg mooi.
Kid A, mmm!
Cold Roses, mijn favoriete plaat!
‘Wat maakt het uit, wij zingen vrolijk verder: ‘BOYBOOOOOY’’
Een pluim voor jou, Timo. En de rest van de aanwezigen die jou navolgt, natuurlijk.
Boy onze heilige, wij aanbidden niemand anders dan U, de ware en enige messias op aarde.
Wederom een puike keuze! Leuk om dit te volgen, zeker omdat de muzieksmaak goed overeen komt met de mijne.
Ik moet wel zeggen dat van Sparklehorse Vivadixiesubmarinetransmissionplot voor mij wel dé plaat is.
Dat ie dood is, hoor ik overigens nu pas.
(Balthazar) Ik zou de bas meer typeren als plomp dan kurkdroog. Wel een briljant plaatje, ook hier staat ‘ie op repeat.
Die plaat van Hans Teeuwen is overigens echt ruk. Banaal. Suf. Saaie muziek. Live een sensatie, maar op cd: I don’t like your cunt..
ah nice….velvet underground!
en idd vooral oh sweet nuthin! heerlijk nummer
‘k denk dat ik zometeen mijn lp van loaded maar weer tevoorschijn ga halen
Wat een fantastische selectie!
“Kid A is de ultieme nachtplaat: de iele stem van Yorke wordt verzwolgen door elektronica en psychotische blazers.” Daar ga ik!
Wie The Avett Brothers te pruimen vindt, kan ik vooral ook Megafaun en Akron/Family aanraden! Zelfde soort muziek, klinkt iets meer indie en fris.
The Avett Brothers
Goeie zaak!
De plaat van CocoRosie is in tegenstelling tot het hoesje in ieder geval wel mooi.
Miles, wat een held. Zelf nog een keer Adagio gespeeld maar klinkt in de verste verte niet zo goed als bij de koning zelf.
‘Ongelooflijk dat zo’n talent zich ermee inlaat het nu al mislukte genre ‘Folktronica’ te willen scheppen ten koste van haar eigen authenticiteit.’
Het nu al mislukte genre?
1. Nu al? Bestaat folktronica niet al een jaartje of 10? Four Tet?
2. Mislukt?