ANSadvo 570x135

Openingsartikel cultuurpakket

Culturele kloof

Het cultuurpakket in het regeerakkoord verplicht scholieren om te leren over het Wilhelmus en om op excursie te gaan naar de Tweede Kamer en het Rijksmuseum. Leerlingen krijgen hierdoor een eenzijdig beeld van Nederlandse geschiedenis en cultuur. Pas op de universiteit leren ze om nuances te plaatsen bij deze denkbeelden. De kloof tussen de middelbare school en de universiteit wordt zo te groot.

Tekst: Danique Janssen, Jean Querelle en Jules Schmeits
Illustratie: Bibi Queisen

Dit artikel verscheen eerder in de derde editie van ANS.

Veel Nederlanders weten voor een wedstrijd van het Nederlands elftal het eerste couplet van ons volkslied mee te zingen. Waarom Willem 'van Duitsen bloed' is en hij 'den Koning van Hispanje' altijd heeft geëerd, zullen veel voetbalfanaten echter niet weten. Om hier verandering in te brengen, is in het regeerakkoord onder andere opgenomen dat kinderen op school moeten leren over het Wilhelmus en de achtergrond daarvan. Daarnaast stelt Alexander Pechtold, fractievoorzitter van D66, op de partijwebsite dat 'dit kabinet wil dat ieder kind de kans krijgt het Rijksmuseum en de Tweede Kamer te bezoeken en zo leert over de geschiedenis van Nederland en onze democratie.' De nationale canon, een door de regering opgestelde verzameling van vijftig belangrijke historische gebeurtenissen, is daarbij leidend.

De coalitie neemt hierdoor het risico leerlingen van basis- en middelbare scholen een vooringenomen visie op te leggen waardoor een eenzijdig beeld van de Nederlandse identiteit en historie ontstaat. Studenten op de universiteit leren juist dat er niet zoiets is als de Nederlandse cultuur, maar dat er meerdere visies mogelijk zijn op cultuur of geschiedenis. Daarom moet de overheid meer ruimte laten voor discussies binnen de klas over wat belangrijk is in de Nederlandse historie en cultuur.

Illustratie openings culturele kloof grootGeschiedenis van bovenaf
De discussie over wat wel en niet belangrijk is in de Nederlandse historie en cultuur zou bijvoorbeeld bij het vak geschiedenis op de middelbare school kunnen plaatsvinden. Leerlingen kunnen aan de hand van verschillende teksten en gebeurtenissen discussiëren over uiteenlopende visies op het nationale verleden. De regering benadert cultuur in het regeerakkoord echter als een op zichzelf staand vak.

Remco Ensel, universitair docent Cultuurgeschiedenis van de Nieuwste Tijd aan de Radboud Universiteit (RU), vindt dit zorgelijk. 'Dit suggereert dat de regering mensen een nationale identiteit op wil leggen, door cultuur als middel voor cohesie te gebruiken. Dat is niet de juiste insteek om cultuur en geschiedenis mee te benaderen.' Volgens hem schiet niemand er iets mee op als Den Haag van bovenaf een culturele eenheid probeert op te leggen. 'We moeten de rol die cultuurverschillen in het kader van een nationale identiteit spelen centraal stellen. Dat is interessanter dan suggereren dat er een nationale eenheid zou zijn, die er in werkelijkheid helemaal niet is.' Nadenken en discussiëren over meerdere perspectieven is kenmerkend voor de universiteit. Het voortgezet onderwijs loopt het risico gedistantieerd te raken van het academische onderwijs als er te weinig aandacht is voor diversiteit in denken.

(On)zinnige canon
Lotte Jensen, hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de RU, heeft ook haar bedenkingen bij de huidige plannen. Ze ziet wel kansen voor het primair onderwijs. 'Zo'n bezoek aan de Tweede Kamer of het Rijksmuseum is voor basisscholieren best nuttig. Tegelijkertijd vraag ik me af waarom klassen niet naar een regionaal museum kunnen gaan. Dat lijkt mij minstens zo educatief, omdat daar ook veel wordt verteld over de Nederlandse geschiedenis.' De canon biedt dus volgens haar een aantal goede handvatten om basisschoolkinderen geschiedenis bij te brengen.

Het voortgezet onderwijs is een heel ander verhaal. 'Voor middelbare scholieren kun je de historie niet reduceren tot die van Nederland. Naast een nationale geschiedenis bestaat er ook een wereldgeschiedenis waarvan leerlingen weet moeten hebben', legt Jensen uit. In het regeerakkoord staat geschreven dat leerlingen op hun achttiende een boekje krijgen met daarin de nationale canon. Dat is volgens Jensen nutteloos. 'Dat boekje belandt achterin de kast, daar doet niemand meer iets mee. Als de regering het Nederlandse verleden belangrijk vindt, moeten ze investeren in goed onderwijs over geschiedenis op alle niveaus.'

Als scholieren naar de universiteit gaan, leren ze dat er verschillende visies op het verleden bestaan.

Homogenisering zorgt voor kloof
De invoering van een verplicht cultuurpakket zorgt er weliswaar voor dat middelbare scholieren een bepaalde basiskennis krijgen van de Nederlandse geschiedenis en cultuur, maar werkt tegelijker tijd homogeniserend. Geschiedenis en cultuur zijn namelijk ontzettend brede begrippen. Wetenschappers vliegen elkaar constant in de haren over onderzoeksresultaten en zijn het zelden snel met elkaar eens, omdat concepten als geschiedenis en cultuur niet bedoeld zijn om in een rechtlijnig verhaal te vatten. De regering probeert dat wel te doen door jonge generaties een nationale canon op te dringen. Als scholieren eenmaal naar de universiteit gaan, leren ze namelijk dat er verschillende visies op het verleden bestaan. Dit verschil in denkwijzen zorgt voor een gapend gat tussen de middelbare school en het wetenschappelijk onderwijs.

De regering stelt de verkeerde prioriteiten als het gaat om het onderwijscurriculum. Het cultuurpakket bemoeilijkt de overgang tussen de middelbare school en de universiteit, maar kan deze kloof juist dichten als er meer ruimte komt voor discussie over Nederlandse geschiedenis en cultuur. Zolang de overheid haar geld beter investeert en scholieren kritisch laat zijn, is de overgang naar de universiteit voor hen geen brug te ver.

Add a comment
Redactie
Openingsartikel pretstudies

Nog niet uit met de pret

Wat de VVD betreft kunnen studies met een slecht baanperspectief, zogenaamde "pretstudies", beter worden opgeheven. De partij vergeet het maatschappelijke belang van deze studies. Een goede baankans is niet de belangrijkste maatstaf voor de relevantie van een studie.

Tekst: Danique Janssen en Eva Vervoort
Illustratie: Bibi Queisen

Dit artikel verscheen eerder in de tweede editie van ANS.

Na jarenlang zwoegen in de collegebanken breekt voor veel studenten de volgende fase in hun leven aan: het is tijd voor een serieuze baan. Voor een aantal afgestudeerden verloopt de zoektocht hiernaar helaas niet zo soepel, omdat hun opleiding niet aansluit bij de kwalificaties waar veel werkgevers om vragen. Op de website van de Radboud Universiteit (RU) is te lezen dat slechts 53 procent van de afgestudeerde Filosofiestudenten binnen anderhalf jaar een baan vindt. Daar staat tegenover dat 97 procent van de Molecular Life Sciences alumni binnen zes maanden al werk vindt. Frank Steenkamp, directeur van het Centrum Hoger Onderwijs Informatie en hoofdredacteur van de Keuzegids, ontwikkelde een lijst met "crepeerstudies". Hierin zijn de studies met slechte arbeidsprognoses op een rijtje gezet. Zo kunnen studenten zich bewust worden van de nadelige arbeidsperspectieven die aan hun studie kleven en hier tijdig rekening mee houden. Studenten met een diploma in de Geesteswetenschappen of de Sociale Wetenschappen komen er in deze lijst slecht vanaf en moeten het regelmatig doen met lage salarissen, werkervaringsplekken en banen onder niveau. Ondanks deze ontmoedigende cijfers mag niet worden vergeten dat pretstudies wel degelijk belangrijk zijn, namelijk voor de ontwikkeling van een dynamische maatschappij.

De stekker er uit
Pieter Duisenberg, oud-Tweede Kamerlid van de VVD en voorzitter van de Vereniging van Universiteiten (VSNU), heeft een radicale oplossing voor het banenprobleem bij "pretstudenten": 'Hbo- en universitaire studies met weinig perspectief op de arbeidsmarkt moeten wat ons betreft verdwijnen', aldus Duisenberg op zijn persoonlijke website. Het statement is inmiddels verwijderd, maar met deze uitspraak heeft hij studies die geen direct economisch belang hebben ernstig gedegradeerd. Hij suggereert namelijk dat ze alleen 'voor de lol' en niet rendabel zijn. Duisenberg vergeet hierbij dat ze wel degelijk een grote maatschappelijke relevantie hebben, zoals vaak het geval is bij de Geesteswetenschappen en de Sociale Wetenschappen. De samenleving worstelt bijvoorbeeld met vraagstukken omtrent de integratie van Islamitische immigranten. Als Islamstudies-alumnus heb je misschien wel een pretstudie gedaan, maar met deze opleiding heb je verhoogd inzicht in zulke vraagstukken en kun je hier gepaste oplossingen voor aandragen.

Bruikbare vaardigheden
Daarbij hebben pretstudies wel degelijk een vorm van economisch belang. 'We kunnen iedereen met universitair niveau gebruiken op de arbeidsmarkt', aldus Caroline Termaat, career officer en voorzitter bij de Radboud Career Service. Ondanks dat afgestudeerden in pretstudies vandaag de dag harder moeten werken om hun plek op de arbeidsmarkt te veroveren, komen ook hun academische vaardigheden van pas in het arbeidsleven. Dit maakt het afschaffen van deze studies overbodig. Zo kwam Merel Doreleijers, afgestudeerd in Culturele Antropologie en Ontwikkelingssociologie aan de RU, heel ergens anders terecht dan ze had verwacht. Ze werkt bij HealthLink, een internationale firma die diensten verleent aan bedrijven voor logistieke afhandelingen. 'Ik denk dat mensen vaak vergeten dat een universitaire opleiding, naast een gerichte baan, ook een analytisch vermogen oplevert dat bij alle banen bruikbaar is. Als antropoloog heb ik gemerkt dat ik veel heb gehad aan de manier van denken die mij is aangeleerd, namelijk een holistische manier van vraagstukken benaderen. Dit is toepasbaar op allerlei problemen die zich kunnen voordoen binnen een bedrijf, van maatschappelijke tot technische.'

Dynamische arbeidsmarktIllustratie pretstudies groot
Voorlopig hoeven pretstudenten zich dus geen zorgen te maken, mits ze rekening houden met het perspectief op de arbeidsmarkt. Ook over de toekomst moet geen onnodige paniek worden gezaaid. 'Het is gevaarlijk om iets wat nu als pretstudie wordt gezien, af te schaffen. Dezelfde studie kan over een aantal jaar ontzettend relevant zijn', zegt Ignace De Haes, career officer voor de faculteit Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen bij de Radboud Career Service. De arbeidsmarkt is volgens hem erg dynamisch en dus zullen pretstudies mogelijk niet altijd pretstudies blijven. Op dit moment heeft het genezen van mensen en het ontwikkelen van machines de prioriteit in onze maatschappij, maar de wereld begrijpen blijft van enorme waarde. Het is onverstandig om nu studies te schrappen terwijl er een kans bestaat dat er over een aantal jaar meer vraag is naar bijvoorbeeld sociologische of theologische denkers. Steenkamp sluit zich hierbij aan: 'Zo'n VVD-politicus heeft een bepaald maakbaarheidsidee en denkt zeker te weten waar de maatschappij over vijf of zes jaar behoefte aan heeft, maar dat weet natuurlijk niemand. Dat er nu veel vraag is naar informatici en technisch ingenieurs, betekent niet dat dit altijd zo zal zijn.' Baankans is dus een korte termijnbegrip en niet zo relevant bij het kiezen van een studie als sommigen het laten lijken.

We moeten streven naar een veelzijdige en dynamische maatschappij die in kan spelen op veranderingen op de arbeidsmarkt. Hiervoor hebben we alle studies, van alfa tot gamma, hard nodig. Het is voorbarig om pretstudies af te schaffen vanwege hun nadelige baanperspectief, aangezien de baankansen in de toekomst zomaar om kunnen slaan door een veranderende arbeidsmarkt. Daarbij zijn de academische vaardigheden die worden opgedaan bij elke universitaire studie relevant op de arbeidsmarkt. Laat je dus niet tegenhouden om te studeren wat je echt leuk vindt. Zoals De Haes het verwoordt: 'Doe wat je hart je ingeeft. Als je dat doet met de nodige voorbereiding, dan komt het met je toekomst vanzelf goed.'

Add a comment
Redactie
Openingsartikel evaluatieformulieren

Zinloos gemeld

De evaluatieformulieren die studenten aan het eind van een cursus of tentamen invullen, zijn bedoeld voor verbetering van de onderwijskwaliteit. De resultaten hiervan worden echter bijna nooit teruggekoppeld naar de student. De universiteit moet er strenger op toezien dat studenten inzicht krijgen in de resultaten van evaluatieformulieren.

Tekst: Aaricia Kayzer
Illustratie: Anne Rombouts

Dit artikel verscheen eerder in de eerste editie van ANS.

Het invullen van een evaluatieformulier komt voor menig student als een vervelende nakomer; vragen die nog ingevuld moeten worden terwijl je liever na je tentamen meteen de zaal verlaat. Deze feedback is echter belangrijk voor de verbetering van de onderwijskwaliteit. De Universitaire Studentenraad (USR) pleit al sinds 2011 voor het universiteitsbreed invoeren van een terugkoppeling van cursusevaluaties aan studenten. Toch hebben studenten op de meeste faculteiten nog steeds geen zicht op de uikomsten van evaluatieformulieren. ‘Het is geen centrale verplichting voor docenten om de resultaten van zulke formulieren terug te koppelen’, vertelt Martijn Gerritsen, woordvoerder van de Radboud Universiteit. Terugkoppeling wordt wel aangemoedigd, maar daar blijft het bij. ‘In Nijmegen is alles behoorlijk decentraal geregeld. We willen faculteiten keuzevrijheid geven in hun beleid, zodat ze zo goed mogelijk kunnen evalueren.’

Isa Corbeek, vicevoorzitter van de USR, vindt het jammer dat eerder gemaakte afspraken hierover niet op alle faculteiten worden nageleefd. ‘Vanuit het Bestuursgebouw krijgen we veel erkenning over de ernst van dit probleem, maar de terugkoppeling van evaluatieformulieren staat laag op de prioriteitenlijst van docenten.’ Studenten geven echter niet voor niets feedback. Onderwijsdirecteuren en docenten moeten afspraken nakomen en consequent terugkoppelen naar studenten.

Zoek de verschillen
Op de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica (FNWI) wordt sinds vijf jaar gewerkt met een terugkoppeling van cursusevaluaties aan studenten. Zowel studenten als docenten ontvangen na afloop van een cursus een mail met daarin statistische gegevens over de cursusevaluatie, zoals gemiddelde cijfers. Daarnaast krijgen studenten ook een reflectie van de docent met daarin mogelijke actiepunten en een oordeel van de opleidingscommissie (OLC). ‘Een student die niet tevreden is over een specifiek aspect van de cursus, kan daardoor zien wat de docent hiermee van plan is, of wat ermee wordt gedaan’, vertelt Floris Rutjes, vicedecaan Onderwijs van het faculteitsbestuur van de FNWI. Céline Borst, lid van de OLC van Biowetenschappen, is positief over het systeem. ‘Je kan als student terugzien wat je hebt ingevuld en de OLC kan iets doen met deze informatie. Als dit niet gebeurt hebben mensen het idee dat er niets met hun feedback wordt gedaan.’ Meer terugkoppeling van cursusevaluaties stimuleert studenten dus om feedback te leveren, wat goed is voor de verbetering van de onderwijskwaliteit.

Lang niet alle faculteiten zijn zo transparant richting studenten. Op de Faculteit der Medische Wetenschappen blijven terugkoppelingen steken bij één van de vele instanties die een rol spelen bij de verwerking van evaluatieformulieren. Ferhat Beyaz, studentassessor van de Raad van Bestuur van het Radboudumc, legt uit dat evaluaties bij het onderwijsmanagementteam (OMT) terecht komen. Het OMT spreekt hierover met docenten en kwartaalcoördinatoren. Rianne Damhuis, studentlid van het OMT, vult aan: ‘De kwartaalcoördinator koppelt resultaten terug naar de SOOS, de jaarvertegenwoordiging van bachelorstudenten Geneeskunde. Zij kunnen dit vervolgens doorspelen naar hun achterban, maar dit is niet verplicht.’ Terugkoppeling naar studenten is hier dus niet gegarandeerd.

Illustratie Zinloos gemeld grootAfspraken verzaken
Het systeem dat de FNWI hanteert is echter niet zonder problemen. De participatie van docenten laat te wensen over, waardoor een deel van de cursussen niet volledig geëvalueerd kan worden. Borst geeft aan dat docenten vaak de deadline voor het reageren op evaluaties missen. ‘Als ze te laat zijn, wat vaak gebeurt, kan de OLC geen advies geven en krijgen studenten geen inzicht in wat er met hun kritiek gebeurt.’ Het probleem ligt dus bij de naleving van afspraken door docenten en opleidingsdirecteuren. Het systeem van de FNWI is, mits zij op tijd reageren op evaluaties, een goede manier om terug te koppelen. Gerritsen doet een andere suggestie voor directe terugkoppeling: ‘Een idee van de rector was om direct na afloop van een college te vragen: “Wat vonden jullie ervan?” Het voordeel hiervan is dat je een gesprek hebt, in plaats van een aankruisvakje of kort woordje.’ Een groot nadeel is dat evaluaties dan niet worden vastgelegd en daarom niet op lange termijn kunnen worden bekeken. Het is belangrijk om zicht te hebben op de meerjarige verbetering van een cursus.

Immy Niemeijer, studentlid van de OLC Nederlandse Taal en Cultuur, legt uit dat docenten een verantwoording over de evaluaties naar de OLC sturen. De OLC vergadert hierover en stuurt commentaar naar de docent. De docent zet dit in theorie op Blackboard, maar in de praktijk komt hier weinig van terecht. ‘Er is sprake van een beleid maar docenten voeren dit niet uit. Hier moet strenger op worden gelet.’ Dat hierin wordt verzaakt, heeft niet alleen als nadeel dat studenten evaluaties minder invullen. Studenten vormen ook een extra controleorgaan voor de verbeterpunten van docenten omdat ze kunnen letten op de naleving van deze punten. Als studenten de resultaten van evaluatieformulieren überhaupt niet onder ogen krijgen, mist deze extra controle.

Transparante terugkoppeling
Door de decentrale organisatie van de Radboud Universiteit zijn niet alle beleidszaken op elke faculteit hetzelfde geregeld. De terugkoppeling van evaluatieformulieren is hier een voorbeeld van. ‘Door transparant te zijn met resultaten hopen we studenten te stimuleren vaker evaluatieformulieren in te vullen’, aldus Rutjes. Corbeek is het hiermee eens: ‘Het communiceren van de resultaten is echt belangrijk, want je ziet dat studenten minder snel geneigd zijn een formulier in te vullen als ze hiervan nooit het resultaat zien.’

De FNWI laat zien dat het systeem voor terugkoppeling reeds bestaat, maar dat het probleem vooral ligt bij het naleven van afspraken door docenten en onderwijsdirecteuren. Zij moeten strengere afspraken maken met docenten en zorgen dat deze worden nageleefd, zodat resultaten van cursusevaluaties structureel worden teruggekoppeld naar studenten. Enkel aanmoedigen is niet genoeg, alleen met echte afspraken kan worden gescoord.

Add a comment
Redactie
Openingsartikel nieuwe onderwijsminister

Ik word minister en neem mee...

Met de invoering van het leenstelsel maakte demissionair minister Bussemaker van Onderwijs zich niet bepaald populair bij studenten. Om niet de nieuwe kop van Jet te worden kan haar opvolger wel wat tips gebruiken. ANS vroeg de VSNU, de LSVb en het ISO om raad voor vier succesvolle jaren ministerschap.

Tekst: Noor de Kort
Illustratie: Rens van Vliet

Dit artikel verscheen eerder in de zevende editie van ANS.

1. Investeer het basisbeursgeld enkel en alleen in het hoger onderwijs
Na invoering van het leenstelsel in 2015 besloot Jet Bussemaker, inmiddels demissionair minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dat het basisbeursgeld volledig moest worden geïnvesteerd in de kwaliteit van het onderwijs. De nieuwe minister moet erop toezien dat het geld inderdaad alleen hieraan wordt besteed, want er zijn veel kapers op de kust. De kans is aanwezig dat instellingen het geld in andere zaken steken dan onderwijs, zoals gebouwen of onderzoek. De nieuwe minister mag de belofte van Bussemaker echter niet breken. 

Volgens Jarmo Berkhout, voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb), bestaat het gevaar dat een deel van het budget wordt gebruikt om het bedrijfsleven te stimuleren meer te investeren in het hoger onderwijs. ‘Dat vind ik heel slecht, want het geld moet gewoon worden ingezet voor verbetering van de onderwijskwaliteit.’

Jan Sinnige, voorzitter van het Interstedelijk Studenten Overleg ziet ook in dat toezicht op besteding van het geld van groot belang is. ‘Als je het geld op de rekening van de universiteit stort, weet je nog niet zeker dat het aan studenten ten goede komt, terwijl dat wel de belofte is.’ De verantwoordelijkheid van de nieuwe minister eindigt dus niet als het geld is overgemaakt aan de instellingen.

2. Voorkom overlap van taken
Voor een goed functioneren van de nieuwe minister van Onderwijs is een duidelijke taakverdeling tussen de minister en staatssecretaris van groot belang. Volgens Karl Dittrich, voorzitter van de Vereniging van Universiteiten (VSNU), zaten minister Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker elkaar bij sommige onderwerpen in de weg. Dit was vooral het geval bij wetenschap. ‘Wij hebben gemerkt dat het maken van afspraken daardoor niet altijd even soepel verliep’, legt hij uit. ‘Om iets voor elkaar te krijgen moest je langs verschillende bureaus en kamers, en waren er meerdere handtekeningen nodig.’ Dit moet de komende jaren dus anders. Baken goed af wie waar verantwoordelijk voor is.Openingsartikel groot vierkant

3. Hou het hoger onderwijs betaalbaar voor iedereen
Met de invoering van het leenstelsel zaagde demissionair minister Bussemaker aan de poten van de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Tegenwoordig is het volgen van een opleiding voor sommigen simpelweg te duur. De nieuwe minister moet ervoor waken dat het hoger onderwijs toegankelijk blijft voor iedereen die daarvoor de capaciteiten heeft.

Om hiervoor te zorgen, moet de stijging van het wettelijke collegegeld worden begrensd. Sinnige vertelt dat het bedrag voor een jaar studeren in zes jaar tijd steeg van 1713 euro naar 2006 euro komend collegejaar. Een eerste stap in de goede richting zou het bevriezen van het wettelijke collegegeld zijn. ‘Zodra je gaat studeren, moet worden vastgesteld welk bedrag je de komende vier jaar gaat betalen’, legt hij uit. Sinnige vervolgt dat studenten op dit moment in een onzekere situatie verkeren. ‘Je gaat voor drie of vier jaar een verbintenis aan met een universiteit of hogeschool en het collegegeld kan ondertussen alle kanten opgaan. Om deze reden stoppen met je studie is echter een rigoureuze beslissing. Als een krant te duur wordt, zeg je het abonnement op. Zo simpel ligt het niet met een studie.’

Een andere manier om het onderwijs voor meer mensen toegankelijk te maken, is het uitbreiden van de aanvullende beurs. Deze moet worden verhoogd en voor meer studenten beschikbaar zijn, vindt ook Berkhout. ‘Dat is een aanmoediging voor mensen om te gaan studeren.’

4. Wees terughoudend met het doorvoeren van nieuwe maatregelen
Om te zien of een maatregel echt werkt, is tijd nodig. Nu is er vaak geen ruimte voor universiteiten om fouten te maken en hiervan te leren. ‘Als er nu iets gebeurt wat niet bevalt, neemt de politiek meteen maatregelen’, vertelt Dittrich. Hierbij realiseren politici zich volgens hem onvoldoende dat een nieuwe afspraak niet per definitie een goede oplossing is. ‘Elke extra regel kan tot problemen bij de uitvoering ervan leiden. Deze kan daarnaast de lasten versterken in plaats van verminderen.’ Dittrich vervolgt dat de overheid er ook nog op wil toezien dat regels werken zoals ze zijn bedoeld, als ze eenmaal zijn doorgevoerd. ‘Dit circus aan toezicht is onnodig groot.’

In plaats van het opleggen van maatregelen zou de overheid meer in gesprek moeten gaan met universiteiten als er een probleem opspeelt. Dittrich legt uit dat nieuw beleid dan niet nodig is. ‘Kijk eerst of iets kan worden opgelost door met de betrokkenen te spreken: waarom is iets op een bepaalde wijze gegaan, wat hadden we anders kunnen doen, wat zijn de consequenties en op welke manier komen we met hetzelfde beleid tot een andere uitkomst?’ Dan voelen universiteiten zich met meer vertrouwen behandeld, blijft de overheid niet steken in administratieve rompslomp en kunnen instellingen echt vooruitgang boeken.

Add a comment
Redactie
Openingsartikel overbodig printen

Geniet, maar print met mate

Docenten kunnen op de Radboud Universiteit onbeperkt printen. Daar maken ze flink gebruik van, zoals voor het uitdelen van hand-outs tijdens colleges. Dit leidt tot grote papierverspilling. Om onnodige verspilling tegen te gaan, is regelgeving rondom printgedrag nodig.

Tekst: Wout Zerner
Illustratie: Anne Rombouts

Dit artikel verscheen eerder in de zesde editie van ANS.

De Radboud Universiteit (RU) probeert zich als een groene en duurzame instelling te profileren. De RU komt met verschillende initiatieven om dit karakter kracht bij te zetten. Zo is door de prullenbakken in de Universiteitsbibliotheek (UB) bijvoorbeeld het scheiden van afval mogelijk met verschillende bakken voor plastic, papier en restafval. Daarnaast plaatst de RU zonnepanelen op het dak van hetzelfde gebouw. Op één vlak verzaakt de universiteit echter haar duurzame imago te bevestigen: printen door personeel.

Voor docenten is er op dit moment nog geen regelgeving wat betreft papierverbruik: ze kunnen gratis en onbeperkt printen op de campus. Op deze manier is het ook makkelijk om op grote schaal hand-outs in colleges uit te delen. De meeste studenten beschikken echter over een laptop en de benodigde literatuur zou dus grotendeels online kunnen worden aangeboden. Voor studenten zijn artikelen op deze manier makkelijk te raadplegen en het bespaart bovendien papier. De mogelijkheid om de teksten online aan te bieden wordt door docenten gebruikt, maar toch bestaat de behoefte nog steeds om hand-outs te verstrekken. Om een hoop bomen te sparen, zal de RU regelgeving omtrent printgedrag van docenten moeten opstellen.

Digitaal boven papier
Momenteel ontbreekt op de RU duidelijk beleid om het printgedrag van docenten te reguleren. Op centraal niveau is niks geregeld, laat Martijn Gerritsen, woordvoerder van de RU, weten. De invoering van het Péage-systeem heeft wel voor een afname van papierverspilling gezorgd. Docenten zijn eind 2016 geleidelijk overgestapt naar dit nieuwe systeem. ‘De invoering vond plaats om medewerkers de mogelijkheid te bieden om op de hele campus te kunnen printen’, vertelt Gerritsen. ‘Daarnaast vond de invoering plaats in het kader van secure printen. De kopieën komen niet meer meteen uit de printer rollen, maar pas als de medewerker bij het apparaat heeft ingelogd. Op deze manier voorkomen we datalekken; er blijven geen vellen papier meer bij de printers rondslingeren.’ Diane Wannet, Manager Logistiek & Services bij het Facilitair Bedrijf, legt uit dat deze overstap als bijkomend effect een afname van papierverspilling had. ‘Bij het oude printsysteem konden docenten van achter hun computer bestanden uitdraaien. Hierdoor was de kans groot dat de uitgeprinte documenten werden vergeten en in de papierbak belandden. Door de invoering van Péage voor docenten moeten ook zij naar de printers lopen om een opdracht af te drukken.’

Hoewel dit een goede eerste stap is, moeten meer maatregelen volgen. Het kost docenten door de invoering van het systeem meer moeite om te printen, maar ze zijn nog altijd vrij om op grote schaal documenten uit te draaien. ‘Studenten gaan vaak bewuster om met printen, omdat ze voor de kopieën moeten betalen’, stelt Maarten Heinemann, fractielid van AKKUraatd. ‘Ze zijn eraan gewend dat ze naar de printer moeten lopen voor hun printopdracht.’

Papieverspilling grootVanuit de RU bestaat de wens om minder papier te printen. ‘In het kader van duurzaamheid zien we het liefst dat docenten hun teksten in digitale vorm verspreiden naar studenten via bijvoorbeeld Blackboard’, vertelt Gerritsen. ‘Onze indruk is dat het digitaal beschikbaar stellen van documenten steeds meer gebeurt, maar sommige studenten vinden dat docenten nog te veel hand-outs uitdelen.’ Ook Heinemann is van mening dat de universiteit te weinig doet aan het terugdringen van het aantal kopieën. ‘Docenten worden niet gecontroleerd op de hoeveelheid uitgedraaide documenten en kunnen dus hun gang gaan’, vertelt hij. ‘Ik heb het idee dat de staf dit ook niet als een probleem ziet.’

Hand-outs, handig?
Ondanks de wens van de RU om literatuur online aan te bieden, gebruiken sommige docenten nog altijd papieren versies. Andrej Zaslove, universitair docent Politicologie, is één van hen. Hij is zich wel bewust van het papierverbruik. ‘Vorige week wilde ik een oefening doen waarvoor veel papier nodig was, maar deze heb ik toen niet gedaan.’ Toch deelt hij af en toe hand-outs tijdens zijn college uit. De houding van studenten ziet hij hierbij als belangrijkste reden. ‘Als ik teksten online zet, heeft vaak maar 60 procent van de studenten deze bij zich. Op die manier kan ik geen goed lopend college geven, omdat ik veel onnodige vragen krijg. Sommige studenten hebben bovendien geen laptop tot hun beschikking. Door de teksten op papier uit te delen weet ik zeker dat iedereen een exemplaar bij zich heeft.’

Heinemann ziet geen noodzaak in het uitdelen van hand-outs, omdat je de teksten niet voorafgaand aan het college kan bestuderen. ‘Goed onderwijs moet prioriteit hebben, maar voor de meerwaarde van hand-outs is geen bewijs. Teksten verspreiden tijdens college is zonde van het papier. Het werkt niet, omdat je tijdens het college geen tijd hebt om de teksten door te nemen. Als de tekst vooraf beschikbaar is, kan de student deze voorbereiden.’ Teksten die online worden aangeboden zijn voor iedereen en op elk moment beschikbaar. Voor de studenten zonder laptop zou de docent altijd een paar documenten achter de hand kunnen hebben.

De universiteit zal, om de daad bij het woord te voegen, moeten inzetten op duidelijke regels voor het uitdraaien van hand-outs. De invoering van het Péage-systeem is een al dan niet bewuste aanzet tot een strenger printbeleid. Nu zal de RU moeten doorpakken om het afdrukken van overbodige teksten verder aan banden te leggen. Met Blackboard is er een ideaal platform om de teksten digitaal te verspreiden. Door het online zetten van de informatie kunnen studenten deze vooraf en tijdens het college op hun laptop raadplegen. De noodzaak van het printen van hand-outs is verdwenen en daarom moet de RU de verspreiding hiervan tegen gaan. Het printbeleid voor docenten moet zwart op wit komen te staan, maar dan wel het liefst digitaal. 

Add a comment
Redactie
Openingsartikel bestuursminor

Besturen voor dummy's

In een poging de vakken van studentbestuurders van enige betekenis te laten zijn voor hun bestuursjaar, ontwikkelen de Universitaire Studentenraad en Dienst Studentenzaken een bestuursminor aan de Radboud Universiteit. Zo’n minor kan erg nuttig zijn, maar er zijn ook valkuilen. ANS zoekt uit hoe de bestuursminor er wel en niet uit moet komen te zien.

Tekst: Rein Wieringa
Illustratie: Rens van Vliet

Dit artikel verscheen eerder in de vijfde editie van ANS.

Aan het hoofd van talloze verenigingen in Nijmegen staan studenten die het grootste deel van hun tijd in het bestuur steken. Veel van deze studentbestuurders moeten tijdens hun bestuursjaar toch nog een aantal studiepunten halen. ‘Veel actieve studenten kunnen door hun bestuurswerk niet hun normale studie volgen’, vertelt Maarten Dietz, lid van de Universitaire Studentenraad (USR). ‘Om toch aan studiepunten te komen, volgen ze vaak vakken die totaal niet van belang zijn voor hun studie.’

Om deze reden ontwikkelen de USR en Dienst Studentenzaken (DSZ) samen een bestuursminor. Ze streven ernaar deze minor komend collegejaar van start te laten gaan. Ger Boonen, directeur van DSZ, legt uit: ‘We willen de verplichte studiepunten voor bestuurders op een goede manier mogelijk maken. Tegelijkertijd moeten studentbestuurders die de minor volgen hun taak nog beter kunnen uitvoeren dan ze al doen.’ Volgens Boonen zal de minor daarom handvatten bieden voor praktische problemen van het bestuurswerk, maar ook wetenschappelijke inhoud bevatten.

De USR heeft zich laten inspireren door de Hogeschool Utrecht (HU) en de Universiteit Twente (UT), waar dergelijke programma’s voor studentbestuurders al bestaan. De minor is op dit moment nog in een vroeg ontwikkelingsstadium – een goed moment om in Utrecht en Enschede op zoek te gaan naar de sterke en zwakke punten.

Utrechtse praktijken
In de Utrechtse ‘Minor Leiderschap’ reflecteren studenten op hun bestuurswerk door er met elkaar over te praten en logboeken bij te houden. Daarnaast lezen ze boeken over effectief besturen. Isabelle Beelen, ex-bestuurslid van de VIDIUS Studentenunie uit Utrecht, vond de minor erg waardevol. ‘Ik heb het echt nodig gehad’, geeft ze aan. ‘Het was een moment van bezinning aan het eind van de week, waarmee je je bestuurswerk kon afsluiten.’

Besturen grootLukas Heijdt, eveneens oud-bestuurder van de Studentenunie, is ook positief: ‘Ik vond het sterk dat de minor aan de HU zich vooral op praktische aspecten als persoonlijke ontwikkeling en zelfreflectie richt. Hierdoor is deze erg toepasbaar op je bestuursjaar. We hebben bijvoorbeeld coach- en gesprekstechnieken geleerd, waarmee we anderen in de minor moesten begeleiden. Dat was enorm leerzaam.’ Beelen sluit zich daarbij aan: ‘Vooral de trainingen waren waardevol voor de persoonlijke ontwikkeling; ook zonder boeken kan je mensen aan het denken zetten.’

Gratis studiepunten
De Enschedese, universitaire variant van de bestuursminor besteedt naast praktijk meer aandacht aan theorie. Herman Oosterwijk, coördinator van de bestuursminor in Enschede, legt uit: ‘Ik laat de studenten een aantal werkstukken maken en ze schrijven aan de hand van literatuur over internationalisering. Daarnaast krijgen ze een collegereeks over beleid, waar ze een tentamen over maken.’ In de minor krijgen studenten ook de mogelijkheid hun eigen problemen te bespreken. ‘Timemanagement is een standaardprobleem, maar ook vragen als “Hoe verander ik de sfeer in een bestuur?”, of “Hoe zorg ik dat mijn commissies gaan draaien?” komen aan bod’, aldus Oosterwijk. Op dit moment volgt Roderik Stoffels, Commissaris Externe Betrekkingen bij studievereniging Paradoks (Biomedische Technologie en Technische Geneeskunde), de bestuursminor van de UT. ‘Soms worden er leuke verhalen gedeeld, zoals dat twee bestuurders met elkaar het bed hebben gedeeld’, vertelt Stoffels. De zelfreflectie kan volgens hem nuttig zijn voor studentbestuurders, maar de colleges en de beleidswetenschappen vindt hij minder bruikbaar. ‘Daar ga ik nooit meer iets mee doen’, verwacht hij.

Bestuurders vinden de praktische kant van de bestuursminor dus het nuttigst, zowel in Utrecht als in Enschede. Een volledig praktische minor kan echter niet academisch zijn, terwijl dat een voorwaarde is om aan de Radboud Universiteit studiepunten te kunnen accrediteren. Tegelijkertijd zal de USR in het geval van een praktijkgerichte minor tegen het probleem van studielast aanlopen. Oosterwijk constateert over de minor aan de UT: ‘Het is een module van 15 EC. De tijd die je eraan kwijt bent staat dus gelijk aan 15 maal 28 uur.’ Stoffels komt bij lange na niet aan deze 420 uur. ‘De meest efficiënte manier om aan 15 EC te komen is wel de bestuursminor’, vindt hij. ‘Bij normale vakken moet je daar veel meer voor doen. Dat is het leuke aan een bestuursminor: het zijn gratis EC’s.’

Wal of schip
Zelfs met theoretische inhoud waar studentbestuurders niet op zitten te wachten, kost een bestuursminor al minder tijd dan de bedoeling is. Zonder deze inhoud kan de bestuursminor nauwelijks meer een minor worden genoemd. De praktische inhoud die dan overblijft, is voor bestuurders weliswaar het meest toepasbaar, maar zeker niet academisch. Ook op het gebied van studielast zal zo’n minor tekortschieten. Bij de bestuursminor bestaat dus een afweging tussen geschiktheid voor bestuurders enerzijds, en diepgang en studielast anderzijds. Studentbestuurders willen een praktisch toepasbare minor die weinig tijd kost, terwijl een volwaardige academische minor theoretische diepgang heeft en zijn EC’s in studielast waarmaakt.

De USR en DSZ willen een minor op touw zetten die studenten helpt bij hun bestuursjaar en ook nog eens studiepunten oplevert. Een lastige combinatie, gezien de bovengenoemde afweging. Om te voorkomen dat ze gratis studiepunten aanbieden, moeten de ontwikkelaars niet bang zijn een flinke lading theorie aan de minor toe te voegen. Als er vervolgens geen studentbestuurders op komen dagen, dan is dat een goede reden om aan te nemen dat de bestuursminor niet voor universiteiten is weggelegd. Beter geen studiepunten dan gratis studiepunten.

Add a comment
Redactie
Openingsartikel herinvestering studiefinanciering

Investeer, concretiseer

Vanaf 2018 keert de overheid het geld dat is vrijgekomen door de invoering van het leenstelsel uit aan het hoger onderwijs. Als het aan de RU ligt, zal echter niet al het geld naar investeringen in onderwijs gaan waar alle studenten van profiteren. Om dit te voorkomen moeten richtlijnen rondom herinvestering van de studiefinanciering concreter worden geformuleerd.

Tekst: Noor de Kort
Illustratie: Anne Rombouts

Dit artikel verscheen eerder in de vierde editie van ANS.

In het collegejaar 2015-2016 is het leenstelsel ingevoerd en sindsdien is de studiefinanciering voor studenten die aan een opleiding beginnen verleden tijd; zij moeten met een fikse lening genoegen nemen. Minister Bussemaker van Onderwijs beloofde bij de invoering van het leenstelsel dat de middelen die hierdoor vrijkwamen voor een flinke investering in de kwaliteit van het hoger onderwijs en daaraan gerelateerd onderzoek zouden zorgen. Sinds 2015 doen universiteiten zelf al voorinvesteringen en vanaf 2018 keert de overheid het bespaarde geld uit.

Hoog tijd om te kijken waar de voorheen zo graag ontvangen stufi aan wordt besteed. De Radboud Universiteit (RU) krijgt voor het jaar 2018 12,8 miljoen euro om te besteden. Maar liefst een kwart van dit forse bedrag zal worden uitgegeven aan zaken waar alleen de ‘excellente student’ iets aan heeft: continuering en uitbreiding van de excellentietrajecten. Een groot bedrag wordt dus besteed aan zaken waar slechts een klein gedeelte van de studenten van profiteert, terwijl wel alle studenten hun studiefinanciering moeten missen.

De wet laat dit soort bedenkelijke herinvesteringen toe en de door studenten en hoger onderwijs gezamenlijk opgestelde richtlijnen rondom de uitgaven zijn vaag. Met open deuren als ‘intensiever en kleinschalig onderwijs’ en ‘passende en goede onderwijsfaciliteiten’ is bijna elke bestedingsvorm te rechtvaardigen. De richtlijnen moeten worden geconcretiseerd, zodat het voor universiteiten niet mogelijk is om een groot deel van de herinvestering aan excellentietrajecten uit te geven. Alle studenten moeten iets positiefs merken van investeringen met het geld dat hen is afgepakt.

Lekker breed en nietszeggend
Bij de herinvestering van de studiefinanciering zou de Gemeenschappelijke Agenda Hoger Onderwijs handvatten moeten bieden. Het Interstedelijk Studentenoverleg, de Landelijke Studentenvakbond, de Vereniging Hogescholen en de Vereniging van Universiteiten boden deze op 19 december aan bij Minister Bussemaker. Echt veel wijzer word je echter niet van de inhoud. In de agenda staat dat met het geld zal worden gestreefd naar ‘intensiever en kleinschalig onderwijs’, ‘meer en betere begeleiding van studenten’, ‘inzet op talentontwikkeling: binnen en buiten de studie’, ‘passende en goede onderwijsfaciliteiten’ en ‘verdere professionalisering docenten’. Fantastisch natuurlijk, maar praktisch gezien kan elk mogelijk plan met betrekking tot verbetering van het onderwijs eronder worden geschaard. Proost op het leenstelsel grootDe vijf punten belichamen een totale verbetering van het hoger onderwijs en op deze manier hebben de universiteiten nog steeds complete vrijheid bij de besteding van het bedrag. Om een eerlijke verdeling te garanderen is een eenduidige visie rondom de uitgave van het geld dus hard nodig.

Dubieuze besteding
Door de onduidelijk geformuleerde richtlijnen hebben universiteiten vrij spel bij de besteding van het vrijgekomen geld. Ook bij de RU is dit het geval. Uit de voorlopige begroting voor 2018 komt bijvoorbeeld naar voren dat van het overheidsgeld, 12,8 miljoen euro, 3 miljoen zal gaan naar de Radboud Honours Academy (RHA). Hier heeft een gemiddeld presterende student niets aan. Bovendien is de verhouding tussen het bedrag dat aan de RHA wordt besteed en de hoeveelheid studenten die gebruik maakt van de excellentietrajecten scheef. Minder dan 6 procent van de studenten aan de RU neemt op dit moment deel aan de trajecten, terwijl bijna een kwart van de begroting van de herinvestering hiervoor is gereserveerd. Het spekken van excellentietrajecten is bovendien niet incidenteel. Al sinds 2015 wordt jaarlijks 3 miljoen euro besteed aan de continuering van het honoursprogramma en de uitbreiding hiervan naar de propedeusefase. Dit zal nu dus worden voortgezet. Het grootste deel van de studenten zal echter niets merken van deze uitgaven. De RU kan beter geld uittrekken voor onderwijs waar alle studenten iets aan hebben.

Of de 1,1 miljoen euro die is gereserveerd voor ver- en nieuwbouw van onderwijsvoorzieningen echt een investering is die is gericht op het verbeteren van het onderwijs voor alle studenten, valt ook te betwijfelen. Gaat het hierbij om restauratie van studieruimtes, dan is er inderdaad wat voor te zeggen. Door de vage verwoording blijft echter in het midden waar het geld precies naartoe gaat. Op deze manier is het onzeker of het geld inderdaad bijdraagt aan verbetering van het onderwijs, of slechts aan de uitstraling van de campus. Van een facelift is nog nooit iemand beter geworden.

Studenten moeten sinds de invoering van het leenstelsel grote bedragen lenen om hun studie te kunnen betalen. De afspraak dat het vrijgekomen geld zal worden geïnvesteerd in verbetering van het hoger onderwijs is veelbelovend. Hierbij is het van belang dat alle studenten iets hebben aan de besteding van het geld. De richtlijnen rondom de herinvestering worden nu echter zo breed gehouden dat iedere interpretatie van onderwijskwaliteit mogelijk is. Dit is terug te zien in de begroting van de RU; er wordt geïnvesteerd in zaken waar slechts een klein percentage van de studentenpopulatie iets aan heeft. Een aanmerkelijk deel van het overheidsgeld zal gaan naar het paradepaardje van de universiteit: de RHA. Joost mag weten wat de student met krappe voldoendes hieraan heeft. Om te streven naar een goede herinvestering van de studiefinanciering moeten de richtlijnen concreter worden verwoord. Alle studenten moeten profiteren van het geld en niet slechts de kleine groep geniale studenten. Dat zou pas excellent zijn.

Add a comment
Redactie