Literatuurtip oktober
De beste roman aller tijden, het meest gedurfde essay van de laatste jaren en een poëtische geheimtip. Vanaf heden zullen medewerkers van literair productiehuis Wintertuin maandelijks op ANS-Online laten weten wat je echt niet mag missen. De tips van deze maand komen van Willem Claassen. Hij werkt als programmamaker bij de Wintertuin. Daarnaast is hij schrijver en columnist.
Ik heb een hele tijd nagedacht hoe ik mijn drie favoriete boeken (boeken die ik zelf had willen schrijven, boeken die me aan het schrijven zetten) zo enthousiast mogelijk zou kunnen omschrijven. Dan zou iedereen, nog voordat ze dit stukje hadden uitgelezen, over elkaar heen struikelen om bij de eerste de beste boekhandel te komen. Maar toen dacht ik: laat de boeken zelf spreken. Ik geef alleen fragmenten. Iedereen kan googelen.
Dermot Healy – Sudden Times (Ongewisse Tijden)
We gingen op de twee krap bemeten bedden zitten en mijn vader nam plaats in de enige leunstoel.
Hij hief zijn port, wij onze gin en we proostten met de glazen.
Veel geluk, Mr. Ewing, zei Liz.
Eamon, zei hij, en hij werd helemaal verlegen.
En waar kom jij vandaan?
Uit Westport, zei Liz.
Aha, zei hij veel betekenend. Ik had daar een tante wonen die vanaf het altaar werd veroordeeld omdat ze met een protestant trouwde.
Nee.
Ja.
Ja, dat krijg je.
Zeg dat wel.
Tjongejonge, zei hij, maar jij bent een prachtwijf.
Hij keek me aan.
Ollie.
Ja?
Niets. Ik zei alleen je naam. Ik probeerde hoe het klonk. Je ziet hem haast nooit, legde hij Liz uit. Hij gaf haar een klopje op de knie en keek de kamer rond.
(blz. 155)
A. Alberts – De Eilanden
’s Avonds loop ik aan de achterkant mijn huis uit. Het bos is zwart en onbegaanbaar. Ik dwaal tussen de stammen door langs mijn huis naar de voorkant. Ik ga achter een boom staan en kijk om de stam heen. Voor het huis in het het bos brandt de lamp, in de lichtkring staan een tafel en een stoel, een lege stoel. Het zal niet lang meer duren, of ik zal mezelf in de stoel zien zitten, terwijl ik achter een boom sta en voorzichtig om de stam heenkijk.
(blz. 27)
Walter van den Berg – West
Ron had een mapje met cd’s. De cd die hij nu opzette, begon met ‘Heb je even voor mij’. Tijdens de intro hield hij zijn hand op de microfoon en zei: ‘Kom op, kom op. We gaan het doen. Kom op.’
Aan de tafels die op de banen uitkeken zaten een paar dikke vrouwen en ze zongen met hem mee. ‘Goed zo,’ zei Ron, en hij knipoogde.
De vrouwen hielden onmiddellijk op.
Tijdens het zingen keek hij de zaal in, hij wilde zich op iemand richten; richt je op één persoon en het gaat allemaal soepeler. Maar niemand keek naar hem. ‘Kutkutkut,’ zei hij zacht tussen twee regels tekst door.
(blz. 82)







