De Raad der Wijzen: Arnold Heertje

Henk Strikkers

In de Raad der Wijzen wordt steeds een maatschappelijk probleem besproken met een (emeritus-)hoogleraar. Ditmaal Arnold Heertje over de economische crisis.

Tekst en foto's: Henk Strikkers

De economische crisis is volgens hem een zegen en hij voorspelt een economische koerswijziging die zijn weerga niet kent. Emeritus-hoogleraar Economie aan de Universiteit van Amsterdam Arnold Heertje (77) mag dan gepensioneerd zijn, verlegen om een pittige mening zit de geboren Bredanaar niet. Zo ook niet over de Westerse maatschappijen: ‘Het speelkwartier is over.’

Dat de crisis waarin de wereld zich nu bevindt op de korte termijn een stekelig probleem is, beaamt Heertje direct. Een uitgebreide analyse van oorzaken en aanleidingen is niet aan hem besteed. ‘Je kunt het in één zin uitleggen: Overal in de wereld zijn door instellingen in de publieke sector, instellingen in de private sector en consumenten te grote schulden gemaakt waarbij de reële economie achterbleef: die bubbel moet een keer spatten.’ Veel liever kijkt de nestor naar de toekomst, want die belooft volgens hem veel goeds.

Iedereen heeft dus te lang op de pof kunnen leven. Maar wat doen we eraan? ‘De vraag is of we terug moeten willen naar waar we vandaan komen. Ik vind het interessant dat het consumentenvertrouwen het op dit moment laat afweten. Veel economen slaken dan een “Ach en wee”, maar ik niet. Ik zie het precies andersom. Waarom zouden consumenten in een wereld waarin overheden, banken en andere ondernemingen in de problemen zitten opnieuw schulden gaan maken? Zij doen juist het omgekeerde en gaan oude schulden aflossen. ‘Ik denk ook niet dat het herstel van de wereldeconomie van de consumenten moet komen. Die opvatting miskent dat de wereld na de crisis een heel andere is dan ervoor. Wereldwijd ontstaat er een nieuw thema dat in de plaats treedt van excessieve consumptiepatronen: alles wat met duurzaamheid te maken heeft. Je ziet het nu al: de groei van de materiële consumptie matigt en daar staat tegenover dat steeds meer mensen streven naar verbetering van het leefklimaat en de kwaliteit van leven.’

Wat zijn volgens u dan de signalen dat het die kant op gaat? ‘Ten eerste is er geen andere keuze. Voor het overleven van de mensheid is verduurzaming van de samenleving en de economie cruciaal. En of we de nadelen dan over twintig of dertig jaar voelen, dat doet er niet toe. Het is onvermijdelijk, maar ik zie ook wel degelijk signalen. Zo is er de stormachtige ontwikkeling van de elektrische auto en bovendien weet ik dat er in de anonimiteit behoorlijk wat jongeren bezig zijn om bedrijfjes op te zetten die aanhaken bij die sfeer van duurzaamheid. Ook hier is het interessant om te zien dat het consumentenvertrouwen laag blijft. Dat betekent dat veel mensen aan het sparen zijn en dat is nodig om een investering in duurzaamheid te doen, bijvoorbeeld om zonnepanelen aan te schaffen.’ En het mes snijdt in uw theorie natuurlijk aan twee kanten, want een lage consumptie betekent ook weer minder productie en minder uitstoot. ‘Dat is inderdaad de andere kant van het verhaal. Ik verwacht ook dat de economische groei gaat afnemen, die zal nooit meer 3 procent worden. Daar zitten heel veel voordelen aan, maar economen denken alleen maar in termen van groei. Dat kun je heel goed zien bij de discussie die gaande is omtrent de krimp in Zeeland, Zuid-Limburg en Noordoost-Groningen. Dat wordt als een soort nationale ramp gezien, omdat we niet meer groeien. Maar de krimp is juist een vorm van voorspoed. Al die open ruimtes in die gebieden kunnen gewoon blijven bestaan en hoeven niet volgeplempt te worden met kantoren. Dat is toch juist goed nieuws?’

U noemde in 2009 in Trouw de crisis ook een zegen, Staat u daar nog steeds achter? ‘Jazeker. Alleen nog maar meer.’

Waarom alleen maar meer? ‘Mijn mening is in die zin gesterkt dat door de crisis overal in de wereld, dus ook in Nederland, enorme discussies op gang zijn gekomen over of we het wel goed deden. Dat is wat de grote twintigste-eeuwse econoom Joseph Schumpeter creative destruction noemde. Het houdt in dat er in onze tijd in een razend tempo oude productieprocessen, communicatiemiddelen en allerlei andere oude dingen verdwijnen. Maar het is creative destruction, dus er worden ook weer direct allerlei andere vervangende zaken geschapen. Door de bezuinigingen wordt dit enkel maar versterkt. Natuurlijk zijn er sommige besparingen die personen of instellingen recht in het hart treffen zonder dat er een ontsnappingsmogelijkheid is, maar in de meeste gevallen is dat niet zo.’

Op welke terreinen ziet u daar dan voorbeelden van? ‘Er zijn er zoveel. Neem nou de jeugdzorg. Daar werken tien instellingen ten behoeve van jongeren in de problemen, maar die jongeren worden nooit geholpen. Al die coaches en begeleiders zijn alleen maar met elkaar bezig en niet met de jongeren. Onder druk van de bezuinigingen moeten ze nu wel. ‘Simon Carmiggelt heeft daar weleens een column over geschreven. Hij sprak van epibreren. “Is dit al geëpibreerd?” “O nee, dat ligt daar nog. Wacht, dan zal ik dat even epibreren.” “O, dan zal ik daar goed opletten. Want als ik niet goed oplet, dan wordt het niet goed geëpibreerd.” Dat is dus fictief, maar er zijn mensen die de hele dag alleen maar dossiers doorschuiven. Dat vind ik vooral vanuit het oogpunt van die mensen zelf buitengewoon immoreel, want zij hebben geen zinvol werk. Dat wordt nu blootgelegd en die mensen verdwijnen daar dus. Het speelkwartier is voorbij.’

Als we dat doortrekken naar het hoger onderwijs, zijn er dan ook personen die overbodig werk doen? ‘O ja. Jazeker. In het management van universiteiten en hogescholen bestaat diezelfde cultuur. Daar zitten hele lagen die overbodig zijn vanuit een oogpunt van goed onderwijs en onderzoek. Die lagen zitten er alleen maar voor zichzelf. ‘Ik heb dat zelf ook nog meegemaakt. Ik heb jarenlang Economie gedoceerd aan Rechtenstudenten. Zij hadden in december tentamens en in de tien dagen daaraan voorafgaand mochten geen colleges worden gegeven, zodat ze konden studeren. In het laatste college vroeg ik of men prijs stelde op een responsiecollege. Vrijwel alle handen gingen de lucht in, maar toen ik dat probeerde te regelen bij het bestuur van de faculteit werd men razend. “Dat kan helemaal niet. Het is een collegevrije periode, dus u krijgt geen zaal.” Dat gaat toch nergens meer over? Toen heb ik gezegd: “Als het hier niet kan, dan gaan we wel naar Hotel Krasnapolsky. Dan huur ik op eigen kosten een zaal en gaan we daarheen.” Vervolgens begon er toch iemand na te denken en kon het uiteindelijk toch doorgang vinden in de Universiteit van Amsterdam. ‘Nu kwam het dus goed, maar er zijn mensen die altijd blijven vasthouden aan “regels zijn regels”. Die houden geen rekening meer met mensen, enkel nog met tekst. Dat is dehumanisering en dat neemt hand over hand toe in onze samenleving.’ Waar komt die mentaliteit vandaan? ‘Ik ben geen socioloog, maar ik denk uit een soort van territoir denken. Machtswellust. Het idee ergens over te gaan en op dat gebiedje alleenheerser te zijn. Dat is hetzelfde als mensen die in een drukke winkel uitgebreid gaan praten met een caissière om de rest te laten wachten. Dat soort dingen gebeuren in de samenleving ook. Dat is pure misbruik van macht.’

Hoe kan dat een halt worden toegeroepen? ‘Dit is in zekere zin een wetenschappelijk gesprek, dus in de eerste plaats theorievorming en inzicht. In Nederland zijn grofweg twee stromingen. De ene is meer psychologisch en gaat er vanuit dat er goede en slechte mensen bestaan. Betrouwbare mensen en minder betrouwbare mensen. Daar schiet je alleen helemaal niets mee op. Het gaat erom of mensen zich gedragen alsof ze eerlijk, integer en betrouwbaar zijn. ‘Dat is een goede manier om zogenaamde dehumanisering ter goede trouw te bestrijden. Dat is de dehumanisering die samenhangt met de verkokering, versplintering en de specialisatie van de maatschappij. Doordat iedereen in de samenleving een klein dingetje doet en zich enkel daarop concentreert verdwijnt het overzicht. Het betekent dat we niet meer in de gaten hebben wat de gevolgen zijn van wat we doen met het oog op de mensen van nu, straks of waar dan ook ter wereld.’

Maar hoe krijg je mensen zo ver dat ze zich eerlijk, integer en betrouwbaar gedragen? ‘Het gaat allemaal om de juiste prikkels en om coördinatie. Dat zie je wel in het volgende voorbeeld. Stel: er is een vergadering en daarna wordt er een koud buffet georganiseerd. De zaal zit vol met 200 hongerige mensen en het eten staat al klaar. Als er geen coördinatie is stormt iedereen op het eten af, ontstaat er een lange rij, worden mensen chagrijnig, ontstaat er hier en daar een handgemeen en dan maakt het niet uit of de mensen integer zijn of niet, het gaat mis. Wanneer er nu iemand opstaat en een volgorde van tafels aanwijst, loopt alles op rolletjes en blijft de sfeer goed. ‘Dat is nog een simpel voorbeeld, maar dat gaat bijvoorbeeld ook op voor het idee van gratis schoolboeken. Dat is totaal uit de hand gelopen. Daar hebben een paar ambtenaren zitten aanklooien en is men met een constructie gekomen waarbij de leraren en leerlingen als beoordelaars van de kwaliteit van het materiaal zijn uitgeschakeld en er Europees moet worden aanbesteed. Van de gekken is het. Terwijl als die ambtenaren ooit gehoord hadden van de economische theorie van mechanism design, dan was dit nooit gebeurd. Mechanism design houdt simpelweg in dat er een mechanisme wordt ontworpen dat bepaalde vraagstukken die de markt niet kan oplossen, wel oplost. De constructie die voor de hand ligt is immers de beste. Dat is de constructie waarin je de traditionele benadering behoudt en scholen extra geld geeft voor ouders die moeite hebben om de kosten van de dure boeken op te hoesten.’

Uw pleidooi voor humanisering vindt vooralsnog niet veel steun. In hogeronderwijsland staan er nog meer fusies op stapel. ‘Ja, wat ze nu in Delft, Rotterdam en Leiden willen dat is een enorme beweging in de richting van dehumanisering. Dat staat haaks op alles wat we de laatste jaren hebben gezegd over te grote scholengemeenschappen en ziekenhuizen. Daar is het zogenaamde efficiëntiestreven helemaal niet efficiënt gebleken. Het idee dat daarachter zit – één bestuur van een grote instelling in plaats van drie van drie kleine instellingen – is prijzenswaardig, maar het is niet realistisch. Overal explodeert de managementlaag omdat er veel meer wordt gecontroleerd en gerapporteerd binnen zo’n grote organisatie. ‘Men ziet nu in het algemeen wel dat het geen voordelen heeft om te streven naar fusies en grote instellingen. Dat ze die drie universiteiten met totaal verschillende achtergronden willen gaan samenvoegen vind ik echt krankzinnig. We moeten juist de andere kant op, in de richting van kleinschaligheid, in de richting van de menselijke maat.’