ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Naema Tahir – ‘Een religie even parkeren’

Onlangs verscheen Naema Tahirs laatste boek Groenkapje en de bekeerde wolf, met daarin haar eerste zeven moslimsprookjes. De schrijfster put uit haar eigen ervaringen met de Islam. ‘Het zijn geen verhalen om gezellig voor te lezen.’

Naema Tahir (38) haalt de inspiratie voor haar – onder moslims omstreden – boeken uit haar verleden. Ze voorkwam ternauwernood uitgehuwelijking en ervaarde zowel de banden van een strenge religie als het leven als afvallige. Toch is haar werk niet autobiografisch. ‘Er zijn twee redenen waarom ik geen memoires zou kunnen schrijven. Niemand zou me geloven. Ik ben voor mijn vijftiende vijf keer geëmigreerd, het verhaal van mijn jeugd is voor één boek echt too much. Daarnaast vind ik het moeilijk om te praten over mijn jeugd. In de periode tussen mijn vijftiende en twintigste levensjaar was ik doodongelukkig. In mijn boeken lees je over meisjes tot 15 jaar en jonge twintigers. Over de leeftijdsgroep daar tussen kan ik niet schrijven.’

Wat maakte je adolescente jaren zo ongelukkig?
‘Ik heb veel moeite gehad om me thuis te voelen. Niet bij mijn ouders thuis, maar in de verschillende landen waar ik opgroeide. Ik woonde afwisselend in Groot-Brittannië, Pakistan en Nederland. Door wisselende schoolsystemen en een terugkerende taalachterstand moest ik steeds klassen overdoen. Als je een taal slecht spreekt, ben je nergens echt goed in.’

Welke migratie was het moeilijkst?
‘Vooral de laatste twee; van Nederland naar Pakistan, en terug. Hier droeg ik spijkerbroeken, speelde ik veel buiten, fietste ik naar school en deed ik boodschappen voor mijn moeder. In Pakistan moest ik ineens kleding aan die me volledig bedekte en kwam ik bijna nooit meer buiten. Dat vond ik verschrikkelijk.’
‘In de jaren ’80, toen ik terugkwam in Nederland, was kort haar met veel gel hier in de mode. Ik had lang haar en kleedde me compleet anders dan mijn leeftijdsgenoten. Ik zat niet lekker in mijn vel en als reactie daarop werd ik heel religieus. In religie kan iedereen excelleren. Van God hoef je geen paspoort te hebben of tienen te halen. Religie vernauwt je visie. Daar had ik als puber veel behoefte aan.’
‘Toen ik Rechten studeerde en op kamers ging wonen werd ik niet bepaald gelukkiger. In het studentenhuis waar ik woonde zat de douche naast de keuken. Ik was ontzettend vroom en preuts en wilde daar in eerste instantie niet douchen. Ik voelde me onbegrepen door mijn huisgenoten en net als tijdens mijn pubertijd was ik eenzaam en verdrietig.’

Je verloofde je in die periode met een man die werd uitgezocht door je ouders. Je verbrak die verloving vroegtijdig. Betekende dat ook een breuk met je jeugd?
‘Ja, absoluut. Een Pakistaanse moslimvrouw wordt volwassen wanneer ze trouwt. Voor die tijd neemt haar vader al haar beslissingen. Ik besloot op dat moment zélf: ik wil niet met deze man trouwen. Dat betekende een breuk met mijn verleden en daarmee met mijn familie. Ik heb mijn ouders al jaren niet gezien. Met mijn oudste zus deelde ik voorheen lief en leed. Nu zie ik haar nooit meer. Ik weet dat ik hen pijn heb gedaan, maar zij mij ook. Ik denk weleens: was ik maar gewoon met die man getrouwd. Het zou zoveel makkelijker zijn geweest.’

Neem je het je ouders kwalijk dat ze een huwelijk wilden afdwingen?
‘Ik vind het moeilijk dat ze me wilden uithuwelijken. Zoiets mag een ouder nooit doen. De breuk doet mijn ouders veel pijn. Ze verzwijgen in hun Pakistaanse gemeenschap dat ik getrouwd ben met een niet-moslim. Onlangs, na mijn verjaardag, hoorde ik van mijn zusje dat ze een taart hadden gekocht. Dat raakte me wel.’
‘Ik twijfel weleens of ik het niet anders had moeten aanpakken. Hadden we niet meer in gesprek moeten blijven? Soms krijg ik mails van meisjes die me om raad vragen, omdat ze uitgehuwelijkt worden door hun ouders. Ik adviseer ze om koste wat kost met hun ouders te blijven praten. De tweede generatie immigranten heeft een groot netwerk, die komen wel goed terecht. De eerste generatie heeft het veel moeilijker. Hun achterban zit in Pakistan, in het traditionele milieu.’

Na je studie Rechten ging je aan het werk als juriste bij het Ministerie van Economische en van Buitenlandse Zaken en later ging je aan de slag in Straatsburg als mensenrechtenactiviste. Dat gaf je afgelopen jaar op om enkel als schrijver aan de slag te gaan. Dat is een behoorlijke carrièreswitch.
‘Soms mis ik mijn leven als mensenrechtenactiviste. Je neemt veel dossiers door, maar bent ook praktisch bezig en gaat rondkijken bij samenlevingen. Er valt zoveel te bereiken. Er is nog altijd veel sprake van machtsmisbruik. Door ingrijpen kan een beschaving verbeteren. Dat is heel mooi, maar schrijven is emotie. In literatuur zit meer emotie dan in een dossier. Schrijven is mijn passie.’

Onlangs kwam je nieuwste boek Groenkapje en de Bekeerde wolf uit. Waarom koos je ervoor om dit keer sprookjes te schrijven?
‘Wanneer je moeilijke zaken wilt bespreken is dit soms makkelijker in een verhulde vorm. Bepaalde dingen moeten gezegd worden. Ik wil dit subtiel doen. Als ik had willen provoceren, dan was ik wel op een podium gaan staan of politicus geworden.’
‘Toch ben ik geen lieverdje. De sprookjes zijn sarcastisch van toon. Het zijn geen verhalen om gezellig voor te lezen. Ze moeten aanzetten tot denken. Literatuur mag mensen best met een ongemakkelijk gevoel achterlaten. Ik vertel gewoon mijn verhaal. Dat wordt me niet altijd in dank afgenomen. Sommige moslims zeggen: “Deze boeken zijn niet goed voor het debat over de Islam, je moet mooie verhalen schrijven over moslims.” Mijn boek is niet bedoeld als politiek manifest. We leven niet in het tijdperk van Stalin, waarin elk boek een politiek doel diende. Ik zeg niet: moslima’s moeten hun man bedriegen. Ze bedriegen hun man. Althans, sommigen doen dat. Ik wil gewoon verhalen schrijven, en wel over het menselijk tekort in het algemeen en het tekort van de Islam in het bijzonder.’

In Groenkapje en de bekeerde wolf zegt de wolf: ‘Mensen begrijpen Islamhaat beter dan de Islam zelf.’ Is dat ook je eigen opvatting?
‘Men weet niet wat de Islam inhoudt. Ze hebben meer oor voor Islamhaat dan voor de Islam. Wanneer op het nieuws wordt verteld over een Ramadanfestival, vallen mensen bijna in slaap. Wanneer ergens vier vrouwen vermoord zijn omdat ze hun eigen keuze wilden maken, dan gaan de voelsprieten pas uit.’

Ook zegt de wolf: ‘Ik wil niet bekeren, maar afvallig blijven. Het levert me meer geld en roem op.’ Hadden die woorden uit jouw mond kunnen komen?
‘Nee, ik ben moslim. Er is een heel monopolie op wat moslim-zijn is. Het woord “moslim” betekent letterlijk “ik geef me over”. Dat doe ik ook. Ik geef me over aan een macht groter dan ikzelf. Ik weet niet precies waarin ik geloof. Misschien bestaat God, misschien niet. Er zijn mensen die vijf keer per dag bidden, een hoofddoekje dragen en vasten. Maar er zijn hele andere manieren van moslim zijn. Ik geef mezelf over aan het leven. Ik voel me moslim genoeg. Iemand vroeg me eens: “Heb je je religie dan geparkeerd?” Dat vond ik zo’n heerlijk woord. Nederlanders zijn zo nuchter. Even een religie parkeren, even andere dingen doen. Hoe ouder ik word, hoe makkelijker ik het vind religieuze tradities los te laten. God is voor mij het goede in de mens.’

Was je niet bang voor de reacties op je nieuwe boek?
Nee. Ik heb hoge verwachtingen van mensen. Ik wil graag geloven dat ze mijn boek op de juiste manier gaan lezen. Elke schrijver neemt risico’s. Ik neem meer risico dan veel andere schrijvers, maar provoceren is niet mijn doel. Ik heb nog niet veel woedende reacties gehad. Ik voel nu meer verantwoordelijkheid dan bij mijn eerdere boeken. Er zijn wel eens moslims die na een lezing naar me toe komen en zeggen: “Mevrouw, u valt eigenlijk wel mee.” Ik ben geen boeman.’

Tekst: Andy Leenen en Loes Perrée
Foto: Sjors Overman

Klik hier voor alle artikelen van ANS december 2008