ANSadvo 570x135

Wetenschappers ervaren te hoge werkdruk

Vera Crienen
Kritiek op praktijken universiteiten

Ongeveer driekwart van de wetenschappers aan universiteiten in Nederland ondervinden een te hoge werkdruk. Dit blijkt uit een enquête van de Socialistische Partij (SP); De Wetenschapper aan het woord. 

Tijdsdruk en ontevredenheid
De SP ondervroeg ongeveer duizend Nederlandse wetenschappers over allerlei kwesties die aan de universiteiten spelen, van flexcontracten en werkdruk tot financiering van wetenschappelijk onderzoek. Met dit onderzoek wil de partij meer duidelijkheid verschaffen over de meningen van de medewerkers over bijvoorbeeld democratisering aan de universiteit.

In februai kondigde de SP al aan een enquête te willen houden onder universiteitsmederwerkers. Deze week werden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd. Volgens de ondervraagden schort er van alles aan de praktijken op de universiteiten. 72 procent zegt vaak onder grote tijdsdruk te moeten werken. Bovendien spreekt 75 procent spreekt zich uit tegen het 'vermarkten' van de universiteit. Volgens hen heeft het bedrijfsleven een te grote invloed op het onderzoek. 56 procent is dan ook van mening niet voldoende de eigen agenda van ongebonden onderzoek te kunnen bepalen. Naast het onderzoek op de universiteit, zijn de wetenschappers ook kritisch over het onderwijs. Slechts 43 procent is tevreden over de kwaliteit van het wetenschappelijk onderwijs. 

Kwantiteit boven kwaliteit
Volgens SP-Kamerlid Jasper van Dijk staan de kwaliteit en de onafhankelijkheid van de wetenschap onder druk. In plaats van naar kwaliteit wordt er steeds meer gekeken naar kwantitatieve gegevens, zoals het aantal publicaties, promoties en diploma's. De bureaucratie rond aanvraagprocedures leidt bovendien tot stress en hoge werkdruk onder wetenschappers. Volgens Van Dijk komt dit door het politieke beleid van de afgelopen decennia, waar de grote toestroom van studenten geen gelijke tred hield met de bekostiging. 

De SP wil de uitkomst van de enquête met de Tweede Kamer en minister Bussemaker bespreken.