Nijmeegse braindrain

De ambitie van de Nijmeegse student reikt voorbij de grenzen van de provincie Gelderland. De Randstad vormt voor velen een intellectueel toevluchtsoord wanneer de eigen stad tekort schiet. ‘Nijmegen is niet sexy.’

Na een studententijd in Groningen, Enschede of Nijmegen gaan veel afgestudeerden op zoek naar een baan in het Westen des lands. Als gevolg hiervan ondervinden verschillende studentensteden in randgebieden een zogenaamde braindrain. Geografisch gezien valt Nijmegen in de perifere zone. Cijfers van de eenheid Marktverkenning, Strategie en Ontwikkeling (MSO) van de Radboud Universiteit laten zien dat ook de Waalstad lijdt onder een kennisvlucht. Van de Nijmeegse alumni zoekt 59 procent zijn heil elders. Dit is een groter aandeel dan in andere provincies. In Groningen, het ultieme voorbeeld van een leeglopende stad, verlaat de helft van de afgestudeerden de stad. Hoogopgeleiden zijn van grote waarde voor een stad en een stimulans op wetenschappelijk, economisch en cultureel gebied. Groningen en ook Nijmegen zijn ‘roltrapsteden’. Studenten gebruiken de stad om een betere maatschappelijke positie te verkrijgen en maken hun opgedane kennis elders te gelde. Een stad investeert jarenlang in deze studenten en vervolgens leidt deze investering tot niets. Met name de Randstad heeft een grote toestroom vanuit andere steden. Een op de zes Nijmeegse alumni woont en werkt in de provincies Noord- of Zuid-Holland. Hoe kan het dat zoveel studenten na hun afstuderen besluiten Nijmegen te verlaten? En belangrijker, hoe kan deze braindrain voorkomen worden?

Stadsreclame Citymarketeers proberen inwoners aan de stad te binden. Hierbij onderscheiden zij drie factoren: werk, huisvesting en beeldvorming van de stad. Dit zijn ook de drijfveren voor afgestudeerden om ervoor te kiezen hun studentenstad te verlaten. Gert-Jan Hospers is bijzonder hoogleraar City- en Regiomarketing aan de Radboud Universiteit. Hij onderzoekt de gevolgen van een braindrain voor steden en remedies daarvoor. Hospers constateert dat in Nijmegen verschillende push- en pullfactoren een rol spelen. ‘Met name beeldvorming heeft grote invloed op studenten. Het klinkt goed om te zeggen dat je naar de Randstad gaat. Daar zitten de grote namen. Werken voor een minder bekend provinciaal bedrijf is niet sexy.’ Volgens Hospers moet Nijmegen proberen inwoners te behouden en niet aan te trekken. ‘Het culturele klimaat is een groot pluspunt voor Nijmegen. Praktische zaken als huisvesting en werkgelegenheid vragen echter nog om verbetering.’ De gemeente Nijmegen houdt zich hier naar eigen zeggen voldoende mee bezig. ‘We willen afgestudeerden graag aan de stad binden door beginnende ondernemers te steunen en meer starterswoningen te bouwen.’ Zij ontkent dat er sprake is van een probleem. ‘Onze afdeling Citymarketing houdt zich niet specifiek bezig met deze doelgroep. Het wegtrekken van alumni heeft altijd al plaatsgevonden en heeft daarom geen prioriteit’, aldus de persvoorlichter.

Van eerstejaars tot starter Huisvesting vormt een groot probleem en kan reden zijn voor vertrek. Studentenvakbond AKKU zet zich in voor studenten en afgestudeerden op de woningmarkt. ‘Het probleem is breder dan alleen het kamertekort voor studenten. Het gaat om het gehele traject van eerstejaars tot starter. De doorstroom wordt geblokkeerd door lange wachttijden’, aldus voorzitter Willem de Kleijne. ‘Voor sommige studentenwoningen sta je vijf jaar op een wachtlijst. Deze wachttijden ontstaan onder andere doordat veel afgestudeerden in hun studentenkamer blijven wonen in plaats van door te schuiven naar starterswoningen.’ Niet alleen AKKU zet zich in voor dakloze studenten en afgestudeerden. Ook de gemeente, Stichting Studentenhuisvesting Nijmegen (SSHN) en woningcorporatie Standvast werken aan verbetering van de situatie. De gemeente is van plan tweeduizend studentenwoningen bij te bouwen en Standvast gaat onder andere onderzoek doen naar de woonwensen van starters. Er liggen mooie plannen op tafel, maar de vraag zal het aanbod blijven overstijgen. Het inwonersaantal in Nijmegen blijft groeien en op de lange termijn zijn tweeduizend extra woningen bij lange na niet genoeg.

Arbeidsmarkt Uiteindelijk is het vinden van een baan de doorslaggevende reden voor afgestudeerden om hun studentenstad te verlaten. Detacheringsbureau Randstad ziet bij bemiddeling voor starters dat de grote steden met name meer in trek zijn voor studenten Bedrijfs- en Bestuurskunde. ‘Denk aan de politiek in Den Haag voor bestuurskundigen. Amsterdam, Rotterdam en Utrecht hebben voor bedrijfskundigen en bestuurskundigen een aantrekkingskracht door de aanwezigheid van grote bedrijven, adviesbureaus, banken en verzekeraars,’ aldus consultant Alexander van der Graaff van Randstad. Hospers geeft aan dat 40 procent van de studenten bij de organisatie waar hij stage loopt blijft plakken. ‘Lokale overheden en bedrijven moeten investeren in stageplekken, aangezien die een brug kunnen slaan tussen studententijd en carrière.’

Het is moeilijk het imago van een stad te veranderen, hoe hard citymarketeers dit ook proberen. Beeldvorming lijkt een hardnekkig probleem. Nijmegen staat bekend als een gezellige, culturele en linkse studentenstad. De associatie met de zakenwereld en carrièretijgers ligt dan ook niet direct voor de hand. Daartegenover staat de Randstad, waar het grootste deel van het Nederlandse bedrijfsleven geconcentreerd is, een oase voor nieuwelingen op de arbeidsmarkt met een dorst naar het grote geld. Nijmegen kan met name wat betreft de woning- en arbeidsmarkt nog veel doen om de stad aantrekkelijker te maken voor starters. Tweeduizend nieuwe studentenwoningen zijn niet voldoende en plannen voor starterswoningen moeten omgezet worden in daden. Daarnaast zou het voor afgestudeerden niet nodig moeten zijn naar de Randstad te gaan om een baan te vinden. Carrièrekansen moeten ook in Nijmegen te vinden zijn.

Tekst: Dorien Pool en Valerie Rutjes

Klik hier voor alle artikelen van de ANS van januari 2011.

Add a comment
Martini

Slome student bestraft

Langstudeerders vallen ten prooi aan kwaliteitsinvesteringen van het kabinet Rutte. Universiteiten die studenten niet binnen vijf jaar laten afstuderen, krijgen een boete die ze mogen doorberekenen aan de student. ‘Er zullen genadezesjes uitgedeeld worden.’

Het regeerakkoord van het kabinet Rutte belooft harde ingrepen. Velen moeten inleveren, maar studenten lijken helemaal kind van de rekening te worden. Zo werd in de media breed uitgemeten dat de studiefinanciering tijdens de masterfase een stuk kariger wordt, nu een sociaal leenstelsel de basisbeurs vervangt. Ook de gratis ov-chipkaart verdwijnt voor ouderejaars. Onbekender, maar niet minder belangrijk, is het kabinetsvoornemen om zogenaamde langstudeerders een hoger collegegeld op te leggen. Is het uitsterven van de campusdino nabij en vormt dit de doodsteek voor ontwikkeling buiten de studie?

Kwaliteit voorop Onder het kopje ‘Onderwijs’ worden in het regeerakkoord de plannen samengevat. ‘Om het studierendement te verhogen zal van langstudeerders een hoger collegegeld worden gevraagd.’ Dit betekent niet dat ieder gemist studiepuntje een vermogen kost. Pas wanneer de vertraging meer dan een jaar gaat bedragen, komt de student in de problemen. De onderwijsinstelling krijgt in dat geval een boete van zesduizend euro, waarvan zij maximaal de helft mag doorberekenen aan de student. Volgens Anne-Wil Lucas - Smeerdijk, VVD-woordvoerder Onderwijs in de Tweede Kamer, is deze maatregel meer dan een simpele bezuiniging: ‘Door van langstudeerders meer collegegeld te vragen en ook onderwijsinstellingen te laten bijdragen, worden studenten en instellingen uitgedaagd binnen een redelijke termijn hun studie af te ronden.’ Het Kamerlid stelt bovendien dat uitval hierdoor wordt teruggedrongen, omdat studieuitstel vaak leidt tot afstel. ‘En dat is hard nodig, want uitvallers kosten de Nederlandse staat jaarlijks zeven miljard euro’, aldus Lucas - Smeerdijk. GroenLinks-collega Jesse Klaver vreest dat de financiële prikkel een averechts effect zal hebben. ‘Het zorgt er slechts voor dat studenten die zijn begonnen aan hun studie gedemotiveerd blijven aanmodderen, terwijl hun hart bij een ander vak ligt.’ Het rendementsdenken van het nieuwe kabinet is Klaver tegen het zere been. ‘Rendement is niet af te meten aan hoe snel studenten afgestudeerd zijn, maar aan hoe goed de studenten zijn die afstuderen.’ Volgens de VVD moet het bespaarde geld worden geïnvesteerd in de kwaliteit van hoger onderwijs, maar Klaver weet niet of het onderwijs daar bij gebaat is. ‘De bezuinigingen zijn weinig doordacht. Aan de ene kant bezuinigt men, om aan de andere kant te investeren. Dat is visieloos.’

Ontplooiing aan banden Weinigen zullen negatief staan tegenover ombuigingen voor beter onderwijs. Dat studenten die meer dan een jaar studievertraging hebben daar het slachtoffer van worden, is meer omstreden. De Landelijke Kamer van Verenigingen (LKvV), de koepel van gezelligheidsverenigingen, is bezorgd om de plannen van het nieuwe kabinet. ‘Het verenigingsleven zal hierdoor zeer hard getroffen worden’, aldus LKvV-preses Jeroen Thys. ‘Zowel onderwijsinstellingen als bedrijven hebben er belang bij dat studenten zich tijdens hun studie niet alleen binnen de universiteitsmuren maar ook daarbuiten ontplooien.’ Volgens Thys brengen actieve studenten nieuwe inzichten mee naar hun studie en hebben zij later meer kans op de arbeidsmarkt. Ook stelt hij dat steden baat hebben bij een actief studentenleven. ‘Het vergroot de binding van studenten aan de onderwijsinstelling en aan de stad. Daardoor ontstaat een studievriendelijk klimaat dat aantrekkelijker is voor nieuwe studenten. Het liefst zien wij een vrijstelling voor bestuurlijk actieve studenten.’ VVD-Kamerlid Lucas - Smeerdijk denkt dat het actieve studentenleven niet veel te vrezen heeft. ‘Veel universiteiten en hogescholen hebben al een potje voor actieve studenten. Verenigingen mogen hun bestuursfuncties best op een andere manier invullen. Het is de vraag of de overheid moet betalen voor persoonlijke ontwikkeling in de vorm van een bestuursjaar.’

Uitlokking De Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) neemt een radicaler standpunt in dan haar collega’s van de LKvV. Zij vindt dat dit plan diplomafraude in de hand werkt en innovatie tegen gaat. LSVb-voorzitter Sander Breur: ‘Dit is een negatieve prikkel, omdat het voor veel studenten een financiële en geen inhoudelijke afweging wordt om een master te volgen.’ Breur zet bovendien vraagtekens bij het argument van de VVD dat deze maatregel effectief studeren aanmoedigt. ‘Ik heb nog nooit een onderzoek gezien dat dit bewijst.’ Aangezien ook instellingen met een boete geconfronteerd zullen worden, durft de LSVb-voorzitter zelfs te zeggen dat universiteiten genadezesjes gaan geven om deze te ontlopen. ‘Dat heet in goed Nederlands diplomafraude. Bovendien staat het bedrijfsleven te springen om alumni met bestuurservaring, maar dat zullen er door deze maatregel veel minder worden’, aldus Breur. De doelstelling die deze maatregel beoogt is lovenswaardig. Investeringen in het hoger onderwijs zijn door de verhoogde instroom noodzakelijk geworden, omdat de kwaliteit achteruitholt. De zo vurig gewenste plaats in de wereldwijde top vijf van kenniseconomieën lijkt anders definitief uit het zicht te verdwijnen. Dit middel brengt het doel echter niet dichterbij. De druk die ontstaat op scholieren om in één keer de goede studiekeuze te maken is onredelijk, wanneer niet tevens de voorlichting wordt verbeterd. Ook zal de actieve student twee keer nadenken voordat hij zich voor een fulltime bestuursfunctie kandideert. Voor universiteiten vormt het plan wederom een aanmoediging om studenten sneller door hun studie te jagen. Uit het verleden is gebleken dat de verleiding om diploma’s cadeau te doen dan al gauw op de loer ligt. Daarom lijkt juist nu voor studenten en universiteiten het moment aangebroken om gezamenlijk op te treden.

Tekst: Henk Strikkers en Lucy Vleeshouwers Illustratie: Madelon van der Avoort

Klik hier voor alle artikelen van de ANS van december 2010.

Add a comment
Henk Strikkers

Sesam, open u!

De hoge uitval onder studenten vormt een groot probleem. De commissie-Veerman ziet selectie aan de poort als ideale manier om studenten bij de juiste studie te krijgen. ‘Motivatie moet een soort universeel toelatingsrecht geven.’

Het rapport van de commissie-Veerman adviseerde in april dit jaar over de toekomst van het hoger onderwijs. Investeren is noodzakelijk, maar er is meer nodig dan alleen een smak geld, aldus Veerman. Simpele hervormingen kunnen in een enkel geval namelijk grote winst boeken, zoals bij het grote aantal studenten dat stopt met hun opleiding. Selecteren aan de poort is een voorbeeld van zo’n hervorming. Dit kan worden onderverdeeld in centrale selectie (loting) en decentrale selectie. Bij deze laatste vorm bepalen opleidingen zelf de criteria waarop ze studenten selecteren. Omdat motivatie dan ook een factor wordt, beschouwt de commissie deze toelatingsvorm als ideaal middel om de 'juiste student bij de juiste opleiding te krijgen’. Bij studies als Geneeskunde is decentrale selectie reeds gebruikelijk, maar wordt selecteren in de toekomst voor alle studies de norm?

Universeel toelatingsrecht ‘Van mij mag het allemaal wel wat strenger’, aldus Ron Bormans, voorzitter van het College van Bestuur (CvB) van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen en voorheen lid van de commissie-Veerman. ‘Instellingen in het hoger onderwijs moeten in staat worden gesteld te selecteren wanneer het profiel van de opleiding dat wenselijk maakt. Economie zou bijvoorbeeld kunnen selecteren op wiskundige kwaliteiten. Als studenten niet voldoen aan de criteria moet je een duidelijke lijn trekken en hen niet toelaten.’ Uiteindelijk moet motivatie echter bij alle opleidingen het belangrijkste selectiecriterium worden. ‘Wanneer iemand nog niet over specifieke kwaliteiten voor de betreffende opleiding beschikt, maar wel een enorme motivatie toont om deze te doorlopen, dient hij te worden toegelaten. Motivatie moet jonge mensen een soort universeel toelatingsrecht geven.’ Bormans benadrukt dat de selectiecriteria niet van bovenaf moeten worden opgelegd, maar dat opleidingen deze zelf moeten bepalen. Universiteiten klagen over overvolle opleidingen en zien selectie als oplossing. De commissie-Veerman onderkent de noodzaak voor capaciteitsbeperking, maar decentrale selectie zou hiervoor in beginsel geen middel moeten zijn. Het is slechts bedoeld om studenten op de juiste opleidingen te krijgen en daardoor de uitval te beperken. Bormans: ‘Er moeten betere alternatieven komen voor vwo’ers, bijvoorbeeld door hbo-opleidingen te verbeteren en aantrekkelijker te maken. Het is lange tijd heel normaal geweest dat je als vwo’er naar het hbo ging. Bij sommige opleidingen was bijna een derde van de scholieren afkomstig van het vwo.’

Een perfecte match? De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) beaamt dat er iets moet gebeuren aan de hoge studieuitval, maar voorzitter Sander Breur vindt dat de verantwoordelijkheid van een studiekeuze uiteindelijk bij de student moet blijven liggen. ‘Zelfreflectie en -selectie zijn belangrijke eigenschappen van een toekomstig academicus, dus een verantwoorde studiekeuze moet hij zelf kunnen maken. De universiteiten houden zich slechts bezig met instroombeperking en niet met de hoge studieuitval. De echte problemen worden dus niet opgelost, daarom is het huidige voorstel van decentrale selectie een zwaktebod. Het is zelfoverschatting van de onderwijsinstellingen, die onterecht beweren hun ideale student te kunnen selecteren.’ Breur heeft een ander idee om de hoge studieuitval te beperken. Hij vindt motivatie belangrijker dan een goede cijferlijst en is daarom voorstander van zogenaamde ‘matchinggesprekken’. Hierin wordt de scholier duidelijk gemaakt wat de opleiding precies inhoudt. Daarnaast moet in zulke gesprekken moeten gevraagd wat de potentiële student verwacht van de studie en waarom hij deze heeft gekozen. Indien er problemen met bijvoorbeeld motivatie aan het licht komen, mag slechts geadviseerd worden en niet geselecteerd. De opleiding moet niemand kunnen weigeren. Breur: ‘In de praktijk blijkt dat opleidingen puur op eindexamencijfers selecteren en niet op motivatie. Onderzoek heeft uitgewezen dat mensen na selectie helemaal niet vaker op de juiste opleiding terechtkomen. Studenten moeten simpelweg beter worden voorgelicht.’

Met je zwarte band naar de uni Natuurlijk is er na de presentatie van het rapport-Veerman ook aan de RU nagedacht over selectie aan de poort. Willem Hooglugt, woordvoerder van het CvB, vertelt dat de universiteit niet zonder meer voorstander is van een harde selectie. ‘Slechts een zorgvuldige invoer van decentrale selectie behoort tot de mogelijkheden, omdat de loting van centrale selectie te weinig zegt over succesvolle afronding van de studie. Motivatie moet zwaarder gaan meetellen dan op de middelbare school behaalde cijfers.’ Hooglugt denkt dat motivatie prima herkend kan worden in een intakegesprek, mits er door deskundigen een oordeel wordt geveld. Nevenactiviteiten kunnen bovendien een pre zijn. ‘Als iemand een zwarte band in karate heeft, zegt dat iets over zijn focus.’ Op de RU staat ondanks de mooie woorden echter beperking van instroom centraal in de overweging decentraal te selecteren. ‘De universiteit wil minder instroom, maar wel evenveel uitstroom. Zij wil simpelweg mensen die hun studie afmaken.’

Al met al bestaan er dus te veel onzekerheden over decentrale selectie om te kunnen stellen dat het een effectief middel is tegen hoge studieuitval. Het is te vroeg om deze selectievorm, met motivatie als maatgevend criterium, op een groot aantal studies in te voeren. Dit kan ten koste gaan van gemotiveerde studenten. Zij lopen de kans onterecht niet te worden toegelaten voor de opleiding van hun keuze door een falend toelatingsbeleid. Het voorstel van de LSVb is de aanstaande student het meeste van dienst, omdat universiteiten hierin geen bindend advies kunnen geven. De decentrale selectie zoals die nu wordt voorgesteld, wordt door Breur dus terecht resoluut afgewezen. ‘Selectie door universiteiten heeft met motivatie tijdens de studie uiteindelijk weinig te maken.’

Tekst: Mart Waterval en Mitchel Wijnen Illustratie: Marieke Meijer

Klik hier voor alle artikelen van de ANS van november 2010.

Add a comment
Martini

Vox wordt uitgekleed

Nog maar één blad per maand en een judaskus voor Voxlog. De Vox-redactie is het grootste slachtoffer van het nieuwe afdelingsplan van de RU-communicatieafdeling. Onafhankelijke berichtgeving vanuit de universiteit wordt drastisch ingeperkt.

Deze maand is het exact 10 jaar geleden dat Vox het toenmalige Nijmeegse campuskrantje KUNieuws opvolgde. De laatste jaren pakken zich donkere wolken samen boven de universiteitsbladen. Universiteitsbesturen voelen er weinig voor om te investeren in onafhankelijke journalistiek en staan steeds minder kritische berichtgeving toe. Ook Vox heeft het zwaar te verduren, met name op financieel gebied. Hoewel drukkerskosten en salarissen stegen en advertentie-inkomsten met 80 procent daalden, gaf het College van Bestuur (CvB) het afgelopen decennium geen cent extra uit aan het blad. Vorig jaar leidde dit alles tot een verlies van 40.000 euro. Tijd voor actie op de Communicatieafdeling waar de Vox-redactie huist.

Het mes erin Er is geen geld om op deze voet verder te gaan, ondervond Johan van de Woestijne, hoofd van de Communicatieafdeling. In het voorjaar stelde hij een plan op waarin zijn gehele afdeling op de schop gaat. Voor Vox houdt dit in dat het vanaf 1 januari 2011 maandelijks wordt uitgegeven, waar dit nu nog tweewekelijks is. De bladformule zal ingrijpend moeten veranderen, doordat het vrijwel onmogelijk wordt om nog nieuws te brengen in de papieren editie. De financiële ruimte die vrij komt zal worden gebruikt voor een open online nieuwsplatform, dat het enkel op studenten gerichte Voxlog vervangt. Op die nieuwe site wordt al het nieuws van de universiteit gebundeld voor studenten, medewerkers en buitenstaanders. De Vox-redactie, die Mediaredactie gaat heten, zal slechts een deel van de nieuwsgaring op zich nemen. Van de Woestijne behoudt het recht berichten te verwijderen, omdat de site geen redactiestatuut heeft. Onafhankelijk is de website dus niet te noemen. Naast het financiële argument zouden er nog meer redenen zijn om te kiezen voor het nieuwsplatform. Zo wil de RU zich meer gaan profileren op internet. Bovendien is het platform volgens de Communicatieafdeling ideaal om internationale studenten te lokken, omdat het in meerdere talen beschikbaar zal zijn. Voor Van de Woestijne was het dan ook niet moeilijk om te kiezen: ‘Hoezeer ik een tweewekelijkse Vox een warm hart toedraag, het nieuwsplatform heeft meer prioriteit, omdat de Radboud Universiteit zich naar buiten moet profileren.’

Berusting bij voorbaat Chris-Jan van der Heijden, hoofdredacteur van Vox, beaamt dat het noodzakelijk is de verschijningsfrequentie te wijzigen. ‘Twee jaar geleden hebben we er binnen de redactieburelen al over gesproken, omdat het internet voor ons steeds belangrijker wordt. Via die weg kunnen we meer mensen bereiken.’ Van der Heijden zegt het jammer te vinden dat het aantal onafhankelijke Voxen wordt teruggeschroefd, maar hij lijkt al in het nog niet genomen besluit te berusten. Het financiële gat kan volgens hem op geen andere manier worden gedicht en bovendien geeft hij hoog op van het gecontroleerde nieuws-platform. ‘Wij kunnen de beste universiteitsnieuwssite van Nederland gaan maken. Als wij met die nieuwe site meer bezoekers aan ons kunnen binden, biedt dat meer vrijheid en ruimte om goede journalistiek te beoefenen.’ Deze mening was de Vox-redactie echter niet toegedaan, met als gevolg dat zij in de zomer vrijwel in haar geheel is opgestapt.

Tegenspraak Enkele jaren geleden is voor het blad een onafhankelijkheidsbewaker ingesteld. Deze Redactieraad bestaat uit docenten, studenten en de voorlichter van het CvB. Zij zijn niet te spreken over het afdelingsplan, waardoor Vox volgens hen het ondergeschoven kindje wordt. Twee Voxen per maand is voor de raad zo goed als heilig en bovendien zou deze graag onafhankelijke berichtgeving op het web zien. Er werd een negatief advies aan het CvB geschreven. Aangezien de onderhandelingen tussen de raad en het college nog volop gaande zijn, wenste de voorzitter van de Redactieraad ons niet te woord te staan. De verwachting is dat het college het advies naast zich neer zal leggen en haar fiat zal geven voor uitvoering van het afdelingsplan. Er zit wellicht nog een addertje onder het gras. De Vox-statuten schrijven voor dat bij een verandering van uitgavefrequentie de Universitaire Gezamenlijke Vergadering (UGV) haar goedkeuring moet geven. Johan van de Woestijne is daar niet zo zeker van: ‘De Vox-statuten zijn gewoon een bestand op mijn computer. Die heeft het CvB nooit gevalideerd. Het is de vraag of deze rechtsgeldig zijn.’ Hoofdredacteur Van der Heijden denkt echter dat het zeker in de UGV besproken zal worden, ‘want de statuten zijn tot nu toe altijd gerespecteerd’. Judith Rotink, voorzitter van de Universitaire Studentenraad en ook lid van de UGV, staat open voor het plan, maar is nog niet overtuigd. ‘Ik ben kritisch, omdat er wordt geïnvesteerd in afhankelijke communicatie ten koste van een onafhankelijk blad.’ De droom van de beste universiteitsnieuwssite van Nederland laat ook haar niet koud: ‘De middelen en de intentie om er iets goeds van te maken zijn aanwezig. Het is jammer van Vox, maar ik snap dat er iets moet gebeuren.’

De beslissing om meer aandacht te besteden aan het internet is geen onverklaarbare, al is het de vraag hoeveel studenten en vooral docenten de weg naar het nieuwsplatform gaan vinden. Veel belangrijker en vrijwel onverdedigbaar is echter dat de onafhankelijkheid van Vox op de tocht staat. Wanneer de universiteit goede journalistiek hoog in het vaandel heeft, had ze voor een onafhankelijke nieuwssite kunnen kiezen. Dat ze die keuze niet maakt, is een slechte zaak. Onafhankelijke nieuwsgaring is onmisbaar voor een goed academisch klimaat. Juiste feiten en een kritische blik zijn immers noodzakelijk voor ieder debat, ook voor discussies binnen de universiteit. Daar kan geen enkel financieel argument tegenop.

Tekst: Michelle van Hoeve en Henk Strikkers

Klik hier voor alle artikelen van de ANS uit oktober 2010.

Add a comment
Martini

Tussen passie en procenten

Drank, drugs en seks, gesponsord door de belastingbetaler. Studenten hebben van oudsher een slechte reputatie. Toch klinken de zorgen over zesjescultuur, luiheid en passiviteit nu luider dan ooit. Zijn studenten echt te ongemotiveerd en onzelfstandig?

Studenten zijn ‘luie flikkers’ en na toelating tot de universiteit verwachten zij een ‘enkeltje Luilekkerland’. Met deze uitspraken haalde Ewald Engelen, professor Financiële Geografie aan de Universiteit van Amsterdam, afgelopen januari hard uit in De Groene Amsterdammer. Moderne studenten missen in zijn optiek motivatie, proberen met minimale inspanning een zesje binnen te slepen en stellen bijbaan voor studie. De maatschappij moet hen niet langer laten feestvieren op belastinggeld, is zijn conclusie. De discussie die Engelens column uitlokte, ging behalve over motivatie, ook over strategisch studeren en studierendementen. Tijdens een debat georganiseerd door studentenfractie AKKUraatd benadrukt voormalig USR-lid Joep Bos-Coenraad: ‘De generatie van onze ouders studeerde zeker niet sneller, terwijl de beurzen destijds rianter waren.’ Toch bestaat de vrees dat inzet en zelfstandigheid afnemen. Studenten zouden als schapen willen worden geleid en zich daarnaast meer toeleggen op bijbanen dan verdieping. Is de huidige student echt zo’n verwend nest zonder drive? En zo ja, waar kan dit aan liggen?

Vijven en zessen Na de introductie door minister-president Balkenende werd de zesjescultuur een gevleugeld begrip. Het staat voor een houding van strategisch studeren: net genoeg moeite doen voor een zes, studeren met weinig interesse en zonder het beste uit jezelf te halen. In 2007 ontspon zich een welles-nietes over hoe wijdverbreid deze instelling is. Middenin dit gekrakeel besloot Ron Welters, docent Filosofie en Wetenschapsstudies aan de RU, voor Vox daadwerkelijk naar de cijfers te kijken. Wat bleek? In Nijmegen is het aantal zessen voor gehaalde tentamens niet toe-, maar juist stevig afgenomen de laatste decennia. De data lijken, met enige kanttekeningen, het geschetste beeld te ontkrachten. Welters concludeerde vervolgens dat de zesjescultuur een ‘verzamelmetafoor voor onbestemd onbehagen’ is. Drie jaar later erkent hij de frustraties over studenten gedeeltelijk te begrijpen. In zijn optiek bestaat er een te romantisch beeld van het academisch verleden. De moderne universiteit is er een van hyperspecialisatie en grote studentenaantallen. De veranderde instelling kan volgens Welters niet uitsluitend aan studenten worden geweten.

Hapklare brokken Studenten zien zichzelf in studie-enquêtes evenmin als calculerend. In het aprilnummer 2009 van ANS geeft slechts 15 procent aan minimaal te studeren. Ondertussen meent ruim 40 procent tot het uiterste te gaan. De rest werkt exact de voorgeschreven stof door. Ondanks dit optimisme vindt ongeveer de helft dat ze harder moet studeren. Jonas Sweep, voorzitter van studentenvakbond AKKU, geeft aan dat van studenten mag worden verwacht dat ze gemiddeld 36 uur per week studeren. Hoewel men op de Bètafaculteit en bij Medische Wetenschappen nog dertig uur per week studeert, stopt de teller op de overige faculteiten op ruim twintig uur. In weerwil tot hun eigen tevredenheid blijken studenten er dus geen volle weken op na te houden. Naast de beperkte inzet wordt ook geklaagd over verloren zelfstandigheid. In het eerdergenoemde AKKUraatd-debat hekelde professor Bob Lieshout, vice-decaan onderwijs aan de Faculteit Managementwetenschappen de ‘prinsen en prinsessen’-mentaliteit. Studenten zijn volgens hem te passief. Zelfs tweede- en derdejaars verwachten alles in hapklare brokken aangeboden te krijgen, tonen geen initiatief en ontberen discipline. Joep Bos-Coenraad wil wat tegengas bieden: ‘Als in het eerste jaar de verwachtingen niet duidelijk zijn, krijg je dit soort studenten.’ Zijn oplossing is een stevige propedeuse die gewenst niveau en houding afdwingt. Eerstejaars die verkeerd kiezen, vallen daarnaast sneller af. Het systeem maakt de student, is zijn stelling.

Perverse prioriteiten De vele bijbanen onder studenten lijken debet aan de lage academische inzet. In de CBS-enquête over bijverdiensten in het hoger onderwijs van 2008 blijken de gemiddelde dertien gewerkte uren per week aan het begin van de studie later oplopen tot 23 uur. In de praktijk werkt een kleine bijbaan positief op de studieresultaten, aldus Sweep. Pas vanaf acht uur per week heeft het een negatieve impact. Het is volgens hem zonneklaar waarom er zoveel wordt gewerkt: ‘Studenten hebben het niet breed. De studiebeurzen zijn niet toereikend.’ De studiefinanciering verschraalt terwijl kosten stijgen. Tegenstrijdige overheidsadviezen compliceren deze situatie. Was staatssecretaris Rutte nog enthousiast pleiter voor de lening als ‘investering in jezelf’, de afgelopen jaren sloegen onderwijsminister Plasterk en het Nibud alarm over ditzelfde leengedrag. Universiteiten lijken de studenten ondertussen het liefst te motiveren met allerlei negatieve prikkels. Het bindend studieadvies wint zo snel aan terrein, dat het al bij tweederde van de WO-studies is ingevoerd. Ook met – al dan niet verplichte – extra contacturen, P-in-2 en B-in-5 lijkt de universiteit toenemend een keurslijf. Hiernaast is er weinig aandacht voor positieve motivatie, klaagt Sweep. Onderwerpen als onderwijskwalificaties voor docenten en goede studiebegeleiding staan laag op de agenda. Daarnaast is er steeds minder geld beschikbaar voor onderwijs. Volgens de WO-paragrafen van het CBS-jaarboek onderwijs 2009 neemt het aantal ‘prinsen en prinsessen’ al twaalf jaar op rij toe. Ondertussen krimpt het werkzame onderwijsondersteunend personeel en zijn WO-investeringen nauwelijks meer toegenomen na 2001.

Studenten studeren te weinig en lijken te volgzaam. Toch wordt de schuld te gemakkelijk bij studenten gelegd. Zonder bewijs worden fenomenen als de ‘zesjescultuur’ uit de lucht geplukt en voor wetenschap verkocht. Legio andere factoren spelen een rol. De overheid speelt een twijfelachtige rol met de veranderlijke kijk op de financiering van het studeren. Tenslotte hanteren universiteiten de wapens van de negatieve motivaties te veel in hun rendementszucht. Zo krijgt elk onderwijssysteem de studenten die het verdient.

Tekst: Rob Ramaker en Floortje Schiks

Klik hier voor alle artikelen van de ANS uit de Introductie van 2010.

Add a comment
Martini

Grensgevallen

Hoewel de RU internationalisering aan alle kanten aanprijst, verloopt studeren in het buitenland niet altijd even vlekkeloos. Ondanks een Europees vastgesteld studiepuntensysteem zijn er regelmatig problemen met het omrekenen van cijfers en omzetten van diploma’s. ‘Er was een rechtszaak voor nodig om mijn diploma erkend te krijgen.’

Met mooie woorden moedigt rector magnificus Bas Kortmann systematisch studenten aan studiepunten buiten de deur te behalen. Sinds de invoering van het bachelor-mastersysteem in 1999 is een studieverblijf in het buitenland een stuk gemakkelijker geworden. Die nieuwe structuur werd vastgelegd in de Bologna-verklaring, die 29 ministers van Onderwijs ondertekenden. Vanaf 2002 stapten de universiteiten en hogescholen in Nederland vervolgens over op een universeel studiepuntensysteem, het European Credit Transfer System (ects). De verdragsluitende partijen streven naar gelijkwaardig hoger onderwijs. Dat houdt in dat elk studiejaar uit 60 European credits (ec’s) dient te bestaan, wat gelijk staat aan 1680 studie-uren. In ieder land moet dus 28 uur worden gestudeerd voor één studiepunt. In de praktijk blijkt dat deze urennorm lang niet altijd wordt gehaald. Onderzoek van de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) wijst uit dat in Nederland slechts 20 uur wordt gestudeerd voor een studiepunt. De studielast kan per land dus aanzienlijk verschillen. Alleen navraag binnen de redactieleden levert al verhalen op over ervaringen hiermee. ‘Voor alleen aanwezigheid krijg ik vier studiepunten’, aldus redacteur Mart Waterval vanuit Duitsland.

Onvoldoendes en onrecht Hoewel het Europese onderwijssysteem op papier gestandaardiseerd is, houdt ieder land nog steeds hardnekkig vast aan haar eigen systeem. Redacteur Joost Nellen, student Politicologie, vertelt over zijn periode aan een universiteit in Spanje: ‘Ik had één vak dat erg moeilijk was, de rest was eigenlijk vrij gemakkelijk. Een week nadat ik het tentamen voor dat moeilijke vak had gemaakt, werd ik door de professor gemaild of ik even langs wilde komen. Hij vroeg bij welk punt je in Nederland een voldoende haalt en gaf me vervolgens een 6,5. Ik kan me niet voorstellen dat ik het werkelijk heb gehaald.’ Anouk Broersma, student Bedrijfscommunicatie, ervoer ook verschillen: ‘In Ierland was het onderwijsniveau beduidend lager en werden cijfers anders berekend. Ik kreeg percentages in plaats van cijfers en er gold een lagere onvoldoendegrens. Toch werden mijn behaalde resultaten zonder problemen omgerekend en geaccepteerd bij terugkomst in Nederland.’ Studenten die met weinig moeite een vak halen in het buitenland zul je niet snel horen klagen. Sommige studenten hebben echter structurelere problemen. De Master of Management die Jaap Baarends in België had voltooid, werd vanwege enkele praktijkvakken plotseling als een hbo-studie gezien. Omdat Jaap het niet eens was met de beslissing, ging hij gesprekken aan met een kwaliteitsexpert van de Vrije Universiteit Brussel en de Belgische organisatie die verantwoordelijk is voor de erkenning van diploma’s. Zij verzekerden hem dat het een wo-master betrof en beweerden zelfs dat er absoluut geen hbo-master van de opleiding bestond in België. Na het afronden van zijn studie, bleek de master in Nederland toch niet als wo-opleiding te worden erkend. ‘Ik belandde een jaar lang in de bureaucratische mallemolen van de IB-groep, tegenwoordig DUO.’ Met hulp van de LSVb stapte hij naar de rechter en kreeg uiteindelijk gelijk. Baarends: ‘Na lang zwoegen is de master geaccrediteerd als post-initiële master. Een vage restcategorie die zich ergens ophoudt tussen hbo-masters en wo-masters.’

Ontkenningsfase De RU beweert dat de correspondentie tussen Europese universiteiten juist van een leien dakje gaat. Internationaliseringscoördinator van de Letterenfaculteit Elly van der Borgh: ‘Omdat wij al geruime tijd contact hebben met buitenlandse universiteiten weten we precies welke eventuele verschillen er bestaan. Wij lichten de studenten van tevoren goed in, zodat alles prima verloopt.’ Die waarschuwing had voor rechtenstudent Jeroen Klein Egelink weinig zin. De cijfers die hij haalde in Italië werden niet ingevoerd. ‘Na bijna anderhalf jaar heb ik nog steeds mijn definitieve cijfers niet in KISS, op mijn lijst staan alleen maar V’s. Hoewel ze uiteindelijk vast wel worden ingevoerd en ik verder niet heel veel problemen ervaar, moet ik me nu continu verantwoorden tijdens sollicitaties.’ Van der Borgh: ‘Het komt inderdaad wel eens voor dat studenten op hun cijfers moeten wachten, maar dat gebeurt op elke universiteit. Doemscenario’s over 12 Spaanse ec’s die in Nederland maar 10 ec’s waard zijn, komen echter niet voor vanwege de gelijke norm in Europa.’ Ook secretaris Examencommissie Romaanse Talen en Culturen Marly Nas beweert dat er geen conversieproblemen zijn met ec’s die behaald zijn door Erasmusstudenten. ‘Sinds de Bologna-verklaring zijn de Europese studiepuntensystemen gelijk, waardoor problemen door verschillen uitblijven.’ Nu het onderwijssysteem in bijna alle landen van Europa gestandaardiseerd is, lijken de mogelijkheden tot een studie in het buitenland oneindig. Toch kunnen er wat haken en ogen zitten aan zo’n zorgeloze periode buiten de deur. De urennorm voor een studiepunt blijkt in ieder land weer anders, cijfers worden soms anders omgerekend of een diploma niet erkend. Misschien kan Kortman in zijn stimulerende redevoeringen voortaan ook de keerzijde van een buitenlandverblijf noemen?

Tekst: Pieter Hengst en Eva-Marijn de Vries

Klik hier voor alle artikelen van de ANS juni 2010.

Add a comment
Henk Strikkers

Ongefundeerd afgestraft

Verplichte zelftoetsen, voorwaardelijke hertentamens en een bindend studieadvies: met weinig wetenschappelijke maatregelen wil de RU haar studenten sneller door de studie heen loodsen. ‘Zolang de universiteit onduidelijk is, schiet zij haar doel voorbij.’

Scoor je bij de eerste poging lager dan een 4? Dan verlies je het recht op een hertentamen. Geen zelftoetsen gemaakt ter voorbereiding? Vergeet het maar, dan mag je überhaupt geen tentamen maken. Dergelijke drastische regelingen moeten een einde maken aan het lage studierendement in het universitaire landschap. Oud-minister Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de Vereniging van Universiteiten spraken in 2007 af dat in 2014 minstens 70 procent van de bachelorstudenten moet binnen vier jaar haar bachelorpapiertje hebben behaald. Met een eenmalige kapitaalinjectie van 1,3 miljoen euro - die de faculteiten naar eigen inzicht mogen besteden aan rendementsmaatregelen - doet ook de RU een duit in het zakje. Op de investering wordt lyrisch gereageerd, de concrete plannen oogsten echter minder lof.

Ridicule rendementen ‘De universiteit zet zich al jaren in om het onderwijs te intensiveren’, meent woordvoerder van het college van bestuur (CvB) Willem Hooglugt. Door het aantal contacturen te verhogen hoopte het bestuur studenten sneller door hun studie te loodsen. Dit bleek echter onvoldoende: slechts 59 procent van de Nijmeegse bachelorstudenten die zich een tweede jaar bij dezelfde opleiding inschrijft, heeft na vier jaar de bachelor behaald. Om de rendementen op peil te krijgen vroeg het CvB in november vorig jaar de Nijmeegse faculteiten afzonderlijk een plan in te dienen. Er werd beloofd dat daarvoor grof geld zou worden neergelegd. Inmiddels is de meerderheid van de voorstellen ingediend. De focus ligt duidelijk op eerstejaars. Zo stelt de Faculteit der Sociale Wetenschappen (FSW) tweewekelijkse verplichte zelftoetsen voor deze groep in en wil zij vanaf volgend jaar de eerste hertentamens ‘voorwaardelijk’ maken: scoor je bij de eerste tentamenmogelijkheid lager dan een 4, dan heb je geen recht op een tweede poging. Aan de bètafaculteit moet aan ‘extra eisen’ zoals aanvullende opdrachten worden voldaan, voordat een derde tentamenpoging mag worden gedaan. Bij de Faculteit der Managementwetenschappen kunnen docenten vanaf komend collegejaar sancties opleggen wanneer een student zich niet goed genoeg heeft voorbereid voor werkgroepen. Zo kan er een punt worden afgetrokken van het tentamencijfer. Als het aan het CvB ligt, wordt in 2011 bovendien een universiteitsbreed bindend studieadvies ingevoerd: studenten die in hun eerste jaar minder dan 40 studiepunten halen, worden gedwongen hun opleiding te staken. ‘Het belangrijkste doel is om snel te bepalen of eerstejaarsstudenten geschikt zijn om de bachelorstudie succesvol af te ronden’, legt Hooglugt uit. ‘Ten eerste is het in het belang van iedere student om zeker te zijn dat de juiste keuze is gemaakt en dat de studie past bij verwachtingen en capaciteiten. Zo niet, dan moet deze worden herzien. Ten tweede moeten studenten onmiddellijk leren dat studeren hard werken is. De jaren daarna moet hen vooral een spiegel worden voorgehouden om de voortgang te reflecteren. Dat kan met actieve student- en studiebegeleiding.’ Ook Hans Beentjes, vicedecaan Onderwijs aan de FSW, focust op eerstejaars. ‘Zij krijgen pas eind oktober de eerste feedback op hun resultaten, dat is veel te laat. Zo blijven ze al gauw een heel jaar aanmodderen. Onderzoek toont aan dat jonge mensen vaak beloven hun best te doen, maar moeite hebben die beloftes na te komen. Deze maatregelen helpen hen daarbij.’

Verregaande verschoolsing De verschillende studentenraden erkennen dat het hoog tijd is om besluiten te nemen voor een hoger studierendement. Er worden echter kanttekeningen geplaatst bij de huidige plannen. Zo vragen Erik Bouwman, lid van de Universitaire Studentenraad (USR), en Miriam Thye, lid van de Facultaire Studentenraad van FSW, zich ernstig af of het zelftoetssysteem zoden aan de dijk zet. ‘Je wordt verplicht de toetsen te maken, maar het resultaat is volstrekt onbelangrijk’, zegt Bouwman. Studenten die zomaar wat invullen, mogen dus gewoon deelnemen aan het tentamen. ‘Naar de meeste maatregelen is geen gedegen onderzoek gedaan’, verzucht Thye. ‘Het is volstrekt onduidelijk of ze inderdaad het beoogde effect hebben.’ Decaan Beentjes onderkent dat: ‘Het is nu eenmaal heel lastig de uitwerking van dergelijke maatregelen te meten, omdat er ontiegelijk veel variabelen meespelen.’ Guan Schellekens, lid van de USR en voorzitter van de commissie Onderwijs, Onderzoek en Maatschappelijke Dienstverlening, spreekt van ‘strafmaatregelen’. De meeste maatregelen zijn een stok achter de deur: je wordt gedwongen vakken sneller te halen. ‘Een van de problemen met dergelijke regelingen is dat studenten vaak amper op de hoogte zijn van de regels. Zolang de universiteit hierin niet duidelijk is, zal zij haar doel voorbij schieten.’ Bovendien zou de focus volgens Schellekens ergens anders moeten liggen. ‘Er zou meer moeten worden gekeken naar studie- en studentbegeleiding’, vindt hij. ‘Het CvB wijst op visitatierapporten die zouden aantonen dat de begeleiding in orde is. Die rapporten constateren bijvoorbeeld dat studieadviseurs een groot aantal uren krijgen, er wordt echter niet gekeken naar de praktijk. Sommige adviseurs functioneren ver onder de maat.’ De USR vindt dan ook dat de rendementsmaatregelen pas mogen worden ingevoerd wanneer het onderwijs voldoende op niveau is, anders verliest de universiteit onnodig studenten. Ook Thye denkt dat het accent anders zou moeten liggen. ‘In plaats van allerlei nieuwe maatregelen in te voeren, zou de universiteit er goed aan doen te kijken of colleges, werkgroepen en tentamens wel op niveau zijn. Vaak zijn werkgroepen verplicht, maar volstrekt nutteloos. Wanneer de kwaliteit wordt opgeschroefd, zal het rendement ongetwijfeld ook stijgen.’

De alma mater heeft echter haast. Woordvoerder Willem Hooglugt vreest de financiële gevolgen voor universiteit én student indien de rendementen niet stijgen. ‘Hoewel we niet weten wat de plannen van de nieuwe regering worden, kan ik met zekerheid zeggen: er is een maatschappelijke trend waarin van de student wordt verwacht dat deze harder gaat werken en binnen een afzienbare periode afstudeert.’ Het CvB valt niets te verwijten. Academici in spe moeten altijd nagaan of ze de juiste keuze hebben gemaakt, de universiteit heeft de rol hen hierin te stimuleren en te inspireren. Dat betekent echter niet dat aankomende eerstejaars mogen veranderen in proefkonijnen van ongefundeerde strafmaatregelen. Laat de faculteitsbesturen bij zichzelf te rade gaan: van een wetenschappelijke instelling kan immers op zijn minst worden verwacht dat zij slechts wetenschappelijk onderbouwde besluiten neemt.

Tekst: Timo Pisart

Klik hier voor de andere artikelen van de ANS mei 2010.

Add a comment
Henk Strikkers