Meer tijdelijke contracten in wetenschap

Kiki Kolman

Steeds meer wetenschappers aan Nederlandse universiteiten zijn tegenwoordig in tijdelijke dienst. Waar in 1995 nog 77,2 procent van de onderzoekers een vast contract had, is dit aandeel inmiddels teruggedrongen naar 59,3 procent. Dit is een veel snellere afname dan in andere sectoren, zo stelt de Vakbond voor de Wetenschap (VAWO). Promovendi worden niet meegerekend in de cijfers, aangezien het voor hen normaal is een tijdelijk contract te krijgen.

Een van de oorzaken voor de ontwikkeling is volgens Bastiaan Verweij, woordvoerder van de Vereniging van Universiteiten (VSNU), dat universiteiten steeds meer gebruik maken van zogenaamde tenure tracks. Dit houdt in dat voornamelijk universitaire docenten eerst tijdelijke contracten krijgen om zichzelf te bewijzen als wetenschapper. Arie van Dalen, medewerker bij de VAWO, stelt dat het inmiddels verder gaat dan een dergelijke proefperiode. 'Als iemand tot twee keer toe zes jaar mag werken om vervolgens te vertrekken als het tijd wordt voor een vast contract, heeft dit niets meer met een kwaliteitsproef te maken.'

VAWO ziet de verschuiving richting minder vaste aanstellingen als een bedreiging voor de wetenschap. Van Dalen licht dit toe: 'Een universiteit heeft een stevige vaste kern nodig voor continuïteit. Telkens als iemand moet vertrekken omdat zijn contract afloopt wordt de ervaring met bijvoorbeeld een onderwijsprogramma weggegooid.' Daarnaast benadrukt hij dat de onzekerheid van een tijdelijk contract mensen het vakgebied uit jaagt. 'Zij zoeken uiteindelijk vaak werk buiten de wetenschap en dit is zonde van het talent en de kennis.'

Op de RU was vorig jaar 37,7 procent van het wetenschappelijk werk door mensen zonder vast contract uitgevoerd (promovendi buiten beschouwing gelaten), zo is te zien in cijfers van  de Vereniging van Universiteiten.