Johan Derksen – ‘Ik doe dit alleen voor het geld’
Hij staat bekend als de meest meedogenloze voetbalanalyticus van Nederland. Wanneer zijn lange werkdag erop zit laat Johan Derksen de hectische voetbalwereld echter voor wat het is en geeft hij zich over aan zijn ware passie: de blues.
Na zijn voetballoopbaan maakte Johan Derksen (59) carrière in de sportjournalistiek. Als hoofdredacteur van Voetbal International (VI) en vast analyticus van het gelijknamige televisieprogramma geniet hij een ongenaakbare status die menig speler en trainer angst inboezemt. Met zijn ongezouten mening raakt hij ook bij het publiek een gevoelige snaar. De grimmige hoofdredacteur ontvangt dagelijks meer dan honderd dreigmails.
Vanuit zijn sombere kantoor, achter geblindeerde ramen en een gordijn van sigarenrook, regeert Derksen met strakke hand over de redactie van VI. Aan alles is te merken dat bij deze workaholic orde en structuur hoog in het vaandel staan. Zowel de boeken in zijn kast als de stapels papier op zijn bureau zijn perfect symmetrisch gerangschikt. Zorgvuldig een sigaar tot zich nemend, vertelt hij onomwonden over zijn werk en het leven dat daarachter schuilgaat.
U staat erom bekend geen blad voor de mond te nemen. Bent u zich bewust van de impact van uw uitspraken?
‘Ik zit interessant te doen op tv, maar heb eigenlijk niets te vertellen. Ik heb totaal geen macht, de clubs en de spelers zijn de baas. Ieder interview wordt nagekeken voor publicatie. Alles wat de club er niet in wil, moeten we schrappen. Dat geldt voor ieder dagblad en tijdschrift in Nederland. Schijnheilige journalisten van de Volkskrant of het NRC praten daar alleen nooit over.
Op televisie deinst u er echter niet voor terug iemand publiekelijk te kleineren.
‘Als je zo ijdel en hebberig bent om op tv te willen komen, dan heb je toch de morele verplichting om je bek open te trekken? Ik kan niet tegen slijmballen die aanschuiven in hun zondagse pak en vervolgens om de hete brei heen draaien. Ik word uitgenodigd om mijn mening te ventileren, dus doe ik dat ook. Voetballers reageren altijd zo simplistisch: als je vindt dat ze goed kunnen voetballen ben je een topgozer, maar als je kritisch bent vinden ze je een slechte journalist. Dat is niet de definitie van journalistiek. Die jongens kunnen geen kritiek verdragen, die willen iets voor het plakboek. Daar houd ik niet van. Als het goed is, is het goed en als het slecht is, is het slecht.’
U kende geen genade voor uw vriend Willem van Hanegem toen hij onlangs als trainer bij FC Utrecht fel werd bekritiseerd. Was het werkelijk nodig om zo hard op te treden?
‘Persoonlijk betreur ik die situatie zeer, maar ik had geen keus. Ook je beste vriend kan de fout in gaan. Als ik dan niet kritisch reageer zoals ik bij anderen ook doe, ben ik de rest van mijn journalistieke carrière ongeloofwaardig. De keerzijde is dat ik op den duur geen vrienden overhoud. Dat neem ik voor lief.’
Alles moet dus wijken voor uw werk?
‘Ik sta om 4 uur ’s ochtends op en werk door tot 12 uur ’s nachts. Ik ben alleen zondagochtend tot twaalf uur vrij, de rest van de tijd is structureel ingevuld. Bij mij komt het talent niet in grote brokken mijn broekspijpen uit, dus moet ik simpelweg harder werken dan de concurrentie. Wel zorg ik ervoor dat het niet mijn hele leven beheerst. Ik vind het maken van een blad over voetbal leuk, maar ik doe het eigenlijk alleen voor het geld. Mijn passie is van een heel andere orde dan dat balletje. Mijn passie is de blues.’
Hoe is die liefde voor de blues begonnen?
‘Toen ik jong was, was ik een redelijk begaafd drummer. In de jaren zestig kwam ik met de jongens van Cuby & the Blizzards in contact. Die band werd binnen een paar jaar de toonaangevende bluesband van Nederland. Harry Muskee, de zanger, is mijn beste vriend geworden. Ik kom uit een streng gereformeerd milieu en mijn levensstijl was destijds echt not-done. Lang haar, muziek: dat kon niet. Ik werd opstandig en wilde op mijn zestiende het huis uit. In die tijd kon ik mezelf niet onderhouden, dus moest ik ergens mijn geld vandaan halen. Omdat ik wel aardig kon voetballen ging ik als prof aan de slag bij Go Ahead Eagles. Voetbal was pure noodzaak. Van dat salaris kon ik prima leven. Sindsdien ben ik nooit meer thuis geweest. Mijn drumstokken heb ik niet meer aangeraakt, maar de blues is nooit uit mijn leven verdwenen.’
Heeft u nooit spijt gehad dat u niet verder bent gegaan in de muziek?
‘Ik werd tegengewerkt door mijn vader om beroepsmatig in een band te gaan spelen. Muziek had volgens hem geen toekomst. Op zijn sterfbed heb ik daar nog met hem over gediscussieerd. Hij zei: “Als ik nu weer die beslissing zou moeten nemen, had ik precies hetzelfde gedaan. Ik heb je toch maar mooi uit die wereld gehouden. Je hebt nu tenminste een fatsoenlijke baan.” Ik vond het niet het moment voor een uitvoerige ruzie, maar heb hem wel gevraagd of ik de volgende keer misschien zelf zou mogen beslissen. Die man was niet voor rede vatbaar. Voetballen was voor mij een vlucht, maar je hoeft geen medelijden met me te hebben. Ik heb me in de voetballerij altijd ontzettend vermaakt en ik heb een bijzonder avontuurlijk leven. Maar als ik zelf op mijn zestiende had mogen kiezen, was ik achter het drumstel gekropen.’
Heeft u naast uw drukke baan nog tijd voor muziek?
‘Het gaat dag in, dag uit over voetbal. Ik maak een blad en verzorg een rubriek op internet, ik heb een dagelijks programma bij Eredivisie Live en ik zit bij RTL. Maar als ik de deur achter me dichtsla is het over. Thuis wordt er nooit over voetbal gesproken. Ik heb duizenden cd’s en platen en hele boekenkasten vol over blues. Muziek kan mij niet zwaarmoedig genoeg zijn. Koptelefoon op, zo’n jankstem in je oren, een sigaar in je mond en je vrouw naar bed. Dat houdt me in leven. Elf maanden voetbal vind ik prima, maar ieder jaar na de competitie vlucht ik naar de Verenigde Staten om concerten te bezoeken. Als je daar een hotel in het centrum van een middelgrote stad neemt, heb je zo’n twintig bluesclubs op loopafstand. Ik pak dan om 6, 9 en 12 uur een optreden. Na mijn tijd bij VI wil ik naar de Verenigde Staten om mijn laatste jaren te slijten temidden van mijn passie.’
Gaat u het voetbal en u werk dan niet missen?
‘Nee. Ik heb me voorgenomen tot mijn 65ste te werken en dan is het mooi geweest. Ik kan heel goed zonder voetbal. Ze zullen mij nooit meer op de redactie terugzien. Ik hoef ook echt geen dramatisch afscheid. Mijn werk is geweldig en ik heb uitstekende collega’s, maar ik ga privé met niemand om. Ik heb daar totaal geen behoefte aan.’
Amerika, bepaald geen voetbalnatie, is voor u het beloofde land?
‘Het leven is daar een stuk relaxter, ik kan me volledig terugtrekken. Als je tien jaar non-stop op tv bent, houd je geen privacy meer over. Soms als ik in Nijmegen op jacht ben naar platen en cd’s, ga ik wat drinken bij café In de Blaauwe Hand. Het is daar lekker rustig. Toen ik laatst in Nijmegen kwam, was die tent dicht. Omdat ik nodig moest pissen ging ik maar een andere kroeg in. Ik was nog niet bij de wc of ik werd al nageroepen: “Hé Derksen! Moet je niet naar het voetballen in plaats van je te bezatten in het café?” Praten over voetbal met een onbekende voorbijganger vind ik het ergste wat er is. Iedereen klampt je aan en supporters zijn agressief. Als ik naar het stadion ga, moet ik rennen voor mijn leven. Ik heb daar geen zin meer in. In Amerika ben ik volkomen anoniem, er is niemand die zich met me bemoeit. Ik ben een loner en kan me heel goed in mijn eentje vermaken. Ik hoef geen uitgebreide kennissenkring of een sociaal leven. Nee, dat kan me gestolen worden.’
Tekst: Joost Nellen en Juliet Van de Voort
Foto: Johannes van Assem





De Held!
Wat een geweldige vent! Geen slap gezever, gewoon lekker somber en recht voor zijn raap.