Openingsartikel evaluatieformulieren

Zinloos gemeld

De evaluatieformulieren die studenten aan het eind van een cursus of tentamen invullen, zijn bedoeld voor verbetering van de onderwijskwaliteit. De resultaten hiervan worden echter bijna nooit teruggekoppeld naar de student. De universiteit moet er strenger op toezien dat studenten inzicht krijgen in de resultaten van evaluatieformulieren.

Tekst: Aaricia Kayzer
Illustratie: Anne Rombouts

Dit artikel verscheen eerder in de eerste editie van ANS.

Het invullen van een evaluatieformulier komt voor menig student als een vervelende nakomer; vragen die nog ingevuld moeten worden terwijl je liever na je tentamen meteen de zaal verlaat. Deze feedback is echter belangrijk voor de verbetering van de onderwijskwaliteit. De Universitaire Studentenraad (USR) pleit al sinds 2011 voor het universiteitsbreed invoeren van een terugkoppeling van cursusevaluaties aan studenten. Toch hebben studenten op de meeste faculteiten nog steeds geen zicht op de uikomsten van evaluatieformulieren. ‘Het is geen centrale verplichting voor docenten om de resultaten van zulke formulieren terug te koppelen’, vertelt Martijn Gerritsen, woordvoerder van de Radboud Universiteit. Terugkoppeling wordt wel aangemoedigd, maar daar blijft het bij. ‘In Nijmegen is alles behoorlijk decentraal geregeld. We willen faculteiten keuzevrijheid geven in hun beleid, zodat ze zo goed mogelijk kunnen evalueren.’

Isa Corbeek, vicevoorzitter van de USR, vindt het jammer dat eerder gemaakte afspraken hierover niet op alle faculteiten worden nageleefd. ‘Vanuit het Bestuursgebouw krijgen we veel erkenning over de ernst van dit probleem, maar de terugkoppeling van evaluatieformulieren staat laag op de prioriteitenlijst van docenten.’ Studenten geven echter niet voor niets feedback. Onderwijsdirecteuren en docenten moeten afspraken nakomen en consequent terugkoppelen naar studenten.

Zoek de verschillen
Op de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica (FNWI) wordt sinds vijf jaar gewerkt met een terugkoppeling van cursusevaluaties aan studenten. Zowel studenten als docenten ontvangen na afloop van een cursus een mail met daarin statistische gegevens over de cursusevaluatie, zoals gemiddelde cijfers. Daarnaast krijgen studenten ook een reflectie van de docent met daarin mogelijke actiepunten en een oordeel van de opleidingscommissie (OLC). ‘Een student die niet tevreden is over een specifiek aspect van de cursus, kan daardoor zien wat de docent hiermee van plan is, of wat ermee wordt gedaan’, vertelt Floris Rutjes, vicedecaan Onderwijs van het faculteitsbestuur van de FNWI. Céline Borst, lid van de OLC van Biowetenschappen, is positief over het systeem. ‘Je kan als student terugzien wat je hebt ingevuld en de OLC kan iets doen met deze informatie. Als dit niet gebeurt hebben mensen het idee dat er niets met hun feedback wordt gedaan.’ Meer terugkoppeling van cursusevaluaties stimuleert studenten dus om feedback te leveren, wat goed is voor de verbetering van de onderwijskwaliteit.

Lang niet alle faculteiten zijn zo transparant richting studenten. Op de Faculteit der Medische Wetenschappen blijven terugkoppelingen steken bij één van de vele instanties die een rol spelen bij de verwerking van evaluatieformulieren. Ferhat Beyaz, studentassessor van de Raad van Bestuur van het Radboudumc, legt uit dat evaluaties bij het onderwijsmanagementteam (OMT) terecht komen. Het OMT spreekt hierover met docenten en kwartaalcoördinatoren. Rianne Damhuis, studentlid van het OMT, vult aan: ‘De kwartaalcoördinator koppelt resultaten terug naar de SOOS, de jaarvertegenwoordiging van bachelorstudenten Geneeskunde. Zij kunnen dit vervolgens doorspelen naar hun achterban, maar dit is niet verplicht.’ Terugkoppeling naar studenten is hier dus niet gegarandeerd.

Illustratie Zinloos gemeld grootAfspraken verzaken
Het systeem dat de FNWI hanteert is echter niet zonder problemen. De participatie van docenten laat te wensen over, waardoor een deel van de cursussen niet volledig geëvalueerd kan worden. Borst geeft aan dat docenten vaak de deadline voor het reageren op evaluaties missen. ‘Als ze te laat zijn, wat vaak gebeurt, kan de OLC geen advies geven en krijgen studenten geen inzicht in wat er met hun kritiek gebeurt.’ Het probleem ligt dus bij de naleving van afspraken door docenten en opleidingsdirecteuren. Het systeem van de FNWI is, mits zij op tijd reageren op evaluaties, een goede manier om terug te koppelen. Gerritsen doet een andere suggestie voor directe terugkoppeling: ‘Een idee van de rector was om direct na afloop van een college te vragen: “Wat vonden jullie ervan?” Het voordeel hiervan is dat je een gesprek hebt, in plaats van een aankruisvakje of kort woordje.’ Een groot nadeel is dat evaluaties dan niet worden vastgelegd en daarom niet op lange termijn kunnen worden bekeken. Het is belangrijk om zicht te hebben op de meerjarige verbetering van een cursus.

Immy Niemeijer, studentlid van de OLC Nederlandse Taal en Cultuur, legt uit dat docenten een verantwoording over de evaluaties naar de OLC sturen. De OLC vergadert hierover en stuurt commentaar naar de docent. De docent zet dit in theorie op Blackboard, maar in de praktijk komt hier weinig van terecht. ‘Er is sprake van een beleid maar docenten voeren dit niet uit. Hier moet strenger op worden gelet.’ Dat hierin wordt verzaakt, heeft niet alleen als nadeel dat studenten evaluaties minder invullen. Studenten vormen ook een extra controleorgaan voor de verbeterpunten van docenten omdat ze kunnen letten op de naleving van deze punten. Als studenten de resultaten van evaluatieformulieren überhaupt niet onder ogen krijgen, mist deze extra controle.

Transparante terugkoppeling
Door de decentrale organisatie van de Radboud Universiteit zijn niet alle beleidszaken op elke faculteit hetzelfde geregeld. De terugkoppeling van evaluatieformulieren is hier een voorbeeld van. ‘Door transparant te zijn met resultaten hopen we studenten te stimuleren vaker evaluatieformulieren in te vullen’, aldus Rutjes. Corbeek is het hiermee eens: ‘Het communiceren van de resultaten is echt belangrijk, want je ziet dat studenten minder snel geneigd zijn een formulier in te vullen als ze hiervan nooit het resultaat zien.’

De FNWI laat zien dat het systeem voor terugkoppeling reeds bestaat, maar dat het probleem vooral ligt bij het naleven van afspraken door docenten en onderwijsdirecteuren. Zij moeten strengere afspraken maken met docenten en zorgen dat deze worden nageleefd, zodat resultaten van cursusevaluaties structureel worden teruggekoppeld naar studenten. Enkel aanmoedigen is niet genoeg, alleen met echte afspraken kan worden gescoord.

Add a comment
Redactie
Openingsartikel nieuwe onderwijsminister

Ik word minister en neem mee...

Met de invoering van het leenstelsel maakte demissionair minister Bussemaker van Onderwijs zich niet bepaald populair bij studenten. Om niet de nieuwe kop van Jet te worden kan haar opvolger wel wat tips gebruiken. ANS vroeg de VSNU, de LSVb en het ISO om raad voor vier succesvolle jaren ministerschap.

Tekst: Noor de Kort
Illustratie: Rens van Vliet

Dit artikel verscheen eerder in de zevende editie van ANS.

1. Investeer het basisbeursgeld enkel en alleen in het hoger onderwijs
Na invoering van het leenstelsel in 2015 besloot Jet Bussemaker, inmiddels demissionair minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dat het basisbeursgeld volledig moest worden geïnvesteerd in de kwaliteit van het onderwijs. De nieuwe minister moet erop toezien dat het geld inderdaad alleen hieraan wordt besteed, want er zijn veel kapers op de kust. De kans is aanwezig dat instellingen het geld in andere zaken steken dan onderwijs, zoals gebouwen of onderzoek. De nieuwe minister mag de belofte van Bussemaker echter niet breken. 

Volgens Jarmo Berkhout, voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb), bestaat het gevaar dat een deel van het budget wordt gebruikt om het bedrijfsleven te stimuleren meer te investeren in het hoger onderwijs. ‘Dat vind ik heel slecht, want het geld moet gewoon worden ingezet voor verbetering van de onderwijskwaliteit.’

Jan Sinnige, voorzitter van het Interstedelijk Studenten Overleg ziet ook in dat toezicht op besteding van het geld van groot belang is. ‘Als je het geld op de rekening van de universiteit stort, weet je nog niet zeker dat het aan studenten ten goede komt, terwijl dat wel de belofte is.’ De verantwoordelijkheid van de nieuwe minister eindigt dus niet als het geld is overgemaakt aan de instellingen.

2. Voorkom overlap van taken
Voor een goed functioneren van de nieuwe minister van Onderwijs is een duidelijke taakverdeling tussen de minister en staatssecretaris van groot belang. Volgens Karl Dittrich, voorzitter van de Vereniging van Universiteiten (VSNU), zaten minister Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker elkaar bij sommige onderwerpen in de weg. Dit was vooral het geval bij wetenschap. ‘Wij hebben gemerkt dat het maken van afspraken daardoor niet altijd even soepel verliep’, legt hij uit. ‘Om iets voor elkaar te krijgen moest je langs verschillende bureaus en kamers, en waren er meerdere handtekeningen nodig.’ Dit moet de komende jaren dus anders. Baken goed af wie waar verantwoordelijk voor is.Openingsartikel groot vierkant

3. Hou het hoger onderwijs betaalbaar voor iedereen
Met de invoering van het leenstelsel zaagde demissionair minister Bussemaker aan de poten van de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Tegenwoordig is het volgen van een opleiding voor sommigen simpelweg te duur. De nieuwe minister moet ervoor waken dat het hoger onderwijs toegankelijk blijft voor iedereen die daarvoor de capaciteiten heeft.

Om hiervoor te zorgen, moet de stijging van het wettelijke collegegeld worden begrensd. Sinnige vertelt dat het bedrag voor een jaar studeren in zes jaar tijd steeg van 1713 euro naar 2006 euro komend collegejaar. Een eerste stap in de goede richting zou het bevriezen van het wettelijke collegegeld zijn. ‘Zodra je gaat studeren, moet worden vastgesteld welk bedrag je de komende vier jaar gaat betalen’, legt hij uit. Sinnige vervolgt dat studenten op dit moment in een onzekere situatie verkeren. ‘Je gaat voor drie of vier jaar een verbintenis aan met een universiteit of hogeschool en het collegegeld kan ondertussen alle kanten opgaan. Om deze reden stoppen met je studie is echter een rigoureuze beslissing. Als een krant te duur wordt, zeg je het abonnement op. Zo simpel ligt het niet met een studie.’

Een andere manier om het onderwijs voor meer mensen toegankelijk te maken, is het uitbreiden van de aanvullende beurs. Deze moet worden verhoogd en voor meer studenten beschikbaar zijn, vindt ook Berkhout. ‘Dat is een aanmoediging voor mensen om te gaan studeren.’

4. Wees terughoudend met het doorvoeren van nieuwe maatregelen
Om te zien of een maatregel echt werkt, is tijd nodig. Nu is er vaak geen ruimte voor universiteiten om fouten te maken en hiervan te leren. ‘Als er nu iets gebeurt wat niet bevalt, neemt de politiek meteen maatregelen’, vertelt Dittrich. Hierbij realiseren politici zich volgens hem onvoldoende dat een nieuwe afspraak niet per definitie een goede oplossing is. ‘Elke extra regel kan tot problemen bij de uitvoering ervan leiden. Deze kan daarnaast de lasten versterken in plaats van verminderen.’ Dittrich vervolgt dat de overheid er ook nog op wil toezien dat regels werken zoals ze zijn bedoeld, als ze eenmaal zijn doorgevoerd. ‘Dit circus aan toezicht is onnodig groot.’

In plaats van het opleggen van maatregelen zou de overheid meer in gesprek moeten gaan met universiteiten als er een probleem opspeelt. Dittrich legt uit dat nieuw beleid dan niet nodig is. ‘Kijk eerst of iets kan worden opgelost door met de betrokkenen te spreken: waarom is iets op een bepaalde wijze gegaan, wat hadden we anders kunnen doen, wat zijn de consequenties en op welke manier komen we met hetzelfde beleid tot een andere uitkomst?’ Dan voelen universiteiten zich met meer vertrouwen behandeld, blijft de overheid niet steken in administratieve rompslomp en kunnen instellingen echt vooruitgang boeken.

Add a comment
Redactie
Openingsartikel overbodig printen

Geniet, maar print met mate

Docenten kunnen op de Radboud Universiteit onbeperkt printen. Daar maken ze flink gebruik van, zoals voor het uitdelen van hand-outs tijdens colleges. Dit leidt tot grote papierverspilling. Om onnodige verspilling tegen te gaan, is regelgeving rondom printgedrag nodig.

Tekst: Wout Zerner
Illustratie: Anne Rombouts

Dit artikel verscheen eerder in de zesde editie van ANS.

De Radboud Universiteit (RU) probeert zich als een groene en duurzame instelling te profileren. De RU komt met verschillende initiatieven om dit karakter kracht bij te zetten. Zo is door de prullenbakken in de Universiteitsbibliotheek (UB) bijvoorbeeld het scheiden van afval mogelijk met verschillende bakken voor plastic, papier en restafval. Daarnaast plaatst de RU zonnepanelen op het dak van hetzelfde gebouw. Op één vlak verzaakt de universiteit echter haar duurzame imago te bevestigen: printen door personeel.

Voor docenten is er op dit moment nog geen regelgeving wat betreft papierverbruik: ze kunnen gratis en onbeperkt printen op de campus. Op deze manier is het ook makkelijk om op grote schaal hand-outs in colleges uit te delen. De meeste studenten beschikken echter over een laptop en de benodigde literatuur zou dus grotendeels online kunnen worden aangeboden. Voor studenten zijn artikelen op deze manier makkelijk te raadplegen en het bespaart bovendien papier. De mogelijkheid om de teksten online aan te bieden wordt door docenten gebruikt, maar toch bestaat de behoefte nog steeds om hand-outs te verstrekken. Om een hoop bomen te sparen, zal de RU regelgeving omtrent printgedrag van docenten moeten opstellen.

Digitaal boven papier
Momenteel ontbreekt op de RU duidelijk beleid om het printgedrag van docenten te reguleren. Op centraal niveau is niks geregeld, laat Martijn Gerritsen, woordvoerder van de RU, weten. De invoering van het Péage-systeem heeft wel voor een afname van papierverspilling gezorgd. Docenten zijn eind 2016 geleidelijk overgestapt naar dit nieuwe systeem. ‘De invoering vond plaats om medewerkers de mogelijkheid te bieden om op de hele campus te kunnen printen’, vertelt Gerritsen. ‘Daarnaast vond de invoering plaats in het kader van secure printen. De kopieën komen niet meer meteen uit de printer rollen, maar pas als de medewerker bij het apparaat heeft ingelogd. Op deze manier voorkomen we datalekken; er blijven geen vellen papier meer bij de printers rondslingeren.’ Diane Wannet, Manager Logistiek & Services bij het Facilitair Bedrijf, legt uit dat deze overstap als bijkomend effect een afname van papierverspilling had. ‘Bij het oude printsysteem konden docenten van achter hun computer bestanden uitdraaien. Hierdoor was de kans groot dat de uitgeprinte documenten werden vergeten en in de papierbak belandden. Door de invoering van Péage voor docenten moeten ook zij naar de printers lopen om een opdracht af te drukken.’

Hoewel dit een goede eerste stap is, moeten meer maatregelen volgen. Het kost docenten door de invoering van het systeem meer moeite om te printen, maar ze zijn nog altijd vrij om op grote schaal documenten uit te draaien. ‘Studenten gaan vaak bewuster om met printen, omdat ze voor de kopieën moeten betalen’, stelt Maarten Heinemann, fractielid van AKKUraatd. ‘Ze zijn eraan gewend dat ze naar de printer moeten lopen voor hun printopdracht.’

Papieverspilling grootVanuit de RU bestaat de wens om minder papier te printen. ‘In het kader van duurzaamheid zien we het liefst dat docenten hun teksten in digitale vorm verspreiden naar studenten via bijvoorbeeld Blackboard’, vertelt Gerritsen. ‘Onze indruk is dat het digitaal beschikbaar stellen van documenten steeds meer gebeurt, maar sommige studenten vinden dat docenten nog te veel hand-outs uitdelen.’ Ook Heinemann is van mening dat de universiteit te weinig doet aan het terugdringen van het aantal kopieën. ‘Docenten worden niet gecontroleerd op de hoeveelheid uitgedraaide documenten en kunnen dus hun gang gaan’, vertelt hij. ‘Ik heb het idee dat de staf dit ook niet als een probleem ziet.’

Hand-outs, handig?
Ondanks de wens van de RU om literatuur online aan te bieden, gebruiken sommige docenten nog altijd papieren versies. Andrej Zaslove, universitair docent Politicologie, is één van hen. Hij is zich wel bewust van het papierverbruik. ‘Vorige week wilde ik een oefening doen waarvoor veel papier nodig was, maar deze heb ik toen niet gedaan.’ Toch deelt hij af en toe hand-outs tijdens zijn college uit. De houding van studenten ziet hij hierbij als belangrijkste reden. ‘Als ik teksten online zet, heeft vaak maar 60 procent van de studenten deze bij zich. Op die manier kan ik geen goed lopend college geven, omdat ik veel onnodige vragen krijg. Sommige studenten hebben bovendien geen laptop tot hun beschikking. Door de teksten op papier uit te delen weet ik zeker dat iedereen een exemplaar bij zich heeft.’

Heinemann ziet geen noodzaak in het uitdelen van hand-outs, omdat je de teksten niet voorafgaand aan het college kan bestuderen. ‘Goed onderwijs moet prioriteit hebben, maar voor de meerwaarde van hand-outs is geen bewijs. Teksten verspreiden tijdens college is zonde van het papier. Het werkt niet, omdat je tijdens het college geen tijd hebt om de teksten door te nemen. Als de tekst vooraf beschikbaar is, kan de student deze voorbereiden.’ Teksten die online worden aangeboden zijn voor iedereen en op elk moment beschikbaar. Voor de studenten zonder laptop zou de docent altijd een paar documenten achter de hand kunnen hebben.

De universiteit zal, om de daad bij het woord te voegen, moeten inzetten op duidelijke regels voor het uitdraaien van hand-outs. De invoering van het Péage-systeem is een al dan niet bewuste aanzet tot een strenger printbeleid. Nu zal de RU moeten doorpakken om het afdrukken van overbodige teksten verder aan banden te leggen. Met Blackboard is er een ideaal platform om de teksten digitaal te verspreiden. Door het online zetten van de informatie kunnen studenten deze vooraf en tijdens het college op hun laptop raadplegen. De noodzaak van het printen van hand-outs is verdwenen en daarom moet de RU de verspreiding hiervan tegen gaan. Het printbeleid voor docenten moet zwart op wit komen te staan, maar dan wel het liefst digitaal. 

Add a comment
Redactie
Openingsartikel bestuursminor

Besturen voor dummy's

In een poging de vakken van studentbestuurders van enige betekenis te laten zijn voor hun bestuursjaar, ontwikkelen de Universitaire Studentenraad en Dienst Studentenzaken een bestuursminor aan de Radboud Universiteit. Zo’n minor kan erg nuttig zijn, maar er zijn ook valkuilen. ANS zoekt uit hoe de bestuursminor er wel en niet uit moet komen te zien.

Tekst: Rein Wieringa
Illustratie: Rens van Vliet

Dit artikel verscheen eerder in de vijfde editie van ANS.

Aan het hoofd van talloze verenigingen in Nijmegen staan studenten die het grootste deel van hun tijd in het bestuur steken. Veel van deze studentbestuurders moeten tijdens hun bestuursjaar toch nog een aantal studiepunten halen. ‘Veel actieve studenten kunnen door hun bestuurswerk niet hun normale studie volgen’, vertelt Maarten Dietz, lid van de Universitaire Studentenraad (USR). ‘Om toch aan studiepunten te komen, volgen ze vaak vakken die totaal niet van belang zijn voor hun studie.’

Om deze reden ontwikkelen de USR en Dienst Studentenzaken (DSZ) samen een bestuursminor. Ze streven ernaar deze minor komend collegejaar van start te laten gaan. Ger Boonen, directeur van DSZ, legt uit: ‘We willen de verplichte studiepunten voor bestuurders op een goede manier mogelijk maken. Tegelijkertijd moeten studentbestuurders die de minor volgen hun taak nog beter kunnen uitvoeren dan ze al doen.’ Volgens Boonen zal de minor daarom handvatten bieden voor praktische problemen van het bestuurswerk, maar ook wetenschappelijke inhoud bevatten.

De USR heeft zich laten inspireren door de Hogeschool Utrecht (HU) en de Universiteit Twente (UT), waar dergelijke programma’s voor studentbestuurders al bestaan. De minor is op dit moment nog in een vroeg ontwikkelingsstadium – een goed moment om in Utrecht en Enschede op zoek te gaan naar de sterke en zwakke punten.

Utrechtse praktijken
In de Utrechtse ‘Minor Leiderschap’ reflecteren studenten op hun bestuurswerk door er met elkaar over te praten en logboeken bij te houden. Daarnaast lezen ze boeken over effectief besturen. Isabelle Beelen, ex-bestuurslid van de VIDIUS Studentenunie uit Utrecht, vond de minor erg waardevol. ‘Ik heb het echt nodig gehad’, geeft ze aan. ‘Het was een moment van bezinning aan het eind van de week, waarmee je je bestuurswerk kon afsluiten.’

Besturen grootLukas Heijdt, eveneens oud-bestuurder van de Studentenunie, is ook positief: ‘Ik vond het sterk dat de minor aan de HU zich vooral op praktische aspecten als persoonlijke ontwikkeling en zelfreflectie richt. Hierdoor is deze erg toepasbaar op je bestuursjaar. We hebben bijvoorbeeld coach- en gesprekstechnieken geleerd, waarmee we anderen in de minor moesten begeleiden. Dat was enorm leerzaam.’ Beelen sluit zich daarbij aan: ‘Vooral de trainingen waren waardevol voor de persoonlijke ontwikkeling; ook zonder boeken kan je mensen aan het denken zetten.’

Gratis studiepunten
De Enschedese, universitaire variant van de bestuursminor besteedt naast praktijk meer aandacht aan theorie. Herman Oosterwijk, coördinator van de bestuursminor in Enschede, legt uit: ‘Ik laat de studenten een aantal werkstukken maken en ze schrijven aan de hand van literatuur over internationalisering. Daarnaast krijgen ze een collegereeks over beleid, waar ze een tentamen over maken.’ In de minor krijgen studenten ook de mogelijkheid hun eigen problemen te bespreken. ‘Timemanagement is een standaardprobleem, maar ook vragen als “Hoe verander ik de sfeer in een bestuur?”, of “Hoe zorg ik dat mijn commissies gaan draaien?” komen aan bod’, aldus Oosterwijk. Op dit moment volgt Roderik Stoffels, Commissaris Externe Betrekkingen bij studievereniging Paradoks (Biomedische Technologie en Technische Geneeskunde), de bestuursminor van de UT. ‘Soms worden er leuke verhalen gedeeld, zoals dat twee bestuurders met elkaar het bed hebben gedeeld’, vertelt Stoffels. De zelfreflectie kan volgens hem nuttig zijn voor studentbestuurders, maar de colleges en de beleidswetenschappen vindt hij minder bruikbaar. ‘Daar ga ik nooit meer iets mee doen’, verwacht hij.

Bestuurders vinden de praktische kant van de bestuursminor dus het nuttigst, zowel in Utrecht als in Enschede. Een volledig praktische minor kan echter niet academisch zijn, terwijl dat een voorwaarde is om aan de Radboud Universiteit studiepunten te kunnen accrediteren. Tegelijkertijd zal de USR in het geval van een praktijkgerichte minor tegen het probleem van studielast aanlopen. Oosterwijk constateert over de minor aan de UT: ‘Het is een module van 15 EC. De tijd die je eraan kwijt bent staat dus gelijk aan 15 maal 28 uur.’ Stoffels komt bij lange na niet aan deze 420 uur. ‘De meest efficiënte manier om aan 15 EC te komen is wel de bestuursminor’, vindt hij. ‘Bij normale vakken moet je daar veel meer voor doen. Dat is het leuke aan een bestuursminor: het zijn gratis EC’s.’

Wal of schip
Zelfs met theoretische inhoud waar studentbestuurders niet op zitten te wachten, kost een bestuursminor al minder tijd dan de bedoeling is. Zonder deze inhoud kan de bestuursminor nauwelijks meer een minor worden genoemd. De praktische inhoud die dan overblijft, is voor bestuurders weliswaar het meest toepasbaar, maar zeker niet academisch. Ook op het gebied van studielast zal zo’n minor tekortschieten. Bij de bestuursminor bestaat dus een afweging tussen geschiktheid voor bestuurders enerzijds, en diepgang en studielast anderzijds. Studentbestuurders willen een praktisch toepasbare minor die weinig tijd kost, terwijl een volwaardige academische minor theoretische diepgang heeft en zijn EC’s in studielast waarmaakt.

De USR en DSZ willen een minor op touw zetten die studenten helpt bij hun bestuursjaar en ook nog eens studiepunten oplevert. Een lastige combinatie, gezien de bovengenoemde afweging. Om te voorkomen dat ze gratis studiepunten aanbieden, moeten de ontwikkelaars niet bang zijn een flinke lading theorie aan de minor toe te voegen. Als er vervolgens geen studentbestuurders op komen dagen, dan is dat een goede reden om aan te nemen dat de bestuursminor niet voor universiteiten is weggelegd. Beter geen studiepunten dan gratis studiepunten.

Add a comment
Redactie
Openingsartikel herinvestering studiefinanciering

Investeer, concretiseer

Vanaf 2018 keert de overheid het geld dat is vrijgekomen door de invoering van het leenstelsel uit aan het hoger onderwijs. Aan de RU zal echter niet al het geld naar investeringen in onderwijs gaan waar alle studenten van profiteren. Om dit te voorkomen moeten richtlijnen rondom herinvestering van de studiefinanciering concreter worden geformuleerd.

Tekst: Noor de Kort
Illustratie: Anne Rombouts

Dit artikel verscheen eerder in de vierde editie van ANS.

In het collegejaar 2015-2016 is het leenstelsel ingevoerd en sindsdien is de studiefinanciering voor studenten die aan een opleiding beginnen verleden tijd; zij moeten met een fikse lening genoegen nemen. Minister Bussemaker van Onderwijs beloofde bij de invoering van het leenstelsel dat de middelen die hierdoor vrijkwamen voor een flinke investering in de kwaliteit van het hoger onderwijs en daaraan gerelateerd onderzoek zouden zorgen. Sinds 2015 doen universiteiten zelf al voorinvesteringen en vanaf 2018 keert de overheid het bespaarde geld uit.

Hoog tijd om te kijken waar de voorheen zo graag ontvangen stufi aan wordt besteed. De Radboud Universiteit (RU) krijgt voor het jaar 2018 12,8 miljoen euro om te besteden. Maar liefst een kwart van dit forse bedrag zal worden uitgegeven aan zaken waar alleen de ‘excellente student’ iets aan heeft: continuering en uitbreiding van de excellentietrajecten. Een groot bedrag wordt dus besteed aan zaken waar slechts een klein gedeelte van de studenten van profiteert, terwijl wel alle studenten hun studiefinanciering moeten missen.

De wet laat dit soort bedenkelijke herinvesteringen toe en de door studenten en hoger onderwijs gezamenlijk opgestelde richtlijnen rondom de uitgaven zijn vaag. Met open deuren als ‘intensiever en kleinschalig onderwijs’ en ‘passende en goede onderwijsfaciliteiten’ is bijna elke bestedingsvorm te rechtvaardigen. De richtlijnen moeten worden geconcretiseerd, zodat het voor universiteiten niet mogelijk is om een groot deel van de herinvestering aan excellentietrajecten uit te geven. Alle studenten moeten iets positiefs merken van investeringen met het geld dat hen is afgepakt.

Lekker breed en nietszeggend
Bij de herinvestering van de studiefinanciering zou de Gemeenschappelijke Agenda Hoger Onderwijs handvatten moeten bieden. Het Interstedelijk Studentenoverleg, de Landelijke Studentenvakbond, de Vereniging Hogescholen en de Vereniging van Universiteiten boden deze op 19 december aan bij Minister Bussemaker. Echt veel wijzer word je echter niet van de inhoud. In de agenda staat dat met het geld zal worden gestreefd naar ‘intensiever en kleinschalig onderwijs’, ‘meer en betere begeleiding van studenten’, ‘inzet op talentontwikkeling: binnen en buiten de studie’, ‘passende en goede onderwijsfaciliteiten’ en ‘verdere professionalisering docenten’. Fantastisch natuurlijk, maar praktisch gezien kan elk mogelijk plan met betrekking tot verbetering van het onderwijs eronder worden geschaard. Proost op het leenstelsel grootDe vijf punten belichamen een totale verbetering van het hoger onderwijs en op deze manier hebben de universiteiten nog steeds complete vrijheid bij de besteding van het bedrag. Om een eerlijke verdeling te garanderen is een eenduidige visie rondom de uitgave van het geld dus hard nodig.

Dubieuze besteding
Door de onduidelijk geformuleerde richtlijnen hebben universiteiten vrij spel bij de besteding van het vrijgekomen geld. Ook bij de RU is dit het geval. Uit de voorlopige begroting voor 2018 komt bijvoorbeeld naar voren dat van het overheidsgeld, 12,8 miljoen euro, 3 miljoen zal gaan naar de Radboud Honours Academy (RHA). Hier heeft een gemiddeld presterende student niets aan. Bovendien is de verhouding tussen het bedrag dat aan de RHA wordt besteed en de hoeveelheid studenten die gebruik maakt van de excellentietrajecten scheef. Minder dan 6 procent van de studenten aan de RU neemt op dit moment deel aan de trajecten, terwijl bijna een kwart van de begroting van de herinvestering hiervoor is gereserveerd. Het spekken van excellentietrajecten is bovendien niet incidenteel. Al sinds 2015 wordt jaarlijks 3 miljoen euro besteed aan de continuering van het honoursprogramma en de uitbreiding hiervan naar de propedeusefase. Dit zal nu dus worden voortgezet. Het grootste deel van de studenten zal echter niets merken van deze uitgaven. De RU kan beter geld uittrekken voor onderwijs waar alle studenten iets aan hebben.

Of de 1,1 miljoen euro die is gereserveerd voor ver- en nieuwbouw van onderwijsvoorzieningen echt een investering is die is gericht op het verbeteren van het onderwijs voor alle studenten, valt ook te betwijfelen. Gaat het hierbij om restauratie van studieruimtes, dan is er inderdaad wat voor te zeggen. Door de vage verwoording blijft echter in het midden waar het geld precies naartoe gaat. Op deze manier is het onzeker of het geld inderdaad bijdraagt aan verbetering van het onderwijs, of slechts aan de uitstraling van de campus. Van een facelift is nog nooit iemand beter geworden.

Studenten moeten sinds de invoering van het leenstelsel grote bedragen lenen om hun studie te kunnen betalen. De afspraak dat het vrijgekomen geld zal worden geïnvesteerd in verbetering van het hoger onderwijs is veelbelovend. Hierbij is het van belang dat alle studenten iets hebben aan de besteding van het geld. De richtlijnen rondom de herinvestering worden nu echter zo breed gehouden dat iedere interpretatie van onderwijskwaliteit mogelijk is. Dit is terug te zien in de begroting van de RU; er wordt geïnvesteerd in zaken waar slechts een klein percentage van de studentenpopulatie iets aan heeft. Een aanmerkelijk deel van het overheidsgeld zal gaan naar het paradepaardje van de universiteit: de RHA. Joost mag weten wat de student met krappe voldoendes hieraan heeft. Om te streven naar een goede herinvestering van de studiefinanciering moeten de richtlijnen concreter worden verwoord. Alle studenten moeten profiteren van het geld en niet slechts de kleine groep geniale studenten. Dat zou pas excellent zijn.

Add a comment
Redactie
Openingsartikel thuiswonende eerstejaars

Eerstejaars, ga de deur uit

Of eerstejaarsstudenten vaker thuis blijven wonen door het leenstelsel, is het nog steeds onduidelijk. Wat het antwoord ook is; wie niet op kamers gaat, mist veel. Eerstejaars, laat je niet tegenhouden door het leenstelsel en trek de deur bij paps en mams stevig achter je dicht.

Tekst: Noor de Kort
Illustratie: Rens van Vliet

Dit artikel verscheen eerder in de derde editie van ANS.

Al voor de invoering van het leenstelsel werd uit verschillende hoeken van de studentenwereld geroepen dat door dit nieuwe financieringsbeleid meer studenten noodgedwongen bij hun ouders zouden blijven wonen. Afgelopen september, een jaar na de invoering, publiceerde Kences Kenniscentrum Studentenhuisvesting een onderzoek naar het huisvestingsgedrag van eerstejaarsstudenten. Volgens het onderzoek gingen er in collegejaar 2015-2016 inderdaad minder eerstejaars op kamers dan in collegejaar 2014-2015; van de startende bachelorstudenten tot 19 jaar zou het aandeel uitwonende studenten zijn gedaald van 28 naar 13 procent. Volgens Ardin Mourik, directeur van Kences, is deze daling een direct gevolg van het leenstelsel. ‘Studenten zien op tegen schulden en durven daardoor niet op kamers te gaan.’

Uit verschillende steden klonken geluiden dat de cijfers niet konden kloppen. Ook de Keuzegids Universiteiten deed onderzoek naar het huistvestingsgedrag van eerstejaars. Na bestudering van de resultaten uit de Nationale Studenten Enquête trok de Keuzegids de conclusie dat studenten niet vaker bij hun ouders blijven wonen; net als voorgaande jaren zouden drie op de vijf universitaire eerstejaars op kamers zijn gegaan. De tegenstrijdige rapporten scheppen veel verwarring. Eén ding is echter duidelijk: dat eerstejaars op tijd het ouderlijk huis verlaten wordt blijkbaar belangrijk gevonden, en dat gevoel is geheel terecht. Voor de persoonlijke ontwikkeling van studenten én voor Nijmegen als studentenstad is het belangrijk dat nieuwe studenten het ouderlijk huis vaarwel zeggen. Eerstejaars, laat je niet door het leenstelsel tegenhouden en ga op kamers.

'Je moet discipline hebben om naar colleges te gaan, te studeren, boodschappen te doen en voor jezelf te koken.'

Zelfredzaamheid geboden
Hoewel het makkelijk is wanneer het eten ’s avonds klaarstaat en de was voor je wordt gedaan, is het voor de ontwikkeling van studenten goed om op kamers te gaan. Je doet op deze manier vaardigheden op die de rest van je leven van pas zullen komen. Volgens Ron Scholte, hoogleraar Jeugdzorg aan de Radboud Universiteit (RU), word je op kamers gedwongen een regelmatig leven op te bouwen. ans nov3‘Je moet de discipline hebben om naar colleges te gaan, te studeren, boodschappen te doen en voor jezelf te koken.’ Hierdoor ontwikkel je een zelfstandigheid die minder noodzakelijk is wanneer je nog veilig onder de vleugels van papa en mama zit, aldus Scholte. ‘Je leert vooral hoe je je aan kunt passen aan nieuwe situaties en hoe je kunt omgaan met tegenslagen. Dit maakt je rijper om na je studie de arbeidsmarkt op te stappen.’ Wie tot zijn dertigste bij paps en mams vertoeft, loopt de kans dat hij dan nog niet eens zelf een wasje kan draaien.

Wim Meeus, hoogleraar Adolescentie aan de Universiteit Utrecht en hoogleraar Ontwikkelingspsychologie aan Tilburg University, stelt dat het niet goed is als je pas op latere leeftijd je eigen boontjes moet gaan doppen. ‘Gedurende je hele leven moet je taken combineren als werken, het huishouden organiseren en kinderen opvoeden, en daarnaast wil je je vrije tijd ook nog op een leuke manier besteden. Daarom is het beter als je zo vroeg mogelijk leert zelfstandig te zijn.’ Voor het ontwikkelen van vaardigheden die bijdragen aan zelfstandigheid en het leren combineren hiervan is het dus van groot belang de stap uit het ouderlijk huis op vroege leeftijd te wagen.

Sneller sociaal
Naast het leren klaarmaken van een pasta-pesto is er bij de verhuizing ook op sociaal vlak sprake van grote vooruitgang. Als je woont in de stad waar je studeert, is het veel makkelijker om een sociaal netwerk op te bouwen. Volgens Scholte wordt met name dit sociale aspect van op kamers gaan wel eens onderschat. ‘Je laat als eerstejaars een relatief veilig leven achter je en moet een totaal nieuw sociaal netwerk vinden.’ Het leggen van een goede basis hiervoor gaat sneller als daar meer tijd voor is. ‘Ik denk dat mensen die uitwonend zijn sneller een sociaal leven opbouwen met studiegenoten dan thuiswonende studenten die na elk college weer de trein naar huis moeten pakken’, stelt Scholte. Wie op kamers woont, heeft bijvoorbeeld tijd om lid te zijn van een studenten(sport)vereniging om nieuwe contacten op te doen. Binnen deze verenigingen kan je dan ook eerder in een commissie plaatsnemen of een bestuursfunctie vervullen. Een mooi bijkomend voordeel is dat een student zijn cv hiermee weer net iets mooier kan aankleden dan met alleen zijn opleiding.

'Natuurlijk veroorzaken studenten ook wel eens overlast, maar zonder hen zou Nijmegen een veel minder bruisende stad zijn.'

Saaie provinciestad
Wanneer studenten minder snel op kamers gaan, zal dit gevolgen hebben voor Nijmegen als studentenstad. Vincent Buitenhuis, woordvoerder van de Stichting Studenten Huisvesting Nijmegen (SSH&), bevestigt dit. ‘Het studentenleven zal zich meer in collegebanken afspelen en studenten zullen minder stappen. Een stad als Nijmegen zou daar echt onder lijden. Natuurlijk veroorzaken studenten ook wel eens overlast, maar zonder hen zou Nijmegen een veel minder bruisende stad zijn.’ Studenten zijn naast sfeermakers ook de grootste afnemers van bier in cafés als De Fuik en Van Buren. Stappende, zuipende studenten brengen dus geld in het laatje en leven in de brouwerij. Wil Nijmegen niet veranderen in een ingeslapen provinciestad aan de Waal, dan is het dus van groot belang dat eerstejaars op kamers blijven gaan.

Of eerstejaarsstudenten in collegejaar 2015-2016 minder vaak op kamers gingen dan in het collegejaar daarvoor is tasten in het duister. Dat het goed is om op kamers te gaan, blijft hoe dan ook overeind. Door deze ervaring ontwikkelen studenten zich tot zelfredzame mensen. Ze doen vaardigheden op die de rest van hun leven van groot belang zijn. Bovendien is het opbouwen van een sociaal leven makkelijker als potentiële nieuwe vrienden in de buurt wonen. Ook voor Nijmegen als studentenstad is het ook essentieel dat studenten kiezen voor een woonplek in de stad. Eerstejaars, laat je niet afschrikken door het leenstelsel en verlaat het ouderlijk nest. Sla je vleugels uit en beleef de tijd van je leven. De extra euro’s die je noodgedwongen zal moeten lenen, zullen het meer dan waard zijn. 

Add a comment
Redactie
Openingsartikel universitaire taaltoetsen

Muiterij op 't kofschip

Tenenkrommende taalfouten, waardeloos gespelde werkwoorden en slordige tekststructuren. Het taalniveau van veel studenten is beroerd. Universiteiten proberen het niveau op te krikken met taaltoetsen, maar het probleem moet worden opgelost in het voortgezet onderwijs.

Tekst: Vera Crienen
Illustratie: Eireen Westland

Dit artikel verscheen eerder in de tweede editie van ANS.

De Nederlandse taalvaardigheid van veel studenten op de universiteit is gebrekkig. Essays, werkstukken en zelfs scripties zitten vol slechte spelling en rare zinsconstructies. Veel studenten beheersen spelling en grammatica onvoldoende. Dit probleem is ook op de Radboud Universiteit (RU) niet nieuw. Universiteitsblad Vox hield in 2011 een taaltoets Nederlands onder studenten, waarbij driekwart van de deelnemers zakte.

Om hen een kompas te bieden in de woeste zeeën van de Nederlandse taal voeren universiteiten taaltoetsen of extra taalcursussen in. Ook op de RU hebben de Faculteit der Rechtsgeleerdheid (FdR) en de Faculteit der Letteren (FdL) een taaltoets ingevoerd. Dat de universiteiten het probleem erkennen en zoeken naar oplossingen is een goede zaak, maar het probleem zou moeten worden opgelost op middelbare scholen. Studenten moeten hier de basistaalvaardigheden van het Nederlands goed leren, zodat er op de universiteit meer ruimte is voor het eigen maken van academische vaardigheden.

'In de bovenbouw van de middelbare school verdwijnt spelling en zinsbouw uit het curriculum van het vak Nederlands.'

Het leerlijntje strak houden
Op de middelbare school wordt te weinig aandacht besteed aan correct Nederlands schrijven. Volgens Anna Bosman, hoogleraar Dynamiek van Leren en Ontwikkeling aan de RU, ligt dat aan de vorm van het eindexamen Nederlands. ‘Nu is er vooral aandacht voor begrijpend lezen. Het schrijven van een correct en coherent verhaal wordt niet getoetst.’ Toch zegt het ministerie van Onderwijs dat het behalen van het eindexamen een goede beheersing van de Nederlandse taal betekent.

illustratie ans taal studenten eireen westland witVolgens Wilbert Spooren, hoogleraar Taalbeheersing van het Nederlands aan de RU, is er in de onderbouw van het voortgezet onderwijs juist veel aandacht voor taalvaardigheden als spelling en eenvoudige zinsbouw. ‘Aan het einde van de derde klas van de middelbare school zijn de meeste leerlingen uitstekend in staat om correct Nederlands te schrijven. In de bovenbouw verdwijnt spelling en zinsbouw echter uit het curriculum. De aandacht verschuift dan van foutloos schrijven naar begrijpend lezen. Dit heeft als effect dat taalverzorging minder belangrijk wordt geacht door leerlingen.’

Taalvaardigheden moet je je leven lang blijven oefenen. Dat gaat in fases; je begint met spelling en zinsopbouw en gaat verder met verbanden beschrijven en bronnen over- zien. Op de middelbare school wordt deze leerlijn echter onderbroken. Tijdens de gehele middelbare schoolpe- riode zou er aandacht voor taalverzorging moeten zijn. Op die manier hoeft de universiteit de studenten niet na een pauze weer te herinneren aan het belang van correct Nederlands schrijven.

Duidelijke taal
Wanneer er veel taalfouten in scripties of essays staan, hebben docenten bij het nakijken minder aandacht voor de inhoud van het stuk. Het corrigeren van spel- en taalfouten kost tijd en leidt af van de inhoud. Bosman merkt dat grote groepen studenten niet in staat zijn om goede zinnen te schrijven en daardoor geen heldere boodschap over kunnen brengen. ‘De spelling is bij velen echt verschrikkelijk.’

'De spelling is bij veel studenten echt verschrikkelijk.'

‘Op de RU is al veel aandacht voor taalvaardigheden, want correct Nederlands kunnen schrijven is belangrijk voor een academicus’, vervolgt Bosman. ‘We proberen eerste- en tweedejaars studenten de basisvaardigheden bij te brengen, maar eigenlijk wil je ze leren een goed wetenschappelijk stuk te schrijven. We zouden graag willen dat de techniek om een stuk te schrijven, zoals correct spellen en formuleren, op de universiteit al aanwezig is.’ Spelling en grammatica zijn basisvaardigheden en geen zaken voor het Wetenschappelijk Onderwijs. Op de universiteit moet aandacht worden besteed aan academische vaardigheden zoals verbanden beschrijven, conclusies trekken en bronnen overzien.

Ti taal tovermiddel
De universiteit is niet de plek is om studenten basisvaardigheden van de Nederlandse taal bij te brengen. Daarnaast is een taaltoets op de universiteit geen echte oplossing voor de belabberde taalvaardigheden van studenten. Op de RU bestaat er op de FdL en de FdR een taaltoets voor stude ten. Spooren vertelt dat het invoeren van de taaltoets op de FdL past bij de landelijke tendens. ‘Onder docenten aan universiteiten bestaat er een algemeen onbehagen over het feit dat het niveau van taalbeheersing en taalverzorging van de studenten die binnenkomen vaak te wensen overlaat.’ De taaltoets is per opleiding gekoppeld aan een vak waarbij wetenschappelijk schrijven wordt geleerd. Een onvoldoende voor de taaltoets betekent ook een onvoldoende voor het vak. Spooren gelooft echter niet dat de taaltoets het tovermiddel is om taalvaardigheden te bewerkstelligen. ‘Het effect dat ik er wel van verwacht, is dat taalverzorging en correct taalgebruik weer belangrijk worden gevonden door studenten.’

Ook Bosman denkt dat de taaltoetsen aan de universiteit geen oplossing zijn voor het gebrekkige taalniveau van studenten. ‘Een taaltoets heeft weinig zin. Dit is een probleem van jarenlange achterstand. Dat krijg je niet binnen een half jaar weggepoetst.’

De muiterij op ’t kofschip moet worden neergeslagen, maar niet door de universiteit. In het voortgezet onderwijs bestaat een onderbreking van de leerlijn van Nederlandse taal. Deze lijn moet weer worden hersteld, zodat de studenten zich op de universiteit kunnen richten op complexere problemen die komen kijken bij het schrijven van academische teksten. Door de aandacht voor taalverzorging niet halverwege de middelbare schoolperiode overboord te gooien, hoeven universiteiten niet achter een jarenlange achterstand aan te hollen. De taaltoets op de universiteit zal dan weer verleden tijd worden en ’t kofschip zal een juiste koers varen. 

Voor de overige artikelen van deze ANS, klik hier.

Add a comment
Redactie