ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Agnes Jongerius – Vakvrouw

Als leider van de grootste Nederlandse vakcentrale is Agnes Jongerius een vrouw om rekening mee te houden. De FNV-voorzitter wil ‘haar’ organisatie op de kaart zetten onder jonge hoogopgeleiden. ‘De vakbeweging bestaat niet uit halvezolen met petjes op die actie voeren.’

Het kantoor van ’s lands machtigste vrouw is opmerkelijk sober. Het doet nog het meest denken aan een veredelde bouwkeet. Aan de grauwe muren hangen knipsels en kaarten – zoals een afbeelding van Jan-Peter Balkenende met een blauw oog, begeleid door de tekst ‘Ben gevallen’ – en een immense tafel slokt vrijwel de hele ruimte op. Vanuit deze plek leidt Agnes Jongerius (49) de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), de grootste belangen- behartiger van werkend Nederland. Mede dankzij een positie in de Sociaal-Economische Raad (SER) is de FNV-voorzitter een niet te onderschatten speler in het politieke veld. Dat Alexander Pechtold haar vorig jaar tijdens een Tweede Kamerdebat bestempelde als de echte minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is tekenend voor Jongerius’ invloed.
Hoewel de FNV zich neerzet als dé vertegenwoordiger van werknemers, is de overgrote meerderheid van die groep geen lid van de vakbond. Met name onder jongeren heeft de vakcentrale te lijden van haar imago als organisatie voor ‘oude, laagopgeleide, blanke mannen’, zoals Jongerius haar stereotype doelgroep verwoordt. Van de werkenden onder de 25 jaar heeft slechts 8 procent zich aangesloten bij een werknemersorganisatie.

Hoe probeert u de jongere generaties bij de FNV te betrekken?
‘Ons voornaamste middel om jongeren aan te spreken is langs opleidingen gaan en daar voorlichting geven. Niet zozeer over de FNV, maar over wat het betekent om te gaan werken. Het valt mij op hoe weinig aandacht daar in opleidingen, op welk niveau dan ook, aan wordt besteed. Ik vind dat mensen minstens moeten worden geïnformeerd over de basale rechten die zij hebben wanneer ze gaan werken. Zo mogen mensen best weten dat ze hun contract niet direct hoeven te ondertekenen, maar gewoon mee naar huis mogen nemen en er iemand naar kunnen laten kijken. Ik snap dat de meesten niet hun cao doorspitten, het is niet bepaald interessante bedlectuur. Een aantal basisbegrippen zou iedereen echter wel moeten kennen.
‘De voorlichtingen zijn voor ons een methode om jonge mensen te laten nadenken over de wereld van werk en inkomen. Het gaat niet direct om het werven van leden, het is eerder een poging het beeld te doorbreken dat de vakbeweging bestaat uit halvezolen die met petjes op actie voeren.’

In een interview met ANS in 2008 stelde PvdA-politicus en medeoprichter van het Alternatief voor Vakbond Mei Li Vos: ‘De grote vakbonden representeren maar 25 procent van werkend Nederland, maar zij gaan wel over de cao-onderhandelingen. Jongeren, vrouwen, freelancers en allochtonen worden in de onderhandelingen amper vertegenwoordigd.’ Kunt u zich vinden in die kritiek?
‘Feiten moet je ruiterlijk toegeven. Als je pretendeert de belangenbehartiger van hardwerkend, kleurrijk Nederland te zijn, schept dat de verplichting ervoor te zorgen dat die mensen zich herkennen in wat je doet. Om te peilen hoe niet-leden aankijken tegen wat de FNV zoal bewerkstelligt, voeren we regelmatig onderzoeken uit onder deze groep. Daaruit blijkt dat de maatschappelijke steun voor de vakcentrale veel groter is dan het ledenaantal. Er ligt dus een marketinguitdaging om de mensen die ons werk steunen en er via cao’s van profiteren, over te halen contributie te betalen.’

Is de vakbond met haar vergrijzende ledenbestand geen achterhaald concept dat uiteindelijk leeg zal lopen?
‘Een club die opkomt voor werknemersbelangen is absoluut niet achterhaald, zeker niet zolang er werkgeversorganisaties zijn. Ik vind het echter prima om na te denken over nieuwe manieren om werkenden te organiseren. Het volledige lidmaatschap is misschien achterhaald.
‘Wat betreft de vergrijzing, die treft nu eenmaal de samenleving, dus ook ons ledenbestand. Pas als die vergrijzing tot leegloop zou leiden, zouden we iets fout doen. Instroom van vers bloed is noodzakelijk, zowel voor de representativiteit als voor de vitaliteit van de FNV. Nieuwe, jonge mensen brengen frisse ideeën met zich mee en kunnen ervoor zorgen dat zaken die als vaststaande feiten worden beschouwd eens tegen het licht worden gehouden. Ze vormen de zuurstof naar de hersenen van een organisatie.’

Weet de FNV die mensen voldoende aan te trekken?
‘Nou ja, het kan succesvoller. Binnen de organisatie proberen we jonge werknemers in ieder geval zoveel mogelijk ruimte en vertrouwen te geven. Achter de schoonmaakacties zit bijvoorbeeld een team van mensen die allen, op één na, onder de 30 zijn.’

Naast haar zeventigurige werkweek als FNV-voorzitter neemt Jongerius plaats in verschillende commissies. Zo zit ze, met onder andere oud-minister Ronald Plasterk en SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan, in het comité van aanbeveling van Stichting Witte Tulp, een educatief centrum dat streeft naar een optimale ontwikkeling van basis- en middelbare schoolleerlingen. Hoewel veel scholieren gaan studeren zonder specifiek
beroepsperspectief, vindt Jongerius niet dat er meer aandacht zou moeten zijn voor aansluiting op de arbeidsmarkt. ‘De studietijd is juist een periode waarin het niet om een bepaalde beroepsuitoefening, maar om een algemene ontwikkeling draait. Ik weet dat er steeds meer opleidingen zijn die titels krijgen alsof het rechtstreekse beroepsopleidingen zijn. Ik hoop echter dat studenten hun studietijd niet alleen gebruiken om voor het ABN Amro Management Traineeship in aanmerking te komen, maar ook om zich geestelijk te verrijken en het liefst in verschillende richtingen.’

Hoeven studenten volgens u dan niet na te denken over hun toekomst in ‘de wereld van werk en inkomen’?
‘Je moet natuurlijk beseffen dat er een leven is na de universiteit, een leven waarin je in eigen inkomen moet en mag gaan voorzien. Tegelijkertijd is dat heel lastig, want hoe weet je nou welke banen er precies zijn? Je weet wat je ouders doen en misschien wat de buren en ooms en tantes doen. Maar vaak hebben die banen ook nog titels waarvan je geen idee hebt wat het inhoudt. Los van de titel denk ik dat het type bedrijf waar je gaat werken ongelofelijk belangrijk is voor de vraag of je op je plek zit. Een beetje trial and error door middel van stages is wel nuttig.’

Toch zou sturing vanuit pragmatisch oogpunt verstandig kunnen zijn. Zo dreigt er een tekort aan afgestudeerden in de bètawetenschappen.
‘Ik denk liever na over hoe je ervoor kunt zorgen dat mensen hun keuze niet op basis van vooroordelen maken. Het is misschien een ongelukkige vergelijking, want iedereen denkt nu: “Daar heb je haar weer met haar oude-doos-verhalen”, maar toen ik studeerde deden er nauwelijks meisjes Geneeskunde. De misvatting bestond dat die studie te technisch was voor meisjes, waardoor het voor hen geen optie was. Jongeren moeten het hele spectrum aan mogelijkheden krijgen voorgeschoteld en zich daarbij niet laten leiden door foutieve beelden, opdat ze uiteindelijk op een plek belanden waar ze het meest tot hun recht komen.
‘Ik ken de doemscenario’s over de hordes bèta’s die in China van de universiteiten af komen en dat Nederland het echt helemaal gaat afleggen. Over hoe hier straks alleen nog een toeristische sector overblijft om welvarende Chinezen te bedienen. Natuurlijk mag er op worden gewezen dat je goede toekomstperspectieven hebt als je voor een bèta-opleiding kiest. Maar het belangrijkst vind ik dat er een vrije keuze wordt gemaakt. Dat recht vind ik een groot goed en dat moet zeker niet worden gestuurd met rare ideeën als het duurder maken van bepaalde studies.’

Zouden meer studentes een topfunctie als de uwe moeten ambiëren?
‘Daarvoor geldt eigenlijk hetzelfde principe als bij studiekeuze. Naar mijn mening hoeven mensen geen topfunctie na te streven, maar het moet ook niet als optie worden uitgesloten vanwege de gedachte “dat is toch niet voor mij weggelegd”.
‘De “doe maar gewoon”-mentaliteit en het idee dat je niet mag dromen zijn natuurlijk heel Nederlands. Ik vind dat je wel mag dromen, het liefst zo groot mogelijk en zonder oogkleppen op. Wie de talenten heeft om een topfunctie te vervullen, moet zich niet laten weerhouden door mensen die in vooroordelen denken.’

Vervult u bewust een voorbeeldfunctie voor vrouwen?
‘Ik geloof wel dat ik een voorbeeldfunctie heb, maar ik ben daar niet continu mee bezig. Wanneer jonge vrouwen me vragen hun mentor te zijn of om een rol op het podium te spelen en mijn verhaal te doen, doe ik dat graag. Ik word in mijn functie zoveel benaderd als vrouw dat ik me er wel bewust van moet zijn. Ik denk bijvoorbeeld niet dat mijn voorgangers ooit in het kerstnummer van Libelle hebben gestaan. Ik wel!’

Tekst: Anne Elshof
Foto’s: Valentijn Brandt

Klik hier voor alle artikelen van de ANS juni 2010.





blog comments powered by Disqus