Filmrecensie: Salt of this Sea
Inmiddels is het al meer dan een halve eeuw geleden dat de eerste officiële conflicten tussen de staat Israël en Palestina plaatshadden. De afgelopen decennia hebben er in het gebied talloze verhalen vorm gekregen. Een aantal van deze verhalen zijn – door de ogen van de jonge Soraya (Suheir Hammad) en Emad (Saleh Bakri) – te zien in Salt of this Sea.
De Amerikaans-Palestijnse Soraya wordt in het begin van de film op het vliegveld van Jeruzalem uitgebreid gefouilleerd en ondervraagd, vanwege haar Palestijnse uiterlijk en naam. Veelvuldig benadrukt ze een New Yorker uit Brooklyn te zijn en gewoon een vriendin te willen opzoeken. Kort daarna blijkt dat ze het plan heeft opgevat om een nieuw leven te beginnen in Ramallah, een Palestijnse stad ten noorden van Jeruzalem en de thuishaven van haar familie.
Een van de eerste ondernemingen van Soraya in Ramallah is een bezoek aan de bank waar haar opa zestig jaar geleden zijn spaargeld op had staan. Ondanks dat de bankmedewerker haar verzekert dat deze rekening samen met tal van andere rekeningen verloren is gegaan staat ze erop met een leidinggevende te spreken. De manager van de bank staat haar te woord. Hij is vriendelijk en beleefd, maar kan niet anders dan haar vertellen dat het geld er niet meer is. Ondanks dat het om een klein bedrag gaat staat Soraya op haar strepen. Ze is overduidelijk op zoek naar een confrontatie. Ook later, wanneer ze haar ouderlijk huis bezoekt waarin nu een Joodse vrouw woont, zie je haar woede en behoefte aan confrontatie.
Soraya krijgt tijdens haar verblijf voortdurend tegenslagen te verduren. Maar met haar standvastigheid en vloeiende Arabisch weet ze zich daar iedere keer weer aardig uit te redden. Waar Soraya geen verblijfsvergunning noch een Palestijns paspoort kan krijgen om zich in Ramallah te vestigen, zijn de zaken voor de knappe, jonge Emad volledig omgekeerd. Hij is al zeventien jaar de stad niet uit geweest en wacht tevergeefs op goedkeuring van een visum om in Canada te kunnen gaan studeren. Hij zou vervolgens nooit meer terug willen keren naar zijn vaderland. Als Soraya en Emad uiteindelijk zo gefrustreerd zijn door de autoriteiten, besluiten ze het heft in eigen handen te nemen. Samen met een vriend van Emad overvallen ze de bank waar Soraya’s opa een rekening had. Met het rechtmatige bedrag – inclusief zestig jaar rente – gaan ze ervan door. In Joodse vermomming vertrekken ze naar Jeruzalem en ze besluiten door het land, dat ook hun land is, te gaan rond te reizen.
Je zou verwachten dat de ontmoeting met Emad en zijn vriend Soraya’s mening over haar eigen lot zou doen verzachten. In vergelijking met de Palestijnse jongens, is haar eigen positie immers luxe. Niets is minder waar: voor de rest van de film blijft ze vechten voor – vooral haar eigen – rechten.
Het acteerwerk van Suheir Hammad is bij tijd en wijlen gênant slecht. Haar woede uitbarstingen zijn vaak weinig overtuigend. Ook de politiek getinte speeches die ze gedurende de film te pas en te onpas geeft doen gekunsteld aan en zijn daarmee weinig overtuigend. Hammad, die dichteres is en nog niet eerder in een film speelde, lijkt geen geboren actrice. Ook regisseuse Annemarie Jacir treft blaam. De manier waarop ze alle Israëli’s afschildert als kleinerende pestkoppen lijkt kort door de bocht en daarmee onecht.
Daar staat tegenover dat de landschappen en beelden in de film prachtig zijn en het ingetogen acteerwerk van Saleh Bakri noemenswaardig goed is. De dialogen, speeches en ruzies zorgen er wellicht voor dat sommige karakters weinig overtuigend zijn, maar de film is absoluut informatief. Hij zet de kijker er toe aan zich verder te willen verdiepen in het Israëlisch-Palestijns conflict.
Tekst: Loes Perrée







