Stroperig netwerk

De RU is bezig om van haar ICT-afdeling een gestroomlijnd geheel te maken. Een goed plan, maar voor studenten is er op korte termijn geen oplossing voor hun problemen. ‘Ik heb het gevoel dat studenten worden weggejaagd uit de UB.’

Traag of niet functionerend draadloos internet, slome printers en een beperkt aanbod van software. Het zijn veelgenoemde ICT-problemen voor de RU-student. Het meest recente voorbeeld is het haperende internet tijdens de afgelopen tentamenperiode in de Universiteitsbibliotheek (UB). De facilitaire ICT-afdeling is verantwoordelijk voor de problemen wat betreft ICT-voorzieningen op de campus en bestaat uit drie onderdelen. De Gebruikersdienst ICT (GDI) is het aanspreekpunt voor student en medewerker wat betreft de ICT-voorzieningen zoals het draadloos internet en de printfaciliteiten, het Universitair Centrum Informatievoorziening (UCI) is de leverancier van de diensten. De derde betrokken partij is het Concern Informatie Management (CIM), dat informatiesystemen als Osiris en Blackboard verzorgt. Deze complexe structuur wordt pas veranderd in 2015. In de tussentijd moet er beter worden ingespeeld op de problemen van studenten.

Met de tijd mee Het College van Bestuur (CvB) streeft niet naar de beste ICT-dienst van het land, maar kiest voor degelijkheid en richt zich op veiligheid van de aangeboden diensten. De ICT-wereld is echter volop in beweging en studenten komen met steeds nieuwe apparaten op de proppen die ze willen gebruiken op de campus. Een ICT-dienst moet daar op inspelen, maar opmerkelijk genoeg is het toch niet mogelijk om op het draadloos internet te komen als je een laptop met Windows 8 bezit. Frans Peperzak, Hoofd Inkoop van het Cluster Facilitair, legt uit: ‘Als student verwacht je dat draadloos internet werkt als je je laptop openklapt op de campus, net zoals in een café. Daar heb je echter een open netwerk, terwijl het netwerk op de campus gesloten is. Om de veiligheid van de instelling en de student te garanderen kan het daarom wat langer duren voordat iets volledig werkt.’ Het kan echter ook te lang duren voordat het werkzaam is. Problemen lijken daardoor structureel. ‘Ik heb nu het gevoel dat studenten worden weggejaagd van de campus. Systeembeheerders krijgen ver van tevoren proefversies van nieuwe programma’s juist om te testen of de netwerken RU-WLAN en EDUROAM werken’, zegt Patrick Verleg, voorzitter van de Universitaire Studentenraad (USR). ‘De universiteit kan zich niet verschuilen achter het veiligheidsargument.’

Een kwestie van prioriteiten stellen Al in juni vorig jaar trok de USR middels een brief aan het CvB aan de bel. De ICT-afdeling van de RU deed te weinig met de input van studenten en bij klachten en suggesties die werden behandeld was er volgens de medezeggenschappers een ‘gebrek aan visie’. ‘Wij hechten veel waarde aan de input van studenten, maar het is lastig om met ze in contact te komen’, zegt Loes Builtjes, hoofd GDI. De enige signalen komen van de USR en een klankbordgroep studiewerkplekken die slechts zelden vergadert en waarvan het studentdeel voornamelijk bestaat uit USR-leden. Als contact al zo moeilijk is, dan moet je juist naar die studenten luisteren, vindt USR-voorzitter Verleg. Hij noemt de samenwerking tussen student en GDI sinds de brief van de USR ‘nog steeds stroef’ en merkt dat er veel informatie, klachten en suggesties bij de Helpdesk van de GDI niet doordingen tot de rest van de organisatie. ‘Als je studenten vraagt wat ze willen is dat een goed draadloos netwerk en bijvoorbeeld keuze uit meerdere browsers, zoals Firefox en Google Chrome.’ Die eerste is nu beschikbaar, maar het heeft wel een half jaar geduurd voordat dit was gerealiseerd en nadat de USR herhaaldelijk had aangedrongen.’ Te lang, volgens Verleg. ‘Er hangt geen enorm prijskaartje aan het installeren van die browsers. Het is met name een kwestie van prioriteiten stellen.’

Ingewikkelde inrichting De oorsprong van de stroperige organisatie ligt in het verleden van de ICT-afdeling. Voorheen waren faculteiten verantwoordelijk voor hun eigen ICT-voorzieningen, waardoor er grote verschillen ontstonden. De RU werkt nu aan een reorganisatie om de gehele ICT-afdeling onder een dak te krijgen en centraal aan te sturen. Een tussenstap daarin is de huidige splitsing tussen drie eilanden GDI, UCI en CIM. ‘Daar kunnen zeker zaken efficiënter’, aldus Builtjes. ‘Je moet echter ook een en ander in perspectief zien. Op dit moment kampen we nog steeds met de gevolgen van het oude beleid, waardoor nog niet alles is gestandaardiseerd en zitten we bijvoorbeeld met verschillende soorten printers en hardware. Dan weet je niet of problemen die op de ene plek spelen zich ook voordoen op andere plekken.’ USR-voorzitter Verleg ziet op korte termijn vooral de noodzaak om de communicatie vanuit concrete klachten van studenten in de helpdesk naar de rest van de ICT-afdeling te verbeteren. Zo kan studenteninvloed volgens hem worden vergroot. Voor de lange termijn draagt hij nog geen oplossingen aan wat betreft studenteninvloed. ‘Ik heb mijn pijlen gericht op de situatie na de reorganisatie, je moet eerst afwachten wat dat doet.’

Juist die uitspraak is opmerkelijk aangezien de grootschalige reorganisatie naar verwachting pas volledig is afgerond in 2015. In de komende twee jaar is het echter wel van belang dat de student een sterkere stem krijgt, anders blijft het aanmodderen. Een sterkere klankbordgroep kan daarin een eerste stap zijn, maar de GDI moet vooral flexibeler zijn en wensen van studenten niet in de wacht zetten.

Klik hier voor de andere artikelen uit de februari-ANS.

Add a comment
Erik

Catering naar de nering

De RU is een van de weinige universiteiten in Nederland die haar restauratieve voorzieningen nog altijd zelf verzorgt. Gedwongen bezuinigingen hebben geleid tot stijgende prijzen en beperkte openingstijden. Het plafond van maatregelen is in zicht en de situatie vraagt om een rigoureuze verandering. Add a comment
Erik

Student, ontwaakt!

Studentendemonstraties stellen al jaren weinig meer voor. Met harde maatregelen in het vooruitzicht is het cruciaal dat het protest nieuw leven wordt ingeblazen. Studenten moeten het heft en het spandoek weer in eigen hand nemen.

Tekst: Rik van Hulst en Mickey Steijaert

Een GeenStijl-journalist kijkt smalend de camera in. ‘Vandaag is de lente begonnen. Wat kun je nou beter doen op deze prachtige dag dan eens fijn een stukje te gaan wandelen tegen de plannen die het kabinet heeft met jouw studiefinanciering?’ Het is 20 maart 2012. Tijdens de landelijke actieweek tegen het plan om de studiefinanciering in de masterfase af te schaffen lopen studenten een protestmars van het station naar de Grote Markt in Nijmegen. Met zijn spottende opmerkingen snijdt verslaggever Tom Staal een heikel punt aan. Waren in december 2010 nog 1500 studenten in Nijmegen op de been tegen de langstudeerboete, nu zijn het er nog geen vijfhonderd. De daaropvolgende vrijdag komt bij de afsluitende landelijke demonstratie in Amsterdam amper het dubbele aantal opdraven. Staal vraagt zich terecht af of studenten actiemoe zijn en wellicht het nut van protesteren niet meer inzien. Dat studenten tegenwoordig massaal kiezen voor een middag op het terras in plaats van te denken aan hun toekomst is een pijnlijke constatering. Juist nu met de bezuinigingen een ware aardverschuiving plaatsvindt binnen het hoger onderwijs is het cruciaal dat studenten opstaan uit hun luie stoel en de straat op gaan.

Occupy collegezalencomplex Begin jaren negentig vond de laatste harde studentenactie in Nijmegen plaats. Als reactie op mogelijke bezuinigingen op de studiefinanciering en afschaffing van het medebeslissingsrecht van studenten werd de aula ingenomen en het collegezalencomplex ruim een week bezet. Deze grootschalige acties leidden tot openbare onderhandelingen met het College van Bestuur van de RU. Uiteindelijk werd de afschaffing van het medebeslissingsrecht tegengehouden. In een artikel in het ANS van oktober 2009 verklaarden studentenvakbonden de sindsdien afgenomen actiebereidheid nog door het gebrek aan harde maatregelen. Dit gaat nu niet meer op. Na de invoering van de langstudeerboete dreigt ook de basisbeurs te sneuvelen. Door de val van het kabinet zijn deze plannen van tafel, maar het is zeer waarschijnlijk dat na de verkiezingen in september het hoger onderwijs alsnog op de schop gaat. ‘We verwachten dat de gehele studiefinanciering verdwijnt in 2013’, zo liet Sebastiaan Hameleers, voorzitter van het Interstedelijk Studenten Overleg, eerder al optekenen op ANS-Online. In dat licht bezien is het treurig dat afgelopen maart zoveel minder studenten op de barricades stonden dan in de jaren negentig. Aan de organiserende partijen ligt het niet. Zowel toen als nu werden studenten intensief warm gemaakt met collegepraatjes en een inlichtingscampagne. Aangezien de huidige vakbonden daarnaast gebruik maken van sociale netwerksites om het bereik van acties te vergroten moet een opkomst van duizenden studenten haalbaar zijn.

Pretprotest Waarom komen studenten amper op voor hun rechten? De vraag is of zij het nut van protesteren nog inzien. Met de demonstraties van 2010 werd het uiteindelijke doel niet bereikt, de langstudeerboete bestaat per slot van rekening nog. Toch hebben de protesten effect gesorteerd. ‘Als we niet in diverse steden de straat op waren gegaan, dan hadden we in de bachelor en masterfase samen slechts een jaar mogen uitlopen. Nu is dit verlengd naar twee jaar’, aldus Pascal ten Have, voorzitter van de Landelijke Studenten Vakbond. ‘Protest is essentieel. Je kunt wel een petitie tekenen, maar die leggen bewindslieden naast zich neer. Een grote groep demonstrerende studenten ga je echter niet zomaar uit de weg.’ Gerbert Kraaykamp, hoogleraar Sociologie aan de RU, vermoedt dat de actievoerder niet alleen gaat demonstreren uit protest, maar ook om een leuke middag te hebben. ‘Gezellig naar Amsterdam gaan en na afloop nog een biertje drinken met zijn allen’, illustreert de socioloog. Tegenwoordig zijn er veel alternatieven om je tijd aan te besteden. ‘In de jaren zeventig was een uitje naar Den Haag op zichzelf al leuk. Nu moet het echt iets bijzonders worden, willen mensen nog komen.’ Deze theorie gaat in ieder geval op voor de protesten van 20 maart. Genieten van het lekkere zonnetje was voor veel studenten blijkbaar een betere tijdsbesteding. Dit heeft ertoe geleid dat vakbonden steeds meer aandacht moeten besteden aan de amusementswaarde van de acties. Zo werden op het Malieveld in 2011 actievoerders en verdwaalde festivalgangers niet alleen vermaakt door interessante sprekers, maar was ook DJ Jordy aanwezig om de menigte bezig te houden. Dat een hele circusact nodig is om studenten naar een protest te lokken is bespottelijk, de ernst van de maatregelen zou op zichzelf reden genoeg moeten zijn om de stad op stelten te zetten. Daar komt bij dat een demonstratie waarbij iedereen bier zuipt op You’ve gotta fight for your right to party minder indruk zal maken in Den Haag dan een serieus protest.

Demonstreren kan concrete resultaten opleveren, maar daarvoor is een massale opkomst noodzakelijk. Dat die opkomst uitblijft is met de dreigende maatregelen in het achterhoofd alarmerend. Een regeling als de afschaffing van de basisbeurs zou de uitwonende student 3200 euro per jaar kosten. Ook andere besluiten als de inperking van het OV-recht kunnen de student hard in de portemonnee raken. Er zijn geen excuses voor degenen die het af laten weten. Een vrije middag opofferen kan bepalend zijn voor jouw studie en ook voor anderen het verschil maken. Wanneer er opnieuw draconische maatregelen op de Haagse vergadertafel liggen moeten studenten in actie komen. Gebeurt dit niet, dan zal de student zijn inactiviteit berouwen.

Dit artikel is mede dankzij Rene Danen tot stand gekomen.

Kijk hier voor de andere artikelen uit de juni-ANS

Add a comment
Fich

Inspraak op fluistertoon

Ieder jaar zwoegen studentmedezeggenschappers in mei om stemmen bij elkaar te sprokkelen. De opkomstpercentages bij de medezeggenschapsverkiezingen zijn echter schrikbarend laag. Hoe komt dit, hoe zit de medezeggenschap aan de RU in elkaar en wat zijn verbeterpunten?

Tekst: Erik van Rein en Adrianne Tuk

In de week van 23 tot en met 30 mei zul je ze weer volop zien op de campus. Potentiële studentmedezeggenschappers die om aandacht schreeuwen en met opengeklapte laptops smeken om je stem. Die stemmen hebben ze hard nodig, want studenten weten de gang naar de stembus moeilijk te vinden. De invoering van de wet Modernisering Universitair Bestuur (MUB) in 1997 speelde hierin een grote rol. De student verloor daarmee aanzienlijke invloed op het reilen en zeilen van de universiteit. Waar de academicus in spe voorheen meebestuurde in het College van Bestuur (CvB), verloor zij deze functie en kreeg zij slechts een medezeggenschapsrol. Aan de RU uitte zich dat in een drastische daling van de verkiezingsopkomst voor de Universitaire Studentenraad (USR). Werd in 1996 een opkomst van 35 procent al als absoluut dieptepunt gezien, een jaar na de invoering van de MUB kwam slechts 23,3 procent van de studenten naar de stembus. De laatste jaren stemt ongeveer een kwart van de studenten voor universiteitsbrede medezeggenschap, bij de Facultaire Studentenraden (FSR) en de Opleidingscommissies (OLC) is dit een paar procent hoger. De huidige opkomstpercentages roepen vragen op over de mate van representativiteit, maar er is meer kritiek op de medezeggenschap. Studentvertegenwoordigers zouden niet zichtbaar zijn en, nog belangrijker, te weinig te zeggen hebben aan de RU. Is deze kritiek terecht en hoe kan de positie van de medezeggenschap worden verbeterd?

Recht en raadgeving De studenten die het meest te zeggen hebben aan deze universiteit zitten in de USR en nemen plaats in de Universitaire Gezamenlijke Vergadering (UGV), waarin ook het CvB en medewerkers zitting nemen. De studentgeleding bestaat uit een zestal benoemde leden die studentenkoepels vertegenwoordigen en acht studenten die worden gekozen tijdens de jaarlijkse verkiezingen. De USR poogt de scherpe kantjes van CvB-voorstellen af te slijpen, die veelal de grote lijnen van het universiteitsbeleid betreffen. Daarnaast kan zij met eigen initiatieven komen. Een zwaar middel dat de USR bij bepaalde voorstellen heeft is het instemmingsrecht, dit is een soort vetorecht. Wanneer er wordt besloten over bijvoorbeeld maatregelen betreffende de voorzieningen voor studenten of de financiële ondersteuning van studenten, kan de USR dit besluit tegenhouden en blijft de oude regeling van kracht. Het CvB zal dan met een aangepast voorstel moeten komen. Op facultair niveau liggen de verhoudingen anders. De student is vertegenwoordigd in de Facultaire Gezamenlijke Vergadering. Bij zaken als de Onderwijs- en Examenregelingen (OER), besluiten over de implementatie van de harde knip of de M-in-2-regeling, geldt een scheve stemverhouding. Er hangt slechts een gewicht van 40 procent aan de stem van de student, terwijl de stem van het facultair personeel voor 60 procent meetelt. Het medezeggenschapsorgaan dat het dichtst bij de student staat is de OLC. Waar de FSR en USR bindende stemrechten hebben, kan de OLC niet meer dan advies uitbrengen over alles dat de opleiding aangaat.

‘Geen poot om op te staan’ De huidige voorzitter van de USR, Loeke Salemans, typeert de UGV als een log orgaan dat door de zeswekelijkse vergadercyclus maar moeilijk tot snelle besluiten kan komen. Toch hecht ze grote waarde aan het instemmingsrecht. ‘Het is een dreigmiddel waarmee je het CvB kunt dwingen met een goed voorstel te komen.’ Het is echter jaren geleden dat de USR het CvB terug heeft gestuurd naar de schrijftafel, onder meer omdat de studenten een goede relatie met het bestuur willen behouden. Er is dan ook kritiek of dit wel het beste middel is om het belang van studenten te behartigen. Hoogleraar Arbeidsrecht aan de RU, Leonard Verburg, ziet liever een sterkere adviesrol. ‘Instemmingsrechten leiden tot stroperige besluitvorming, omdat je gewoon “nee” kan zeggen en het CvB met een nieuw voorstel moet komen. Met opbouwende kritiek bereik je meer dan met het instemmingsrecht waarmee je afbrekend kritisch bent. Ik begrijp echter ook dat het moeilijk is om dit op te geven, omdat het een stukje minder inspraak is.’ Uit een rondgang langs de faculteiten blijkt dat studentmedezeggenschappers over het algemeen tevreden zijn met de mate waarin ze gehoord worden. Er worden regelmatig voorstellen van de FSR’en overgenomen door de faculteit. Toch klagen ze allen steen en been over de stemverhoudingen. Zo kwam de M-in-2 regeling bij de Faculteit der Rechtsgeleerdheid er ondanks dat de studentengeleding hier fel op tegen was. Marjolein Verstraten, FSR-voorzitter bij Letteren, verwacht dat zij bij haar faculteit niets te zeggen heeft over hoe de harde knip wordt ingevoerd. ‘Wij hebben met deze stemverhouding geen poot om op te staan.’ Net als de FSR’en zijn ook de OLC’s van mening dat zij serieus worden genomen door de opleidingsorganisatie. Veel OLC’s geven aan geen hinder te ondervinden van het feit dat er slechts een adviesrol is weggelegd voor de studenten. Feit blijft echter dat het formeel gezien een zeer beperkte rol is voor een niveau van medezeggenschap dat zo dicht bij de student staat. De leden van de OLC Sociologie beamen dit: ‘Wij kunnen niet meer doen dan onze mening onderbouwen en adviseren. Dat is niet altijd genoeg om echt een verschil te maken.’ In de praktijk komt het er dus op neer dat het bestuur haar zin kan doordrukken als zij dat wil. Een terugkerend probleem van de medezeggenschap aan de RU op alle drie de niveaus is de zichtbaarheid en terugkoppeling naar de studenten. Lisa Westerveld, oud-voorzitter van de USR en de Landelijke Studentenvakbond, zag dit al in haar tijd en ziet het als oorzaak van de lage opkomstpercentages: ‘Ik kan het me heel goed voorstellen dat studenten niet stemmen omdat ze niet zien wat er wordt bereikt.’

De rol die medezeggenschap aan de RU speelt is beperkt en op de verschillende niveaus valt er nog veel te halen. Wanneer de RU haar studenten serieus neemt, zal ze een omgeving moeten creeëren waarin zij ook daadwerkelijk kunnen meebeslissen over het beleid. Zo zou de USR een sterkere positie kunnen krijgen door een uitbreiding van het instemmingsrecht, waardoor ook in detail mee kan worden beslist over studentenzaken. De scheve stemverhouding op facultair niveau moet zo snel mogelijk worden gelijkgetrokken in zaken die studenten aangaan. Bovendien is het onbegrijpelijk dat de OLC’s slechts een adviesrol hebben, terwijl zij het dichtst op de student staan en als eerste problemen kunnen aankaarten. Daarom zou er een versterkt adviesrecht moeten komen, om te beginnen op besluiten aangaande de OER. Dit alles begint echter bij het vergroten van een zichtbaar medezeggenschapsapparaat. Meer medezeggenschap begint bij meer studentbetrokkenheid, maar de representativiteit staat serieus onder druk als studenten wegblijven bij verkiezingen. Als de medezeggenschappers aan studenten tonen welk verschil zij kunnen maken, is het ook gerechtvaardigd om meer invloed te eisen bij het bestuur.

Illustratie: Mark Vlek de Coningh en Adrianne Tuk

Kijk hier voor de andere artikelen uit de mei-ANS

Add a comment
Fich

In een schot raak

Op meerdere universiteiten gonzen al geruchten, maar aan de RU is de gevreesde kogel reeds door de kerk. Het hertentamen heeft haar langste tijd gehad, vanaf volgend jaar krijgen studenten slechts één kans om cursussen succesvol af te sluiten.

Tekst: Joeri Pisart en Jozien Wijkhuijs

Het Zwaard van Damocles komt definitief ten val. Aankomend collegejaar is het niet meer mogelijk om tentamens te herkansen. Het voortbestaan van hertentamens stond al langer op de tocht, aan de Faculteit der Sociale Wetenschappen golden reeds enige tijd strengere regels. Behaalden studenten een voldoende of lager dan een 3.0, dan was herkansen geen optie meer. De master Gezondheidszorgpsychologie voerde een nog extremer bewind, de psychologen in spe moesten het doen met slechts een enkele kans per cursus. Deze studie werd gebruikt als proefkonijn voor een universiteitsbrede maatregel. Onfortuinlijk genoeg is deze pilot de beleidsmakers van de RU goed bevallen. Het blijkt dat studenten harder werken voor hun tentamen en uiteindelijk vaker het vak halen als ze geen herkansingsmogelijkheden hebben. Het gemiddelde slagingspercentage van cursussen in de bachelor Psychologie is 70 procent. Bij de mastervariant tikt 80 procent van de studenten de studiepunten binnen, terwijl ze een kans minder hebben. Het College van Bestuur (CvB) heeft daarom besloten van dit belachelijke beleid de standaard te maken.

Psychologen in de pilot Om een compleet bloedbad te voorkomen is besloten dat excuusvijfjes worden getolereerd, mits men deze compenseert met een zeven. Voor zogenaamde kernvakken, zoals de bachelorthesis, moet echter altijd een voldoende worden behaald. Martijn Gerritse, woordvoerder van het CvB, ziet zoals altijd de zonnige kant: ‘Uit de pilot volgden slechts positieve resultaten. In het licht van de huidige maatregelen in het hoger onderwijs hebben studenten er baat bij als zij sterker gemotiveerd worden om hun tentamen in de eerste kans te halen. Bovendien wordt de druk op docenten verminderd, zij kunnen hun aandacht verschuiven van het samenstellen en nakijken van onnodige tentamens naar het geven van beter onderwijs.’ Bang voor negatieve reacties is de PR-machine niet: ‘In vragenlijsten ter evaluatie hebben we geen klachten ontvangen. De RU is dus eigenlijk gewoon goed bezig.’ Op andere universiteiten zijn de regels alvast aangescherpt. Aan de Universiteit Leiden hebben cursuscoördinatoren binnenkort de vrijheid om slechts een tentamenkans te bieden. Marcel Veuijs, plaatsvervangend directeur academische zaken aldaar, nuanceert deze regelgeving enigszins: ‘Bij bepaalde cursussen is gebleken dat de eerste kans relatief vaak niet wordt gehaald, zoals bij het eerste tentamen Statistiek in het curriculum. Daarom moet er bij sommige vakken wel een mogelijkheid tot herkansing blijven bestaan.’ Het University College in Utrecht is bijna even strikt als de RU, daar bestaat ook geen mogelijkheid tot herkansen. Wel hebben vakken vaak meerdere tentamens, waarvan slechts het gemiddelde cijfer voldoende moet zijn.

Persoonlijke perikelen Aan de RU wordt met het verdwijnen van de hertentamens helaas rigoreuzer ingegrepen. De Universitaire Studentenraad (USR) ageert fel tegen de maatregelen. Voorzitter Loeke Saalemans heeft geen goed woord over voor de inperking van tentamenmogelijkheden: ‘Studenten worden nummers en er is geen oog meer voor de persoonlijke omstandigheden.’ Daarnaast vreest zij juist voor meer studievertraging. ‘Veel cursussen worden slechts een keer per jaar aangeboden. Sommige vakken gelden als voorwaarde voor inschrijving bij vervolgcursussen, waardoor iemand meteen een jaar uitloopt als hij de eerste kans niet haalt. Wij vragen ons als USR af wat het CvB daar aan wil doen.’ Volgens Gerritse is de praktische invulling nog onbekend, wel houden Examencommissies de mogelijkheid om uitzonderingen te maken bij onder andere sterfgevallen in de familie en ziekte. Bovendien kunnen faculteiten eigen richtlijnen stellen en zelf bepalen hoe zij het beleid vormgeven. ‘Decanen en onderwijsdirecteuren weten het beste waar de pijnpunten liggen. Zij moeten bijvoorbeeld de vrijheid hebben kernvakken te bepalen.’ Dit zijn slechts nietszeggende zoethoudertjes. Volgens Saalemans passeert het CvB de studentmedezeggenschap. ‘Onder het zwakke excuus van minieme facultaire verschillen worden de regels per faculteit ingevoerd. De Facultaire Studentenraden hebben voor slechts 40 procent inspraak bij het bespreken van maatregelen tegenover 50 procent op universitair niveau. De omstreden maatregel zal dus facultair makkelijker kunnen worden doorgedrukt, ongeacht de mening van studenten.’

Landelijke lulkoek Nationaal worden de ontwikkelingen aan de RU met grote belangstelling gevolgd. Vanwege de bezuinigingen is het voor universiteiten interessant om studenten tot haast te dwingen. Bastiaan Broma, beleidswoordvoerder van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, roemt het initiatief van onze alma mater: ‘Het is bewonderenswaardig dat de RU moeilijke doch verstandige keuzes durft te maken in deze tijden van crisis. Misschien is het in eerste instantie pijnlijk, maar uiteindelijk zullen studenten er ook de meerwaarde van inzien. Daarom bekijken wij nu ook of dit model landelijk kan worden ingevoerd.’

Met deze verregaande regels overschat de RU haar studenten in ernstige mate. Het ligt voor de hand dat masterstudenten van Gezondheidszorgpsychologie gemotiveerder zijn en daardoor sneller tentamens halen dan hun jongere evenbeelden in de bachelor, dat heeft weinig te maken met het aantal kansen. Eerstejaars moeten de mogelijkheid hebben te wennen aan de universiteit en de vorm van examineren. Bij afschaffing van hertentamens zullen zij en masse falen en zo een jaar uitlopen. Hierdoor komt de gevreesde langstudeerdersboete voor velen dichterbij, wat de drempel om te studeren op grote schaal verhoogt. De opeenstapeling van elkaar versterkende maatregelen moet stoppen. ANS wil een tegengeluid bieden en start daarom op ANS-Online. nl een petitie, die de redactie eind april zal overhandigen aan rector Kortman en zijn kornuiten. Het is te hopen dat het CvB zich dan realiseert dat rendement niet alles is en dat deze maatregel het onmogelijke van studenten vraagt.

Teken de petitie voor behoud van hertentamens hier.

Kijk hier voor de andere artikelen uit de april-ANS

Add a comment
Fich

Rendement van de ivoren toren

Universitair onderwijs staat onder druk. Doorgeslagen rendementsdenken lijkt van de vrijplaats voor kritische geesten een beroepsgerichte school te maken. Wat is het academisch klimaat en waarom moeten we dit behouden?

Tekst: Tim Ficheroux en Eline Huisman

Voor zo min mogelijk geld in hoog tempo studenten klaarstomen voor de arbeidsmarkt, in overvolle collegezalen waar kant en klare kennis wordt geserveerd. Dit schrikbeeld van doorgeschoten managementdenken voedt de aanzwellende roep om universiteiten terug te laten keren naar een doodgewaand academisch klimaat. Hoe ziet de ideale academie eruit en waarom botst dat beeld met efficiëntiemaatregelen? Een pleidooi voor een gezonde balans tussen rendement en academische vrijheid.

Efficiëntie en ontplooiing
De universiteit beoogt van oudsher een instituut te zijn waar onafhankelijk van kerk en staat wordt onderzocht en onderwezen. Sinds de jaren tachtig ontstond er steeds meer inmenging van politiek en bedrijfsleven. Dat beleid kwam destijds tot stand om de hoge uitgaven te controleren en de universiteit meer bij de samenleving te betrekken. Efficiëntiedenken staat op gespannen voet met de universiteit waar creativiteit en inventiviteit kunnen floreren. Tegenwoordig is de zoektocht naar een gezond evenwicht volop actueel. Forse bezuinigingen en toenemende studentenaantallen hebben geleid tot schools massaonderwijs. De balans schiet door in het voordeel van maatregelen die studierendement moeten bevorderen, waardoor de academische vrijheid ondersneeuwt. We moeten juist de creativiteit en intrinsieke motivatie die de vrijplaats kenmerken beschermen om de waarde van de universiteit te behouden. Voor het waarborgen van het academisch klimaat zijn in het onderwijs drie aandachtspunten van belang: een kritische blik op de samenleving, dialoog tussen student en docent en oog voor de fundamentele principes van een vakgebied.

Buiten de waan van de dag om
Universiteiten moeten niet buiten de samenleving staan, maar studenten leren om met een zekere afstand kritisch te reflecteren op die wereld. Wetenschappelijk onderwijs dient om te ontsnappen aan de waan van de dag en maatschappelijke ontwikkelingen in een breder perspectief te zien. Wanneer er een meldpunt wordt opgericht om te klagen over Polen en Roemenen moet een student meer kunnen dan daar enkel om lachen. Om een constructieve bijdrage te leveren aan de maatschappij moet je uit kunnen leggen waarom zo’n initiatief moreel onverantwoord dan wel noodzakelijk is. Op een heel andere schaal moet je kunnen zien dat de woorden ‘dermatologisch getest’ op een shampoofles een lege huls zijn. Het is de taak van een universiteit om studenten te leren van een afstand en zo objectief mogelijk kritiek te leveren. Dat voorkomt dat de maatschappij vervalt in onwetende oppervlakkigheid.

Grens van het weten
Het klassieke ideaalbeeld van de universiteit als wandelgang waar de bebaarde filosoof in gesprek gaat met enkele studenten is in de huidige samenleving een utopie. De gedachte achter dit romantische beeld geeft echter aanwijzingen voor wat ook een hedendaags academisch klimaat moet kenmerken. In het universitair onderwijs moet de door nieuwsgierigheid gedreven wisselwerking tussen docent en student een centrale rol spelen. Onderwijs is meer dan acht weken braaf meepennen met een dicterende docent om na een lijstje meerkeuzevragen een vak van de lijst te kunnen afstrepen. Door dialoog en kritisch reflecteren dragen student en docent bij aan het opdoen van kennis en het verder brengen van het vakgebied. Een universiteit werkt voortdurend aan de grens van het weten om nieuwe inzichten op te doen. Academisch onderwijs is daarom geen eenzijdige overdracht van bestaande kennis, maar een proces waarbij docent en student zich samen langs die grens begeven en deze proberen te verleggen. Studenten zijn geen consumenten van hapklare kennisbrokken, maar moeten actief en geïnteresseerd participeren in het onderwijs.

Kennis in context
Academische scholing moet verder gaan dan het opleiden van deskundigen in een afgebakend vakgebied. Begrip van een bredere context rondom specialismen is noodzakelijk om opgedane kennis te gebruiken in het dagelijks leven en de maatschappij. Zo moet een rechtenstudent niet alleen een wet interpreteren, maar ook begrijpen wat het morele streven naar rechtvaardigheid betekent. Alleen dan kan hij het toepassen van recht betekenisvol maken. Een celbioloog kan bij het knutselen met celwanden niet zonder kennis van Darwin om het belang van zijn experiment te begrijpen. In de communicatie tussen docent en student wordt niet alleen nieuwe kennis opgedaan, maar leer je ook de fundamentele principes van een vakgebied te begrijpen. Zo kan een academicus ook zelfstandig reflecteren op het belang van zijn handelen.

Wanneer enkel het snel en zo goedkoop mogelijk halen van een diploma richtinggevend is, staat de relatie tussen student en docent onder druk. Ook het vermogen om de context te begrijpen en kritisch en creatief te reflecteren op de samenleving komen dan in het gedrang. Met tentamens die niet veel meer zijn dan een invuloefening, onderwerpen voor bachelorscripties die vooraf afgebakend zijn en steeds minder mogelijkheden om je buiten het curriculum te ontplooien, lijkt het academisch klimaat weg te zakken in een modderpoel van maatregelen die studierendement heet. Natuurlijk moet een universiteit geen speeltuin zijn waar iedereen naar eigen plezier tien jaar lang studeert. De spreekwoordelijke ivoren toren die mijlenver boven de samenleving uitsteekt en alle contact met de werkelijkheid is verloren komt de maatschappij ook niet ten goede. Doordat steeds meer sancties en beloningen gekoppeld zijn aan de afstudeersnelheid, wordt de motivatie bepaald door negatieve externe prikkels. Het afstraffen van uitloop maakt het aantrekkelijker om je te beperken tot het hoogst noodzakelijke voor het behalen van een bul dan om een academicus in de bredere zin van het woord te worden. Een rendementsmaatregel kan nuttig zijn, maar de onderscheidende waarde van een universiteit mag niet worden opgeofferd. Het is noodzakelijk dat docenten het vertrouwen en de vrijheid hebben om de dialoog aan te gaan. Studenten moeten serieus genomen worden door nieuwsgierigheid en participatie van hen te verwachten en dit te stimuleren.

Dit artikel is tot stand gekomen na raadpleging van Jan Bransen, Wouter Sanderse, Ed Vosselman, Leon Wecke en Ron Welters. Kijk hier voor de andere artikelen uit de maart-ANS

Add a comment
Fich

Heyendaalse kloof

Met de bezuinigingen op hoger onderwijs in het vooruitzicht is het meer dan ooit noodzakelijk dat iedere student op de juiste plek terechtkomt. Wat kunnen de RU en de HAN gezamenlijk betekenen voor de universitaire uitvallers en ambitieuze hbo'ers die de oversteek willen maken?

Tekst: Tim Ficheroux en Rik van Hulst

Eind oktober werd pijnlijk duidelijk dat de RU en de Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN) niet altijd alles goed op elkaar afstemmen. Tot verbazing van beide onderwijsinstellingen bleken de introducties van 2012 in dezelfde week gepland, waardoor de Nijmeegse binnenstad zal worden overspoeld met eerstejaars studenten. Zeker wanneer een universiteit en hogeschool op nog geen steenworp afstand van elkaar liggen, mag je verwachten dat ze enigszins naar elkaar kijken. Samenwerking tussen wo en hbo kan voor studenten grote voordelen met zich meebrengen. Niet iedere universitaire student past immers binnen het wetenschappelijk onderwijs en op hogescholen lopen uitblinkers rond met academische ambities. Ongeveer een op de acht universitaire studenten valt binnen twee jaar uit, een kwart daarvan maakt de overstap naar het hbo. Anderzijds bezit 12 procent van de universitaire studenten een hbo-bachelor. Door gezamenlijk de oversteek te begeleiden, kunnen instellingen voorkomen dat deze studenten met onnodig oponthoud en dubbel werk worden opgezadeld. Met de invoering van de langstudeerdersboete, het bindend studieadvies en mogelijke afschaffing van de basisbeurs komen studenten die switchen snel in de problemen. Doorstuderen of een foute studiekeuze kan je hard in de portemonnee treffen. Studenten die van de RU naar de HAN willen verhuizen, of vice versa, kunnen onnodige vertraging niet gebruiken. Hoe zorgen de Nijmeegse universiteit en hogeschool ervoor dat de overstappende student niet tussen wal en schip geraakt?

Het gras is altijd groener Uit een rondgang langs Nederlandse universiteiten blijkt dat in verschillende steden de samenwerking met hbo’s wordt opgezocht. In 2002 fuseerden de Universiteit van Amsterdam en Hogeschool van Amsterdam op bestuurlijk niveau. Volgens Paul Doop, waarnemend collegevoorzitter van de instellingen, kun je er gezamenlijk voor zorgen dat iedere student op de juiste plek studeert. ‘De drempel om aan een andere instelling vakken te behalen moet worden weggenomen.’ Ook wil Doop de doorstroom tussen universiteit en hogeschool soepeler laten verlopen. Zo bieden de instellingen speciaal voor studenten die in het eerste jaar afhaken een heroriëntatietraject aan, een vijf maanden durend programma met tien uur studiekeuzebegeleiding per week. In Enschede hebben de Universiteit Twente en Hogeschool Saxion samen de werkgroep ‘Wisselstroom’ opgericht. Vertegenwoordigers van deze instellingen proberen de doorstroom in beide richtingen in kaart te brengen en te versoepelen. Vorig jaar organiseerde de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een bijeenkomst voor haar studieadviseurs en die van hogescholen in de regio. ‘Het is belangrijk om studenten te wijzen op verwante opleidingen van een ander niveau. Door studieadviseurs van verschillende instellingen met elkaar in contact te brengen, weten ze beter welke mogelijkheden er zijn,’ aldus Ronald van den Bos, beleidsmedewerker aan de EUR.

Nijmeegs samenspel Concrete voorbeelden van samenwerking tussen de RU en de HAN vinden voornamelijk op het niveau van faculteiten en opleidingen plaats. Sinds 2009 bieden de instellingen gezamenlijk de Academische Lerarenopleiding Primair Onderwijs aan, waarin studenten zowel praktijkgericht als wetenschappelijk onderwijs krijgen. Ook biedt de HAN een gezondheidszorgopleiding aan waarbij intensief wordt samengewerkt met het Universitair Medisch Centrum (UMC) St. Radboud. In de eerste twee jaar van de opleiding lopen hbo’ers stage in het UMC, daarna volgen ze ook universitair onderwijs. Het voordeel van deze gecombineerde opleidingen is volgens Ron Bormans, bestuursvoorzitter van de HAN, dat er geen mensen buiten de boot vallen. Grootschalig en structureel bestuurlijk overleg, zoals in Amsterdam, ziet Bormans niet zitten. Hij denkt dat samenwerking het beste tot stand komt op facultair- of opleidingsniveau. ‘Als de hoogleraren aan de RU en onze lectoren en docenten samenwerking niet zien zitten, zullen gezamenlijke projecten niet ontstaan.’

Selectief schakelen Net als de HAN ziet onze alma mater geen heil in verregaande samenwerking. Martijn Gerritsen, woordvoerder van de RU, zegt dat de relatie tussen de instellingen goed is: ‘Het halfjaarlijks overleg verloopt prima, maar zowel de RU als de HAN heeft een eigen doelstelling en agenda.’ Hij laat verder niet veel los over de visie van de RU: ‘Hbo’ers die geschikt zijn voor een universitaire studie zijn van harte welkom. Omdat een hbo-diploma echter geen garantie is voor een succesvolle master aan de universiteit stelt de RU voorwaarden aan de inschrijving en biedt ze net als andere instellingen pre-masterprogramma’s aan. Daarmee voorkomen we onnodige studie-uitval.’ Op verschillende hogescholen in Nederland worden ‘ingedaalde’ schakelprogramma’s aangeboden. Excellente hbo’ers krijgen de kans om minoren in te vullen met vakken uit een universitaire pre-master, waardoor ze beter voorbereid aan een universitaire master kunnen beginnen. Ook de HAN en de RU bieden soortgelijke trajecten aan. Hoewel Bormans daar graag intensievere samenwerking en duidelijkere afspraken ziet, merkt hij dat de RU terughoudender wordt en hogere toelatingseisen wil stellen aan de schakelprogramma’s. Het College van Bestuur van de RU lijkt tevreden met de huidige samenwerking, terwijl Bormans duidelijke punten voor verbetering ziet. ‘Over de voorlichting aan uitvallende studenten en schakelprogramma’s kun je allerlei afspraken maken. Het onderwijssysteem hoort niet oneindig selectief te zijn, maar moet toegankelijk blijven.’

Door de aankomende maatregelen is het meer dan ooit van belang om de nog niet uitgeleerde hbo’er vloeiend een academische master in te leiden. Voor de student die zich op de universiteit niet thuis voelt, zal de weg naar het hbo makkelijk vindbaar moeten zijn. Intensievere samenwerking tussen RU en HAN kan daarbij van meerwaarde zijn. Door bijvoorbeeld studieadviseurs wederzijds informatie te laten delen en knelpunten in de doorstroom in kaart te brengen, kan voorkomen worden dat de overstappende student dubbel werk doet. In het Nijmeegse hoger onderwijs komt dit helaas nog niet van de grond zoals in andere steden.

Kijk hier voor de andere artikelen uit de februari-ANS

Add a comment
Fich