ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Joeri Boom: ‘De drang om oorlogsgebieden op te zoeken is een adrenalineverslaving’

Als rasechte oorlogsjournalist bestrijdt hij een crisis in zijn vakgebied. Joeri Boom levert in zijn boek forse kritiek op de afhankelijke berichtgeving uit Afghanistan. ‘Alles is er op gericht het beleid van de minister te verkopen, niet om de werkelijkheid in kaart te brengen.’

‘Oorlog heeft mij altijd gefascineerd.’ Joeri Boom (39) steekt een peuk op en lurkt aan zijn koffie. De oorlogsjournalist reisde de afgelopen jaren elf maal naar Afghanistan. Over dat land verschenen reportages van zijn hand in onder andere De Groene Amsterdammer en het Algemeen Dagblad. In zijn boek Als een nacht met duizend sterren, dat in september 2010 verscheen, stond hij kritisch tegenover het journalistieke proces van Nederlandse oorlogsverslaggeving in Uruzgan. ‘Ik wil verantwoording afleggen en duidelijk maken hoe ik mijn werk heb gedaan.’
Zelf reisde Boom eerst enkele malen embedded naar Uruzgan, maar uiteindelijk ging hij ook verschillende keren onafhankelijk. ‘In het concept embedded journalism mag je mee met het Nederlandse leger en haar patrouilles. Het Ministerie van Defensie regelt alles wat je nodig hebt: reis, verblijf, beveiliging en zelfs een militaire tolk. Daar staat tegenover dat je ieder artikel aan persvoorlichters moet voorleggen voor publicatie. Bovendien bepalen zij met welke patrouilles je meegaat en wie je te spreken krijgt.’

Wat is het probleem van embedded journalism?

‘Met deze vorm van journalistiek kunnen we niet de werkelijkheid achterhalen en dat is wel onze taak. Als je een modereportage schrijft, spreek je niet alleen met de couturier, maar vraag je ook de concurrent en het publiek naar hun mening. Door embedded journalism loop je alleen mee met het Nederlandse leger en krijg je geen kans om de Taliban en de bevolking hun zegje te laten doen. Je moet geen eenzijdig beeld schetsen wanneer je de plicht hebt zoveel mogelijk kanten te laten zien. Zowel het volk als Kamerleden moeten een realistisch beeld onder ogen krijgen. Die openbaarheid is essentieel voor de democratie. Slechts één op de twintig journalisten is daadwerkelijk onafhankelijk naar Afghanistan afgereisd. Dat zijn negen journalisten! Dat klopt niet. Daarom heb ik dingen opgeschreven die de meeste journalisten en zeker voorlichters voor zich houden.’

Wat hoop je hiermee te bereiken?
‘Ik hoop dat het publiek deze eenzijdige vorm van verslaggeving kritisch benadert en bij kranten aan de bel trekt. Daarnaast hoop ik jonge journalisten te leren dat het niet moeilijk is om onafhankelijk te werken. De huidige generatie heb ik al opgegeven, omdat zij zijn opgegroeid met voorlichters die er alles op richten om een zogenaamde “opbouw”-missie te verkopen. Veel militairen ergerden zich aan deze onjuiste berichtgeving en schoten mij daarom aan met het verzoek: “Schrijf op dat hier heel hard gevochten wordt. Wat die politici en voorlichters zeggen, klopt helemaal niet.” Tenslotte heb ik geprobeerd om gewoon een spannend boek te schrijven.’

Zoek je die spanning bewust op?
‘De drang om oorlogsgebieden op te zoeken is een adrenalineverslaving. Je kunt er gelukkig van afkicken: ik heb er nu niet zo veel last meer van. Wanneer ik in Nederland terugkeer, neem ik drie dagen de tijd om weer aan het normale leven te wennen. Dan ben ik er niet bij met mijn hoofd en vinden mensen me asociaal, arrogant of juist teruggetrokken. Eén keer heb ik dat niet gedaan, ben ik in een kroeg gaan drinken en belandde ik in een vechtpartij.
‘Het laat je niet onberoerd, dat wil ik die jonge journalisten ook duidelijk maken. In Darfur zag ik een drie weken oude baby voor mijn ogen sterven. Terug in Nederland versteende ik iedere keer dat ik een zwart baby’tje op televisie zag. Dat is wat je een trauma noemt.’

Jouw reizen duren een paar weken, die soldaten zijn maandenlang weg. Hoe verwerken zij dergelijke gebeurtenissen?
‘Journalisten zijn er niet aan gewend zich open te stellen, die stoere mannen wel. Zij gaan fluitend met een half peloton tegelijk naar de dominee. “Even praten over onze ervaringen, want die waren weer heftig zeg…”’

Hoe keken militairen tegen de missie aan?
‘Ze stapten met een idealistisch beeld de oorlog in en zijn er niet naartoe gegaan om mensen kapot te schieten, maar om mensen te helpen. Op het strijdveld vervaagt die moraliteit. Dan willen soldaten alleen nog maar naar huis en denken ze: “Ik wil er een paar kapot schieten want ze schieten de hele tijd op ons, terwijl ik ze nooit zie. Ik zal beter slapen als ik zeker weet dat ik er eentje heb gedood.” Dan verwordt een oorlog tot een persoonlijke strijd. “We vechten niet voor Den Haag, we vechten voor onszelf!”’

Jij hebt ook strijdvelden van dichtbij meegemaakt. Heeft dit jouw beeld van goed en kwaad veranderd?
‘Ik probeer daar constant stil bij te staan, want als ik te lang, te vaak en te dicht bij Nederlandse militairen ben, verdwijnt dat besef. Je moet genuanceerd blijven. Afghaanse mannen komen snel in de verleiding de wapens op te pakken. Beeld je in dat je straatarm bent, maar wel vijf monden moet voeden en bovendien heel gelovig bent. Wanneer “ongelovige indringers” je akkers vernietigen, word je snel geworven om voor de Taliban te vechten. Daar hoef je helemaal geen bloeddorstige moordenaar voor te zijn die elke christenhond kapot wil maken.’

Heb je je vaak onveilig gevoeld?
‘Ik stond er meestal niet bij stil, maar als je met een militaire patrouille meegaat maak je jezelf tot een doelwit. Dat klinkt onlogisch, want het lijkt veilig met een groep militairen om je heen die terugvecht. Toch zijn er bij een unembedded reis allerlei manieren om je veiligheid nog beter te regelen, door bijvoorbeeld veel contacten te hebben en geaccepteerd te worden door stamleden of door een gouverneur. Als iemand jou dan iets zou willen aandoen, doet hij meteen een hele stam of een hele overheid iets aan. Dan denkt hij wel drie keer na voordat hij je berooft.
‘Ik ben eigenlijk nooit echt bang. Alleen voordat ik wegga en als ik terugkom. Dan slaap ik heel slecht. Dat heb ik gelukkig niet ter plekke, daarom ben ik geschikt voor dit vak.’

In je boek beschrijf je dat je een tijd niet naar Uruzgan bent geweest omdat je vader bent geworden. Is je gedrag in oorlogsgebieden sindsdien veranderd?
‘Nee. Alhoewel ik vooraf dacht dat dat wel zo zou zijn.’

Dacht of vreesde?
‘Misschien is vrezen inderdaad een beter woord. Op het moment dat ik in zo’n conflictgebied ben, werk ik zoals ik altijd al deed. Ik vond het echter afschuwelijk om te beseffen, dat ik na anderhalve week begon te wennen aan het idee dat ik niet bij mijn dochter was. Idioot is dat. Ik wil niet zo’n vader zijn die de hele tijd weg is.
‘De kans is groot dat ik hiermee stop. Misschien ga ik nog wel een keertje, maar niet zo frequent als ik deed. Ik krijg nog een dochter en zie het daarom niet zitten steeds weg te zijn. Mijn boek heb ik dan ook met een geheime missie geschreven. Ik wil jonge journalisten warm maken voor het vak. Ik vind daarom dat we een opleiding voor elkaar moeten gaan boksen.’

Een opleiding tot oorlogsjournalist?
‘Ja, ik zou willen dat journalisten die toekomst zien in oorlogsverslaggeving een plek hebben om kennis te vergaren. Ik zou hen onder andere willen leren hoe propaganda werkt en ze mee willen nemen naar de schietbaan van de legerbasis de Harskamp, om hen te laten ondervinden hoe het voelt als je beschoten wordt. Als je kogels hoort suizen, weet je pas echt hoe je daar op reageert. Heb je de neiging om op te staan? Dan ben je ongeschikt, kies maar een andere tak van sport.’

De troepenmacht zal de komende jaren langzaamaan worden teruggetrokken uit Afghanistan. Hoe ziet de toekomst van dit land er uit?
‘Dat is koffiedik kijken. Ik vermoed dat de Taliban grote delen van het land onder controle krijgen en dat ze die controle om weten te zetten in politieke macht. Dan moeten ze gaan samenwerken met de regering, wat een tussenstadium zal zijn naar weer een burgeroorlog. Het land is immers tot in de kern verdeeld.
‘De enige reden voor Nederlandse deelname aan een politiemissie is het bondgenootschap met de Amerikanen. We moeten overigens niet denken dat we een politiemacht kunnen opleiden die ook maar in de verste verte iets te maken heeft met onze politie.’

Waarom niet?
‘In feite wordt men opgeleid om te vechten tegen de Taliban. Iedereen kan zich voor deze cursus aanmelden en krijgt dan meteen een gratis wapen. Vaak komen deze mannen daarna niet meer opdagen en duiken ze later op bij de Taliban. Die sturen hun mensen daarheen, die vervolgens een wapen en gratis opleidinkje krijgen.
‘Ik raak hiervan niet meer gefrustreerd omdat ik een realist ben. Ik vermoed dat het mij niet lukt om de wereld veel beter te maken. Mijn berichtgeving verandert niets aan dit soort situaties. Ik ben geen hulpverlener en al helemaal geen politicus, maar als ik de openbaarheid dien, draag ook ik mijn steentje bij aan de democratie. Dat is het kleine rolletje dat voor mij is weggelegd.’

Op de website Talking to the Taliban, waar wij door Joeri Boom op gewezen zijn, staan interviews met Talibanstrijders. Hieruit blijkt dat de Westerse macht door veel mensen in het Aziatische land niet meer wordt gezien als hulp, maar als een bezetter. Het feit dat er in Afghanistan geen sprake is van een opbouwmissie maar van een vechtmissie, wordt hiermee geïllustreerd.

Tekst: Joeri Pisart en Mart Waterval
Foto’s: Persoonlijk archief Joeri Boom en Joeri Pisart



  • Benno B.

    Interessant interview! Aan de foto’s te zien was het nog wel erg vroeg.

  • http://www.ans-online.nl Mart Waterval

    Het was later op de (mid)dag, de duisternis was al ingevallen.

  • Benno B.

    Hij ziet er wel wat vermoeid uit. Oorlog hakt erin…

  • Benno B.

    Goede foto’s desalniettemin

  • Frank

    Als fotograaf zou ik graag de andere kant van de oorlog in de media willen vastleggen. Een extra cursus met rond vliegende kogels lijkt me sowieso niet overbodig. Iedere vorm van extra training is m.i. meer dan welkom.