Beste Halbe,

Uw beruchte langstudeerdersboete, ofwel Halbeheffing, is uitgegroeid tot het symbool van de bezuinigingsplannen waarmee u volgens velen het hoger onderwijs de strop om doet. Toch blijft u ondanks felle protesten glimlachend voet bij stuk houden.

Tekst: Eline Huisman en Joeri Pisart

Inmiddels bent u het misschien gewend om in de media te worden afgeschilderd als de boeman. Dat is niet verwonderlijk, gezien de denigrerende toon en nonchalante houding waarmee u bezuinigt. De maatregelen die u treft staan zeker in een tijd van crisis haaks op de belangen van studenten, universiteiten en de samenleving als geheel.

Wanneer forse bezuinigingen nodig zijn is het begrijpelijk dat ook het onderwijs kritisch moet worden bekeken. De langstudeerdersboete, afschaffing van studiefinanciering in de masterfase en het verhoogde collegegeld voor een tweede studie zijn de speerpunten van uw beleidsplan. Hoewel u deze zelf durft te omschrijven als efficiëntiemaatregelen, zijn het in werkelijkheid ordinaire bezuinigingen met grote consequenties. U stelt dat universiteiten en hogescholen ‘geld zat’ hebben en dat u ‘toch ergens geld vandaan moet halen’. Dergelijke uitspraken onderstrepen het gebrek aan visie dat de kortingen karakteriseert. Het kabinet stelt dat er geen draagvlak meer is voor de luie langstudeerder. Met behulp van boetes en bezuinigingen moet voorgoed worden afgerekend met ongemotiveerde studenten. U gaat echter voorbij aan het feit dat ‘langstuderen’ niet gelijk staat aan een lakse studiementaliteit. De huidige plannen straffen juist de studenten met maatschappelijke meerwaarde.

Studenten vragen u niet om een decennium lang op halve kracht te kunnen studeren. Net als u willen zij kwalitatieve en financieel toegankelijke opleidingen. Een goed studieklimaat stimuleert en creëert ruimte voor zelfontplooiing. Juist het hoger onderwijs biedt de mogelijkheid om ambities en interesses te ontdekken. Het is dan ook verbazingwekkend dat, in tegenstelling tot het basisonderwijs en de middelbare schoolperiode, de kosten van hoger onderwijs grotendeels gedragen moeten worden door de student. De achterliggende veronderstelling daarvan is dat de opleidingskosten zich aan de student terugbetalen. Waar lager en middelbaar onderwijs als investeringen in de samenleving als geheel worden beschouwd, is het volgen van hoger onderwijs plotseling een persoonlijke investering geworden. Dat is op zijn minst merkwaardig, gezien de uitgesproken ambitie van Nederland om tot de top vijf van kenniseconomieën te behoren. Nederland zakt hiermee niet alleen in de ranglijst van kennislanden: de gevolgen zullen in de gehele maatschappij voelbaar zijn. Onderwijs is een van de basisvoorwaarden voor een succesvolle samenleving. Een goede onderwijs- en onderzoekssector zijn van belang om onder meer een florerende economie en kwalitatieve gezondheidszorg te behouden.

Het beeld van een maatschappij vol mensen die zich nooit verder hebben ontwikkeld is een weinig belovend vooruitzicht. Wellicht kan er eindelijk worden gesproken van een Nederlandse identiteit wanneer onverschillige Privé-lezers zonder enige ambitie het straatbeeld vullen. Op de universiteiten zal het niet veel beter gesteld zijn. De sportzalen zullen gevuld zijn met studenten die in grote getale multiplechoicetentamens maken. Massaliteit is de enige manier om hoger onderwijs betaalbaar te houden. Een tentamen voorbereiden staat gelijk aan driemaal de collegesheets doorbladeren: zolang het maar genoeg is voor een zesje. Studieverenigingen bestaan doorgaans uit drie strebers die eenmaal per jaar een lezing Verstandig omgaan met studieschuld organiseren. Een bestuursfunctie of buitenlandstage zou de studievoortgang in gevaar brengen en daar staat een boete van drieduizend euro op. Van verdere verdieping en verbreding is geen sprake, dat is immers niet aantrekkelijk wanneer financiële factoren de belangrijkste studiemotivatie vormen. De maatregelen dwingen niet gepassioneerd te studeren, maar om zo snel en zo gemakkelijk mogelijk een studie af te ronden. Wat dat betreft werkt uw plan: het rendement zal stijgen. Dit betekent echter wel de dood van het academische klimaat.

De consequenties zullen niet alleen in de toekomst voelbaar zijn. Uw gebrek aan empathie zal studenten die om wat voor reden dan ook uitlopen direct treffen. Door de dood van een familielid of een langdurige ziekte kan de hardste werker in één klap een jaar vertraging oplopen. Bovendien kan een foute studiekeuze niet meer worden gecorrigeerd zonder daarvoor zwaar beboet te worden. Zo dwingt u studenten niet zozeer een goede keuze te maken, maar om de verkeerde door te zetten. In het nieuwe beleid is geen ruimte meer voor uitzonderingen bij persoonlijke omstandigheden in de breedste zin van het woord.

De mensen die het hardst worden getroffen zijn ofwel de studenten die zich breed ontwikkelen tijdens en naast hun studie, ofwel individuen die door ongelukkige voorvallen vertraging oplopen. De eerste groep betreft de excellente studenten die het kabinet wil stimuleren, de omstandigheden van de tweede groep zijn onmogelijk bij te sturen. Het probleem ligt elders, namelijk bij de lakse student die allesbehalve zijn best doet en slechts gemotiveerd raakt van het leven buiten de campus. Een financiële prikkel jaagt hen wellicht sneller door hun studie heen, maar pakt de werkelijke oorzaak van motivatiegebrek niet aan. Het resultaat zal geen kritische academicus zijn. De langstudeerdersboete is slechts symptoombestrijding en levert alles behalve een structurele verbetering van het onderwijs op.

Beste meneer Zijlstra, als u Nederland echt naar de top vijf van kenniseconomieën wilt verheffen, zijn de huidige maatregelen zeer onverstandig. U treft het academische leven onnodig hard, terwijl de studieperiode een essentieel onderdeel in de persoonlijke ontwikkeling is. Waar het slechts op korte termijn een positief effect op de begroting zal opleveren, zullen deze plannen in de toekomst desastreus blijken. Dat er moet worden bezuinigd, soit. Maar op de inhoud en vorm mag u nog best een jaartje langer doorstuderen.

Met vriendelijke groet,

ANS

Klik hier voor alle artikelen van de ANS uit juni 2011.

Add a comment
Martini

Het laatste oordeel der studenten

Slechte docenten zijn een van de grootste ergernissen van studenten. Door het invullen van enquêtes kunnen ze hun gal spuien, maar de resultaten blijven veelal buiten zicht. Gebeurt er eigenlijk wel iets met deze evaluaties?

Tekst: Eva-Marijn de Vries en Mart Waterval

Studenten wordt na iedere cursus een evaluatie-enquête voorgelegd. Naast de vakopbouw, collegestof en literatuur wordt ook de kwaliteit van de docenten beoordeeld. Met dit laatste onderdeel lijkt weinig te gebeuren. Jaar na jaar staan kwaliteitsarme docenten gewoon weer voor volle collegezalen en zorgen zij voor frustatie. ANS bevroeg de opleidingscommissies (OLC), onderwijsdirecteuren en decanen van alle faculteiten aan de RU. Wordt er eigenlijk wel naar het oordeel van de student geluisterd?

Zelden ontslag OLC’s vormen als afvaardiging van de studentenpopulatie een belangrijke schakel in het evaluatieproces van de docentenkwaliteit. Ze onderzoeken de oorzaak van eventuele problemen en kijken naar mogelijkheden om het onderwijs te verbeteren. Sommige OLC’s organiseren bovendien bijeenkomsten waar studenten hun opvattingen kunnen ventileren. ‘We kunnen met trots vertellen dat er bij de Faculteit der Rechtsgeleerdheid erg serieus wordt omgegaan met de resultaten van de enquêtes’, aldus de OLC. Ook uit reacties van andere OLC’s blijkt dat men tevreden is over zowel de beoordelingsmethode als de uitvoering ervan. De enquêtes worden opgesteld door het adviesbureau voor hoger onderwijs (IOWO). Nadat het IOWO de ingevulde evaluaties heeft verwerkt, krijgt het onderwijsbureau van iedere faculteit de resultaten te zien en stelt het een analyse op. Deze wordt geëvalueerd in de OLC. Zij signaleert mogelijke problemen die blijken uit de enquêteresultaten en bespreekt de reactie van de docent hierop. ‘Elke cursus met een score van minder dan drie op vijf wordt nader besproken,’ aldus de OLC Engels en Amerikanistiek. Daarnaast moet iedere docent ongeacht de score een kritische zelfreflectie schrijven over de cursus. Dit geldt in grote lijnen voor elke opleiding. De vicedecaan Onderwijs van de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica Hans ter Meulen legt de verdere procedure uit. ‘Bij een onvoldoende score van de docent onderneemt de onderwijsdirecteur actie. Hij zal, al dan niet samen met de voorzitter van de OLC, een gesprek aangaan met de betreffende docent ter verbetering.’ Zowel OLC’s als opleidingsdirecteuren zijn van mening dat extra evaluatietechnieken onnodig zijn. Het huidige systeem is toereikend en de docenten zouden zichtbaar verbeteren. Een ontslag naar aanleiding van een slechte evaluatie vindt dan ook zelden tot nooit plaats.

Slechts een adviserende rol Naar aanleiding van slechte beoordelingen worden vakken vaak verbeterd qua literatuur en inhoud, maar concrete oplossingen voor een kwaliteitsgebrek van de docent lijken meestal achterwege te blijven. Zo zegt OLC Natuurwetenschappen dat er ‘nog nooit directe maatregelen van het opleidingsbestuur richting de docent vanwege zijn slechte presteren’ zijn uitgevaardigd. Ook de OLC Psychologie stelt dat ‘het aan de docent is om in de praktijk iets te doen met de uitkomsten van de enquêtes’. Naast enkele opmerkingen over een begeleidingstraject, was er slechts één OLC die concrete maatregelen kon aandragen: ‘Bij een vak waar jarenlang negatieve evaluaties kwamen over de beheersing van de Engelse taal, heeft de betreffende docent een cursus Engels moeten volgen. Ook heeft een docent geen vast contract gekregen bij gebrek aan een Basiskwalificatie Onderwijs (BKO) in combinatie met een slechte evaluatie’, aldus de OLC Informatica en Informatiekunde. Tegenwoordig geldt universiteitsbreed dat nieuwe docenten een BKO moeten halen, voordat ze een vaste aanstelling krijgen. Uiteindelijk kunnen de OLC’s geen besluiten nemen. ‘Wij hebben slechts een adviserende rol. Ons advies gaat naar het opleidingsbestuur en wordt vervolgens medegedeeld aan de docent,’ aldus de OLC Bachelor Pedagogische Wetenschappen. De opleidingsdirecteur zet de eventuele uitvoering van dit advies op.

‘Er zijn geen slechte docenten’ De onderwijsdirecteuren en decanen zijn net als de OLC’s overwegend positief over het beoordelingsproces. Zij wijzen op het aanpassen van cursussen en de inzet van vakdidactici om de docenten tot betere prestaties te brengen. Een enkeling plaatst wel kritische kanttekeningen bij het proces. ‘De terugkoppeling van de resultaten naar de studenten toe moet wat mij betreft beter,’ aldus Daniël Wigboldus, directeur Onderwijsinstituut Psychologie en Kunstmatige Intelligentie. Zelfs bij jarenlange dramatische beoordelingen door studenten hoeven opleidingsbesturen niet tot ontslag over te gaan. Dit komt doordat er meerdere indicatoren zijn voor de kwaliteit van een universitair docent of hoogleraar, zoals zijn wetenschappelijke bijdragen. Deze indicatoren kunnen in de jaarlijkse gesprekken tussen leidinggevenden en docenten naar voren komen, waarbij het denkbaar is dat serieuze maatregelen genomen worden. ‘Mijn ervaring is echter dat er vrijwel geen echt slechte docenten zijn. De kunst is om de juiste persoon op de juiste plek in het onderwijsprogramma te krijgen,’ aldus Wigboldus.

Ondanks de tevredenheid bij zowel OLC’s als opleidingsbesturen klaagt menig student nog steeds over slechte docenten. Jaar na jaar worden enquêtes negatief ingevuld, maar verbetering lijkt uit te blijven. Natuurlijk kunnen studenten niet zeker weten of hun kritiek wordt gedeeld door medestudenten. Hoewel opleidingsbesturen claimen dat docenten door de evaluaties verbeteren, blijft dit voor de studenten vaak onopgemerkt. Door de gebrekkige transparantie hebben zij bovendien het gevoel dat hun mening niet serieus wordt genomen. Daarom is het van essentieel belang dat studenten inzage krijgen in de docentevaluaties, zoals ook Wigboldus bepleit. Daarnaast verloopt het proces van evaluatie misschien te veel op basis van vertrouwen in de verbeteringen die de docent zelf aandraagt. Slechts in extreme gevallen worden bijspijkercursussen verplicht gesteld. Wellicht doen OLC’s er goed aan om te pleiten voor beoordeling van docenten onderling. Wanneer ze bijvoorbeeld zelf in de collegezaal zouden plaatsnemen, worden docenten soms geconfronteerd met zwakke collega’s. Op die manier kunnen onderling tips worden uitgewisseld en kunnen docenten ook kritischer naar hun eigen colleges kijken. Dat kan de kwaliteit slechts ten goede komen.

Klik hier voor alle artikelen van de ANS uit mei 2011.

Add a comment
Martini

De drooglegging

Dat de RU zuipen niet wenst te promoten was al duidelijk. Nu lijkt zij echter door te slaan met een universiteitsbreed alcoholverbod. ‘Dit is de zoveelste maatregel waarmee het CvB studeren van haar pleziertjes ontdoet.’

Tekst: Pieter Hengst en Henk Strikkers

Het spel is uit voor de studentikoze student. Lang studeren is niet langer te betalen, bij vrijwel elke studie zijn er vakken met aanwezigheidsplicht en nu wordt zelfs het meest kenmerkende van de student afgenomen: het bier. Het College van Bestuur (CvB) bezint zich op een drooglegging van de campus. De dreigende langstudeerdersboete zou een dergelijke draconische maatregel noodzakelijk maken. Er zou op universiteitsterrein geen alcohol meer mogen worden geschonken, zelfs niet in faculteitskroegen en kantoren van studentenorganisaties. Ook de tap in het Cultuurcafé moet eraan geloven. Zijn studenten voortaan veroordeeld tot maltbier en Fristi? Woordvoerder Willem Hooglucht verdedigt de stelling van het CvB: ‘We doen dit om de student te helpen serieuzer te studeren.’

De voortrekkersrol Het verbannen van alcohol van de campus komt niet uit de lucht vallen. Na de aankondiging van de langstudeerdersboete heeft het CvB meerdere proefballonnetjes opgelaten. Onder andere versobering van de vergoeding van studentbestuurders en het afkeuren van de harde knip passeerden al de revue. ‘We willen een omgeving scheppen waarin studenten serieus kunnen studeren en niet worden geconfronteerd met gigantische boetes’, aldus woordvoerder Hooglucht. Die redenering stond uiteindelijk aan de basis van de te nemen maatregel. Men baseert de drooglegging onder andere op een onderzoek van de Islamic University of Minnesota (IUMN). Daaruit bleek dat alcoholgebruik een negatief effect heeft op het studiegedrag. Mannelijke studenten die meer dan twee glazen alcohol per week drinken presteren significant slechter dan geheelonthoudende studenten. Bij vrouwen is dit bij anderhalf glas in de week al het geval. Hooglucht: ‘Die cijfers spreken voor zich. Het IUMN-onderzoek is degelijk en op basis daarvan hebben wij een zeer vooruitstrevend beleid opgesteld.’ Dat er sprake is van een trendbreuk wil Hooglucht best toegeven, maar dit is volgens hem niet per definitie slecht. ‘Tradities zijn er om te breken, zeker wanneer dat op basis van betrouwbaar onderzoek gebeurt. Binnen enkele jaren zullen andere universiteiten ons ongetwijfeld volgen. Dit beleid is gewoon heel erg goed.’

Substituut-tripels De Refterdienst is niet onverdeeld positief over de ingeslagen weg. Als uitbater van zowel het Gerecht, het Cultuurcafé, het Sportcafé en de Refter staat hen een grote financiële strop te wachten. Gustaaf Cirkel, directeur van de Refterdienst, begrijpt de beslissing van het CvB, maar vreest voor de gevolgen. ‘In het Cultuurcafé en het Sportcafé vormt alcohol het grootste deel van onze omzet. In één klap verdampt dat.’ Maltbier en andere alcoholvervangers moeten de winstdalingen gaan opvangen. Cirkel heeft hoge verwachtingen van het alcoholvrije gerstenat: ‘We hebben al bij enkele grote brouwers geïnformeerd naar verschillende maltbieren. Op dit moment zijn we bezig de beste substituut-tripels te selecteren.’ In de Refter verwacht Cirkel minder problemen, aangezien het alcoholverbruik daar vrijwel minimaal is. Toch zullen ook Refterbezoekers de gevolgen van de drooglegging merken. ‘Wij moeten sinds dit collegejaar onszelf bedruipen. Wanneer na een half jaar blijkt dat maltbieren minder omzet genereren dan hun alcoholhoudende varianten, zal worden overwogen de prijzen van de Reftermaaltijden te verhogen.’

Een grote farce De voorzitter van studentenvakbond AKKU is ziedend wanneer hij wordt geconfronteerd met deze plannen. Willem de Kleijne: ‘Dit is de zoveelste maatregel waarmee het College van Bestuur het studeren van haar pleziertjes ontdoet. Waar eindigt dit? Wordt er straks ook alleen nog maar klassieke muziek gedraaid op de campus?’ De Kleijne verwijt het CvB vooral dat zij de eigen verantwoordelijkheid van studenten op grove wijze onderschat. Zij kunnen prima zelf bepalen hoeveel alcohol gezond voor hen is. ‘Na een zware dag vind ik het heerlijk om een biertje te drinken in het Cultuurcafé en ik weet zeker dat ik niet de enige ben.’ De AKKU-voorzitter verwacht dat dit beleid geen structurele veranderingen tot gevolg zal hebben. Het probleem wordt volgens hem alleen maar verplaatst: ‘Veel studentenorganisaties halen nu al bier bij de ALDI in Brakkenstein. Ik verwacht dat veel studenten dat voorbeeld zullen volgen.’ Het IUMN-onderzoek waar het College van Bestuur naar verwijst is volgens De Kleijne een farce. ‘Als ik de Theologische Universiteit Kampen onderzoek laat doen naar de positieve gevolgen van bidden voor studieresultaten, kan ik ook wel raden wat de uitkomst zal zijn.’ Volgens De Kleijne is het CvB elk gevoel van de werkelijkheid verloren. Hij verwacht dan ook dat hij veel studenten op de been kan krijgen voor een actie tegen dit ‘volslagen idiote voorstel’.

Paternalisme en betutteling Het is zeer onwaarschijnlijk te denken dat deze plannen effectief zullen zijn. Studenten zullen andere manieren vinden om hun alcoholbehoefte te vervullen. Dat het CvB hier blind voor is, zegt voldoende over zijn standvastigheid. Alhoewel elke nieuwe maatregel om sneller studeren te stimuleren op haar merites beoordeeld moet worden, lijkt hiermee de verschoolsing door te slaan. De student kan blijkbaar niet langer zelf bepalen wat goed voor hem of haar is. Het College van Bestuur kiest duidelijk voor paternalisme en betutteling en dat is een zeer kwalijke trend. Een trend die zo snel mogelijk een halt moet worden toegeroepen. Zo niet, dan zal de academische wereld al snel haar nog bestaande vrijheden verliezen en degraderen tot het niveau van een crèche voor jongvolwassenen. Dat moet ten koste van alles worden voorkomen.

Klik hier voor de pdf-versie van de ANS uit april 2011.

Add a comment
Martini

Vol is vol

De groei van de studentenaantallen op universiteiten begint het hoger onderwijs zichtbaar parten te spelen. Vanuit verschillende hoeken klinkt onvrede en ondertussen bezuinigt de regering gewoon door. Is de kwaliteit van het onderwijs in het geding? ‘De oplossingen die worden aandragen zijn eerder tijdelijk dan structureel.’

Tekst: Susanne Geuze en Jozien Wijkhuijs

De groei van de studentenaantallen op universiteiten begint het hoger onderwijs zichtbaar parten te spelen. Vanuit verschillende hoeken klinkt onvrede en ondertussen bezuinigt de regering gewoon door. Is de kwaliteit van het onderwijs in het geding? ‘De oplossingen die worden aandragen zijn eerder tijdelijk dan structureel.’ Het aantal studenten in Nederland neemt al jaren toe. Volgens de Vereniging van Universiteiten (VSNU) nam het aantal eerstejaars dit collegejaar met 12 procent toe ten opzichte van 2009. De jaarlijkse publicatie Kennis in Kaart van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap laat zien dat deze trend zich in de komende jaren voort zal zetten. Volgde in 1950 nog maar 5 procent van de 18- tot 25-jarigen hoger onderwijs, in 2008 is dit gestegen tot 38 procent. De overheid heeft zich ten doel gesteld dat het aantal studenten in het hoger onderwijs verder groeit in de richting van 50 procent. Ook volgens prognoses van de VSNU zal het aantal ingeschreven studenten nog verder toenemen. Ondertussen dalen de investeringen en wordt er volgend jaar 370 miljoen bezuinigd, de ene helft op studenten en de andere helft op universiteiten. Het lijkt er op dat de regering voor een dubbeltje op de eerste rang wil zitten, zonder de consequenties te overzien. Hoe groot is het probleem van ‘overbevolking’? En brengt de sterk groeiende studentenpopulatie de kwaliteit van het hoger onderwijs in gevaar?

Symptoombestrijding ‘Het probleem is groot en bestaat al jaren,’ zegt Sander Breur (26), voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb). Hij krijgt vanuit het hele land klachten over capaciteitsproblemen. ‘Aan de ene kant algemene klachten over te volle collegezalen, te weinig college-uren en te drukke studieruimtes. Daarnaast zijn er ook specifieke klachten, bijvoorbeeld over ongewone roostering. We hebben wel eens gehoord dat studenten werden ingeroosterd in een liftkoker.’ Dat zijn duidelijke symptomen van overbevolking. Volgens Breur verschillen de problemen niet per universiteit, maar per opleiding. Massale studies als Rechten en Psychologie hebben meer moeilijkheden dan andere. Over de maatregelen die worden genomen om de drukte te beperken is hij niet te spreken. ‘De oplossingen die universiteiten aandragen zijn meer tijdelijk dan structureel. Veel faculteiten geven videocolleges of roosteren minder college-uren in om capaciteitsproblemen op te lossen.’ De LSVb kijkt met argusogen naar het gebruik van videocolleges, die op universiteiten steeds normaler worden. Contact met de docent is volgens de vakbond essentieel voor kwalitatief hoogstaand onderwijs.

Taskforce Ook de RU gaat gebukt onder het juk van toenemende studentenaantallen. De Refter barst zodanig uit haar voegen dat er in de pauzes niet meer gestudeerd mag worden. Tijdens tentamenweken is het in de computerruimtes en in de bibliotheek vechten om een plekje. Aan het begin van het jaar puilen bij veel studies de collegezalen uit. Tamara van Lith (23), lid van de AKKUraatd-fractie in de Universitaire Studentenraad (USR), herkent het probleem van overbevolking. ‘Vooral groepswerkplekken zijn schaars. De Learning Zone, de nieuwe studieruimte in de UB, wordt gebruikt als stiltewerkplek, terwijl dat eigenlijk als groepsruimte was bedoeld.’ De USR probeert met alternatieven te komen om deze problemen op te lossen. Zo is er dit jaar voor het eerst een Taskforce Videocolleges actief. Die heeft twee doelstellingen: enerzijds voorkomen dat deze vorm van onderwijs gemeengoed wordt, anderzijds de toegevoegde waarde van videocolleges benutten door deze online te zetten. Van Lith: ‘We vinden het belangrijk dat studenten college krijgen van een docent, en niet van een videoscherm.’

Stabiele zeven Sinds het collegejaar 2005-2006 is het aantal studenten aan de Radboud Universiteit met ruim 5 procent gestegen; dat zijn ongeveer duizend extra studenten. Dit heeft invloed op de bevolkingsdichtheid van de universiteit. De meest explosieve toename maakte de RU mee in de periode 2002-2004. Toen groeiden de studentenaantallen van 14.000 naar 17.000 en kelderde de tevredenheid van studenten, zo bleek uit enquêtes van het IOWO, adviesbureau voor hoger onderwijs en verbonden aan de RU. Volgens Willem Hooglugt, voorlichter van het College van Bestuur (CvB), is op het gebied van tevredenheid veel verbeterd: ‘Je kunt constateren dat de universiteit moeite had met het aanpassen aan de groei en de eisen van studenten. In 2004 is veel geïnvesteerd in studielandschappen en collegezalen. Sinds 2005 ligt het oordeel van studenten over de RU op een stabiele zeven.’ Hooglugt stelt dat het IOWO heeft vastgesteld dat onze universiteit nu volledig beantwoordt aan de verzoeken van studenten. ‘Er zijn studiewerkplekken bijgekomen en we bouwen een nieuwe Rechtenfaculteit.’ Rechten is één van de grotere faculteiten en is dus genoodzaakt tot massaler onderwijs. Volgens professor Paul Bovend’Eert, decaan van de Rechtenfaculteit, is het nieuwe gebouw dan ook hard nodig om problemen te ondervangen. ‘Vanaf 2001 was er een zeer sterke groei en daarom is het personeelsbestand uitgebreid. Onze huidige voorzieningen schieten daardoor tekort. Inmiddels is de groei van onze faculteit stabiel met een aantal van vijfhonderd nieuwe studenten per jaar.’ Het nieuwe gebouw zal tegemoet komen aan de wensen van medewerkers en studenten van de faculteit, die door gebrek aan een eigen ruimte vaak van hot naar her over de campus moeten rennen.

Het probleem van overbevolking is in Nijmegen nog relatief beperkt vergeleken met andere universiteiten. Toch merken studenten ook hier de gevolgen van de drukte. De op handen zijnde bezuinigingen van dit kabinet zullen de moeilijkheden verder vergroten. Ondanks de positieve geluiden vanuit het CvB is het probleem van ‘overbevolking’ verre van opgelost. De RU kan meer doen om de studentencapaciteit te vergroten. De kwaliteit van het onderwijs lijdt nu onder de volle collegezalen en de beperkte ruimte voor zelfstudie. Er is weinig ruimte voor interactie met docenten en persoonlijke begeleiding. Investeringen in de onderwijskwaliteit zijn cruciaal als het CvB wil blijven pronken met zijn ‘stabiele zeven’.

Klik hier voor alle artikelen van de ANS van februari 2011.

Add a comment
Martini

Nijmeegse braindrain

De ambitie van de Nijmeegse student reikt voorbij de grenzen van de provincie Gelderland. De Randstad vormt voor velen een intellectueel toevluchtsoord wanneer de eigen stad tekort schiet. ‘Nijmegen is niet sexy.’

Na een studententijd in Groningen, Enschede of Nijmegen gaan veel afgestudeerden op zoek naar een baan in het Westen des lands. Als gevolg hiervan ondervinden verschillende studentensteden in randgebieden een zogenaamde braindrain. Geografisch gezien valt Nijmegen in de perifere zone. Cijfers van de eenheid Marktverkenning, Strategie en Ontwikkeling (MSO) van de Radboud Universiteit laten zien dat ook de Waalstad lijdt onder een kennisvlucht. Van de Nijmeegse alumni zoekt 59 procent zijn heil elders. Dit is een groter aandeel dan in andere provincies. In Groningen, het ultieme voorbeeld van een leeglopende stad, verlaat de helft van de afgestudeerden de stad. Hoogopgeleiden zijn van grote waarde voor een stad en een stimulans op wetenschappelijk, economisch en cultureel gebied. Groningen en ook Nijmegen zijn ‘roltrapsteden’. Studenten gebruiken de stad om een betere maatschappelijke positie te verkrijgen en maken hun opgedane kennis elders te gelde. Een stad investeert jarenlang in deze studenten en vervolgens leidt deze investering tot niets. Met name de Randstad heeft een grote toestroom vanuit andere steden. Een op de zes Nijmeegse alumni woont en werkt in de provincies Noord- of Zuid-Holland. Hoe kan het dat zoveel studenten na hun afstuderen besluiten Nijmegen te verlaten? En belangrijker, hoe kan deze braindrain voorkomen worden?

Stadsreclame Citymarketeers proberen inwoners aan de stad te binden. Hierbij onderscheiden zij drie factoren: werk, huisvesting en beeldvorming van de stad. Dit zijn ook de drijfveren voor afgestudeerden om ervoor te kiezen hun studentenstad te verlaten. Gert-Jan Hospers is bijzonder hoogleraar City- en Regiomarketing aan de Radboud Universiteit. Hij onderzoekt de gevolgen van een braindrain voor steden en remedies daarvoor. Hospers constateert dat in Nijmegen verschillende push- en pullfactoren een rol spelen. ‘Met name beeldvorming heeft grote invloed op studenten. Het klinkt goed om te zeggen dat je naar de Randstad gaat. Daar zitten de grote namen. Werken voor een minder bekend provinciaal bedrijf is niet sexy.’ Volgens Hospers moet Nijmegen proberen inwoners te behouden en niet aan te trekken. ‘Het culturele klimaat is een groot pluspunt voor Nijmegen. Praktische zaken als huisvesting en werkgelegenheid vragen echter nog om verbetering.’ De gemeente Nijmegen houdt zich hier naar eigen zeggen voldoende mee bezig. ‘We willen afgestudeerden graag aan de stad binden door beginnende ondernemers te steunen en meer starterswoningen te bouwen.’ Zij ontkent dat er sprake is van een probleem. ‘Onze afdeling Citymarketing houdt zich niet specifiek bezig met deze doelgroep. Het wegtrekken van alumni heeft altijd al plaatsgevonden en heeft daarom geen prioriteit’, aldus de persvoorlichter.

Van eerstejaars tot starter Huisvesting vormt een groot probleem en kan reden zijn voor vertrek. Studentenvakbond AKKU zet zich in voor studenten en afgestudeerden op de woningmarkt. ‘Het probleem is breder dan alleen het kamertekort voor studenten. Het gaat om het gehele traject van eerstejaars tot starter. De doorstroom wordt geblokkeerd door lange wachttijden’, aldus voorzitter Willem de Kleijne. ‘Voor sommige studentenwoningen sta je vijf jaar op een wachtlijst. Deze wachttijden ontstaan onder andere doordat veel afgestudeerden in hun studentenkamer blijven wonen in plaats van door te schuiven naar starterswoningen.’ Niet alleen AKKU zet zich in voor dakloze studenten en afgestudeerden. Ook de gemeente, Stichting Studentenhuisvesting Nijmegen (SSHN) en woningcorporatie Standvast werken aan verbetering van de situatie. De gemeente is van plan tweeduizend studentenwoningen bij te bouwen en Standvast gaat onder andere onderzoek doen naar de woonwensen van starters. Er liggen mooie plannen op tafel, maar de vraag zal het aanbod blijven overstijgen. Het inwonersaantal in Nijmegen blijft groeien en op de lange termijn zijn tweeduizend extra woningen bij lange na niet genoeg.

Arbeidsmarkt Uiteindelijk is het vinden van een baan de doorslaggevende reden voor afgestudeerden om hun studentenstad te verlaten. Detacheringsbureau Randstad ziet bij bemiddeling voor starters dat de grote steden met name meer in trek zijn voor studenten Bedrijfs- en Bestuurskunde. ‘Denk aan de politiek in Den Haag voor bestuurskundigen. Amsterdam, Rotterdam en Utrecht hebben voor bedrijfskundigen en bestuurskundigen een aantrekkingskracht door de aanwezigheid van grote bedrijven, adviesbureaus, banken en verzekeraars,’ aldus consultant Alexander van der Graaff van Randstad. Hospers geeft aan dat 40 procent van de studenten bij de organisatie waar hij stage loopt blijft plakken. ‘Lokale overheden en bedrijven moeten investeren in stageplekken, aangezien die een brug kunnen slaan tussen studententijd en carrière.’

Het is moeilijk het imago van een stad te veranderen, hoe hard citymarketeers dit ook proberen. Beeldvorming lijkt een hardnekkig probleem. Nijmegen staat bekend als een gezellige, culturele en linkse studentenstad. De associatie met de zakenwereld en carrièretijgers ligt dan ook niet direct voor de hand. Daartegenover staat de Randstad, waar het grootste deel van het Nederlandse bedrijfsleven geconcentreerd is, een oase voor nieuwelingen op de arbeidsmarkt met een dorst naar het grote geld. Nijmegen kan met name wat betreft de woning- en arbeidsmarkt nog veel doen om de stad aantrekkelijker te maken voor starters. Tweeduizend nieuwe studentenwoningen zijn niet voldoende en plannen voor starterswoningen moeten omgezet worden in daden. Daarnaast zou het voor afgestudeerden niet nodig moeten zijn naar de Randstad te gaan om een baan te vinden. Carrièrekansen moeten ook in Nijmegen te vinden zijn.

Tekst: Dorien Pool en Valerie Rutjes

Klik hier voor alle artikelen van de ANS van januari 2011.

Add a comment
Martini

Slome student bestraft

Langstudeerders vallen ten prooi aan kwaliteitsinvesteringen van het kabinet Rutte. Universiteiten die studenten niet binnen vijf jaar laten afstuderen, krijgen een boete die ze mogen doorberekenen aan de student. ‘Er zullen genadezesjes uitgedeeld worden.’

Het regeerakkoord van het kabinet Rutte belooft harde ingrepen. Velen moeten inleveren, maar studenten lijken helemaal kind van de rekening te worden. Zo werd in de media breed uitgemeten dat de studiefinanciering tijdens de masterfase een stuk kariger wordt, nu een sociaal leenstelsel de basisbeurs vervangt. Ook de gratis ov-chipkaart verdwijnt voor ouderejaars. Onbekender, maar niet minder belangrijk, is het kabinetsvoornemen om zogenaamde langstudeerders een hoger collegegeld op te leggen. Is het uitsterven van de campusdino nabij en vormt dit de doodsteek voor ontwikkeling buiten de studie?

Kwaliteit voorop Onder het kopje ‘Onderwijs’ worden in het regeerakkoord de plannen samengevat. ‘Om het studierendement te verhogen zal van langstudeerders een hoger collegegeld worden gevraagd.’ Dit betekent niet dat ieder gemist studiepuntje een vermogen kost. Pas wanneer de vertraging meer dan een jaar gaat bedragen, komt de student in de problemen. De onderwijsinstelling krijgt in dat geval een boete van zesduizend euro, waarvan zij maximaal de helft mag doorberekenen aan de student. Volgens Anne-Wil Lucas - Smeerdijk, VVD-woordvoerder Onderwijs in de Tweede Kamer, is deze maatregel meer dan een simpele bezuiniging: ‘Door van langstudeerders meer collegegeld te vragen en ook onderwijsinstellingen te laten bijdragen, worden studenten en instellingen uitgedaagd binnen een redelijke termijn hun studie af te ronden.’ Het Kamerlid stelt bovendien dat uitval hierdoor wordt teruggedrongen, omdat studieuitstel vaak leidt tot afstel. ‘En dat is hard nodig, want uitvallers kosten de Nederlandse staat jaarlijks zeven miljard euro’, aldus Lucas - Smeerdijk. GroenLinks-collega Jesse Klaver vreest dat de financiële prikkel een averechts effect zal hebben. ‘Het zorgt er slechts voor dat studenten die zijn begonnen aan hun studie gedemotiveerd blijven aanmodderen, terwijl hun hart bij een ander vak ligt.’ Het rendementsdenken van het nieuwe kabinet is Klaver tegen het zere been. ‘Rendement is niet af te meten aan hoe snel studenten afgestudeerd zijn, maar aan hoe goed de studenten zijn die afstuderen.’ Volgens de VVD moet het bespaarde geld worden geïnvesteerd in de kwaliteit van hoger onderwijs, maar Klaver weet niet of het onderwijs daar bij gebaat is. ‘De bezuinigingen zijn weinig doordacht. Aan de ene kant bezuinigt men, om aan de andere kant te investeren. Dat is visieloos.’

Ontplooiing aan banden Weinigen zullen negatief staan tegenover ombuigingen voor beter onderwijs. Dat studenten die meer dan een jaar studievertraging hebben daar het slachtoffer van worden, is meer omstreden. De Landelijke Kamer van Verenigingen (LKvV), de koepel van gezelligheidsverenigingen, is bezorgd om de plannen van het nieuwe kabinet. ‘Het verenigingsleven zal hierdoor zeer hard getroffen worden’, aldus LKvV-preses Jeroen Thys. ‘Zowel onderwijsinstellingen als bedrijven hebben er belang bij dat studenten zich tijdens hun studie niet alleen binnen de universiteitsmuren maar ook daarbuiten ontplooien.’ Volgens Thys brengen actieve studenten nieuwe inzichten mee naar hun studie en hebben zij later meer kans op de arbeidsmarkt. Ook stelt hij dat steden baat hebben bij een actief studentenleven. ‘Het vergroot de binding van studenten aan de onderwijsinstelling en aan de stad. Daardoor ontstaat een studievriendelijk klimaat dat aantrekkelijker is voor nieuwe studenten. Het liefst zien wij een vrijstelling voor bestuurlijk actieve studenten.’ VVD-Kamerlid Lucas - Smeerdijk denkt dat het actieve studentenleven niet veel te vrezen heeft. ‘Veel universiteiten en hogescholen hebben al een potje voor actieve studenten. Verenigingen mogen hun bestuursfuncties best op een andere manier invullen. Het is de vraag of de overheid moet betalen voor persoonlijke ontwikkeling in de vorm van een bestuursjaar.’

Uitlokking De Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) neemt een radicaler standpunt in dan haar collega’s van de LKvV. Zij vindt dat dit plan diplomafraude in de hand werkt en innovatie tegen gaat. LSVb-voorzitter Sander Breur: ‘Dit is een negatieve prikkel, omdat het voor veel studenten een financiële en geen inhoudelijke afweging wordt om een master te volgen.’ Breur zet bovendien vraagtekens bij het argument van de VVD dat deze maatregel effectief studeren aanmoedigt. ‘Ik heb nog nooit een onderzoek gezien dat dit bewijst.’ Aangezien ook instellingen met een boete geconfronteerd zullen worden, durft de LSVb-voorzitter zelfs te zeggen dat universiteiten genadezesjes gaan geven om deze te ontlopen. ‘Dat heet in goed Nederlands diplomafraude. Bovendien staat het bedrijfsleven te springen om alumni met bestuurservaring, maar dat zullen er door deze maatregel veel minder worden’, aldus Breur. De doelstelling die deze maatregel beoogt is lovenswaardig. Investeringen in het hoger onderwijs zijn door de verhoogde instroom noodzakelijk geworden, omdat de kwaliteit achteruitholt. De zo vurig gewenste plaats in de wereldwijde top vijf van kenniseconomieën lijkt anders definitief uit het zicht te verdwijnen. Dit middel brengt het doel echter niet dichterbij. De druk die ontstaat op scholieren om in één keer de goede studiekeuze te maken is onredelijk, wanneer niet tevens de voorlichting wordt verbeterd. Ook zal de actieve student twee keer nadenken voordat hij zich voor een fulltime bestuursfunctie kandideert. Voor universiteiten vormt het plan wederom een aanmoediging om studenten sneller door hun studie te jagen. Uit het verleden is gebleken dat de verleiding om diploma’s cadeau te doen dan al gauw op de loer ligt. Daarom lijkt juist nu voor studenten en universiteiten het moment aangebroken om gezamenlijk op te treden.

Tekst: Henk Strikkers en Lucy Vleeshouwers Illustratie: Madelon van der Avoort

Klik hier voor alle artikelen van de ANS van december 2010.

Add a comment
Henk Strikkers

Sesam, open u!

De hoge uitval onder studenten vormt een groot probleem. De commissie-Veerman ziet selectie aan de poort als ideale manier om studenten bij de juiste studie te krijgen. ‘Motivatie moet een soort universeel toelatingsrecht geven.’

Het rapport van de commissie-Veerman adviseerde in april dit jaar over de toekomst van het hoger onderwijs. Investeren is noodzakelijk, maar er is meer nodig dan alleen een smak geld, aldus Veerman. Simpele hervormingen kunnen in een enkel geval namelijk grote winst boeken, zoals bij het grote aantal studenten dat stopt met hun opleiding. Selecteren aan de poort is een voorbeeld van zo’n hervorming. Dit kan worden onderverdeeld in centrale selectie (loting) en decentrale selectie. Bij deze laatste vorm bepalen opleidingen zelf de criteria waarop ze studenten selecteren. Omdat motivatie dan ook een factor wordt, beschouwt de commissie deze toelatingsvorm als ideaal middel om de 'juiste student bij de juiste opleiding te krijgen’. Bij studies als Geneeskunde is decentrale selectie reeds gebruikelijk, maar wordt selecteren in de toekomst voor alle studies de norm?

Universeel toelatingsrecht ‘Van mij mag het allemaal wel wat strenger’, aldus Ron Bormans, voorzitter van het College van Bestuur (CvB) van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen en voorheen lid van de commissie-Veerman. ‘Instellingen in het hoger onderwijs moeten in staat worden gesteld te selecteren wanneer het profiel van de opleiding dat wenselijk maakt. Economie zou bijvoorbeeld kunnen selecteren op wiskundige kwaliteiten. Als studenten niet voldoen aan de criteria moet je een duidelijke lijn trekken en hen niet toelaten.’ Uiteindelijk moet motivatie echter bij alle opleidingen het belangrijkste selectiecriterium worden. ‘Wanneer iemand nog niet over specifieke kwaliteiten voor de betreffende opleiding beschikt, maar wel een enorme motivatie toont om deze te doorlopen, dient hij te worden toegelaten. Motivatie moet jonge mensen een soort universeel toelatingsrecht geven.’ Bormans benadrukt dat de selectiecriteria niet van bovenaf moeten worden opgelegd, maar dat opleidingen deze zelf moeten bepalen. Universiteiten klagen over overvolle opleidingen en zien selectie als oplossing. De commissie-Veerman onderkent de noodzaak voor capaciteitsbeperking, maar decentrale selectie zou hiervoor in beginsel geen middel moeten zijn. Het is slechts bedoeld om studenten op de juiste opleidingen te krijgen en daardoor de uitval te beperken. Bormans: ‘Er moeten betere alternatieven komen voor vwo’ers, bijvoorbeeld door hbo-opleidingen te verbeteren en aantrekkelijker te maken. Het is lange tijd heel normaal geweest dat je als vwo’er naar het hbo ging. Bij sommige opleidingen was bijna een derde van de scholieren afkomstig van het vwo.’

Een perfecte match? De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) beaamt dat er iets moet gebeuren aan de hoge studieuitval, maar voorzitter Sander Breur vindt dat de verantwoordelijkheid van een studiekeuze uiteindelijk bij de student moet blijven liggen. ‘Zelfreflectie en -selectie zijn belangrijke eigenschappen van een toekomstig academicus, dus een verantwoorde studiekeuze moet hij zelf kunnen maken. De universiteiten houden zich slechts bezig met instroombeperking en niet met de hoge studieuitval. De echte problemen worden dus niet opgelost, daarom is het huidige voorstel van decentrale selectie een zwaktebod. Het is zelfoverschatting van de onderwijsinstellingen, die onterecht beweren hun ideale student te kunnen selecteren.’ Breur heeft een ander idee om de hoge studieuitval te beperken. Hij vindt motivatie belangrijker dan een goede cijferlijst en is daarom voorstander van zogenaamde ‘matchinggesprekken’. Hierin wordt de scholier duidelijk gemaakt wat de opleiding precies inhoudt. Daarnaast moet in zulke gesprekken moeten gevraagd wat de potentiële student verwacht van de studie en waarom hij deze heeft gekozen. Indien er problemen met bijvoorbeeld motivatie aan het licht komen, mag slechts geadviseerd worden en niet geselecteerd. De opleiding moet niemand kunnen weigeren. Breur: ‘In de praktijk blijkt dat opleidingen puur op eindexamencijfers selecteren en niet op motivatie. Onderzoek heeft uitgewezen dat mensen na selectie helemaal niet vaker op de juiste opleiding terechtkomen. Studenten moeten simpelweg beter worden voorgelicht.’

Met je zwarte band naar de uni Natuurlijk is er na de presentatie van het rapport-Veerman ook aan de RU nagedacht over selectie aan de poort. Willem Hooglugt, woordvoerder van het CvB, vertelt dat de universiteit niet zonder meer voorstander is van een harde selectie. ‘Slechts een zorgvuldige invoer van decentrale selectie behoort tot de mogelijkheden, omdat de loting van centrale selectie te weinig zegt over succesvolle afronding van de studie. Motivatie moet zwaarder gaan meetellen dan op de middelbare school behaalde cijfers.’ Hooglugt denkt dat motivatie prima herkend kan worden in een intakegesprek, mits er door deskundigen een oordeel wordt geveld. Nevenactiviteiten kunnen bovendien een pre zijn. ‘Als iemand een zwarte band in karate heeft, zegt dat iets over zijn focus.’ Op de RU staat ondanks de mooie woorden echter beperking van instroom centraal in de overweging decentraal te selecteren. ‘De universiteit wil minder instroom, maar wel evenveel uitstroom. Zij wil simpelweg mensen die hun studie afmaken.’

Al met al bestaan er dus te veel onzekerheden over decentrale selectie om te kunnen stellen dat het een effectief middel is tegen hoge studieuitval. Het is te vroeg om deze selectievorm, met motivatie als maatgevend criterium, op een groot aantal studies in te voeren. Dit kan ten koste gaan van gemotiveerde studenten. Zij lopen de kans onterecht niet te worden toegelaten voor de opleiding van hun keuze door een falend toelatingsbeleid. Het voorstel van de LSVb is de aanstaande student het meeste van dienst, omdat universiteiten hierin geen bindend advies kunnen geven. De decentrale selectie zoals die nu wordt voorgesteld, wordt door Breur dus terecht resoluut afgewezen. ‘Selectie door universiteiten heeft met motivatie tijdens de studie uiteindelijk weinig te maken.’

Tekst: Mart Waterval en Mitchel Wijnen Illustratie: Marieke Meijer

Klik hier voor alle artikelen van de ANS van november 2010.

Add a comment
Martini