Grensgevallen

Hoewel de RU internationalisering aan alle kanten aanprijst, verloopt studeren in het buitenland niet altijd even vlekkeloos. Ondanks een Europees vastgesteld studiepuntensysteem zijn er regelmatig problemen met het omrekenen van cijfers en omzetten van diploma’s. ‘Er was een rechtszaak voor nodig om mijn diploma erkend te krijgen.’

Met mooie woorden moedigt rector magnificus Bas Kortmann systematisch studenten aan studiepunten buiten de deur te behalen. Sinds de invoering van het bachelor-mastersysteem in 1999 is een studieverblijf in het buitenland een stuk gemakkelijker geworden. Die nieuwe structuur werd vastgelegd in de Bologna-verklaring, die 29 ministers van Onderwijs ondertekenden. Vanaf 2002 stapten de universiteiten en hogescholen in Nederland vervolgens over op een universeel studiepuntensysteem, het European Credit Transfer System (ects). De verdragsluitende partijen streven naar gelijkwaardig hoger onderwijs. Dat houdt in dat elk studiejaar uit 60 European credits (ec’s) dient te bestaan, wat gelijk staat aan 1680 studie-uren. In ieder land moet dus 28 uur worden gestudeerd voor één studiepunt. In de praktijk blijkt dat deze urennorm lang niet altijd wordt gehaald. Onderzoek van de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) wijst uit dat in Nederland slechts 20 uur wordt gestudeerd voor een studiepunt. De studielast kan per land dus aanzienlijk verschillen. Alleen navraag binnen de redactieleden levert al verhalen op over ervaringen hiermee. ‘Voor alleen aanwezigheid krijg ik vier studiepunten’, aldus redacteur Mart Waterval vanuit Duitsland.

Onvoldoendes en onrecht Hoewel het Europese onderwijssysteem op papier gestandaardiseerd is, houdt ieder land nog steeds hardnekkig vast aan haar eigen systeem. Redacteur Joost Nellen, student Politicologie, vertelt over zijn periode aan een universiteit in Spanje: ‘Ik had één vak dat erg moeilijk was, de rest was eigenlijk vrij gemakkelijk. Een week nadat ik het tentamen voor dat moeilijke vak had gemaakt, werd ik door de professor gemaild of ik even langs wilde komen. Hij vroeg bij welk punt je in Nederland een voldoende haalt en gaf me vervolgens een 6,5. Ik kan me niet voorstellen dat ik het werkelijk heb gehaald.’ Anouk Broersma, student Bedrijfscommunicatie, ervoer ook verschillen: ‘In Ierland was het onderwijsniveau beduidend lager en werden cijfers anders berekend. Ik kreeg percentages in plaats van cijfers en er gold een lagere onvoldoendegrens. Toch werden mijn behaalde resultaten zonder problemen omgerekend en geaccepteerd bij terugkomst in Nederland.’ Studenten die met weinig moeite een vak halen in het buitenland zul je niet snel horen klagen. Sommige studenten hebben echter structurelere problemen. De Master of Management die Jaap Baarends in België had voltooid, werd vanwege enkele praktijkvakken plotseling als een hbo-studie gezien. Omdat Jaap het niet eens was met de beslissing, ging hij gesprekken aan met een kwaliteitsexpert van de Vrije Universiteit Brussel en de Belgische organisatie die verantwoordelijk is voor de erkenning van diploma’s. Zij verzekerden hem dat het een wo-master betrof en beweerden zelfs dat er absoluut geen hbo-master van de opleiding bestond in België. Na het afronden van zijn studie, bleek de master in Nederland toch niet als wo-opleiding te worden erkend. ‘Ik belandde een jaar lang in de bureaucratische mallemolen van de IB-groep, tegenwoordig DUO.’ Met hulp van de LSVb stapte hij naar de rechter en kreeg uiteindelijk gelijk. Baarends: ‘Na lang zwoegen is de master geaccrediteerd als post-initiële master. Een vage restcategorie die zich ergens ophoudt tussen hbo-masters en wo-masters.’

Ontkenningsfase De RU beweert dat de correspondentie tussen Europese universiteiten juist van een leien dakje gaat. Internationaliseringscoördinator van de Letterenfaculteit Elly van der Borgh: ‘Omdat wij al geruime tijd contact hebben met buitenlandse universiteiten weten we precies welke eventuele verschillen er bestaan. Wij lichten de studenten van tevoren goed in, zodat alles prima verloopt.’ Die waarschuwing had voor rechtenstudent Jeroen Klein Egelink weinig zin. De cijfers die hij haalde in Italië werden niet ingevoerd. ‘Na bijna anderhalf jaar heb ik nog steeds mijn definitieve cijfers niet in KISS, op mijn lijst staan alleen maar V’s. Hoewel ze uiteindelijk vast wel worden ingevoerd en ik verder niet heel veel problemen ervaar, moet ik me nu continu verantwoorden tijdens sollicitaties.’ Van der Borgh: ‘Het komt inderdaad wel eens voor dat studenten op hun cijfers moeten wachten, maar dat gebeurt op elke universiteit. Doemscenario’s over 12 Spaanse ec’s die in Nederland maar 10 ec’s waard zijn, komen echter niet voor vanwege de gelijke norm in Europa.’ Ook secretaris Examencommissie Romaanse Talen en Culturen Marly Nas beweert dat er geen conversieproblemen zijn met ec’s die behaald zijn door Erasmusstudenten. ‘Sinds de Bologna-verklaring zijn de Europese studiepuntensystemen gelijk, waardoor problemen door verschillen uitblijven.’ Nu het onderwijssysteem in bijna alle landen van Europa gestandaardiseerd is, lijken de mogelijkheden tot een studie in het buitenland oneindig. Toch kunnen er wat haken en ogen zitten aan zo’n zorgeloze periode buiten de deur. De urennorm voor een studiepunt blijkt in ieder land weer anders, cijfers worden soms anders omgerekend of een diploma niet erkend. Misschien kan Kortman in zijn stimulerende redevoeringen voortaan ook de keerzijde van een buitenlandverblijf noemen?

Tekst: Pieter Hengst en Eva-Marijn de Vries

Klik hier voor alle artikelen van de ANS juni 2010.

Add a comment
Henk Strikkers

Ongefundeerd afgestraft

Verplichte zelftoetsen, voorwaardelijke hertentamens en een bindend studieadvies: met weinig wetenschappelijke maatregelen wil de RU haar studenten sneller door de studie heen loodsen. ‘Zolang de universiteit onduidelijk is, schiet zij haar doel voorbij.’

Scoor je bij de eerste poging lager dan een 4? Dan verlies je het recht op een hertentamen. Geen zelftoetsen gemaakt ter voorbereiding? Vergeet het maar, dan mag je überhaupt geen tentamen maken. Dergelijke drastische regelingen moeten een einde maken aan het lage studierendement in het universitaire landschap. Oud-minister Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de Vereniging van Universiteiten spraken in 2007 af dat in 2014 minstens 70 procent van de bachelorstudenten moet binnen vier jaar haar bachelorpapiertje hebben behaald. Met een eenmalige kapitaalinjectie van 1,3 miljoen euro - die de faculteiten naar eigen inzicht mogen besteden aan rendementsmaatregelen - doet ook de RU een duit in het zakje. Op de investering wordt lyrisch gereageerd, de concrete plannen oogsten echter minder lof.

Ridicule rendementen ‘De universiteit zet zich al jaren in om het onderwijs te intensiveren’, meent woordvoerder van het college van bestuur (CvB) Willem Hooglugt. Door het aantal contacturen te verhogen hoopte het bestuur studenten sneller door hun studie te loodsen. Dit bleek echter onvoldoende: slechts 59 procent van de Nijmeegse bachelorstudenten die zich een tweede jaar bij dezelfde opleiding inschrijft, heeft na vier jaar de bachelor behaald. Om de rendementen op peil te krijgen vroeg het CvB in november vorig jaar de Nijmeegse faculteiten afzonderlijk een plan in te dienen. Er werd beloofd dat daarvoor grof geld zou worden neergelegd. Inmiddels is de meerderheid van de voorstellen ingediend. De focus ligt duidelijk op eerstejaars. Zo stelt de Faculteit der Sociale Wetenschappen (FSW) tweewekelijkse verplichte zelftoetsen voor deze groep in en wil zij vanaf volgend jaar de eerste hertentamens ‘voorwaardelijk’ maken: scoor je bij de eerste tentamenmogelijkheid lager dan een 4, dan heb je geen recht op een tweede poging. Aan de bètafaculteit moet aan ‘extra eisen’ zoals aanvullende opdrachten worden voldaan, voordat een derde tentamenpoging mag worden gedaan. Bij de Faculteit der Managementwetenschappen kunnen docenten vanaf komend collegejaar sancties opleggen wanneer een student zich niet goed genoeg heeft voorbereid voor werkgroepen. Zo kan er een punt worden afgetrokken van het tentamencijfer. Als het aan het CvB ligt, wordt in 2011 bovendien een universiteitsbreed bindend studieadvies ingevoerd: studenten die in hun eerste jaar minder dan 40 studiepunten halen, worden gedwongen hun opleiding te staken. ‘Het belangrijkste doel is om snel te bepalen of eerstejaarsstudenten geschikt zijn om de bachelorstudie succesvol af te ronden’, legt Hooglugt uit. ‘Ten eerste is het in het belang van iedere student om zeker te zijn dat de juiste keuze is gemaakt en dat de studie past bij verwachtingen en capaciteiten. Zo niet, dan moet deze worden herzien. Ten tweede moeten studenten onmiddellijk leren dat studeren hard werken is. De jaren daarna moet hen vooral een spiegel worden voorgehouden om de voortgang te reflecteren. Dat kan met actieve student- en studiebegeleiding.’ Ook Hans Beentjes, vicedecaan Onderwijs aan de FSW, focust op eerstejaars. ‘Zij krijgen pas eind oktober de eerste feedback op hun resultaten, dat is veel te laat. Zo blijven ze al gauw een heel jaar aanmodderen. Onderzoek toont aan dat jonge mensen vaak beloven hun best te doen, maar moeite hebben die beloftes na te komen. Deze maatregelen helpen hen daarbij.’

Verregaande verschoolsing De verschillende studentenraden erkennen dat het hoog tijd is om besluiten te nemen voor een hoger studierendement. Er worden echter kanttekeningen geplaatst bij de huidige plannen. Zo vragen Erik Bouwman, lid van de Universitaire Studentenraad (USR), en Miriam Thye, lid van de Facultaire Studentenraad van FSW, zich ernstig af of het zelftoetssysteem zoden aan de dijk zet. ‘Je wordt verplicht de toetsen te maken, maar het resultaat is volstrekt onbelangrijk’, zegt Bouwman. Studenten die zomaar wat invullen, mogen dus gewoon deelnemen aan het tentamen. ‘Naar de meeste maatregelen is geen gedegen onderzoek gedaan’, verzucht Thye. ‘Het is volstrekt onduidelijk of ze inderdaad het beoogde effect hebben.’ Decaan Beentjes onderkent dat: ‘Het is nu eenmaal heel lastig de uitwerking van dergelijke maatregelen te meten, omdat er ontiegelijk veel variabelen meespelen.’ Guan Schellekens, lid van de USR en voorzitter van de commissie Onderwijs, Onderzoek en Maatschappelijke Dienstverlening, spreekt van ‘strafmaatregelen’. De meeste maatregelen zijn een stok achter de deur: je wordt gedwongen vakken sneller te halen. ‘Een van de problemen met dergelijke regelingen is dat studenten vaak amper op de hoogte zijn van de regels. Zolang de universiteit hierin niet duidelijk is, zal zij haar doel voorbij schieten.’ Bovendien zou de focus volgens Schellekens ergens anders moeten liggen. ‘Er zou meer moeten worden gekeken naar studie- en studentbegeleiding’, vindt hij. ‘Het CvB wijst op visitatierapporten die zouden aantonen dat de begeleiding in orde is. Die rapporten constateren bijvoorbeeld dat studieadviseurs een groot aantal uren krijgen, er wordt echter niet gekeken naar de praktijk. Sommige adviseurs functioneren ver onder de maat.’ De USR vindt dan ook dat de rendementsmaatregelen pas mogen worden ingevoerd wanneer het onderwijs voldoende op niveau is, anders verliest de universiteit onnodig studenten. Ook Thye denkt dat het accent anders zou moeten liggen. ‘In plaats van allerlei nieuwe maatregelen in te voeren, zou de universiteit er goed aan doen te kijken of colleges, werkgroepen en tentamens wel op niveau zijn. Vaak zijn werkgroepen verplicht, maar volstrekt nutteloos. Wanneer de kwaliteit wordt opgeschroefd, zal het rendement ongetwijfeld ook stijgen.’

De alma mater heeft echter haast. Woordvoerder Willem Hooglugt vreest de financiële gevolgen voor universiteit én student indien de rendementen niet stijgen. ‘Hoewel we niet weten wat de plannen van de nieuwe regering worden, kan ik met zekerheid zeggen: er is een maatschappelijke trend waarin van de student wordt verwacht dat deze harder gaat werken en binnen een afzienbare periode afstudeert.’ Het CvB valt niets te verwijten. Academici in spe moeten altijd nagaan of ze de juiste keuze hebben gemaakt, de universiteit heeft de rol hen hierin te stimuleren en te inspireren. Dat betekent echter niet dat aankomende eerstejaars mogen veranderen in proefkonijnen van ongefundeerde strafmaatregelen. Laat de faculteitsbesturen bij zichzelf te rade gaan: van een wetenschappelijke instelling kan immers op zijn minst worden verwacht dat zij slechts wetenschappelijk onderbouwde besluiten neemt.

Tekst: Timo Pisart

Klik hier voor de andere artikelen van de ANS mei 2010.

Add a comment
Henk Strikkers

Trammelant

Nooit meer als sardientjes in blik in de Heyendaalshuttle. Nijmegen wil een trambaan aanleggen tussen Heyendaal en Lent. Aan enthousiasme geen gebrek, maar zijn de plannen reëel?

In de lokale politiek is vrijwel iedereen het er over eens: er moet een tram in Nijmegen komen. Met name GroenLinks hamerde in de verkiezingsstrijd voortdurend op het belang van duurzaam openbaar vervoer in de stadsregio. Na de gemeenteraadsverkiezingen is er nog één schamele tegenstander in de gemeenteraad te vinden. De eensgezindheid verbloemt echter de vele hindernissen die nog moeten worden genomen voordat een tram tussen Heyendaal en Lent zal rijden.

Haringen in een tonnetje In opdracht van de gemeenteraad deed Goudappel Coffeng, een adviesbureau op het gebied van verkeer en vervoer, onderzoek naar de haalbaarheid van het project. Senior traffic advisor Bas Govers stelt dat in steden waar een tram wordt aangelegd het gebruik van openbaar vervoer aanzienlijk toeneemt. ‘De bus is vooral voor studenten en oudjes’, aldus Govers. ‘De tram heeft een beter imago bij forenzen. Die is sneller, moderner en comfortabeler dan een bus.’ Goudappel Coffeng adviseerde om in het eerste stadium tramrails aan te leggen van Heyendaal naar Lent, via het centraal station. Later kan ook een verbinding met Arnhem tot de opties behoren. Hoe het tracé er exact uit komt te zien, is echter aan de gemeenteraad. Jan van der Meer, wethouder van Mobiliteit en Milieu voor GroenLinks, ziet de tram als ideale oplossing voor de files op de Waalbrug en wil daarom de tramlijn zo ver mogelijk doortrekken. Ook de universiteit zal beter bereikbaar worden: ‘In de Heyendaalshuttle zitten studenten als haringen in een tonnetje. De tram kan veel meer reizigers vervoeren.’ De wethouder ziet nog een groot pluspunt: ‘Trams zijn veel smaller dan bussen, die erg veel ruimte in de binnenstad in beslag nemen.’

Kijken, kijken, niet kopen Alle mooie plannen ten spijt, de begroting sluitend krijgen, zal nog een flinke kluif worden. De gemeente is afhankelijk van landelijke subsidie. ‘Wij kunnen het zelf niet betalen’, aldus Van der Meer, die de kosten op 300 miljoen euro schat. Het Rijk heeft een apart budget voor grote infrastructurele projecten en de huidige regering is niet van plan dit aan een trambaan Nijmegen te besteden. Of subsidie wordt verstrekt, hangt af van de politieke kleur van de nieuwe landelijke coalitie. De aanstaande bezuinigingen kunnen ervoor zorgen dat de tram op een dood spoor komt te staan. Hoeveel subsidie de gemeente Nijmegen nodig heeft, is moeilijk te berekenen. De lijn is namelijk nog niet uitgestippeld en ook het bedrag dat de gemeente wil vrijmaken is onbekend. Naast de gemeente en het Rijk zijn ook de stadsregio en de provincie gevraagd bij te dragen aan het project. Verkeersadviseur Govers: ‘De stad heeft weinig zeggenschap over de investering, want ze heeft zelf geen geld.’ Daarom moet er bij alle bestuurslagen worden aangeklopt en dat levert de nodige vertraging op. ‘In Nederland vraagt dit soort projecten een lange adem. Het is hier relatief moeilijk om een dergelijk wetsbesluit af te dwingen.’ In beginsel zijn de exploitatiekosten van een tram hoger dan die van een bus. Dit kan echter worden gecompenseerd door het busnet af te stemmen op de tramlijn. Bas Govers: ‘Het busvervoer is er nu op gericht om mensen van de wijken naar het centrum te brengen. Dat moet veranderen. Bussen moeten haaks op de tramlijn van wijk naar wijk gaan rijden en de tram moet de as vormen die naar het centrum gaat.’ Van der Meer ruikt zelfs kansen om meer opbrengsten te genereren ten opzichte van de bus. ‘Als de olieprijs stijgt, dan zullen meer mensen de auto laten staan en de tram pakken. In dat geval kan de tram relatief goedkoper worden dan de bus.’

De verwoeste stad Stadspartij Nijmegen Nu! is de enige partij in de gemeenteraad die het voorstel niet steunt. Ben van Hees, het enige gemeenteraadslid van Nijmegen Nu!, vreest dat de tram zijn stad kapot zal maken. Niet alleen zal de binnenstad open liggen tijdens de aanleg van de rails, ook daarna zal de rust definitief zijn verdwenen. ‘Wanneer er iedere vijf minuten een tram voorbij komt razen, zal het centrum haar charme verliezen’, aldus Van Hees. In de Bloemerstraat zijn twee trambanen en fietspaden aan weerszijden gepland, waardoor voetgangers de stad uit worden gejaagd. Bovendien is Van Hees bang voor kiezersbedrog: ‘Er is totaal geen zicht op de financiering van het project, ik houd niet van loze praatjes en beloften.’ Ook GroenLinks geeft toe nog steeds technische bezwaren te zien. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk of de huidige Waalbrug het gewicht van de tram kan dragen. ‘Wanneer dit niet mogelijk is, zullen de kosten explosief stijgen’, aldus wethouder Van der Meer.

De voordelen van een tram staan buiten kijf. Het overgrote deel van de gemeenteraadsleden lijkt zich bewust te zijn van het uithangbord dat de tram kan vormen voor de groene stad die Nijmegen pretendeert te zijn. De volgepropte Heyendaalshuttles zouden tot het verleden behoren en het imago van het openbaar vervoer zou aanzienlijk kunnen verbeteren. De charme van de stad zal echter ongetwijfeld worden aangetast door trams die iedere vijf minuten voorbij denderen. De kogel is nog lang niet door de kerk. De financiering is verre van rond en de gemeente bouwt haar luchtkasteel op de verwachting dat Den Haag het gapende gat wel dicht. Daar ligt, met de bezuinigingen in aantocht, de prioriteit elders. Zelfs de grootste voorstander geeft toe dat hij niet weet hoeveel vertraging de tram zal oplopen. Jan van der Meer: ‘We mogen in onze handjes knijpen als hij in 2020 rijdt.’

Tekst: Joost Nellen en Henk Strikkers

Klik hier voor alle artikelen van ANS april 2010.

Add a comment
Henk Strikkers

Vrijheid, blijheid

Kan een Letterenstudent tijdens de bachelor een compleet studiejaar aan vrije ruimte besteden, voor een Rechtenstudent is enkel een strak curriculumkeurslijf dat dient te worden gevolgd. De ongelijkheden van verbreding binnen de universiteit.

De RU blijft hameren op de vele keuzes die studenten kunnen maken tijdens hun studietijd: in het buitenland studeren, vakken buiten de studie volgen of stages lopen. In theorie een mooi streven, de praktijk laat echter te wensen over. Door verschillende manieren van inroosteren, overlap met vaste studieonderdelen en de schijn van keuze die eigenlijk alleen een keuze is tussen twee verplichte vakken wordt de student beperkt in zijn vrijheid. Zo kan een Rechtenstudent alleen kiezen tussen twee Rechtenvakken in het tweede jaar en mag een student Religiewetenschappen zijn 20 ECTS in zijn bachelor aan vrije ruimte enkel invullen met vakken binnen de universiteit.

Zelfontplooiing Vrije ruimte is voor een student van belang. Niet alleen voor de intellectuele, maar ook voor de persoonlijke ontwikkeling. Studenten blijven door deze verbreding niet hangen in het beperkte gebied van hun eigen wetenschapstak maar leren open te staan voor andere ideeën en zienswijzen. Dit zorgt voor een kritische houding en zelfreflectie. Hetzelfde geldt voor stages, welke zorgen voor een realistisch beeld van de toekomstige arbeidssector. Rector magnificus Bas Kortmann stelt in een interview met ANS in 2008 over een verblijf in het buitenland het volgende: De universiteit moet studenten ‘de grens over jagen’, minimaal een keer tijdens hun studie en het liefst voor drie maanden of meer. ‘Veel mensen onderschatten het nut van een stage of studietijd in het buitenland, maar voor inzicht in de verscheidenheid aan gewoonten en gebruiken is het essentieel.’ De RU heeft ontplooiing van de student hoog in het vaandel staan, maar toch is er geen eenduidig beleid wanneer het op de mogelijkheden hiertoe aankomt. Iedere faculteit hanteert andere regels omtrent de vrije ruimte en zelfs binnen sommige faculteiten wordt er niet één vaste lijn getrokken. Hoewel de universiteit zichzelf in haar doelstelling beschrijft als een instelling ‘waar uitwisseling en overdracht van kennis centraal staan’ en waarin ‘de onderlinge samenwerking en de vele dwarsverbanden kenmerkend zijn’, blijkt hier niets van in het beleid. Navraag bij de Facultaire Studentenraden (FSR) leidt tot zeer uiteenlopende antwoorden. Bij Rechten is de reactie kort: ‘Binnen de bachelor is er geen vrije ruimte.’ Bij de bèta’s blijken de stagemogelijkheden wel goed waren geregeld, met als kanttekening dat deze een verplicht onderdeel van de studie zijn. Sinds dit jaar hanteert de bètafaculteit het minorensysteem, maar er kunnen alleen vakken binnen de faculteit worden gekozen. Letteren en Managementwetenschappen behoren tot de weinige faculteiten die wel het nut inzien van verbreding via extracurriculaire vakken en stages. Bij Letteren is er drie keer 20 ECTS te volgen buiten de studie en bij Managementwetenschappen is dit 24 ECTS. In verband met aansluiting op andere faculteiten is het belangrijk dat alle faculteiten eenzelfde hoeveelheid ruimte hanteren.

Verantwoordelijkheid De RU ziet zichzelf als ‘een studentgerichte onderzoeksuniversiteit’ en weet zich verantwoordelijk voor ‘de persoonlijke ontwikkeling en ontplooiing van haar studenten’. Dit schept het beeld van een universiteit die haar studenten zoveel mogelijk steunt, maar dit blijkt niet het geval. Studenten zijn op zichzelf aangewezen om stages te regelen. Als er al begeleiding is, wordt deze door studenten vaak als matig bestempeld. Daarnaast beweert de universiteit de student niet als ‘een consument van onderwijs’ te zien, maar ‘als iemand die zelf de verplichting op zich neemt voor een actieve inbreng in de eigen vorming’. Door de huidige koers belemmert de universiteit juist de keuzevrijheid van de student om een gedeelte van de studie naar eigen verantwoordelijkheid en inzicht in te richten. Rechtenstudenten lopen bij stages of extracurriculaire vakken studievertraging op, omdat dit allemaal buiten het vakkenpakket valt. De bèta’s hebben stages wel in hun bachelor zitten. Daarnaast kunnen er via minoren vakken buiten de studie worden gevolgd, maar deze dienen dan weer binnen de faculteit gevolgd te worden. Ook Geneeskundestudenten lopen via co-schappen wel stage, maar kunnen zich niet verdiepen in onderwerpen buiten de eigen studie. Hoe kan een universiteit zichzelf als een wetenschappelijk instituut beschouwen indien zij haar studenten alleen vanuit dezelfde hoek steeds weer hetzelfde laat bestuderen? Als de student de mogelijkheid niet krijgt om naar eigen inzicht een vast gedeelte van het curriculum in te richten blijft er van de universiteit niets meer over dan een leerfabriek waarin alles wordt voorgekauwd en waar de student als een zombie de studiejaren door sloft. De enige waar de student nog hoop op kan vestigen is Kortmann: ‘Wij zijn er niet om studenten op te leiden, maar om te maken tot karaktervolle academici met een brede blik.’ De faculteiten zouden deze zienswijze als een rode draad door hun beleid moeten laten lopen. Deze uniformiteit komt niet alleen ten goede van de studenten maar ook de universiteit zelf. Met duidelijkheid en transparantie is immers iedereen gebaat.

Tekst: Michaël Joó en Jolene Meijerink

Klik hier voor alle artikelen van ANS maart 2010.

Add a comment
Henk Strikkers

Achterlopen op de omgeving

Met een milieubeleidsplan beweert de RU duurzaamheid hoog op de agenda te zetten. Van de plannen komt echter niets terecht, want de alma mater stelt andere prioriteiten. ‘Onze universiteit gedraagt zich als iemand die een auto aanschaft en vervolgens thuis trots vertelt te hebben bezuinigd, omdat zij geen twee auto’s heeft gekocht.’

De Technische Universiteit Delft zoekt naar mogelijkheden om haar campus te verwarmen met aardwarmte, in Tilburg gaan studenten onder leiding van Joris Luyendijk hun universiteit verduurzamen en de Hogeschool Arnhem/Nijmegen kreeg eerder dit jaar de prijs voor ‘meest innovatieve en duurzame onderwijsinstelling van Nederland’. Kenniscentra behoren voor te lopen qua milieubewuste innovatie, maar het beleid van de RU loopt mijlenver achter. Professor Pieter Leroy van Milieu en Beleid: ‘Ik krijg de indruk dat de betrokkenheid in de hele organisatie ontbreekt. Er wordt veel te weinig aandacht aan duurzaamheid besteed.’

Alleen een paradepaardje Vele organen zijn in het leven geroepen om het milieubewustzijn van de universiteit te verbeteren, maar het College van Bestuur (CvB) heeft het laatste woord. Zij wil alleen duurzame investeringen doen die binnen tien jaar worden terugverdiend. ‘Momenteel staan ze enigszins terughoudend tegenover investeringen die verder gaan dan wettelijke maatregelen, terwijl het belangrijk is dat dit nu gebeurt’, aldus Toon Buiting, energiecoördinator van het Universitair Vastgoed Bedrijf (UVB). ‘Op die manier zal de universiteit er over tien jaar de voordelen van ondervinden.’ Samen met Wim Kapel heeft hij de taak een zo efficiënt mogelijk energiebeleid te voeren. Kapel vult zijn collega aan: ‘Het CvB houdt zich vooral bezig met geld en denkt aan bezuinigen in plaats van investeren. Wij geven waterdichte argumentaties waaruit moet blijken dat een bepaalde investering de moeite waard is.’ Carlo Buise, hoofd van de Unit Veiligheid, Straling en Milieu bij de Arbo- en Milieudienst, verdedigt de keuze van het CvB. ‘Onderwijs en onderzoek zijn de belangrijkste doelstellingen van de universiteit. Hier gaat dan ook het meeste geld naartoe. Toch zijn we op de goede weg. De aanschaf van het warmte-koude opslagsysteem onder het Huygensgebouw beperkt de CO2-uitstoot van de universiteit bijvoorbeeld met 9 procent.’ Volgens Leroy is dat echter het enige voorbeeld. ‘Dat systeem is het paradepaardje van de RU. Het enige “goede” nieuws is dat er eindelijk wordt voldaan aan de wettelijke normen. Zoiets lijkt vanzelfsprekend, maar tien jaar geleden was dat niet het geval. Het beleid van de universiteit is nog altijd niet ambitieus genoeg. Ten eerste wordt er te weinig over duurzaamheid nagedacht en is de universiteit er simpelweg onvoldoende mee bezig. Ten tweede wordt het personeel nauwelijks betrokken bij de getroffen maatregelen.’

Vage doelstellingen Gebrekkige communicatie blijkt een belangrijke oorzaak van het falende milieubeleid. Een voorbeeld hiervan zijn de computers die op enkele plaatsen op de campus ’s nachts niet worden uitgeschakeld. Jonas Sweep, voorzitter van AKKU en werkzaam binnen het Universitair Milieu Platform (UMP), benadrukt dat dit een forse energiebesparing zou opleveren. ‘Wij hebben hier herhaaldelijk op aangedrongen. Het werd toegezegd, maar niet uitgevoerd. Bij navraag bleek niemand van de afspraak af te weten.’ Van mooie plannen komt dus niets terecht. Dit geldt ook voor het milieubeleidsplan, dat iedere drie jaar verschijnt. Sweep: ‘De doelstellingen zijn vaag. Er wordt niet gestreefd naar specifieke percentages, waardoor de doelen gemakkelijk worden bereikt.’ Zo wordt bijvoorbeeld getracht vervuiling van afvalwater ‘zoveel mogelijk te voorkomen’. De universiteit beweert dat er wordt gewerkt aan concretisering van deze plannen.

Energieverspilling Naast onderwijs en onderzoek lijkt het CvB ook graag te willen investeren in een PR-beleid. De mast met zonnecellen bij het Gymnasion lijkt misschien een goed voorbeeld van duurzaamheid, maar is slechts ter promotie geplaatst. De universiteit bevestigt dat dit nauwelijks energie opwekt. De paal zou dienen om haar ‘duurzame’ beleid te benadrukken. Iedereen van de RU die wordt geïnterviewd over duurzaamheid wordt nu met die mast op de foto gezet. De nieuwe lichtreclame bovenop het Erasmusgebouw laat ons ook zien dat de RU zichzelf op elk moment van de dag wenst te promoten. Dat dit verspilling van energie met zich mee brengt, laat de universiteit koud. Zij vindt de keuze voor besparende LED-lampen een geldig alibi. Leroy ziet deze argumentatie als een bevestiging dat de RU zich onvoldoende bezighoudt met een milieuvriendelijk beleid. ‘Onze universiteit gedraagt zich als iemand die een auto aanschaft en vervolgens thuis trots vertelt te hebben bezuinigd, omdat zij geen twee auto’s heeft gekocht.’

De universiteit beweert zelf hard aan de duurzame weg te timmeren. Zij gebruikt mooie woorden, maar uiteindelijk blijkt dat er weinig wordt gerealiseerd. Het gebrek aan toewijding aan een duurzaam beleid en de tekortkomende communicatie over genomen maatregelen zijn hiervan de belangrijkste oorzaken. Daarnaast heeft het CvB imagoverbetering hoger in het vaandel staan dan het milieubewustzijn. De prioriteiten van de RU liggen dus op de verkeerde plaats. Waar universiteiten een voortrekkersrol zouden moeten vertolken, loopt zij achter de feiten aan. Het is belangrijk dat er een forse inhaalslag wordt gemaakt, voor de universiteit zichzelf voor schut zet.

Tekst: Eva-Marijn de Vries en Mart Waterval

Klik hier voor alle artikelen van ANS februari 2010.

Add a comment
Henk Strikkers