Student, ontwaakt!

Studentendemonstraties stellen al jaren weinig meer voor. Met harde maatregelen in het vooruitzicht is het cruciaal dat het protest nieuw leven wordt ingeblazen. Studenten moeten het heft en het spandoek weer in eigen hand nemen.

Tekst: Rik van Hulst en Mickey Steijaert

Een GeenStijl-journalist kijkt smalend de camera in. ‘Vandaag is de lente begonnen. Wat kun je nou beter doen op deze prachtige dag dan eens fijn een stukje te gaan wandelen tegen de plannen die het kabinet heeft met jouw studiefinanciering?’ Het is 20 maart 2012. Tijdens de landelijke actieweek tegen het plan om de studiefinanciering in de masterfase af te schaffen lopen studenten een protestmars van het station naar de Grote Markt in Nijmegen. Met zijn spottende opmerkingen snijdt verslaggever Tom Staal een heikel punt aan. Waren in december 2010 nog 1500 studenten in Nijmegen op de been tegen de langstudeerboete, nu zijn het er nog geen vijfhonderd. De daaropvolgende vrijdag komt bij de afsluitende landelijke demonstratie in Amsterdam amper het dubbele aantal opdraven. Staal vraagt zich terecht af of studenten actiemoe zijn en wellicht het nut van protesteren niet meer inzien. Dat studenten tegenwoordig massaal kiezen voor een middag op het terras in plaats van te denken aan hun toekomst is een pijnlijke constatering. Juist nu met de bezuinigingen een ware aardverschuiving plaatsvindt binnen het hoger onderwijs is het cruciaal dat studenten opstaan uit hun luie stoel en de straat op gaan.

Occupy collegezalencomplex Begin jaren negentig vond de laatste harde studentenactie in Nijmegen plaats. Als reactie op mogelijke bezuinigingen op de studiefinanciering en afschaffing van het medebeslissingsrecht van studenten werd de aula ingenomen en het collegezalencomplex ruim een week bezet. Deze grootschalige acties leidden tot openbare onderhandelingen met het College van Bestuur van de RU. Uiteindelijk werd de afschaffing van het medebeslissingsrecht tegengehouden. In een artikel in het ANS van oktober 2009 verklaarden studentenvakbonden de sindsdien afgenomen actiebereidheid nog door het gebrek aan harde maatregelen. Dit gaat nu niet meer op. Na de invoering van de langstudeerboete dreigt ook de basisbeurs te sneuvelen. Door de val van het kabinet zijn deze plannen van tafel, maar het is zeer waarschijnlijk dat na de verkiezingen in september het hoger onderwijs alsnog op de schop gaat. ‘We verwachten dat de gehele studiefinanciering verdwijnt in 2013’, zo liet Sebastiaan Hameleers, voorzitter van het Interstedelijk Studenten Overleg, eerder al optekenen op ANS-Online. In dat licht bezien is het treurig dat afgelopen maart zoveel minder studenten op de barricades stonden dan in de jaren negentig. Aan de organiserende partijen ligt het niet. Zowel toen als nu werden studenten intensief warm gemaakt met collegepraatjes en een inlichtingscampagne. Aangezien de huidige vakbonden daarnaast gebruik maken van sociale netwerksites om het bereik van acties te vergroten moet een opkomst van duizenden studenten haalbaar zijn.

Pretprotest Waarom komen studenten amper op voor hun rechten? De vraag is of zij het nut van protesteren nog inzien. Met de demonstraties van 2010 werd het uiteindelijke doel niet bereikt, de langstudeerboete bestaat per slot van rekening nog. Toch hebben de protesten effect gesorteerd. ‘Als we niet in diverse steden de straat op waren gegaan, dan hadden we in de bachelor en masterfase samen slechts een jaar mogen uitlopen. Nu is dit verlengd naar twee jaar’, aldus Pascal ten Have, voorzitter van de Landelijke Studenten Vakbond. ‘Protest is essentieel. Je kunt wel een petitie tekenen, maar die leggen bewindslieden naast zich neer. Een grote groep demonstrerende studenten ga je echter niet zomaar uit de weg.’ Gerbert Kraaykamp, hoogleraar Sociologie aan de RU, vermoedt dat de actievoerder niet alleen gaat demonstreren uit protest, maar ook om een leuke middag te hebben. ‘Gezellig naar Amsterdam gaan en na afloop nog een biertje drinken met zijn allen’, illustreert de socioloog. Tegenwoordig zijn er veel alternatieven om je tijd aan te besteden. ‘In de jaren zeventig was een uitje naar Den Haag op zichzelf al leuk. Nu moet het echt iets bijzonders worden, willen mensen nog komen.’ Deze theorie gaat in ieder geval op voor de protesten van 20 maart. Genieten van het lekkere zonnetje was voor veel studenten blijkbaar een betere tijdsbesteding. Dit heeft ertoe geleid dat vakbonden steeds meer aandacht moeten besteden aan de amusementswaarde van de acties. Zo werden op het Malieveld in 2011 actievoerders en verdwaalde festivalgangers niet alleen vermaakt door interessante sprekers, maar was ook DJ Jordy aanwezig om de menigte bezig te houden. Dat een hele circusact nodig is om studenten naar een protest te lokken is bespottelijk, de ernst van de maatregelen zou op zichzelf reden genoeg moeten zijn om de stad op stelten te zetten. Daar komt bij dat een demonstratie waarbij iedereen bier zuipt op You’ve gotta fight for your right to party minder indruk zal maken in Den Haag dan een serieus protest.

Demonstreren kan concrete resultaten opleveren, maar daarvoor is een massale opkomst noodzakelijk. Dat die opkomst uitblijft is met de dreigende maatregelen in het achterhoofd alarmerend. Een regeling als de afschaffing van de basisbeurs zou de uitwonende student 3200 euro per jaar kosten. Ook andere besluiten als de inperking van het OV-recht kunnen de student hard in de portemonnee raken. Er zijn geen excuses voor degenen die het af laten weten. Een vrije middag opofferen kan bepalend zijn voor jouw studie en ook voor anderen het verschil maken. Wanneer er opnieuw draconische maatregelen op de Haagse vergadertafel liggen moeten studenten in actie komen. Gebeurt dit niet, dan zal de student zijn inactiviteit berouwen.

Dit artikel is mede dankzij Rene Danen tot stand gekomen.

Kijk hier voor de andere artikelen uit de juni-ANS

Add a comment
Fich

Inspraak op fluistertoon

Ieder jaar zwoegen studentmedezeggenschappers in mei om stemmen bij elkaar te sprokkelen. De opkomstpercentages bij de medezeggenschapsverkiezingen zijn echter schrikbarend laag. Hoe komt dit, hoe zit de medezeggenschap aan de RU in elkaar en wat zijn verbeterpunten?

Tekst: Erik van Rein en Adrianne Tuk

In de week van 23 tot en met 30 mei zul je ze weer volop zien op de campus. Potentiële studentmedezeggenschappers die om aandacht schreeuwen en met opengeklapte laptops smeken om je stem. Die stemmen hebben ze hard nodig, want studenten weten de gang naar de stembus moeilijk te vinden. De invoering van de wet Modernisering Universitair Bestuur (MUB) in 1997 speelde hierin een grote rol. De student verloor daarmee aanzienlijke invloed op het reilen en zeilen van de universiteit. Waar de academicus in spe voorheen meebestuurde in het College van Bestuur (CvB), verloor zij deze functie en kreeg zij slechts een medezeggenschapsrol. Aan de RU uitte zich dat in een drastische daling van de verkiezingsopkomst voor de Universitaire Studentenraad (USR). Werd in 1996 een opkomst van 35 procent al als absoluut dieptepunt gezien, een jaar na de invoering van de MUB kwam slechts 23,3 procent van de studenten naar de stembus. De laatste jaren stemt ongeveer een kwart van de studenten voor universiteitsbrede medezeggenschap, bij de Facultaire Studentenraden (FSR) en de Opleidingscommissies (OLC) is dit een paar procent hoger. De huidige opkomstpercentages roepen vragen op over de mate van representativiteit, maar er is meer kritiek op de medezeggenschap. Studentvertegenwoordigers zouden niet zichtbaar zijn en, nog belangrijker, te weinig te zeggen hebben aan de RU. Is deze kritiek terecht en hoe kan de positie van de medezeggenschap worden verbeterd?

Recht en raadgeving De studenten die het meest te zeggen hebben aan deze universiteit zitten in de USR en nemen plaats in de Universitaire Gezamenlijke Vergadering (UGV), waarin ook het CvB en medewerkers zitting nemen. De studentgeleding bestaat uit een zestal benoemde leden die studentenkoepels vertegenwoordigen en acht studenten die worden gekozen tijdens de jaarlijkse verkiezingen. De USR poogt de scherpe kantjes van CvB-voorstellen af te slijpen, die veelal de grote lijnen van het universiteitsbeleid betreffen. Daarnaast kan zij met eigen initiatieven komen. Een zwaar middel dat de USR bij bepaalde voorstellen heeft is het instemmingsrecht, dit is een soort vetorecht. Wanneer er wordt besloten over bijvoorbeeld maatregelen betreffende de voorzieningen voor studenten of de financiële ondersteuning van studenten, kan de USR dit besluit tegenhouden en blijft de oude regeling van kracht. Het CvB zal dan met een aangepast voorstel moeten komen. Op facultair niveau liggen de verhoudingen anders. De student is vertegenwoordigd in de Facultaire Gezamenlijke Vergadering. Bij zaken als de Onderwijs- en Examenregelingen (OER), besluiten over de implementatie van de harde knip of de M-in-2-regeling, geldt een scheve stemverhouding. Er hangt slechts een gewicht van 40 procent aan de stem van de student, terwijl de stem van het facultair personeel voor 60 procent meetelt. Het medezeggenschapsorgaan dat het dichtst bij de student staat is de OLC. Waar de FSR en USR bindende stemrechten hebben, kan de OLC niet meer dan advies uitbrengen over alles dat de opleiding aangaat.

‘Geen poot om op te staan’ De huidige voorzitter van de USR, Loeke Salemans, typeert de UGV als een log orgaan dat door de zeswekelijkse vergadercyclus maar moeilijk tot snelle besluiten kan komen. Toch hecht ze grote waarde aan het instemmingsrecht. ‘Het is een dreigmiddel waarmee je het CvB kunt dwingen met een goed voorstel te komen.’ Het is echter jaren geleden dat de USR het CvB terug heeft gestuurd naar de schrijftafel, onder meer omdat de studenten een goede relatie met het bestuur willen behouden. Er is dan ook kritiek of dit wel het beste middel is om het belang van studenten te behartigen. Hoogleraar Arbeidsrecht aan de RU, Leonard Verburg, ziet liever een sterkere adviesrol. ‘Instemmingsrechten leiden tot stroperige besluitvorming, omdat je gewoon “nee” kan zeggen en het CvB met een nieuw voorstel moet komen. Met opbouwende kritiek bereik je meer dan met het instemmingsrecht waarmee je afbrekend kritisch bent. Ik begrijp echter ook dat het moeilijk is om dit op te geven, omdat het een stukje minder inspraak is.’ Uit een rondgang langs de faculteiten blijkt dat studentmedezeggenschappers over het algemeen tevreden zijn met de mate waarin ze gehoord worden. Er worden regelmatig voorstellen van de FSR’en overgenomen door de faculteit. Toch klagen ze allen steen en been over de stemverhoudingen. Zo kwam de M-in-2 regeling bij de Faculteit der Rechtsgeleerdheid er ondanks dat de studentengeleding hier fel op tegen was. Marjolein Verstraten, FSR-voorzitter bij Letteren, verwacht dat zij bij haar faculteit niets te zeggen heeft over hoe de harde knip wordt ingevoerd. ‘Wij hebben met deze stemverhouding geen poot om op te staan.’ Net als de FSR’en zijn ook de OLC’s van mening dat zij serieus worden genomen door de opleidingsorganisatie. Veel OLC’s geven aan geen hinder te ondervinden van het feit dat er slechts een adviesrol is weggelegd voor de studenten. Feit blijft echter dat het formeel gezien een zeer beperkte rol is voor een niveau van medezeggenschap dat zo dicht bij de student staat. De leden van de OLC Sociologie beamen dit: ‘Wij kunnen niet meer doen dan onze mening onderbouwen en adviseren. Dat is niet altijd genoeg om echt een verschil te maken.’ In de praktijk komt het er dus op neer dat het bestuur haar zin kan doordrukken als zij dat wil. Een terugkerend probleem van de medezeggenschap aan de RU op alle drie de niveaus is de zichtbaarheid en terugkoppeling naar de studenten. Lisa Westerveld, oud-voorzitter van de USR en de Landelijke Studentenvakbond, zag dit al in haar tijd en ziet het als oorzaak van de lage opkomstpercentages: ‘Ik kan het me heel goed voorstellen dat studenten niet stemmen omdat ze niet zien wat er wordt bereikt.’

De rol die medezeggenschap aan de RU speelt is beperkt en op de verschillende niveaus valt er nog veel te halen. Wanneer de RU haar studenten serieus neemt, zal ze een omgeving moeten creeëren waarin zij ook daadwerkelijk kunnen meebeslissen over het beleid. Zo zou de USR een sterkere positie kunnen krijgen door een uitbreiding van het instemmingsrecht, waardoor ook in detail mee kan worden beslist over studentenzaken. De scheve stemverhouding op facultair niveau moet zo snel mogelijk worden gelijkgetrokken in zaken die studenten aangaan. Bovendien is het onbegrijpelijk dat de OLC’s slechts een adviesrol hebben, terwijl zij het dichtst op de student staan en als eerste problemen kunnen aankaarten. Daarom zou er een versterkt adviesrecht moeten komen, om te beginnen op besluiten aangaande de OER. Dit alles begint echter bij het vergroten van een zichtbaar medezeggenschapsapparaat. Meer medezeggenschap begint bij meer studentbetrokkenheid, maar de representativiteit staat serieus onder druk als studenten wegblijven bij verkiezingen. Als de medezeggenschappers aan studenten tonen welk verschil zij kunnen maken, is het ook gerechtvaardigd om meer invloed te eisen bij het bestuur.

Illustratie: Mark Vlek de Coningh en Adrianne Tuk

Kijk hier voor de andere artikelen uit de mei-ANS

Add a comment
Fich

In een schot raak

Op meerdere universiteiten gonzen al geruchten, maar aan de RU is de gevreesde kogel reeds door de kerk. Het hertentamen heeft haar langste tijd gehad, vanaf volgend jaar krijgen studenten slechts één kans om cursussen succesvol af te sluiten.

Tekst: Joeri Pisart en Jozien Wijkhuijs

Het Zwaard van Damocles komt definitief ten val. Aankomend collegejaar is het niet meer mogelijk om tentamens te herkansen. Het voortbestaan van hertentamens stond al langer op de tocht, aan de Faculteit der Sociale Wetenschappen golden reeds enige tijd strengere regels. Behaalden studenten een voldoende of lager dan een 3.0, dan was herkansen geen optie meer. De master Gezondheidszorgpsychologie voerde een nog extremer bewind, de psychologen in spe moesten het doen met slechts een enkele kans per cursus. Deze studie werd gebruikt als proefkonijn voor een universiteitsbrede maatregel. Onfortuinlijk genoeg is deze pilot de beleidsmakers van de RU goed bevallen. Het blijkt dat studenten harder werken voor hun tentamen en uiteindelijk vaker het vak halen als ze geen herkansingsmogelijkheden hebben. Het gemiddelde slagingspercentage van cursussen in de bachelor Psychologie is 70 procent. Bij de mastervariant tikt 80 procent van de studenten de studiepunten binnen, terwijl ze een kans minder hebben. Het College van Bestuur (CvB) heeft daarom besloten van dit belachelijke beleid de standaard te maken.

Psychologen in de pilot Om een compleet bloedbad te voorkomen is besloten dat excuusvijfjes worden getolereerd, mits men deze compenseert met een zeven. Voor zogenaamde kernvakken, zoals de bachelorthesis, moet echter altijd een voldoende worden behaald. Martijn Gerritse, woordvoerder van het CvB, ziet zoals altijd de zonnige kant: ‘Uit de pilot volgden slechts positieve resultaten. In het licht van de huidige maatregelen in het hoger onderwijs hebben studenten er baat bij als zij sterker gemotiveerd worden om hun tentamen in de eerste kans te halen. Bovendien wordt de druk op docenten verminderd, zij kunnen hun aandacht verschuiven van het samenstellen en nakijken van onnodige tentamens naar het geven van beter onderwijs.’ Bang voor negatieve reacties is de PR-machine niet: ‘In vragenlijsten ter evaluatie hebben we geen klachten ontvangen. De RU is dus eigenlijk gewoon goed bezig.’ Op andere universiteiten zijn de regels alvast aangescherpt. Aan de Universiteit Leiden hebben cursuscoördinatoren binnenkort de vrijheid om slechts een tentamenkans te bieden. Marcel Veuijs, plaatsvervangend directeur academische zaken aldaar, nuanceert deze regelgeving enigszins: ‘Bij bepaalde cursussen is gebleken dat de eerste kans relatief vaak niet wordt gehaald, zoals bij het eerste tentamen Statistiek in het curriculum. Daarom moet er bij sommige vakken wel een mogelijkheid tot herkansing blijven bestaan.’ Het University College in Utrecht is bijna even strikt als de RU, daar bestaat ook geen mogelijkheid tot herkansen. Wel hebben vakken vaak meerdere tentamens, waarvan slechts het gemiddelde cijfer voldoende moet zijn.

Persoonlijke perikelen Aan de RU wordt met het verdwijnen van de hertentamens helaas rigoreuzer ingegrepen. De Universitaire Studentenraad (USR) ageert fel tegen de maatregelen. Voorzitter Loeke Saalemans heeft geen goed woord over voor de inperking van tentamenmogelijkheden: ‘Studenten worden nummers en er is geen oog meer voor de persoonlijke omstandigheden.’ Daarnaast vreest zij juist voor meer studievertraging. ‘Veel cursussen worden slechts een keer per jaar aangeboden. Sommige vakken gelden als voorwaarde voor inschrijving bij vervolgcursussen, waardoor iemand meteen een jaar uitloopt als hij de eerste kans niet haalt. Wij vragen ons als USR af wat het CvB daar aan wil doen.’ Volgens Gerritse is de praktische invulling nog onbekend, wel houden Examencommissies de mogelijkheid om uitzonderingen te maken bij onder andere sterfgevallen in de familie en ziekte. Bovendien kunnen faculteiten eigen richtlijnen stellen en zelf bepalen hoe zij het beleid vormgeven. ‘Decanen en onderwijsdirecteuren weten het beste waar de pijnpunten liggen. Zij moeten bijvoorbeeld de vrijheid hebben kernvakken te bepalen.’ Dit zijn slechts nietszeggende zoethoudertjes. Volgens Saalemans passeert het CvB de studentmedezeggenschap. ‘Onder het zwakke excuus van minieme facultaire verschillen worden de regels per faculteit ingevoerd. De Facultaire Studentenraden hebben voor slechts 40 procent inspraak bij het bespreken van maatregelen tegenover 50 procent op universitair niveau. De omstreden maatregel zal dus facultair makkelijker kunnen worden doorgedrukt, ongeacht de mening van studenten.’

Landelijke lulkoek Nationaal worden de ontwikkelingen aan de RU met grote belangstelling gevolgd. Vanwege de bezuinigingen is het voor universiteiten interessant om studenten tot haast te dwingen. Bastiaan Broma, beleidswoordvoerder van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, roemt het initiatief van onze alma mater: ‘Het is bewonderenswaardig dat de RU moeilijke doch verstandige keuzes durft te maken in deze tijden van crisis. Misschien is het in eerste instantie pijnlijk, maar uiteindelijk zullen studenten er ook de meerwaarde van inzien. Daarom bekijken wij nu ook of dit model landelijk kan worden ingevoerd.’

Met deze verregaande regels overschat de RU haar studenten in ernstige mate. Het ligt voor de hand dat masterstudenten van Gezondheidszorgpsychologie gemotiveerder zijn en daardoor sneller tentamens halen dan hun jongere evenbeelden in de bachelor, dat heeft weinig te maken met het aantal kansen. Eerstejaars moeten de mogelijkheid hebben te wennen aan de universiteit en de vorm van examineren. Bij afschaffing van hertentamens zullen zij en masse falen en zo een jaar uitlopen. Hierdoor komt de gevreesde langstudeerdersboete voor velen dichterbij, wat de drempel om te studeren op grote schaal verhoogt. De opeenstapeling van elkaar versterkende maatregelen moet stoppen. ANS wil een tegengeluid bieden en start daarom op ANS-Online. nl een petitie, die de redactie eind april zal overhandigen aan rector Kortman en zijn kornuiten. Het is te hopen dat het CvB zich dan realiseert dat rendement niet alles is en dat deze maatregel het onmogelijke van studenten vraagt.

Teken de petitie voor behoud van hertentamens hier.

Kijk hier voor de andere artikelen uit de april-ANS

Add a comment
Fich

Rendement van de ivoren toren

Universitair onderwijs staat onder druk. Doorgeslagen rendementsdenken lijkt van de vrijplaats voor kritische geesten een beroepsgerichte school te maken. Wat is het academisch klimaat en waarom moeten we dit behouden?

Tekst: Tim Ficheroux en Eline Huisman

Voor zo min mogelijk geld in hoog tempo studenten klaarstomen voor de arbeidsmarkt, in overvolle collegezalen waar kant en klare kennis wordt geserveerd. Dit schrikbeeld van doorgeschoten managementdenken voedt de aanzwellende roep om universiteiten terug te laten keren naar een doodgewaand academisch klimaat. Hoe ziet de ideale academie eruit en waarom botst dat beeld met efficiëntiemaatregelen? Een pleidooi voor een gezonde balans tussen rendement en academische vrijheid.

Efficiëntie en ontplooiing
De universiteit beoogt van oudsher een instituut te zijn waar onafhankelijk van kerk en staat wordt onderzocht en onderwezen. Sinds de jaren tachtig ontstond er steeds meer inmenging van politiek en bedrijfsleven. Dat beleid kwam destijds tot stand om de hoge uitgaven te controleren en de universiteit meer bij de samenleving te betrekken. Efficiëntiedenken staat op gespannen voet met de universiteit waar creativiteit en inventiviteit kunnen floreren. Tegenwoordig is de zoektocht naar een gezond evenwicht volop actueel. Forse bezuinigingen en toenemende studentenaantallen hebben geleid tot schools massaonderwijs. De balans schiet door in het voordeel van maatregelen die studierendement moeten bevorderen, waardoor de academische vrijheid ondersneeuwt. We moeten juist de creativiteit en intrinsieke motivatie die de vrijplaats kenmerken beschermen om de waarde van de universiteit te behouden. Voor het waarborgen van het academisch klimaat zijn in het onderwijs drie aandachtspunten van belang: een kritische blik op de samenleving, dialoog tussen student en docent en oog voor de fundamentele principes van een vakgebied.

Buiten de waan van de dag om
Universiteiten moeten niet buiten de samenleving staan, maar studenten leren om met een zekere afstand kritisch te reflecteren op die wereld. Wetenschappelijk onderwijs dient om te ontsnappen aan de waan van de dag en maatschappelijke ontwikkelingen in een breder perspectief te zien. Wanneer er een meldpunt wordt opgericht om te klagen over Polen en Roemenen moet een student meer kunnen dan daar enkel om lachen. Om een constructieve bijdrage te leveren aan de maatschappij moet je uit kunnen leggen waarom zo’n initiatief moreel onverantwoord dan wel noodzakelijk is. Op een heel andere schaal moet je kunnen zien dat de woorden ‘dermatologisch getest’ op een shampoofles een lege huls zijn. Het is de taak van een universiteit om studenten te leren van een afstand en zo objectief mogelijk kritiek te leveren. Dat voorkomt dat de maatschappij vervalt in onwetende oppervlakkigheid.

Grens van het weten
Het klassieke ideaalbeeld van de universiteit als wandelgang waar de bebaarde filosoof in gesprek gaat met enkele studenten is in de huidige samenleving een utopie. De gedachte achter dit romantische beeld geeft echter aanwijzingen voor wat ook een hedendaags academisch klimaat moet kenmerken. In het universitair onderwijs moet de door nieuwsgierigheid gedreven wisselwerking tussen docent en student een centrale rol spelen. Onderwijs is meer dan acht weken braaf meepennen met een dicterende docent om na een lijstje meerkeuzevragen een vak van de lijst te kunnen afstrepen. Door dialoog en kritisch reflecteren dragen student en docent bij aan het opdoen van kennis en het verder brengen van het vakgebied. Een universiteit werkt voortdurend aan de grens van het weten om nieuwe inzichten op te doen. Academisch onderwijs is daarom geen eenzijdige overdracht van bestaande kennis, maar een proces waarbij docent en student zich samen langs die grens begeven en deze proberen te verleggen. Studenten zijn geen consumenten van hapklare kennisbrokken, maar moeten actief en geïnteresseerd participeren in het onderwijs.

Kennis in context
Academische scholing moet verder gaan dan het opleiden van deskundigen in een afgebakend vakgebied. Begrip van een bredere context rondom specialismen is noodzakelijk om opgedane kennis te gebruiken in het dagelijks leven en de maatschappij. Zo moet een rechtenstudent niet alleen een wet interpreteren, maar ook begrijpen wat het morele streven naar rechtvaardigheid betekent. Alleen dan kan hij het toepassen van recht betekenisvol maken. Een celbioloog kan bij het knutselen met celwanden niet zonder kennis van Darwin om het belang van zijn experiment te begrijpen. In de communicatie tussen docent en student wordt niet alleen nieuwe kennis opgedaan, maar leer je ook de fundamentele principes van een vakgebied te begrijpen. Zo kan een academicus ook zelfstandig reflecteren op het belang van zijn handelen.

Wanneer enkel het snel en zo goedkoop mogelijk halen van een diploma richtinggevend is, staat de relatie tussen student en docent onder druk. Ook het vermogen om de context te begrijpen en kritisch en creatief te reflecteren op de samenleving komen dan in het gedrang. Met tentamens die niet veel meer zijn dan een invuloefening, onderwerpen voor bachelorscripties die vooraf afgebakend zijn en steeds minder mogelijkheden om je buiten het curriculum te ontplooien, lijkt het academisch klimaat weg te zakken in een modderpoel van maatregelen die studierendement heet. Natuurlijk moet een universiteit geen speeltuin zijn waar iedereen naar eigen plezier tien jaar lang studeert. De spreekwoordelijke ivoren toren die mijlenver boven de samenleving uitsteekt en alle contact met de werkelijkheid is verloren komt de maatschappij ook niet ten goede. Doordat steeds meer sancties en beloningen gekoppeld zijn aan de afstudeersnelheid, wordt de motivatie bepaald door negatieve externe prikkels. Het afstraffen van uitloop maakt het aantrekkelijker om je te beperken tot het hoogst noodzakelijke voor het behalen van een bul dan om een academicus in de bredere zin van het woord te worden. Een rendementsmaatregel kan nuttig zijn, maar de onderscheidende waarde van een universiteit mag niet worden opgeofferd. Het is noodzakelijk dat docenten het vertrouwen en de vrijheid hebben om de dialoog aan te gaan. Studenten moeten serieus genomen worden door nieuwsgierigheid en participatie van hen te verwachten en dit te stimuleren.

Dit artikel is tot stand gekomen na raadpleging van Jan Bransen, Wouter Sanderse, Ed Vosselman, Leon Wecke en Ron Welters. Kijk hier voor de andere artikelen uit de maart-ANS

Add a comment
Fich

Heyendaalse kloof

Met de bezuinigingen op hoger onderwijs in het vooruitzicht is het meer dan ooit noodzakelijk dat iedere student op de juiste plek terechtkomt. Wat kunnen de RU en de HAN gezamenlijk betekenen voor de universitaire uitvallers en ambitieuze hbo'ers die de oversteek willen maken?

Tekst: Tim Ficheroux en Rik van Hulst

Eind oktober werd pijnlijk duidelijk dat de RU en de Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN) niet altijd alles goed op elkaar afstemmen. Tot verbazing van beide onderwijsinstellingen bleken de introducties van 2012 in dezelfde week gepland, waardoor de Nijmeegse binnenstad zal worden overspoeld met eerstejaars studenten. Zeker wanneer een universiteit en hogeschool op nog geen steenworp afstand van elkaar liggen, mag je verwachten dat ze enigszins naar elkaar kijken. Samenwerking tussen wo en hbo kan voor studenten grote voordelen met zich meebrengen. Niet iedere universitaire student past immers binnen het wetenschappelijk onderwijs en op hogescholen lopen uitblinkers rond met academische ambities. Ongeveer een op de acht universitaire studenten valt binnen twee jaar uit, een kwart daarvan maakt de overstap naar het hbo. Anderzijds bezit 12 procent van de universitaire studenten een hbo-bachelor. Door gezamenlijk de oversteek te begeleiden, kunnen instellingen voorkomen dat deze studenten met onnodig oponthoud en dubbel werk worden opgezadeld. Met de invoering van de langstudeerdersboete, het bindend studieadvies en mogelijke afschaffing van de basisbeurs komen studenten die switchen snel in de problemen. Doorstuderen of een foute studiekeuze kan je hard in de portemonnee treffen. Studenten die van de RU naar de HAN willen verhuizen, of vice versa, kunnen onnodige vertraging niet gebruiken. Hoe zorgen de Nijmeegse universiteit en hogeschool ervoor dat de overstappende student niet tussen wal en schip geraakt?

Het gras is altijd groener Uit een rondgang langs Nederlandse universiteiten blijkt dat in verschillende steden de samenwerking met hbo’s wordt opgezocht. In 2002 fuseerden de Universiteit van Amsterdam en Hogeschool van Amsterdam op bestuurlijk niveau. Volgens Paul Doop, waarnemend collegevoorzitter van de instellingen, kun je er gezamenlijk voor zorgen dat iedere student op de juiste plek studeert. ‘De drempel om aan een andere instelling vakken te behalen moet worden weggenomen.’ Ook wil Doop de doorstroom tussen universiteit en hogeschool soepeler laten verlopen. Zo bieden de instellingen speciaal voor studenten die in het eerste jaar afhaken een heroriëntatietraject aan, een vijf maanden durend programma met tien uur studiekeuzebegeleiding per week. In Enschede hebben de Universiteit Twente en Hogeschool Saxion samen de werkgroep ‘Wisselstroom’ opgericht. Vertegenwoordigers van deze instellingen proberen de doorstroom in beide richtingen in kaart te brengen en te versoepelen. Vorig jaar organiseerde de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een bijeenkomst voor haar studieadviseurs en die van hogescholen in de regio. ‘Het is belangrijk om studenten te wijzen op verwante opleidingen van een ander niveau. Door studieadviseurs van verschillende instellingen met elkaar in contact te brengen, weten ze beter welke mogelijkheden er zijn,’ aldus Ronald van den Bos, beleidsmedewerker aan de EUR.

Nijmeegs samenspel Concrete voorbeelden van samenwerking tussen de RU en de HAN vinden voornamelijk op het niveau van faculteiten en opleidingen plaats. Sinds 2009 bieden de instellingen gezamenlijk de Academische Lerarenopleiding Primair Onderwijs aan, waarin studenten zowel praktijkgericht als wetenschappelijk onderwijs krijgen. Ook biedt de HAN een gezondheidszorgopleiding aan waarbij intensief wordt samengewerkt met het Universitair Medisch Centrum (UMC) St. Radboud. In de eerste twee jaar van de opleiding lopen hbo’ers stage in het UMC, daarna volgen ze ook universitair onderwijs. Het voordeel van deze gecombineerde opleidingen is volgens Ron Bormans, bestuursvoorzitter van de HAN, dat er geen mensen buiten de boot vallen. Grootschalig en structureel bestuurlijk overleg, zoals in Amsterdam, ziet Bormans niet zitten. Hij denkt dat samenwerking het beste tot stand komt op facultair- of opleidingsniveau. ‘Als de hoogleraren aan de RU en onze lectoren en docenten samenwerking niet zien zitten, zullen gezamenlijke projecten niet ontstaan.’

Selectief schakelen Net als de HAN ziet onze alma mater geen heil in verregaande samenwerking. Martijn Gerritsen, woordvoerder van de RU, zegt dat de relatie tussen de instellingen goed is: ‘Het halfjaarlijks overleg verloopt prima, maar zowel de RU als de HAN heeft een eigen doelstelling en agenda.’ Hij laat verder niet veel los over de visie van de RU: ‘Hbo’ers die geschikt zijn voor een universitaire studie zijn van harte welkom. Omdat een hbo-diploma echter geen garantie is voor een succesvolle master aan de universiteit stelt de RU voorwaarden aan de inschrijving en biedt ze net als andere instellingen pre-masterprogramma’s aan. Daarmee voorkomen we onnodige studie-uitval.’ Op verschillende hogescholen in Nederland worden ‘ingedaalde’ schakelprogramma’s aangeboden. Excellente hbo’ers krijgen de kans om minoren in te vullen met vakken uit een universitaire pre-master, waardoor ze beter voorbereid aan een universitaire master kunnen beginnen. Ook de HAN en de RU bieden soortgelijke trajecten aan. Hoewel Bormans daar graag intensievere samenwerking en duidelijkere afspraken ziet, merkt hij dat de RU terughoudender wordt en hogere toelatingseisen wil stellen aan de schakelprogramma’s. Het College van Bestuur van de RU lijkt tevreden met de huidige samenwerking, terwijl Bormans duidelijke punten voor verbetering ziet. ‘Over de voorlichting aan uitvallende studenten en schakelprogramma’s kun je allerlei afspraken maken. Het onderwijssysteem hoort niet oneindig selectief te zijn, maar moet toegankelijk blijven.’

Door de aankomende maatregelen is het meer dan ooit van belang om de nog niet uitgeleerde hbo’er vloeiend een academische master in te leiden. Voor de student die zich op de universiteit niet thuis voelt, zal de weg naar het hbo makkelijk vindbaar moeten zijn. Intensievere samenwerking tussen RU en HAN kan daarbij van meerwaarde zijn. Door bijvoorbeeld studieadviseurs wederzijds informatie te laten delen en knelpunten in de doorstroom in kaart te brengen, kan voorkomen worden dat de overstappende student dubbel werk doet. In het Nijmeegse hoger onderwijs komt dit helaas nog niet van de grond zoals in andere steden.

Kijk hier voor de andere artikelen uit de februari-ANS

Add a comment
Fich

De beste wensen

ANS bepleit geen vermindering van de alcoholinname, noch een strikt sportschema om de kerstkalkoen eraf te trainen. Onze beste wensen voor 2012 gaan uit naar de RU.Graag helpen we onze alma mater met het formuleren van enkele goede voornemens.

Tekst: Erik van Rein en Jozien Wijkhuijs

1. Kies ter opvolging van De Wijkerslooth geen oude, grijze man Naast rector magnificus Bas Kortmann bezetten voorzitter Roelof de Wijkerslooth de Weerdesteyn en vice-voorzitter Anton Franken het Radboudpluche. Zij zijn de grijze Grote Drie van de RU. De Wijkerslooth vertrekt in juni 2012 en er wordt al druk gespeculeerd over zijn opvolging. Er is echter nog niets bekend over de keuze. Eerder circuleerde het gerucht dat Guusje ter Horst, oud-burgemeester van Nijmegen, zou terugkeren naar de Keizerstad om de vrijkomende plaats van De Wijkerslooth op te vullen. Dit zou een goede keuze zijn. Een bestuurlijk orgaan moet haar achterban representeren. Vrouwelijke studenten zijn al jarenlang in de meerderheid. Het aantal vrouwen in hoge functies binnen de academische wereld blijft daarbij achter, eind 2010 was slechts een krappe 17 procent van de hoogleraren vrouw. Keuzes die mensen maken worden wel degelijk beïnvloed door gender en daarom hebben besturen baat bij diversiteit. Het is dan ook verwonderlijk dat in de kringen waar de Nijmeegse universitaire beleidslijnen worden uitgezet nooit een vrouw te vinden was. Meerdere universiteiten in Nederland kennen inmiddels een vrouwelijke voorzitter van het CvB en aan de Universiteit van Amsterdam zetelt een heuse rector magnifica. Ook kan de studenten- en medewerkerspopulatie beter afgespiegeld worden door te kiezen voor een jonger persoon. Die vindt meer aansluiting bij de jongste academici en heeft een andere kijk op zaken als internet en sociale media, maar ook op de praktijk van het studeren. Juist problemen op die gebieden kunnen worden opgelost met meer diversiteit aan de top.

2. Verruim de openingstijden van de UB In haar beleidsplan voor de periode 2010-2013 stelt de Universiteitsbibliotheek (UB) onder meer het volgende doel: ‘Streven naar een zo ruim mogelijke openstelling van bibliotheekruimtes en ontwikkeling van beleid voor de openingstijden van verschillende locaties.’ De jongste maatregel van de UB is het beschikbaar stellen van de studieruimtes op vrijdagen tot 22.00 uur, maar alleen in tentamenperiodes. Ook De Verdieping is dan toegankelijk. Daarnaast zal het op verschillende feestdagen mogelijk zijn om in de bibliotheek te studeren. Voordat er verdere maatregelen worden genomen, wordt onderzocht of studenten wel op een later tijdstip in de UB willen zitten en of er financiële middelen voor zijn. Met de huidige openingstijden blijft de RU achter. Uit een rondgang blijkt dat bijna geen enkele universiteitsbibliotheek haar deuren eerder sluit dan de Nijmeegse evenknie. Alleen de studievoorzieningen van de Vrije Universiteit sluiten om 19.00 uur. In Amsterdam studeren velen echter in de Openbare Bibliotheek, die wel tot laat in de avond open is. De Universiteit Utrecht stelt in tentamenperiodes studieruimtes open tot 1.00 uur en ook in andere steden is het gebruikelijk om de openstelling aan het einde van een periode flink te verruimen. De RU moet hier een voorbeeld aan nemen. Zolang de capaciteit niet wordt uitgebreid, vraagt de groeiende studentenpopulatie van de RU om passende maatregelen. Studenten die de drukte willen vermijden, moeten op een later tijdstip in de UB terecht kunnen. Bovendien zijn veel studenten avondmensen, zo werd onlangs duidelijk uit Gronings onderzoek. De twee uurtjes extra op slechts enkele vrijdagen in het jaar tonen weinig ambitie om de zelf gestelde doelen echt waar te maken. De UB moet af van haar voorzichtige houding en haar deuren open gooien.

3. Schep duidelijkheid over de invoering van de harde knip Aan het begin van het collegejaar 2012-2013 wordt er in Nederland een formele harde knip ingevoerd. Dit betekent dat studenten niet aan hun master mogen beginnen als de bachelorfase niet volledig is afgerond. De RU laat faculteiten vrij om voor zachtere maatregelen te kiezen middels de materiële strenge knip. Daarmee krijgen studenten toegang tot het masteronderwijs, mits ze aan bepaalde voorwaarden voldoen. De bachelorthesis moet bijvoorbeeld altijd zijn afgerond en de student mag maar een minimaal aantal punten hebben openstaan. Om vervolgens deel te nemen aan de afsluitende tentamens, moet de deelnemer wel een bachelordiploma op zak hebben. Als een faculteit kiest voor de variant waarbij de deelname aan tentamens verboden wordt zonder een afgeronde bachelor, krijgt de student een overgangsregeling van maximaal een jaar. Zeker in combinatie met de andere ingrepen in hoger onderwijsland zal de maatregel verstrekkende gevolgen hebben. Studenten dienen hier tijdig over ingelicht te worden door de universiteit. Omdat het CvB de faculteiten vrij laat om te beslissen welke ‘knip’ er daadwerkelijk komt, laat een definitief besluit te lang op zich wachten. Eind oktober 2011 verstuurde het CvB al een brief naar de decanen, waarin zij opriep om op korte termijn te laten weten voor welke ‘knip’ de faculteit kiest. Hier mag een onderwijsinstituut niet laks mee omspringen en de faculteiten zullen samen met het CvB op zeer korte termijn meer informatie moeten verschaffen over de invoering van de harde knip. Doen ze dit niet, nemen ze het risico dat studenten hierdoor in grote problemen komen.

4. Zorg ervoor dat fulltime besturen in Nijmegen mogelijk blijft Vanwege de welbekende langstudeerdersboete wordt het voor studenten erg moeilijk om een volledige bestuursfunctie te kunnen vervullen. Er gloort echter hoop aan de horizon. Door een wetsvoorstel van kabinetspartij VVD en D66 wordt het toch mogelijk om een jaar te stoppen met studeren, geen collegegeld te betalen en je in te zetten voor het academische klimaat. Althans, dat is mogelijk aan andere universiteiten. De RU weigert mee te gaan in het plan omdat zij van mening is dat studenten zich moeten verbreden naast de studie in plaats van een jaar te stoppen met studeren. Het beeld dat de RU heeft van studentbestuurders is een utopie. Het CvB ziet een student als iemand met een onuitputtelijke bron van energie en tijd, die tegelijkertijd in de collegezaal en op kantoor kan zitten. Dit is teveel gevraagd. De huidige besturen hebben nu al moeite met het vinden van opvolging, de angst voor studievertraging is vanwege alle maatregelen groot. Nijmegen heeft een rijke studentencultuur. Hier moet een universiteit trots op zijn en dat kan worden geuit met een fatsoenlijke regeling voor de voltijd studentbestuurder. Het lag in de lijn der verwachting dat de Universitaire Studentenraad (USR) op zou komen voor de belangen van studenten. De studentenvertegenwoordiging stemde echter in met een slap compromis waarbij nog steeds fulltime beurzen worden verstrekt, maar alleen als de student in kwestie achttien studiepunten behaalt tijdens het bestuursjaar. Dit voert de druk op studentbestuurders onnodig hoog op. Een voltijds bestuursfunctie vergt alle tijd en aandacht van de student. Het is zeer leerzaam om jezelf een jaar lang volledig te richten op het aanleren van andere competenties en dit draagt alleen maar bij aan de kwaliteit van de RU-studenten. Daarnaast maken een handjevol fulltimers het voor een grote groep parttimers mogelijk bestuurstaken te vervullen. Het zou goed zijn als de RU haar besluit herevalueert. Anders zouden de komende jaren weleens de doodssteek kunnen zijn voor het actieve studentenleven in Nijmegen.

5. Wees transparanter naar de buitenwereld Weinig van wat er aan de RU gebeurt, is reden tot zorg voor de politiek. Het enige feit waarmee ‘we’ Den Haag wel bereikt hebben, was het censuurschandaal rond Vox. Hierover zijn meermaals Kamervragen gesteld en nog steeds is de discussie gaande. In het verleden zijn er meerdere voorvallen geweest waarbij de RU probeerde kritisch drukwerk tegen te houden. Inmiddels pleit SP-Kamerlid Jasper van Dijk, mede vanwege Vox, voor het wettelijk beschermen van universiteitsmedia. Het is jammer dat het zover heeft moeten komen. Een moderne universiteit moet openstaan voor de verschillende geluiden en meningen binnen haar instituut. Een goed universiteitsmedium maakt discussie over onderwijs, onderzoek en bestuurlijke zaken mogelijk en is geen spreekbuis van de universiteit. Ook een website als wijlen Voxlog draagt hier aan bij. Dat de universiteit bij monde van oud-woordvoerder Hooglugt meent dat Twitter een zeer gevaarlijk medium is, maakt de situatie er niet beter op. Niet alleen de kwestie-Vox doet de RU overkomen als een gesloten bolwerk. In november berispte de universiteit hoogleraar Roos Vonk, die betrokken was bij het onderzoek naar hufterigheid van vleeseters met de inmiddels beruchte Diederik Stapel. Waar het onderzoek naar Stapel door de Tilburgse commissie-Levelt openbaar werd gemaakt, liet de RU iedere vorm van transparantie na. Het onderzoek naar Vonk werd onder de pet gehouden. In de academische wereld, waar openbaarheid centraal staat, is dit een uiterst vreemde manier van handelen. Tevens zorgt de krampachtige houding van de RU ervoor dat in de maatschappij het beeld van een ivoren toren ontstaat. De pogingen het imago van onze academie te beschermen werken averechts en inmiddels staat de RU ook wel bekend als ‘censuuruniversiteit’. Het nieuwe jaar is een goed moment om met deze geschiedenis te breken. RU, open U!

Kijk hier voor de andere artikelen in de januari-ANS

Add a comment
Fich

Studiebegeleiding onder de loep

De studieadviseur is voor veel studenten een belangrijke schakel in hun studie, maar functioneert lang niet altijd naar wens. Beoordelingsmomenten van de begeleider zijn echter schaars. Vinden klachten van studenten hun weg naar de studieadviseur?

Tekst: Adrianne Tuk en Daryo Verouden

Klachten over studieadviseurs op de RU zijn geen zeldzaamheid. Het commentaar wordt echter in de meeste gevallen slechts in de koffiepauze uitgewisseld. De studieadviseur zelf loopt op deze manier klachten mis die wel gehoord moeten worden. Waar docenten worden geëvalueerd na elke cursus, wordt het functioneren van de studieadviseur slechts een keer in de vier jaar beoordeeld door de student. Dat is vreemd, aangezien het voor de student belangrijk is om naast colleges van goede kwaliteit begeleiding op niveau te krijgen. Door maatregelen als de langstudeerdersboete, de harde knip en het Bindend Studieadvies zal de student meer dan ooit moeten letten op zijn houding en voortgang. Begeleiding bij het studeren krijgt een grotere rol, waardoor een grondige evaluatie van de studiebegeleider nog noodzakelijker wordt. Het maken van goede reflecties zorgt voor aanknopingspunten waarmee de studieadviseur zichzelf waar nodig kan verbeteren. De student lijkt vooralsnog geen grote rol van betekenis te spelen in het evaluatieproces. Wordt de studieadviseur geëvalueerd en op welke manier worden studenten daarbij betrokken?

Evaluatiemogelijkheden De studieadviseurs gaan meerdere malen per jaar met elkaar in beraad. Tijdens deze gesprekken wordt de nodige kennis over nieuwe maatregelen uitgewisseld en krijgt de adviseur van collega’s feedback op zijn functioneren. Tevens heeft de studentbegeleider jaarlijks een functioneringsgesprek met de onderwijsdirecteur. Ook studenten hebben de mogelijkheid om hun stem te laten horen over de studiebegeleiding. Zo komt de evaluatie van de studieadviseurs eens in de vier jaar aan bod in de Algemene Studentenenquête (ASE). Opleidingen krijgen een analyse van de resultaten gepresenteerd. Op basis daarvan kunnen zij werken aan verbetering van de studiebegeleiding. Daarnaast kan de student terecht bij de Opleidingscommissie (OLC). Deze heeft als taak de kwaliteit van het onderwijs te bewaken. Zij fungeert als aanspreekpunt voor de student om eventuele onvrede te uiten over de studieadviseur. Het College van Bestuur (CvB) ziet tevens de Facultaire Studentenraad (FSR) als aanspreekpunt, vertelt Martijn Gerritsen, de woordvoerder van het CvB. Daarnaast kan de student ook zijn beklag doen bij de studentdecaan of Dienst Studentenzaken. Het hanteren van zoveel verschillende instanties zorgt echter voor onduidelijkheid en vergroot de kans dat een klacht niet op de juiste plek terecht komt.

Geen representatief beeld Uit de resultaten van de ASE van 2010 blijkt dat ruim de helft van de respondenten in het voorafgaande studiejaar contact heeft gehad met de studieadviseur. Het oordeel over de ondersteuning door de studieadviseur varieert per begeleidingsonderdeel. Van de studenten die in de enquête hadden aangegeven dat zij een teruglopende interesse hadden in hun studie, was 19 procent ontevreden over de geboden hulp. Maar liefst 23 procent van de studenten was niet naar tevredenheid geholpen met vragen over studeren in het buitenland. De ASE is een geschikt instrument om signalen van studenten op te vangen, maar hij werd tot nu toe te weinig ingezet. De studieadviseurs van de faculteit Rechtsgeleerdheid beamen dit en vinden dat de ASE vaker moet ingaan op de studiebegeleiding: ‘Als wij in de tussentijd nieuwe maatregelen invoeren, willen we graag weten of deze effect hebben. Elke twee jaar een uitvoerige enquête houden zou daarom veel beter zijn.’ De RU heeft besloten dat de tevredenheid over studieadviseurs vanaf 2012 om de twee jaar aan bod zal komen in de ASE. De resultaten van de ASE tonen aan dat er ontevredenheid heerst, maar het lijkt erop dat studenten niet goed weten wat ze met hun bezwaren moeten doen. Over het algemeen komen er weinig op- of aanmerkingen binnen bij de Opleidingscommissies. De OLC van Rechtsgeleerdheid krijgt slechts af en toe een klacht binnen. ‘We ervaren echter dat een gedeelte van de studenten ons niet kan vinden, of niet beseft dat ze voor dit soort klachten ook bij ons terecht kan,’ vertelt Bas van den Broek, vice-voorzitter van de studentleden van de OLC Rechtsgeleerdheid.

Verandering op komst Uit een rondvraag onder de studieadviseurs blijkt dat de meerderheid verwacht dat de werkdruk toeneemt. Een verhoogde werklast kan de kwaliteit van begeleiding schaden. Dat moet worden voorkomen. De Universitaire Studentenraad (USR) is zich bewust van de noodzaak om de studieadviseur te evalueren en heeft besloten een taskforce op te zetten waarin zij gaat inventariseren hoe er universiteitsbreed wordt gedacht over de studentbegeleiding. Loeke Salemans, voorzitter van de USR, vertelt dat zij in samenwerking met de Facultaire Studentenraden gaat kijken waar de punten van verbetering liggen. Met behulp van een enquête zal de tevredenheid onder studenten omtrent dit onderwerp worden gepolst. Conny Mooren, studieadviseur master Biologie en Medische Biologie, vindt het een goed idee om studenten te betrekken in de evaluatie van studiebegeleiding: ‘Ik heb eenmaal per jaar een functioneringsgesprek, maar natuurlijk hoor ik dan niet hoe studenten over mij denken. Dit lijkt me de meest belangrijke groep die iets over mij kan zeggen.’

Studenten zijn een onmisbare factor in een kwalitatieve evaluatie van studiebegeleiding. Zorgwekkend is dat zij niet voldoende betrokken worden bij deze kwestie. Het is voor studenten moeilijk te bepalen waar zij met hun klachten terecht kunnen. Meer duidelijkheid hierover is essentieel. Studenten hebben niet de mogelijkheid hun studieadviseur op adequate wijze te evalueren. Verbetering daarvan is, zeker met het oog op de toenemende werkdruk onder studieadviseurs, noodzakelijk.

Kijk hier voor de andere artikelen uit de december-ANS

Add a comment
Fich