ANS kijkt: 2001: A Space Odyssey

Auke van der Veen

Van gloednieuwe kaskrakers tot klassieke pareltjes, ANS werpt een blik op het medium film. Soms is het genieten, soms huilen met de kraan open, maar altijd op basis van de deskundige mening van een ANS-redacteur.

Een kleine 50 jaar geleden kwam een film uit die velen al snel de beste in zijn soort noemden. De kijker aanschouwde voor het eerst een min of meer realistische weergave van een vlucht door de ruimte, werd overdonderd door revolutionaire special effects en kreeg dankzij een filosofisch volgeladen plot genoeg stof tot denken. 2001: A Space Odyssey is dé inspiratiebron geworden voor bijna alle sciencefiction-films die regisseurs na 1968 maakten en bepaalt zelfs nu nog hoe deze tegenwoordig worden gemaakt. Bekijk dit pareltje en vervolgens bijvoorbeeld Christopher Nolan’s Interstellar (2014). Je zult versteld staan van de overeenkomsten.

Het diepe heelal
Waar gaat Stanley Kubrick’s creatie, deels gebaseerd op Arthur C. Clarke’s korte verhaal The Sentinel, precies over? Oppervlakkig gezien volgt de film het grootste deel van de tijd de reis van een ruimteschip op weg naar Jupiter, in een zoektocht naar een mysterieuze zwarte monoliet. Astronaut David Bowman (Keir Dullea) is de hoofdpersoon in dit verhaal, maar van een hoofdpersoon zou je eigenlijk niet moeten spreken. Het eerste gedeelte van de film betreft namelijk slechts een groepje apen miljoenen jaren geleden, in het tweede gedeelte reist een wetenschapper naar de maan en pas na hierna zien we voor het eerst de bovengenoemde astronaut. Je moet deze film misschien ook niet kijken als een verhaal met een duidelijk plot. Op sommige punten kan het geheel zelf als een LSD-achtige trip overkomen. Maar laat je hierdoor niet afschrikken: Kubrick weet op een subtiele manier vragen op te roepen over onder andere evolutie, de rol van de mens in het universum en het gevaar van computers.

Het talent van Kubrick 
Geen enkel shot is per ongeluk geplaatst in deze film, die dankzij een traag tempo lekker meditatief is. Dit laatste effect wordt versterkt door Kubrick’s muziekkeuze. Eerst had hij nog een componist ingehuurd om een splinternieuwe soundtrack te maken, maar hij koos uiteindelijk voor delen uit klassieke stukken. Vooral het gebruik van An der schönen blauen Donau van Johan Strauss II en Richard Strauss’ Also sprach Zarathustra voegen op die manier veel toe aan 2001. In tegenstelling tot een soundtrack die actiemomenten zou benadrukken versterkt deze muziek het meditatieve, transcendente karakter van de film. Dat het stuk van de tweede Strauss dezelfde naam heeft als een werk van filosoof Friedrich Nietzsche, is waarschijnlijk geen toeval.

Kortom, zonder Kubrick was deze film waarschijnlijk een flop geworden. Met zijn extreme precisie en oog voor detail nam deze regisseur drie jaar de tijd om het meest perfecte resultaat te bereiken.