Doceerbonus?

Docenten lijken soms net zo weinig zin te hebben in het college als de zaal met gapende studenten. Op Nederlandse universiteiten wordt het geven van goed onderwijs immers nauwelijks beloond en ligt de prioriteit bij het doen van onderzoek. Waarom wordt kundig doceren niet gestimuleerd?

Tekst: Tijs Sikma
Illustratie:
Sascha Wijnhoven

Dit artikel verscheen eerder in de februari-ANS

De wereldvreemde introverte bolleboos en de enthousiaste extraverte leermeester zijn zowel qua persoonlijkheid als kwaliteiten tegenpolen. Op een universiteit moeten docenten echter zowel onderzoek doen als onderwijs geven. De prioriteit ligt meestal bij het onderzoek: zoveel mogelijk publiceren en het binnenhalen van financiering. Hoogleraren die intensief en cruciaal onderzoek doen, ervaren onderwijs soms als een last. Studenten worden daardoor vaak opgezadeld met docenten die plichtmatig hun colleges afraffelen of niet in staat zijn stof helder over te brengen en studenten bij de les te betrekken. Elke student krijgt wel eens te maken met dit kaliber docent: de ongemotiveerde droogkloot die nasaal zijn powerpointje voorleest. Het geven van goed onderwijs vormt echter de basis van een universiteit en zou ook als zodanig beloond moeten worden.

Onderwijsverplichtingen
Het is niet zo gek dat docenten vaak zo weinig bevlogen zijn bij hun colleges. Op de Radboud Universiteit worden docenten nauwelijks veroordeeld voor het geven van slecht onderwijs, maar vooral ook niet gestimuleerd goed onderwijs te geven. De enige verplichte kwalificatie die docenten op de RU moeten hebben, die garandeert dat ze goed onderwijs geven, is de Basiskwalificatie Onderwijs (BKO). Bizar genoeg heeft ongeveer een kwart van de vaste medewerkers deze kwalificatie niet. Cristel Claas, Coördinator BKO op de RU, vertelt dat “een meerderheid hiervan bestaat uit hoogleraren die bijna met pensioen gaan, maar dat ook een deel hiervan bestaat uit onderzoekers die voor het behalen ervan worden vrijgesteld.” Daarnaast heb je deze kwalificatie voor altijd. Een docent kan dus na het behalen ervan de kwaliteit van zijn onderwijs straffeloos laten verwateren. Een docent kan daarnaast vrijwillig nog extra cursussen volgen om diens onderwijs te verbeteren. Maar deze zijn niet verplicht. Nadat een docent het BKO heeft behaald wordt hij ook niet opnieuw hierop getoetst. Naast dat er voor docenten geen verplichtingen zijn, die een constante kwaliteit van hun onderwijs garanderen, worden zij hierop ook niet beloond. In Eindhoven en Groningen zijn de universiteiten bezig met het ontwikkelen van een apart carrièrepad voor onderwijsdocenten. Claas laat echter weten dat de RU hier in het algemeen nog geen stappen in heeft gezet. bizhubC554-31-20150121105754 Een last
Docenten zien onderwijs geven vaak zelf ook als een last, doordat het doen van onderzoek veel belangrijker is voor hun loopbaan. Volgens Bas van de Meerakker, molecuulfysicus aan de RU, is onderzoek bijna altijd doorslaggevend voor een universitaire carrière, al is de situatie de laatste jaren wel verbeterd. ‘Bij benoemingen wordt wel degelijk gekeken naar de kwaliteit van het onderwijs. Ik weet dat er ook wel eens benoemingen niet door zijn gegaan, doordat het onderwijs onvoldoende was, terwijl het onderzoek goed ging. Toch kan men niet ontkennen dat er een zekere asymmetrie in het systeem zit: mensen die heel goed zijn in onderzoek, maar niet in het geven van onderwijs, kunnen ver komen op een universiteit. Andersom geldt dit niet.’

Uit een rapport van het Rathenau Instituut, een onderzoeksorganisatie die zich bezighoudt met wetenschapsbeleid en innovatie, blijkt dat verreweg de meeste docenten op de universiteit voorrang geven aan het doen van onderzoek. Onderwijs geven vinden ze veel minder belangrijk. Laurens Hessels, onderzoeker van het Rathenau, denkt dat dit vooral komt doordat onderzoek veel meer beloond wordt. Het talentbeleid op de universiteit kijkt volgens Hessels nauwelijks naar onderwijsprestaties, maar is vooral gekoppeld aan hoeveelheid publicaties, citaties en het binnenhalen van financiering. Daarnaast denkt hij dat onderzoek binnen de universiteitscultuur meer prestige geeft. ‘Wetenschappelijk personeel is ook lid van een internationale wetenschappelijke gemeenschap. Daar gaat het natuurlijk vooral over het onderzoek en niet over onderwijs.’

Een universitair docent doorloopt volgens Hessels ook een opmerkelijk carrièrepad: ‘Je begint met promoveren, waar je vooral onderzoek doet en als postdoc ook. Pas als universitair docent krijg je met veel onderwijstaken te maken. Als promovendus of postdoc ben je vaak eerst heel gemotiveerd geraakt en heb je een onderzoekslijn bepaald, waarna je plotseling heel veel onderwijs moet geven.’ Volgens Van der Meerakker ervaren daarom vooral promovendi, die zich meestal volledig op hun onderzoek willen richten, de onderwijsbelasting als erg hoog. Zeker als je dit vergelijkt met het buitenland. ‘Af en toe heerst de indruk dat promovendi worden gebruikt om goedkope docenten voor de klas te hebben staan.’

Hessels denkt dat universitaire onderzoekers meer belang zullen hechten aan het geven van onderwijs, als de beloningsstructuur hierop wordt aangepast. Ook Claas ziet hier mogelijkheden: ‘Ik kom vaak docenten tegen die zeggen dat ze eigenlijk het liefste alleen maar onderwijs willen geven.’ Deze mensen worden hierin echter geremd. Wanneer het geven van goed onderwijs meer wordt gestimuleerd, zullen docenten colleges geven minder snel als een last ervaren en zich er meer voor inzetten. Aan de Radboud Universiteit zou een apart carrièrepad voor onderwijsdocenten, zoals in Groningen en Eindhoven hiervoor een oplossing kunnen zijn. Op dit moment wordt de docent namelijk nauwelijks door de universiteit gecontroleerd en gestimuleerd om zich in te zetten voor het geven van beter onderwijs. Het doen van onderzoek heeft uiteindelijk weinig zin als de kennis niet wordt doorgegeven.

Add a comment
Redactie

Tentamenstress

Nominaal studeren wordt steeds belangrijker, maar met dubbel geplande tentamens, wordt het wel heel lastig om het diploma binnen de vastgestelde tijd te halen. Waarom is er bij de meeste faculteiten geen officiële regeling die dit probleem aanpakt? Tekst: Anne van Veen Illustratie: Rens van Vliet

Dit artikel verscheen eerder in de januari-ANS

Bij studenten die naast studeren graag hun cv willen uitbreiden of gewoon veel bier willen drinken, wil er nog wel eens een studiepunt door de vingers glippen. Door vervolgens de niet gehaalde vakken het volgende jaar te herkansen, komt het regelmatig voor dat studenten meerdere tentamens op hetzelfde tijdstip gepland hebben. Vooral bij de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica (FNWI) komt dit probleem regelmatig voor, omdat de faculteit door de vele vakken met maar 3 studiepunten veel tentamens moet roosteren. Niet alleen de hardwerkende of luie student kampt met dit probleem. Studenten binnen de FNWI hebben te maken met veel keuzevakken uit verschillende jaarlagen en kunnen daardoor in een doolhof van tentamenplanningen terechtkomen. Binnen deze faculteit is er voor het probleem van de dubbele tentamens geen officiële regeling getroffen. Dit leidt er regelmatig toe dat studenten moeten kiezen tussen de twee tentamens. In de tentamenperiode is stress normaal, maar stress bij het kiezen tussen tentamens, is natuurlijk een heel ander verhaal. Het is van groot belang dat de RU studenten geen tentamenmogelijkheden onthoudt door tentamens op hetzelfde tijdstip in te plannen en hier vervolgens geen regeling voor te treffen. Helaas is dit nu wel het geval.

Dubbel geplande tentamens Jeroen van de Wiel, assessor bij de faculteit vertelt dat dubbel geplande tentamens binnen de FNWI inderdaad voorkomen, ook binnen hetzelfde vakkenpakket: ‘Omdat de FNWI 1074 tentamens per jaar moet roosteren, is het onvermijdelijk dat er een paar op hetzelfde moment plaatsvinden.’ Zo vertelt Lisa de Jong (21), student Moleculaire Levenswetenschappen, dat het haar bij het afronden van het vorige blok lastig werd gemaakt en dat ze moest kiezen tussen twee tentamens: ‘Gelukkig heb ik het gekozen vak wel gehaald, want ik heb gezien dat de herkansingen van dezelfde twee tentamens de volgende periode weer tegelijk zijn ingepland.’

Officieuze regeling Het is begrijpelijk dat er bij de FNWI door de grote hoeveelheid tentamens en de vele keuzevakken overlap in de tentamenperiode plaatsvindt. Wat kunnen studenten doen om dit probleem op te lossen? Mike Eijbersen, vicevoorzitter van de Facultaire Studentenraad (FSR), vertelt dat de FSR nooit klachten over dubbel geplande tentamens binnenkrijgt: ‘Wanneer studenten dit probleem tegenkomen, kunnen ze het eigenlijk altijd met de docent regelen. Als dit niet werkt kunnen ze bij de examencommissie aanspraak maken op de hardheidsclausule die in de Onderwijs- en Examenregeling (OER) staat.’ Deze meldt dat de examencommissie in bijzondere gevallen ten gunste van de student kan afwijken van de OER. Eijbersen vindt deze oplossing overigens beter dan het instellen van een officiële regeling: ‘Onderling kunnen problemen heel gemakkelijk worden opgelost.’ Studieadviseur Gerrie Coppens vertelt een heel ander verhaal: ‘Wij kunnen niks voor studenten met dubbel geplande tentamens doen. Ze moeten deze kwestie samen met de docent oplossen of ze zullen moeten kiezen welk tentamen ze gaan maken. Deze laatste optie komt per jaar helaas meerdere keren voor.’ De geluiden over de dubbele tentamens zijn tegenstrijdig. Misschien weten studenten niet dat ze met hun problemen bij de FSR aan kunnen kloppen? Veel belangrijker: waarom, als het probleem toch altijd opgelost zou kunnen worden, bestaat er niet gewoon een eenduidige formele regeling voor?

Studentenservice De Faculteit der Managementwetenschappen is de enige faculteit aan de RU die een officiële regeling voor het probleem van de dubbele tentamens heeft vastgesteld. Als studenten binnen deze faculteit meerdere tentamens op hetzelfde moment hebben, kunnen ze digitaal een formulier invullen. Studenten hebben dan de mogelijkheid, mits de twee tentamens binnen de faculteit vallen, om beide tentamens in de ochtend, middag of avond te volbrengen. De student maakt ze in hetzelfde lokaal en mag deze tussendoor niet verlaten. Hoofd onderwijsmanagement van de Managementfaculteit, Ward Kelder, geeft aan dat deze regeling op verzoek van studenten in het leven is geroepen. ‘De regeling bestaat al een aantal jaar en wordt gemiddeld door vijf studenten per tentamenperiode gebruikt. Alleen studenten binnen de faculteit kunnen er gebruik van maken, omdat de hoeveelheid gedoe anders onevenredig groot wordt. Hier zitten de studentenadministraties van de verschillende opleidingen dicht bij elkaar en kunnen de kwesties zo besproken worden’, aldus Kelder. De afstand tussen studentenadministraties bij andere faculteiten zou het vaststellen van een officiële regeling niet moeten tegenhouden. Een mailtje is immers zo verstuurd. Kelder: ‘Een dergelijke procedure kost natuurlijk extra geld, maar het is wel een service aan de studenten. Ik denk dat ze bij andere faculteiten geen officiële regeling hebben vastgesteld, omdat daarbinnen verschillende onderwijsinstituten met andere afspraken bestaan.’ Dit gebrek aan flexibiliteit is een probleem en het is jammer dat studenten hier de dupe van worden. De signalen over de oplossingen bij dubbel geplande tentamens zijn niet eenduidig en officieuze regelingen kunnen tot teleurstellingen leiden. Het is te hopen dat studenten in de toekomst niet meer hoeven kiezen tussen tentamens, zodat zij zelf kunnen bepalen of ze een tentamen gaan maken of niet.

De naam Lisa de Jong is op verzoek van de geïnterviewde gefingeerd.

Klik hier voor de overige artikelen uit de januari-ANS.

Add a comment
Redactie

Dubbele boodschap

Voor een internationaler imago, wil de RU de komende jaren naar de buitenwereld toe een herkenbaardere naam hanteren. Om het merk Radboud nadrukkelijker te profileren, wordt Nijmegen uit de naam gehaald. Levert de universiteit zo een deel van haar identiteit in?

Tekst: Daan van Acht Illustratie: Sascha Wijnhoven

Dit artikel verscheen eerder in de december-ANS

Jet Bussemaker, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, benadrukte afgelopen maand het belang van internationalisering. Het begrip zou de kwaliteit van het onderwijs verhogen en daarnaast ‘Nederlandse studenten een internationaal perspectief leren zien’. Ook de Radboud Universiteit lijkt internationalisering hoog in het vaandel te hebben staan, met het stokpaardje Change Perspective als belangrijk onderdeel van de toekomstvisie. Het uitgangspunt: de RU moet zich de komende jaren nadrukkelijker gaan positioneren om zich staande te houden tussen het geweld van de grote, internationale universiteiten. Een van de aspecten uit het plan die zou moeten bijdragen aan het internationale karakter van de RU, is een verandering van naam. De komende jaren wil de universiteit zich gaan presenteren als Radboud University, in tegenstelling tot de huidige naam Radboud Universiteit Nijmegen. De universiteit zegt hiermee een voorbeeld te willen nemen aan gerenommeerde instellingen die niet bekendstaan om hun locatie, zoals het Amerikaanse Harvard University. Gevaren liggen echter op de loer. Naast de nodige onkosten, verliest de RU juist een deel van haar identiteit.

openings grootMaak een keuze Na in 2004 al te zijn overgestapt van Katholieke Universiteit Nijmegen naar Radboud Universiteit Nijmegen, is de volgende doelstelling van de RU om de naam van de universiteit internationaal aantrekkelijker te maken. Om dit te bereiken, is volgens Gerard Meijer, voorzitter van het College van Bestuur, een kortere naam essentieel. Martijn Gerritsen, woordvoerder van de RU, geeft aan dat de universiteit volledig achter de nieuwe naam staat: ‘De verkorte naam maakt het makkelijker om te communiceren naar de buitenwereld en draagt bij aan de naamsbekendheid van de universiteit.’ Gerritsen zegt het onnodig te vinden om bestaande eetborden, folders en andere items waarop de naam Radboud Universiteit Nijmegen te vinden is, direct te vervangen. Merkwaardiger is de bewuste keuze om de huidige, volledige naam opzettelijk te gebruiken op formele documenten, waaronder bullen en diploma’s. De RU kiest hiermee moedwillig voor het gebruik van twee verschillende namen, wat onnodig veel verwarring kan veroorzaken. Verkeert de RU in een identiteitscrisis en kan ze Nijmegen toch nog niet loslaten?

Nog geen Harvard Het College van Bestuur lijkt de waarde van de stad Nijmegen als verbindende factor te onderschatten. Imagodeskundige Rudy van Belkom, van Imagobureau TINK!, beaamt dit: ‘De verbindende factor van de universiteit is de locatie. De naam van de vestigingsplaats bepaalt de authenticiteit en identiteit van de universiteit.’ Ook Mark Vlek de Coningh, voorzitter van de Universitaire Studentenraad, benadrukt dat de band met Nijmegen niet verloren mag gaan. ‘De stad en de universiteit zijn onderhand zo verweven met elkaar, dat het zonde zou zijn als Nijmegen door deze naamsverkorting niet meer met de Radboud Universiteit geassocieerd wordt.’ Ook de eerdergenoemde vergelijking met Harvard, in lijn met de toekomstplannen van de RU, is volgens Van Belkom merkwaardig. ‘Harvard vormt eerder een uitzondering op de regel. De World Reputation Rankings van de Times Higher Education worden voornamelijk bezet door universiteiten waarin de naam van de vestigingsplaats gewoon wordt vermeld.’ De vergelijking met befaamde internationale universiteiten is volgens Van Belkom sowieso overtrokken, en hij vraagt zich af in hoeverre een naamsverandering daadwerkelijk bijdraagt aan de internationale positie van de RU. ‘De onderbouwing voor de naamsverandering is erg “van binnen naar buiten” gedacht. Profileer jezelf eerst als een Harvard, voordat je daadwerkelijk je naam erop gaat aanpassen. Daarnaast komt de vergelijking enigszins pretentieus op me over.’ Dan resteert er nog een belangrijke vraag: wat kost dit grapje? Daarover is vooralsnog geen duidelijkheid. Woordvoerder Gerritsen zegt geen weet te hebben van de precieze kosten voor de naamswijziging en de profilering van het merk Radboud, aangezien de naamsverandering verschillende onderdelen van de universiteit aangaat, waaronder het Radboud Sportcentrum en de Radboud Docenten Academie. Wel ziet Gerritsen de eventuele kosten van de naamsverandering als investering in de toekomst, al kunnen hier sterke vraagtekens bij worden gezet. Geld en aandacht kunnen beter worden gestoken in het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs.

Klik hier voor de overige artikelen uit de december-ANS.

Add a comment
Redactie

Alles flex?

De druk op de student wordt tegenwoordig steeds meer opgevoerd. Flexstuderen, oftewel de keuzevrijheid om per vak te betalen, moet dit volgens de bedenkers oplossen. Is dit optimisme terecht?

Tekst: Tijs Sikma en Annemarie Verschragen
Illustratie:
Jurgen Tesselaar

Dit artikel verscheen eerder in de november-ANS

De huidige student is een magnetronstudent. Waar vroeger een studie van tien jaar niet uitzonderlijk was, is ‘langstudeerder’ tegenwoordig bijna een scheldwoord. Met de komst van het leenstelsel wordt langer studeren duurder en zal de druk nog verder opgevoerd worden. Wie meer tijd wil, kan nauwelijks nog terecht bij deeltijdstudies: in tien jaar tijd is de hoeveelheid deeltijdstudies in Nederland gehalveerd en bestaan er op de Radboud Universiteit nog slechts vier. Volgens de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) zou een nieuwe inschrijvingsvorm, het flexstuderen, de druk van de ketel kunnen halen. De student betaalt in dit nieuwe systeem geen collegegeld per jaar, maar per vak. Hierdoor kunnen studenten makkelijker bepalen op welke universiteit en in welk tempo ze vakken willen volgen. Flexstuderen moet deeltijd studeren een nieuwe impuls geven en zou volgens de LSVb in de toekomst ook het voltijd studeren grotendeels kunnen gaan vervangen. Inmiddels zijn er zelfs nog positievere geluiden - met in de voorhoede Volkskrant-columnist Aleid Truijens – die het flexstuderen bombardeerde tot dé nieuwe manier van studeren. Deze bejubeling is echter niet terecht. Dit is niet de oplossing voor de student die wat langer wil sudderen.

snacks van jos grootGoed werk vergt tijd
Betalen per vak in plaats van per collegejaar heeft volgens Tom Hoven, voorzitter van de LSVb, als belangrijkste voordeel dat er meer keuzevrijheid in het hoger onderwijs komt. ‘De student kan er niet alleen voor kiezen hoeveel vakken hij wenst te volgen, maar bepaalt zelf ook of hij deze vakken allemaal op dezelfde universiteit gaat doen.’ Als iemand meer gaat werken, stage wil lopen of ziek is, kan hij ervoor kiezen minder vakken te volgen. Het curriculum en de contacturen blijven bestaan zoals dat nu het geval is, alleen worden het collegegeld en de studiefinanciering op de hoeveelheid studiepunten afgestemd. Truijens schrijft in haar column dat je in de hoop op je 22ste een topbaan te vinden, snel kan studeren en daarmee jezelf diep in de schulden kan werken. Jarenlang genoegen nemen met een baantje in een café en daarnaast studeren in eigen tempo, zonder hier een lening aan over te houden, kan echter ook. Ook mensen met een gezin of werk, hebben in het huidige onderwijsmodel vaak niet genoeg mogelijkheden (tijd en aanbod) om een volledige opleiding te volgen. Flexibel studeren maakt het mogelijk de opleiding over een langere periode uit te spreiden en verbetert daarmee de toegankelijkheid van het hoger onderwijs.

Lekker sociaal doen
Het flexstuderen klinkt als een verlossing voor de tegenstanders van het magnetronstuderen. De studievorm heeft echter ook een hoop nadelen. Mark Vlek de Coningh, voorzitter van de Nijmeegse Universitaire Studentenraad, stelt dat flexstuderen een goed plan kan zijn, mits het een aanvulling blijft op de voltijd opleiding. ‘De inschrijvingsvormen zouden inwisselbaar moeten zijn, zodat je na twee jaar kunt besluiten een jaar flexibel te studeren. Als de meerderheid van de studenten flexstudent wordt, zullen zij waarschijnlijk minder betrokken zijn bij het studentenleven en loopt de campus leeg.’ Hoewel de LSVb benadrukt dat contacturen behouden moeten blijven, zal dit wel in wisselende groepen zijn. Ook Martijn Gerritsen, woordvoerder van de Radboud Universiteit, hamert op sociale binding binnen een studie. ‘Voor ons is de sociale component belangrijk. Samen een opleiding doorlopen draagt sterk bij aan het studiesucces. Mensen die flexibeler willen studeren, kunnen daarvoor al bij de Open Universiteit terecht.’ Miranda de Kort, woordvoerder van deze instelling, bevestigt dit. Hoewel De Kort voorstander is van flexibiliteit, waarschuwt zij voor de nadelen die daarmee samenhangen: ‘Bijna 90 procent van de nieuwe studenten aan de Open Universiteit haakt af, dit is mede te wijten aan het gebrek aan structuur en sociale binding.’ De instelling biedt daarom sinds 1 september ook een gestructureerd curriculum met vaste startmomenten en meer begeleiding.

Bureaucratische beperkingen
Het is nog maar de vraag of flexibel studeren administratief te regelen is. Alle flexstudenten die staan ingeschreven, kiezen individueel wanneer en waar zij vakken gaan volgen en hebben dus geïndividualiseerde programma’s. Voor elke student moet het collegegeld en de studiefinanciering apart worden geregeld, om nog maar te zwijgen over de aanpassingen van regelingen als het BSA en het verval van studiepunten. De extra administratieve kosten worden in het voorstel van de LSVb opgevangen door het collegegeld per studiepunt met 15 procent te verhogen. Het huidige financieringsstelsel is ook nog niet geschikt voor het flexibel studeren. Als studenten kunnen shoppen bij verschillende universiteiten, krijgt maar één instelling geld voor het diploma.

Onbekende prak
Hoewel meer keuzevrijheid en slechts betalen voor de vakken die je afneemt als muziek in de oren klinkt, bevat het voorstel over flexstuderen een hoop valse noten. Sterker nog, het roept vooral veel vraagtekens op. Het is onduidelijk hoe flexstuderen concreet moet gaan werken. Deeltijdstudies worden juist in de avonduren gegeven. Het flexibel maken van het gewone curriculum van alle studies kan niet zomaar fungeren als vervanging omdat deze colleges overdag zijn. Tevens is het onbekend of er wel genoeg vraag is naar deeltijd studeren en zijn de nadelen van flexstuderen als grootste onderwijsvorm onderbelicht. Voor het concept de hemel in te prijzen, is het verstandig eerst concreet onderzoek te doen. Liever een goede magnetronmaaltijd dan een onbekende half gare prak.

 

Add a comment
Redactie

Beperkt in je studie

Door onoverzichtelijke en onvolledige informatievoorziening wordt het RU-studenten met een functiebeperking overbodig moeilijk gemaakt om te studeren. ‘Eigenlijk staat de regelgeving over de speciale voorzieningen nergens duidelijk aangegeven.’ Hoe erg is de situatie?

Tekst: Daan van Acht en Saskia Verheijden
Illustratie: Rens van Vliet

Dit artikel verscheen eerder in de intro-ANS

Aan een universiteit moet iedereen gelijke kansen krijgen. Voor een eerstejaarsstudent met een functiebeperking als autisme of een lichamelijke handicap hoort het net zo gemakkelijk te zijn een opleiding af te ronden als voor elke andere student. Om dit te realiseren, is het essentieel dat informatie over een eventueel speciaal studietraject duidelijk en toegankelijk is. De RU presteert matig wat betreft het voorzien in de belangen van deze studenten. Dit blijkt uit de meest recente Nationale Studenten Enquête. Hoewel de RU bovengemiddeld scoort op bijvoorbeeld sportvoorzieningen en bereikbaarheid, is de informatievoorziening over studeren met een functiebeperking laag beoordeeld met 2,9 uit 5 punten. Daarnaast worden aan de onderwijsaanpassingen en opvang van de universiteit voor studenten met een beperking slechts een 3,1 toegekend. Een blik op de website leert dat die magere cijfers volledig terecht zijn.

Eindeloos doorklikken BeperktInJeStudie
De webpagina’s van de RU over het studeren met een functiebeperking zijn overwegend slecht of onvolledig. Wie de website bezoekt om informatie te verkrijgen over hulp bij beperkingen, komt terecht op de pagina ‘Extra hulp bij studeren met een handicap’. Deze biedt slechts basale informatie en een web van doorverwijzingen met als eindpunt de pagina van de studentendecaan. Ook deze is zeer beperkt en noemt slechts een aantal algemene voorbeelden met gevallen waarin de decaan de student van dienst kan zijn, zoals het combineren van studie en topsport. Voor concretere informatie over het studeren met een handicap wordt er wederom doorverwezen, ditmaal naar het telefonisch spreekuur en bezoekadres van de decanen. Riekje Stuut en André Bartels, beide studentendecanen, betreuren de slechte digitale informatievoorziening. ‘De site is een wirwar. De informatie op de verschillende pagina’s moet meer een geheel worden. Het is een belangrijk verbeterpunt’, aldus Bartels. Stuut is het hiermee eens. ‘De informatie op de website kan duidelijker.’

Van het kastje naar de muur
Ook buiten het web is de informatie beperkt. Het bezoekadres van de studentendecanen blijkt de Centrale Studentenbalie te zijn, waar men wordt afgescheept met een lijst cursussen en trainingen die niet specifiek zijn toegespitst op studenten met een functiebeperking. In hoeverre heeft een blinde student baat bij een cursus constructief denken? Als mosterd na de maaltijd is een folder met concrete informatie pas te verkrijgen wanneer een afspraak met de decaan is gemaakt. Te midden van alle doorverwijzingen rept de RU-website over een speciaal studietraject voor studenten met een functiebeperking. Informatie over dit traject valt niet – zoals veel andere pagina’s over studeren met een functiebeperking – onder het kopje ‘Studenten’, maar onder ‘Studeren in Nijmegen’. Een van de speerpunten van het traject, dat van start ging in 2009, was het inrichten van een centraal informatiepunt. Martijn Gerritsen, woordvoerder van de RU, bevestigt dat hieronder de Centrale Studentenbalie of studentendecaan wordt verstaan – een slap excuus voor een centraal informatiepunt. Evelien van der Linden, tweedejaarsstudent, kampt met chronische vermoeidheid en herkent de problemen. ‘Met name de overgang van de middelbare school naar de universiteit is moeilijk voor beperkte studenten. Ik moest veel zelf uitzoeken en op de website van de RU staat weinig aangegeven. Blijkbaar moest ik bij een decaan zijn. Ik heb een afspraak gemaakt, waarna ik werd doorverwezen naar de studieadviseur, die vervolgens weer moest terugkoppelen naar de decaan.’ Volgens Stuut en Bartels zijn met name studenten die er tijdens hun studie achter komen dat ze een beperking hebben de dupe van de slechte informatievoorziening. Bartels: ‘Gaan ze naar de studieadviseur of blijven ze aanmodderen?’ Vooral voor hen is een toegankelijke en overzichtelijke informatievoorziening van cruciaal belang.

Dikke maatjes
De troef van het speciale studietraject is de persoonlijke begeleiding door een zogeheten ‘maatje’. Deze rol wordt vervuld door een vrijwillige student. Wanneer iemand met een beperking aangeeft hulp te willen van een maatje, wordt dit door de RU geregeld. Lieke van Dam, eerstejaars Spaanse Taal en Cultuur, zegt veel baat te hebben bij de hulp van haar maatje Noor Smal, tweedejaars Moleculaire Levenswetenschappen. ‘Door mijn Asperger heb ik de neiging om problemen te ontwijken. Dankzij Noor weet ik waar ik tegenaan loop en hoe ik mijn problemen, zoals het op tijd inleveren van essays, moet aanpakken. Ze verwijst me door naar de juiste mensen.’ Bij deze laatste opmerking moet echter wel een kanttekening worden geplaatst. De RU mag er namelijk niet vanuit gaan dat iedere begeleidende student net zo assertief is als Smal. De maatjes blijven immers studenten en geen volleerde studentendecanen. De begeleidende studenten worden in slechts twee avonden voorbereid op hun eenjarige termijn als maatje. Smal hield hier gemengde gevoelens aan over. ‘De bijeenkomsten zijn goed voor het overzicht, maar je hebt er over het algemeen niet zo veel aan.’ Het maatjesproject is bovendien niet voor iedereen weggelegd. Voor sommige studenten is de drempel te hoog om de hulp van een maatje in te roepen. Volgens Bartels is een andere vorm van begeleiding wel een mogelijkheid: ‘In samenwerking met de RU en andere instellingen, zoals het Expertisecentrum Handicap & Studie, worden trainingen en intensieve begeleiding gegeven aan studenten voor wie het maatjesproject geen uitkomst biedt.’

Het probleem is niet zozeer de opvang en begeleiding van studenten met een functiebeperking, maar de moeite die het kost om informatie te verkrijgen over deze begeleiding. Eindeloze doorverwijzingen op de RU-website en zwakke communicatie tussen decaan en studieadviseur staan optimale opvang in de weg. Op korte termijn zal de website een uiterlijke verandering ondergaan. Het is te hopen dat dit gepaard gaat met een inhoudelijke verbetering.

De naam van Lieke van Dam is op verzoek gefingeerd.

Add a comment
Redactie

Bachelorbetutteling

Derdejaars geesteswetenschappers moeten sinds dit jaar verplicht oefenen met solliciteren en netwerken. Onder de noemer ‘loopbaanoriëntatie’ worden schoolse maatregelen doorgevoerd. Klagen studenten terecht?

Tekst: Cecile Vermaas en Annemarie Verschragen Illustratie: Rens van Vliet

Dit artikel verscheen eerder in de juni-ANS.

Posters maken, journalistieke artikelen schrijven en oefenen met solliciteren levert je tegenwoordig vijf studiepunten op aan de Faculteit der Letteren en aan de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen (FTR). Loopbaanoriëntatie is sinds dit jaar een verplicht onderdeel van het curriculum van de derdejaars in de vorm van het vak Geesteswetenschappen en Samenleving. De cursus duurt veertien weken, waarvan de eerste helft wordt besteed aan de link tussen studie en maatschappij en de tweede helft aan loopbaanbegeleiding. Vooral het tweede deel krijgt een hoop klachten van studenten te verduren. Zeven weken nadenken over je toekomst en je kwaliteiten wordt te veel van het goede gevonden. De klachten lijken aan te sluiten bij een bredere discussie of een universiteit zich moet richten op de vorming van mensen en wetenschappers of op arbeidsmarktvoorbereiding. Wat zijn de redenen voor het verplichte loopbaanoriëntatievak en hoort het op de universiteit thuis?

Overbodige dwang Waarom voelt de RU zich gedwongen een vak over loopbaanoriëntatie te geven? Volgens Jeroen Linssen, onderwijsdirecteur bij FTR, bestaat het vak uit twee delen met elk een eigen oorsprong. ‘In 2008 verscheen het rapport Duurzame Geesteswetenschappen onder leiding van Job Cohen, waaruit bleek dat geesteswetenschappers niet genoeg verantwoordelijkheid nemen binnen de maatschappij. Vroeger schreven hoogleraren nog boeken voor het onderwijs. Nu zitten ze in hun ivoren toren onderzoek te doen.’ Daarnaast bleek uit studentenenquêtes van de afgelopen jaren dat studenten niet weten waar ze loopbaaninformatie kunnen vinden, ondanks dat er al organisaties bestaan die deze kennis aanbieden. De Career Service biedt op alle faculteiten informatie over bijvoorbeeld stage en solliciteren. Toch acht Linssen een algemeen vak belangrijk: ‘Als je studenten zelf hun oriëntatie laat regelen, gebeurt het niet. Daarnaast vind ik het meerwaarde hebben als studenten gezamenlijk aan hun loopbaan werken.’ Dit is een opmerkelijke uitspraak, aangezien op een universiteit mag worden verwacht dat studenten zelf de keuze maken om zich te verdiepen in loopbaanoriëntatie. Naast de Career Service bestaat ook nog een keuzevak in de stageminor met dezelfde inhoud als in het tweede deel van deze cursus. Het gezamenlijke karakter wordt daar dus al ondervangen. Als studenten er dan voor kiezen om dit vak niet te volgen, zou de universiteit ze niet moeten dwingen.

Kostbare studiepunten Coördinator van Geesteswetenschappen en Samenleving Nina Geerdink verwoordt wat volgens haar de toevoegde waarde van het tweede deel van het vak is. ‘Het is belangrijk om studenten mee te geven hoe ze terecht kunnen komen waar ze willen en dat ze daar tegenwoordig eerder over moeten nadenken dan vroeger.’ Dat is allemaal mooi en aardig, maar is de huidige vorm niet overmatig? Zeven weken verplicht besteden aan opdrachten die gericht zijn op de arbeidsmarkt is veel te veel voor een universiteit. Verschillende studenten geven aan dat ze een eendaagse workshop een goed alternatief zouden vinden. Loïs Timmer, student Communicatie- en Informatiewetenschappen: ‘Nu zijn er te veel werk- en hoorcolleges met een hoop opdrachten, het zou fijn zijn als bijvoorbeeld korte gasttoespraken en workshops op een dag werden gebundeld.’ Dit zou voorkomen dat studenten studiepunten moeten besteden aan een vak dat weinig academische toevoeging heeft. Linssen stelt dat één vak voor zelfreflectie geen probleem mag zijn. Een studie van 180 studiepunten geeft echter al niet heel veel ruimte voor wetenschappelijke verdieping, dus is het zonde om de studiepunten te verspillen aan praktijkgerichte opdrachten. Een universiteit hoort zich op de vorming van mensen en wetenschappers te richten en niet voor te bereiden op de arbeidsmarkt. Grahame Lock, hoogleraar Politieke Filosofie in Oxford en Leiden, heeft hier recentelijk zijn mening over uitgesproken in de Groene Amsterdammer. ‘Het is verbazingwekkend dat er zo weinig wordt gesproken en nagedacht over de algemene vorming van studenten in plaats van het opleiden van goede arbeidskrachten.’ Ook bij de staf bestaat onenigheid over de plaats van de cursus in een universitair curriculum, zo heeft Linssen ervaren. ‘Ik durf geen percentage te noemen, maar ik denk dat de helft het er niet mee eens is.’ Dit uit zich ook in de gangen van de ivoren toren die het Erasmusgebouw heet. Studenten en docenten spreken extra hard hun klachten uit wanneer ze Linssens kantoor passeren.

Toekomstvrees Het verplicht maken van iets dat al als keuzevak bestaat en het uitgebreide en niet-academische karakter van het tweede deel van Geesteswetenschappen en Samenleving maakt dit vak een belediging voor zijn studiepunten. Creatieve posters maken om aan groepjes medestudenten toe te lichten, is bespotting van de student. Met loopbaanoriëntatie is niks mis, maar het is niet het doel van de universiteit mensen aan een baan te helpen. Hoe ver is de RU verwijderd van een instelling waarin zelfvorming en pure wetenschap niet meer centraal staan? Als de RU het zo belangrijk vindt om loopbaanvoorlichting nog duidelijker aanwezig te laten zijn dan met de Career Service al het geval is, dan zou het oriëntatievak het beste kunnen worden omgegooid. Een workshopdag of een ingekorte collegereeks zou meer dan voldoende moeten zijn. Voorlopig staat het op andere faculteiten nog niet in de planning om soortgelijke vakken in het curriculum op te nemen. Het is te hopen dat dit zo blijft.

Add a comment
Redactie

RU nog niet geslaagd

Universiteiten verdenken studenten van spieken op het toilet tijdens tentamens. Bij toetsing van academisch niveau zou het opzoeken van informatie echter geen verschil mogen maken. De universiteit draait niet om het stampen van feiten en details.

Tekst: Anders Hoendervanger Illustratie: Rens van Vliet

Het is de nieuwe hobby van Nederlandse universiteitsbestuurders: het voorkomen van tentamenfraude. Maastricht University investeert in de PocketHound, een apparaat dat telefoonsignalen kan detecteren, en de Universiteit Leiden onderzoekt het blokkeren van deze signalen op tentamenmomenten. Bij dit idee kunnen echter vraagtekens worden geplaatst, want kun je voor een goed academisch tentamen wel spieken? Zijn studenten en masse veranderd in spiekende kleuters, of wordt het ze te makkelijk gemaakt met te veel meerkeuzevragen en het jaarlijks hergebruiken van tentamens? Dat laatste zou goed kunnen, simpele vraagstelling biedt nu eenmaal meer mogelijkheid tot spieken. Daarom moet het probleem van tentamenfraude bij de wortels worden aangepakt, in plaats van alleen het symptoom te bestrijden. De universiteit draait niet om het stampen van feiten, maar om beredeneren en het leggen van verbanden.

Meerkeuzedilemma Sommige tentamens op de universiteit zijn gericht op het reproduceren van feiten en details door middel van meer- kezevragen, dat is een foute ontwikkeling. Meerkeuzevragen bieden namelijk onvoldoende de mogelijkheid te meten wat je wil meten als docent: geen feiten maar academische vaardigheden. Een goede academische toets is niet een controle of de student rijtjes heeft gestampt, maar moet testen of de student voldoende inzicht heeft in wetenschappelijke problemen en vraagstukken. Het toetsen daarvan lukt alleen met open vragen waarin studenten de ruimte krijgen voor argumentatie. Helaas worden meerkeuzetentamens nog altijd gegeven. Docenten zijn snel geneigd meerkeuzetentamens op te stellen voor grote groepen studenten. Deze tentamens worden geautomatiseerd nagekeken en de resultaten krijgt de docent in Excelformaat aangeleverd. Assistent professor Bedrijfskunde Nanne Migchels noemt zijn afwegingen: ‘Bij vakken als Inleiding in de Bedrijfskunde heb je al snel driehonderd studenten. Als docent moet ik ook eten of slapen.’ Voor een vak wordt een bepaald aantal uur gesteld, waarin een docent lesstof moet ontwikkelen, colleges moet geven en studenten helpen. In die uren ook nog driehonderd tentamens met open vragen nakijken is niet mogelijk. Wel probeert de bedrijfskundige een aantal open vragen in zijn tentamens op te nemen, bijvoorbeeld in de vorm van een casus. Docenten kiezen dus niet altijd uit overtuiging voor meerkeuzevragen. Het liefst zouden ze voor open bevraging gaan, dit is alleen niet mogelijk gezien het budget dat ze krijgen. Meerkeuzevragen blijven zo in de hele bachelor Bedrijfskunde terugkomen: ‘Pas in de master zijn de groepen klein genoeg om voor een geheel open bevraging te kiezen’, legt Migchels uit. Om betere examinering te krijgen zou gezocht moeten worden naar meer budget.

Copy-paste Bij enkele cursussen wordt elk jaar gebruik gemaakt van hetzelfde tentamen. Studenten weten dit en leren dan simpelweg het oude tentamen uit hun hoofd, dan test je niet of de studenten voldoende de academische literatuur beheersen. Dit geldt ook voor oefenvragen die integraal worden overgenomen op tentamens. ‘Ik zou geen oog dicht doen als ik een tentamen hergebruik’, aldus Migchels. ‘Het heeft deels te maken met je persoonlijke ethiek. Zo’n docent zou je eigenlijk met pek en veren door de Thomas van Aquinostraat moeten slepen.’ Neem het volgende krankzinnige voorbeeld aan de bètafaculteit. Bij het vak Wiskunde 1 uit de bachelors Scheikunde, Moleculaire Levenswetenschappen en Science kregen studenten cijfers voor hun ingeleverde opdrachten. Wanneer ze hier gemiddeld een 7 voor haalden, hoefde het tentamen niet meer te worden gemaakt. Een student geeft tegenover ANS echter aan dat de antwoordsleutels voor de eerste zes opdrachten al bekend waren. Dit resulteerde in een slagingspercentage van 92,5 procent bij de eerste kans. Maar liefst 49,7 procent van de 147 deelnemers sloot het wiskundevak af met een 8 of hoger. Docenten controleren elkaars tentamenvragen, daarbij zouden ze extra kritisch moeten zijn op hergebruik van vragen. Wilhelm Huck, voorzitter van de examencommissie Moleculaire Wetenschappen, ziet vooral de praktische belemmeringen: ‘Als je stof hebt waarvan je denkt dat studenten die absoluut moeten kennen, vraag je hier elk jaar weer naar. Je kunt de vragen en antwoorden wel anders formuleren, de kern zal hetzelfde zijn. Het is ondoenlijk qua tijd dat collega’s die de tentamenvragen controleren rekening houden met vorige tentamens van een docent. Als er echt iets mis is met een tentamen dan zal de examencommisie dit ontdekken, elk jaar wordt namelijk 25 procent van de tentamens gecontroleerd.’ Ook hier zou docenten meer tijd en geld gegund moeten worden om meer te kunnen controleren op het gebruik van oude tentamenvragen. Migchels beaamt dit en waarschuwt vooral voor de gevolgen als de academische gemeenschap niet controleert op copy-paste-tentamens: ‘Diploma’s moeten wel wat waard blijven, je wil geen Windesheim- of InHolland-praktijken aan de RU.’

Symptoombestrijding Jarenlang rondjes om een a, b, c of d zetten draagt niet bij aan het academisch niveau van de Nijmeegse student, de opleiding of de universiteit in het algemeen. Surveillanten voorzien van detectivegadgets om studenten op het toilet te confronteren is meer symptoombestrijding dan een structurele oplossing. De basis van het probleem is dat het studenten soms te makkelijk wordt gemaakt met meerkeuzevragen, het jaarlijks hergebruiken van tentamens of rondslingerende antwoordmodellen. Tentamens kunnen beter, bijvoorbeeld door meer open vragen te stellen. Hiermee kan worden getoetst of studenten voldoende inzicht hebben in wetenschappelijke problemen en vraagstukken en ruimte moeten krijgen voor argumentatie. Als hier meer budget voor nodig is, dan doet de RU goed aan hier naar te zoeken. Tentamens zijn een wezenlijk onderdeel van toetsing. Schort het aan de kwaliteit hiervan dan kunnen opleidingen lager aangeschreven komen te staan. Niemand op de universiteit is gebaat bij diplomadeflatie.

Bekijk hier de overige artikelen uit de februari-ANS.

Add a comment
Redactie