ANSadvo 570x135

Openingsartikel thuiswonende eerstejaars

Eerstejaars, ga de deur uit

Of eerstejaarsstudenten vaker thuis blijven wonen door het leenstelsel, is het nog steeds onduidelijk. Wat het antwoord ook is; wie niet op kamers gaat, mist veel. Eerstejaars, laat je niet tegenhouden door het leenstelsel en trek de deur bij paps en mams stevig achter je dicht.

Tekst: Noor de Kort
Illustratie: Rens van Vliet

Dit artikel verscheen eerder in de derde editie van ANS.

Al voor de invoering van het leenstelsel werd uit verschillende hoeken van de studentenwereld geroepen dat door dit nieuwe financieringsbeleid meer studenten noodgedwongen bij hun ouders zouden blijven wonen. Afgelopen september, een jaar na de invoering, publiceerde Kences Kenniscentrum Studentenhuisvesting een onderzoek naar het huisvestingsgedrag van eerstejaarsstudenten. Volgens het onderzoek gingen er in collegejaar 2015-2016 inderdaad minder eerstejaars op kamers dan in collegejaar 2014-2015; van de startende bachelorstudenten tot 19 jaar zou het aandeel uitwonende studenten zijn gedaald van 28 naar 13 procent. Volgens Ardin Mourik, directeur van Kences, is deze daling een direct gevolg van het leenstelsel. ‘Studenten zien op tegen schulden en durven daardoor niet op kamers te gaan.’

Uit verschillende steden klonken geluiden dat de cijfers niet konden kloppen. Ook de Keuzegids Universiteiten deed onderzoek naar het huistvestingsgedrag van eerstejaars. Na bestudering van de resultaten uit de Nationale Studenten Enquête trok de Keuzegids de conclusie dat studenten niet vaker bij hun ouders blijven wonen; net als voorgaande jaren zouden drie op de vijf universitaire eerstejaars op kamers zijn gegaan. De tegenstrijdige rapporten scheppen veel verwarring. Eén ding is echter duidelijk: dat eerstejaars op tijd het ouderlijk huis verlaten wordt blijkbaar belangrijk gevonden, en dat gevoel is geheel terecht. Voor de persoonlijke ontwikkeling van studenten én voor Nijmegen als studentenstad is het belangrijk dat nieuwe studenten het ouderlijk huis vaarwel zeggen. Eerstejaars, laat je niet door het leenstelsel tegenhouden en ga op kamers.

'Je moet discipline hebben om naar colleges te gaan, te studeren, boodschappen te doen en voor jezelf te koken.'

Zelfredzaamheid geboden
Hoewel het makkelijk is wanneer het eten ’s avonds klaarstaat en de was voor je wordt gedaan, is het voor de ontwikkeling van studenten goed om op kamers te gaan. Je doet op deze manier vaardigheden op die de rest van je leven van pas zullen komen. Volgens Ron Scholte, hoogleraar Jeugdzorg aan de Radboud Universiteit (RU), word je op kamers gedwongen een regelmatig leven op te bouwen. ans nov3‘Je moet de discipline hebben om naar colleges te gaan, te studeren, boodschappen te doen en voor jezelf te koken.’ Hierdoor ontwikkel je een zelfstandigheid die minder noodzakelijk is wanneer je nog veilig onder de vleugels van papa en mama zit, aldus Scholte. ‘Je leert vooral hoe je je aan kunt passen aan nieuwe situaties en hoe je kunt omgaan met tegenslagen. Dit maakt je rijper om na je studie de arbeidsmarkt op te stappen.’ Wie tot zijn dertigste bij paps en mams vertoeft, loopt de kans dat hij dan nog niet eens zelf een wasje kan draaien.

Wim Meeus, hoogleraar Adolescentie aan de Universiteit Utrecht en hoogleraar Ontwikkelingspsychologie aan Tilburg University, stelt dat het niet goed is als je pas op latere leeftijd je eigen boontjes moet gaan doppen. ‘Gedurende je hele leven moet je taken combineren als werken, het huishouden organiseren en kinderen opvoeden, en daarnaast wil je je vrije tijd ook nog op een leuke manier besteden. Daarom is het beter als je zo vroeg mogelijk leert zelfstandig te zijn.’ Voor het ontwikkelen van vaardigheden die bijdragen aan zelfstandigheid en het leren combineren hiervan is het dus van groot belang de stap uit het ouderlijk huis op vroege leeftijd te wagen.

Sneller sociaal
Naast het leren klaarmaken van een pasta-pesto is er bij de verhuizing ook op sociaal vlak sprake van grote vooruitgang. Als je woont in de stad waar je studeert, is het veel makkelijker om een sociaal netwerk op te bouwen. Volgens Scholte wordt met name dit sociale aspect van op kamers gaan wel eens onderschat. ‘Je laat als eerstejaars een relatief veilig leven achter je en moet een totaal nieuw sociaal netwerk vinden.’ Het leggen van een goede basis hiervoor gaat sneller als daar meer tijd voor is. ‘Ik denk dat mensen die uitwonend zijn sneller een sociaal leven opbouwen met studiegenoten dan thuiswonende studenten die na elk college weer de trein naar huis moeten pakken’, stelt Scholte. Wie op kamers woont, heeft bijvoorbeeld tijd om lid te zijn van een studenten(sport)vereniging om nieuwe contacten op te doen. Binnen deze verenigingen kan je dan ook eerder in een commissie plaatsnemen of een bestuursfunctie vervullen. Een mooi bijkomend voordeel is dat een student zijn cv hiermee weer net iets mooier kan aankleden dan met alleen zijn opleiding.

'Natuurlijk veroorzaken studenten ook wel eens overlast, maar zonder hen zou Nijmegen een veel minder bruisende stad zijn.'

Saaie provinciestad
Wanneer studenten minder snel op kamers gaan, zal dit gevolgen hebben voor Nijmegen als studentenstad. Vincent Buitenhuis, woordvoerder van de Stichting Studenten Huisvesting Nijmegen (SSH&), bevestigt dit. ‘Het studentenleven zal zich meer in collegebanken afspelen en studenten zullen minder stappen. Een stad als Nijmegen zou daar echt onder lijden. Natuurlijk veroorzaken studenten ook wel eens overlast, maar zonder hen zou Nijmegen een veel minder bruisende stad zijn.’ Studenten zijn naast sfeermakers ook de grootste afnemers van bier in cafés als De Fuik en Van Buren. Stappende, zuipende studenten brengen dus geld in het laatje en leven in de brouwerij. Wil Nijmegen niet veranderen in een ingeslapen provinciestad aan de Waal, dan is het dus van groot belang dat eerstejaars op kamers blijven gaan.

Of eerstejaarsstudenten in collegejaar 2015-2016 minder vaak op kamers gingen dan in het collegejaar daarvoor is tasten in het duister. Dat het goed is om op kamers te gaan, blijft hoe dan ook overeind. Door deze ervaring ontwikkelen studenten zich tot zelfredzame mensen. Ze doen vaardigheden op die de rest van hun leven van groot belang zijn. Bovendien is het opbouwen van een sociaal leven makkelijker als potentiële nieuwe vrienden in de buurt wonen. Ook voor Nijmegen als studentenstad is het ook essentieel dat studenten kiezen voor een woonplek in de stad. Eerstejaars, laat je niet afschrikken door het leenstelsel en verlaat het ouderlijk nest. Sla je vleugels uit en beleef de tijd van je leven. De extra euro’s die je noodgedwongen zal moeten lenen, zullen het meer dan waard zijn. 

Add a comment
Redactie
Openingsartikel universitaire taaltoetsen

Muiterij op 't kofschip

Tenenkrommende taalfouten, waardeloos gespelde werkwoorden en slordige tekststructuren. Het taalniveau van veel studenten is beroerd. Universiteiten proberen het niveau op te krikken met taaltoetsen, maar het probleem moet worden opgelost in het voortgezet onderwijs.

Tekst: Vera Crienen
Illustratie: Eireen Westland

Dit artikel verscheen eerder in de tweede editie van ANS.

De Nederlandse taalvaardigheid van veel studenten op de universiteit is gebrekkig. Essays, werkstukken en zelfs scripties zitten vol slechte spelling en rare zinsconstructies. Veel studenten beheersen spelling en grammatica onvoldoende. Dit probleem is ook op de Radboud Universiteit (RU) niet nieuw. Universiteitsblad Vox hield in 2011 een taaltoets Nederlands onder studenten, waarbij driekwart van de deelnemers zakte.

Om hen een kompas te bieden in de woeste zeeën van de Nederlandse taal voeren universiteiten taaltoetsen of extra taalcursussen in. Ook op de RU hebben de Faculteit der Rechtsgeleerdheid (FdR) en de Faculteit der Letteren (FdL) een taaltoets ingevoerd. Dat de universiteiten het probleem erkennen en zoeken naar oplossingen is een goede zaak, maar het probleem zou moeten worden opgelost op middelbare scholen. Studenten moeten hier de basistaalvaardigheden van het Nederlands goed leren, zodat er op de universiteit meer ruimte is voor het eigen maken van academische vaardigheden.

'In de bovenbouw van de middelbare school verdwijnt spelling en zinsbouw uit het curriculum van het vak Nederlands.'

Het leerlijntje strak houden
Op de middelbare school wordt te weinig aandacht besteed aan correct Nederlands schrijven. Volgens Anna Bosman, hoogleraar Dynamiek van Leren en Ontwikkeling aan de RU, ligt dat aan de vorm van het eindexamen Nederlands. ‘Nu is er vooral aandacht voor begrijpend lezen. Het schrijven van een correct en coherent verhaal wordt niet getoetst.’ Toch zegt het ministerie van Onderwijs dat het behalen van het eindexamen een goede beheersing van de Nederlandse taal betekent.

illustratie ans taal studenten eireen westland witVolgens Wilbert Spooren, hoogleraar Taalbeheersing van het Nederlands aan de RU, is er in de onderbouw van het voortgezet onderwijs juist veel aandacht voor taalvaardigheden als spelling en eenvoudige zinsbouw. ‘Aan het einde van de derde klas van de middelbare school zijn de meeste leerlingen uitstekend in staat om correct Nederlands te schrijven. In de bovenbouw verdwijnt spelling en zinsbouw echter uit het curriculum. De aandacht verschuift dan van foutloos schrijven naar begrijpend lezen. Dit heeft als effect dat taalverzorging minder belangrijk wordt geacht door leerlingen.’

Taalvaardigheden moet je je leven lang blijven oefenen. Dat gaat in fases; je begint met spelling en zinsopbouw en gaat verder met verbanden beschrijven en bronnen over- zien. Op de middelbare school wordt deze leerlijn echter onderbroken. Tijdens de gehele middelbare schoolpe- riode zou er aandacht voor taalverzorging moeten zijn. Op die manier hoeft de universiteit de studenten niet na een pauze weer te herinneren aan het belang van correct Nederlands schrijven.

Duidelijke taal
Wanneer er veel taalfouten in scripties of essays staan, hebben docenten bij het nakijken minder aandacht voor de inhoud van het stuk. Het corrigeren van spel- en taalfouten kost tijd en leidt af van de inhoud. Bosman merkt dat grote groepen studenten niet in staat zijn om goede zinnen te schrijven en daardoor geen heldere boodschap over kunnen brengen. ‘De spelling is bij velen echt verschrikkelijk.’

'De spelling is bij veel studenten echt verschrikkelijk.'

‘Op de RU is al veel aandacht voor taalvaardigheden, want correct Nederlands kunnen schrijven is belangrijk voor een academicus’, vervolgt Bosman. ‘We proberen eerste- en tweedejaars studenten de basisvaardigheden bij te brengen, maar eigenlijk wil je ze leren een goed wetenschappelijk stuk te schrijven. We zouden graag willen dat de techniek om een stuk te schrijven, zoals correct spellen en formuleren, op de universiteit al aanwezig is.’ Spelling en grammatica zijn basisvaardigheden en geen zaken voor het Wetenschappelijk Onderwijs. Op de universiteit moet aandacht worden besteed aan academische vaardigheden zoals verbanden beschrijven, conclusies trekken en bronnen overzien.

Ti taal tovermiddel
De universiteit is niet de plek is om studenten basisvaardigheden van de Nederlandse taal bij te brengen. Daarnaast is een taaltoets op de universiteit geen echte oplossing voor de belabberde taalvaardigheden van studenten. Op de RU bestaat er op de FdL en de FdR een taaltoets voor stude ten. Spooren vertelt dat het invoeren van de taaltoets op de FdL past bij de landelijke tendens. ‘Onder docenten aan universiteiten bestaat er een algemeen onbehagen over het feit dat het niveau van taalbeheersing en taalverzorging van de studenten die binnenkomen vaak te wensen overlaat.’ De taaltoets is per opleiding gekoppeld aan een vak waarbij wetenschappelijk schrijven wordt geleerd. Een onvoldoende voor de taaltoets betekent ook een onvoldoende voor het vak. Spooren gelooft echter niet dat de taaltoets het tovermiddel is om taalvaardigheden te bewerkstelligen. ‘Het effect dat ik er wel van verwacht, is dat taalverzorging en correct taalgebruik weer belangrijk worden gevonden door studenten.’

Ook Bosman denkt dat de taaltoetsen aan de universiteit geen oplossing zijn voor het gebrekkige taalniveau van studenten. ‘Een taaltoets heeft weinig zin. Dit is een probleem van jarenlange achterstand. Dat krijg je niet binnen een half jaar weggepoetst.’

De muiterij op ’t kofschip moet worden neergeslagen, maar niet door de universiteit. In het voortgezet onderwijs bestaat een onderbreking van de leerlijn van Nederlandse taal. Deze lijn moet weer worden hersteld, zodat de studenten zich op de universiteit kunnen richten op complexere problemen die komen kijken bij het schrijven van academische teksten. Door de aandacht voor taalverzorging niet halverwege de middelbare schoolperiode overboord te gooien, hoeven universiteiten niet achter een jarenlange achterstand aan te hollen. De taaltoets op de universiteit zal dan weer verleden tijd worden en ’t kofschip zal een juiste koers varen. 

Voor de overige artikelen van deze ANS, klik hier.

Add a comment
Redactie
Openingsartikel slechte ICT-vaardigheden

Digibete Docenten

Docenten op de Radboud Universiteit zijn tijdens colleges te vaak aan het klungelen met de computer of andere elektronica. Colleges worden hierdoor verstoord en vertraagd. De RU moet docenten een cursus in de basisvaardigheden van ICT aanbieden.

Tekst: Vera Crienen
Illustratie: Jurgen Tesselaar

Dit artikel verscheen eerder in het eerste nummer van ANS

Tijdens een college wil de docent een filmpje laten zien op YouTube, als ondersteuning van de collegestof. Wanneer het filmpje eindelijk op het scherm verschijnt, zoekt hij nog tien minuten naar het play-knopje. Ineens knalt er een oorverdovend geluid uit de boxen. De docent zoekt koortsachtig naar de volumeknop. Uiteindelijk moet een student in de zaal de paniekerige professor uit zijn lijden verlossen door het probleem met twee muis- klikken te verhelpen. Het gebrek aan simpele ICT-vaardigheden bij docenten is een herkenbaar probleem onder studenten van de Radboud Universiteit (RU).

Docenten hebben tijdens colleges vaak problemen met de apparatuur die aanwezig is in de collegezaal. Het gaat hierbij om het eenvoudige gebruik van bijvoorbeeld smartboards, microfoons, projectieschermen en het omgaan met programma’s als PowerPoint of websites als YouTube. De basiskennis van docenten over de apparatuur die zij gebruiken in colleges, wordt niet getest voor het uitgeven van de Basiskwalificatie Onderwijs (BKO), de verplichte kwalificatie voor docenten aan de universiteit. Het gepruts van docenten met elektronica gaat echter ten koste van de collegetijd en –kwaliteit. Bovendien lopen docenten een steeds grotere achterstand op, want de ontwikkelingen van ICT in het onderwijs gaan gewoon door. Docenten krijgen vaak te maken met nieuwe software of toepassingen zoals weblectures. De RU biedt docenten nog geen mogelijkheden om de basisvaardigheden te ontwikkelen, maar kan dit probleem eenvoudig oplossen door een cursus te regelen die docenten met gebrek aan ICT-basisvaardigheden bijspijkert.

Afleiding en irritatie
Het aanmodderen van docenten met elektronica gaat ten koste van de collegetijd. Wanneer een docent wanhopig aan het klungelen is, grijpen studenten vaak zelf in. Vanuit de collegebank roepen ze aanwijzingen naar de docent: ‘dat icoontje rechtsonder!’ of ‘dubbel klikken!’ Uiteindelijk moet een student het heft in handen nemen en naar voren lopen om de docent te helpen. Naast het feit dat er op deze manier minder tijd is om de collegestof te behandelen, werkt het gepruts afleidend, omdat het verhaal van de docent erdoor wordt onderbroken. De vertragingen en onderbrekingen roepen irritaties op bij zowel docent als student en deze kunnen de onderwijskwaliteit negatief beïnvloeden.

‘Hoe moet het geluid aan?’
Het gebrek aan kennis bij sommige docenten van de apparatuur bestaat omdat dit soort basisvaardigheden niet worden getest. Voor het uitgeven van de BKO worden de onderwijscompetenties van docenten getoetst. Bij de BKO wordt wel aandacht besteed aan het toepassen van ICT in het onderwijs op een zinvolle manier, maar daarbij wordt niet gekeken naar basisvaardigheden van en praktische kennis over elektronica. Wanneer een docent bijvoorbeeld niet weet hoe hij in een powerpoint een dia teruggaat, hoe het volledig-schermknopje bij een filmpje eruit ziet, of wat YouTube is, zal dat bij de BKO niet naar voren komen. De BKO is landelijk geregeld en wordt door elke Nederlandse universiteit erkend. Omdat basiskennis van ICT niet is opgenomen in de BKO, zou de RU zelf moeten zorgen dat haar docenten deze bezit.

anonieme academische digibeten groot

Ain’t nobody got time for that
Wanneer docenten de basiskennis van elektronica missen, lopen zij een achterstand op in de beheersing van hogere ICT- vaardigheden. De snelle ontwikkelingen van ICT in het onderwijs zijn moeilijker bij te houden voor docenten wanneer ze zelfs de basisvaardigheden van ICT niet onder de knie hebben. Aan de RU is veel aandacht voor het gebruik van ICT in het onderwijs. Regelmatig worden er cursussen gegeven over nieuwe software en over het didactisch gebruik hiervan. Zo zijn er cursussen over het gebruik van Turnitin, het nieuwe programma om het werk van studenten te controleren op plagiaat, of het gebruik van weblectures in de colleges. Ook worden er workshops georganiseerd voor onder andere het geavanceerd gebruiken van PowerPoint en het maken van educatieve video’s voor het ondersteunen van een college. Een cursus over het zelf maken van video’s werpt zijn vruchten echter niet af bij docenten die nog niet eens een filmpje fatsoenlijk kunnen afspelen. Deze docenten hebben meer aan een cursus die bij nul begint.

Noël Vergunst, coördinator van de afdeling Onderwijsondersteuning van de RU, erkent het probleem van gebrek aan ICT-basisvaardigheden: ‘We zien tijdens cursussen over nieuwe software grote verschillen in hoe handig mensen zijn met computers’. Vergunst vindt echter dat docenten de professionele plicht hebben om zichzelf te bekwamen wanneer ze ergens in tekort schieten. ‘Hiervoor moeten ze wel de tijd en middelen krijgen van de universiteit.’ De middelen zijn er genoeg voor gevorderen in ICT, maar de beginners worden op dit moment vergeten.

Volgens Monique van Vegchel, voorzitter van de Universitaire Studentenraad (USR), is juist tijd de valkuil van een nieuwe cursus voor ICT-vaardigheden. ‘Als USR zijn wij natuurlijk voor alles wat colleges verbetert. Colleges worden steeds interactiever en daarbij is kennis van ICT nodig. Op de RU krijgen docenten echter alleen financiële compensatie voor het volgen van een cursus, geen tijdscompensatie’, vertelt Van Vegchel. ‘Docenten hebben geen tijd om elke cursus te volgen die aangeboden wordt.’ De centrale cursus die de RU zou moeten aanbieden, hoeft echter niet veel tijd in beslag te nemen. Een paar uur in totaal is al voldoende, waardoor de tijdscompensatie vanuit de RU makkelijk te regelen is.

Korte knoppencursus
De RU zou een centraal geregelde cursus moeten aanbieden voor alle docenten die bijscholing nodig hebben in het omgaan met elektronica en apparatuur op basisniveau. De RU gaat er nu vanuit dat docenten de ICT-basisvaardigheden al beheersen. Zo niet, dan is het hun eigen verantwoordelijkheid om hiervoor hulp te zoeken. Dit gebeurt op dit moment te weinig, waardoor het gebrek aan kennis over elektronica blijft bestaan. Docenten blijven achterlopen met hun ICT-vaardigheden, waar de effectieve collegetijd en onderwijskwaliteit onder lijden. Bovendien zal deze achterstand alleen maar groter worden naarmate de ICT in het onderwijs zich blijft ontwikkelen. Zolang de basisvaardigheden niet worden getoetst in het BKO, moet de RU zelf haar docenten hierin opleiden. Het probleem van onkundige docenten wat betreft elektronica is de verantwoordelijkheid van zowel de RU als de docent zelf. Door het aanbieden van een korte, maar krachtige cursus kunnen docenten de stap naar bijscholing makkelijker maken, zodat paniekerige docenten die tijdens het college prutsen met de computer tot het verleden zullen behoren.

Add a comment
Redactie
Openingsartikel Studentenprivacy

Surfen zonder Stasi

Studenten verwaarlozen hun online privacy, zo blijkt uit recent onderzoek. Dit is dom, want het web zit vol gevaren. Ze moeten wakker worden en zichzelf beter beschermen tegen onheil op het internet.

Tekst: Auke van der Veen
Illustratie: Jeroen Wintraecken

Dit artikel verscheen eerder in het zevende nummer van ANS

Studenten vinden het wel belangrijk, maar doen er nauwelijks moeite voor: online privacy. Voor het recht op bescherming van je persoonlijke levenssfeer op het internet, zodat je zelf kunt bepalen wat anderen over je weten, nemen ze nauwelijks maatregelen.

Dit blijkt uit een recent onderzoek van jongerenonderzoeksbureau Qrius, dat werd gehouden onder 1032 WO-, HBO- en MBO-studenten. 94 procent van de ondervraagden gaf aan online privacy heel belangrijk te vinden. 42 procent is daar echter ‘niet zo actief’ of zelfs ‘helemaal niet actief’ mee bezig: ze beschermen hun online privacy niet goed. De ondervraagden noemen wel risico’s waar sommigen van hen mee te maken hebben gehad, zoals gestolen bankgegevens, persoonlijke foto’s die openbaar worden gemaakt, gehackte sociale media-accounts, identiteitsfraude en het ongewenst benaderd worden door bedrijven. De lakse houding van studenten is onverstandig, want de risico’s van slecht letten op online privacy zijn te groot om te verwaarlozen.

Online ellende
Als je weinig aandacht besteed aan online privacy liggen er volgens Bart Jacobs, hoogleraar Software Security and Correctness aan de Radboud Universiteit (RU) drie grote gevaren op de loer. Het eerste gevaar is identiteitsfraude: wanneer iemand de kans krijgt zich op het web als jou voor te doen en bijvoorbeeld een telefoonabonnement afsluit, draai jij op voor de kosten en de gevolgen. Stasi hoofdilluHet tweede gevaar is profilering met prijsdiscriminatie. Hierbij krijgen commerciële partijen jouw gegevens en met deze informatie kunnen ze prijzen van online advertenties specifiek op jou afstemmen, waardoor je vaak meer betaalt dan een ander. Tenslotte bestaat er volgens Jacobs het risico van reputatieschade. ‘Het helpt niet als een potentiële werkgever foto’s ziet waarop je dronken op de biljarttafel staat te dansen.’

Deze drie risico’s zijn het grootst op sociale media. Paul Sikkema, directeur van Qrius, benadrukt het gevaar van het delen van foto’s van jezelf en het posten van persoonlijke informatie. ‘Criminelen kunnen die gegevens tegenwoordig steeds makkelijker verkrijgen en gebruiken om je identiteit over te nemen.’ Volgens Jaap-Henk Hoepman, wetenschappelijk directeur van het Privacy en Identity Lab aan de RU, is het gevaar van prijsdiscriminatie groter als je veel persoonlijke informatie op sociale media zet. ‘Met meer gegevens kunnen bedrijven je eenvoudiger traceren, oftewel weten wat je persoonlijke voorkeuren zijn.’

Vooral de smartphone heeft het risico op privacyproblemen de afgelopen jaren ernstig vergroot. Dit komt volgens Hoepman doordat we aan de lopende band apps installeren, die veel persoonlijke informatie opvragen. ‘Ik noem de smartphone een Stasi-agent in je broekzak, want hij weet meer van je dan de gemiddelde Oost-Duitse geheim agent van dertig jaar geleden.’ Hij noemt technologiereus Google als voorbeeld van een bedrijf dat veel van je weet en dat gemakkelijk prijsdiscriminatie kan toepassen door die persoonlijke informatie. ‘Op een Androidtelefoon is standaard ingesteld dat je locatie wordt gedeeld met Google. Dit bedrijf kan op die manier heel goed voorspellen waar jij volgende week misschien iets wilt kopen.’

De luie student
Waarom doen studenten niet hun best hun online privacy te verbeteren? Sikkema vindt het niet per se vreemd dat mensen zeggen dat ze privacy belangrijk vinden, maar er simpelweg niet naar handelen als puntje bij paaltje komt. ‘Dit doen de meeste mensen van nature. Bij studenten is dit ook precies wat uit ons onderzoek naar voren komt’, aldus de directeur van Qrius.

De huidige generatie studenten is daarnaast ondergedompeld in het technologische leven en daardoor volgens Sikkema minder oplettend. ‘De student is eraan gewend allerlei persoonlijke informatie te delen via apparaten als smartphones. Stasi backup illuTegenwoordig is het risico dat er iets misgaat wel aanwezig, maar nog niet enorm, dus een voorzichtige houding lijkt hen onnodig.’

Bewuste bescherming
Studenten weten dat online privacy belangrijk is, zo blijkt uit het Qrius-onderzoek. ‘De risico’s waarover ik sprak zijn echter nog niet bekend onder veel studenten’, zegt Hoepman. Sikkema is het hiermee eens. ‘De ondervraagden in ons onderzoek geven niet voor niets expliciet aan betere voorlichting over online privacy te willen krijgen.’

Als studenten zich bewuster zijn van de gevaren, kunnen ze zich weren tegen apps die enorm veel persoonlijke informatie opvragen. Hoepman noemt WhatsApp als voorbeeld. ‘Als je je bewust bent van de gevaren van online privacy, kun je het bedrijfsleven dwingen om privacygevoelige maatregelen te treffen. Vóór begin april was WhatsApp totaal niet privacyvriendelijk, omdat de app alle contacten uit je adresboek nam en je berichten opsloeg op een centrale server. Dankzij maatschappelijke druk is dit laatste niet meer het geval met zogenaamde end-to-end-encryptie, waardoor de inhoud van je berichten nu privé blijft. Je adresboek wordt wel nog steeds gedeeld met WhatsApp.’ De situatie is nu veiliger, maar alleen doordat deze maatregel bij WhatsApp is afgedwongen.

Online privacy verwaarlozen is een grote misstap. Het is als student tegenwoordig misschien makkelijk om tijdens college je smartphone te pakken en van alles het web op te slingeren, maar het is ook gevaarlijk: identiteitsfraude, profilering met prijsdiscriminatie en reputatieschade liggen op de loer. Huidige studenten groeien op in een tijd waarin op steeds grotere schaal persoonsgegevens worden verzameld. Ze zouden daarom met het oog op de toekomst beter moeten nadenken over hoe ze zich tot online privacy willen verhouden. Ze zullen uit hun slaap moeten ontwaken en bewuster moeten worden van de bedreigingen zodat deze effectief in toom kunnen worden gehouden. In de toekomst zal de nieuwsgierige Stasi-agent in je broekzak dan misschien wat minder ballen hebben. 

Add a comment
Redactie
Openingsartikel werkervaringsplekken

Weg met de boekenbonbaan

Veel afgestudeerden kiezen bij gebrek aan beter voor werkervaringsplekken. Hoewel zij hier hetzelfde werk verrichten als gewone werknemers, is de beloning soms slechts een boekenbon per maand. Werkervaringsplekken leiden tot uitbuiting van alumni en moeten daarom worden afgeschaft.

Tekst: Noor de Kort
Illustratie: Bas van Woerkum

Dit artikel verscheen eerder in het zesde nummer van ANS

Je bent na je studie op zoek naar een baan, maar steeds weer wordt er gevraagd naar mensen ‘met ervaring’. Voor werk heb je ervaring nodig en voor ervaring heb je werk nodig. Het vinden van een weg naar de arbeidsmarkt is hierdoor moeilijk. Werkervaringsplekken spelen handig in op deze situatie. BoekenbonbaanHoewel een werkervaringsplek aanvankelijk als de ideale navigatie naar een topbaan klinkt, is de praktijk een stuk minder rooskleurig. Voor veel afgestudeerden is de drempel om een klacht over een werkervaringsplek in te dienen hoog, omdat ze bang zijn deze plek kwijt te raken. FNV Jong startte daarom vorig jaar een anoniem meldpunt. Esther Crabbendam, woordvoerder van FNV Jong, vertelt dat er al meer dan driehonderd klachten binnen zijn gekomen. De meeste klachten komen uit de sectoren psychologie, orthopedagogiek, architectuur en communicatie.

Veel afgestudeerden kunnen niet direct aan de slag op een normale werkplek. Vacatures voor betaalde banen zijn er nauwelijks, waardoor zij uiteindelijk vaak noodgedwongen kiezen voor een werkervaringsplek. Bij deze plekken ontbreken maar al te vaak begeleiding en een leerplan, en het draaien van meer winst is het hoofddoel. Voor dit harde werk krijgen afgestudeerden meestal niets terug; regelmatig wordt het vaste contract dat in het vooruitzicht is gesteld, nooit werkelijkheid. Werkervaringsplekken maken de weg vrij voor uitbuiting van alumni en moeten daarom worden afgeschaft.

Benarde positie
Werkervaringsplekken brengen afgestudeerden op de arbeidsmarkt in een benarde positie. Door een gebrek aan aanbod van betaalde banen wordt genoegen genomen met een werkervaringsplek. Ervaring opdoen is immers belangrijk en een gat op je cv staat bovendien niet erg mooi. Doordat afgestudeerden werkervaringsplekken accepteren, kunnen werkgevers deze goedkope banen blijven aanbieden in plaats van normale banen. Deze situatie is voor werkgevers zeer gunstig, vertelt Crabbendam. ‘Je ziet dat er misbruik wordt gemaakt van het feit dat jongeren zo graag werk willen, dat ze ook werk leveren tegen een stagevergoeding in plaats van tegen normaal loon.’ Op deze manier concurreren afgestudeerden hun eigen betaalde banen weg. Alleen een massale weigering van werkervaringsplekken zou tot meer aanbod van betaalde banen kunnen leiden. Als de ene afgestudeerde de werkervaringsplek weigert, gaat een lotgenoot echter wel in zee met de werkgever. Afgestudeerden voelen zich hierdoor gedwongen werk onder het minimumloon te accepteren.

Op het matje
Werkervaringsplekken worden daarnaast door werkgevers ingezet als een middel om te bezuinigen. Volgens de wet moet bij werkervaringsplekken het leeraspect de hoogste prioriteit krijgen en het werk een aanvulling zijn. Als dit niet het geval is, is er namelijk sprake van een arbeidsovereenkomst en mag de werknemer minimumloon eisen. Voor de werkgever is geld verdienen echter vaak belangrijker dan afgestudeerden ervaring op laten doen. Dit komt naar voren uit de klachten die werden ingediend bij FNV Jong. Van de personen die een klacht instuurden, zegt 72 procent dat er geen verschil is tussen het werk dat zij uitvoerden en het werk dat door betaalde werknemers werd gedaan. Productie draaien is in dit geval dus niet meer voorbehouden aan werknemers met een arbeidsovereenkomst. 93 procent van de klagers geeft daarnaast aan dat er geen sprake was van een leerplan.

'Van de personen die een klacht instuurden, zegt 72 procent dat er geen verschil is tussen het werk dat zij uitvoerden en het werk dat door betaalde werknemers werd gedaan.'

In de uitzending van 3 januari van het televisieprogramma De Monitor wordt orthopedagoog Sara den Hartog geïnterviewd, die twee jaar geleden werkte op een werkervaringsplek. Ook zij vertelt dat productie draaien hier het voornaamste doel was. Van Den Hartog werd verwacht dat ze meedraaide als een volwaardige werknemer en begeleiding was er nauwelijks. Ze kreeg zelfs een productienorm opgelegd en werd op het matje geroepen wanneer ze hier niet aan voldeed. Tegenover al haar inspanningen werd geen ruimhartige beloning gesteld: een boekenbon van 12,50 euro per maand. Afgestudeerden als Den Hartog zijn heel goedkope werknemers en werkgevers maken gretig gebruik van deze arbeidskrachten.

Dode mus
Een werkervaringsplek is bedoeld als opstap naar een betere positie op de arbeidsmarkt. Veel starters komen echter niet verder dan het opstapje, want na een periode hard werken tegen een mager loont staan veel van hen weer op straat. Werkervaringsplekken zijn op deze manier onzinnig; alle geïnvesteerde moeite leidt immers tot niets. Crabbendam vertelt in de aflevering van De Monitor dat alumni klagen dat ze van werkgevers meermaals de belofte krijgen dat er zicht is op een vaste aanstelling. Dit is dan telkens niet het geval. ‘Je wordt steeds blij gemaakt met een dode mus.’

'Als het voorgehouden toekomstperspectief slechts een illusie is, dienen werkervaringsplekken niet hun doel en zijn ze overbodig.'

Orthopedagoog Carlijn de Vroege vertelt in De Monitor dat zij bij haar aanstelling de toezegging kreeg na twee maanden te kunnen doorstromen naar een betaalde baan. Deze periode werd echter verlengd naar een jaar en de beloning was 50 euro per maand, terwijl ze hetzelfde werk deed als de betaalde werknemers. Uiteindelijk moest De Vroege het bedrijf in november 2014 ‘vanwege de transitie in de gezondheidszorg’ verlaten, waarna de werkervaringsplek weer werd ingenomen door een andere recent afgestudeerde. Contracten van werkervaringsplekken worden eerst vaak verlengd, waarna de afgestudeerde uiteindelijk alsnog het bedrijf uit wordt gegooid. Als het voorgehouden toekomstperspectief slechts een illusie is, dienen werkervaringsplekken niet hun doel en zijn ze overbodig.

Halve boekwinkel
Werken op een werkervaringsplek klinkt als een goede start van je carrière, maar het tegengestelde is vaak het geval. Veel afgestudeerden kiezen na de vergeefse zoektocht naar een betaalde baan noodgedwongen voor een werkervaringsplek. Werkgevers kunnen de banen op deze manier blijven aanbieden en slaan ook nog munt uit de werkervaringsplekken. Niet leren, maar produceren staat vaak centraal. Eenmaal op de werkervaringsplek laat de beloofde vaste aanstelling regelmatig langer op zich wachten dan toegezegd. In sommige gevallen moet de harde werker na verlenging op verlenging van het contract zelfs weer plaats maken voor een andere harde werker. Werkervaringsplekken houden uitbuiting van alumni in stand en moeten daarom worden afgeschaft. Hopelijk kopen starters dan in de toekomst met hun net verdiende salaris niet één boek, maar de halve boekwinkel leeg. 

Add a comment
Redactie
De RU doet zichzelf en haar studenten tekort

In de mood voor MOOCs

Massive Open Online Courses schieten als paddenstoelen uit de grond in Nederland. De Radboud Universiteit is echter een eigenwijze kabouter en gaat niet mee in deze ontwikkelingen. De RU doet zichzelf en haar studenten hiermee tekort.

Tekst: Vera Crienen
Illustratie: Jurgen Tesselaar

Dit artikel verscheen eerder in het vijfde nummer van ANS

Massive Open Online Courses (MOOCs) zijn gratis online cursussen waar iedereen zich voor kan inschrijven. Deze bestaan niet alleen uit online colleges en lesstof, maar ook uit opdrachten die via het internet moeten worden ingeleverd. Een MOOC is een compleet op zichzelf staande cursus die duizenden deelnemers kan hebben.

Minister Bussemaker van Onderwijs startte vorig jaar de stimuleringsregeling Open en Online Onderwijs, omdat ze wil dat hogeronderwijsinstellingen meer gaan experimenteren met online onderwijs in hun opleidingen. Bussemaker stelt tot 2018 in totaal een miljoen euro per jaar beschikbaar voor projectvoorstellen van instellingen, zoals de ontwikkeling van een MOOC. De Technische Universiteit Delft, Universiteit Leiden (UL), Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en andere Nederlandse universiteiten zijn al enkele jaren bezig met het maken of gebruiken van MOOCs.

De Radboud Universiteit (RU) is een van de universiteiten die nog mist in dit rijtje. Ondanks de vele ontwikkelingen op het gebied van MOOCs blijft de RU terughoudend ten opzichte van deze vernieuwende vorm van onderwijs. De RU heeft niet alleen zichzelf daarmee, maar benadeelt ook haar studenten.

illuMOOC

MOOC-power
Zowel Minister Bussemaker als de deelnemende universiteiten zien kansen in het gebruik van MOOCs. Volgens Michiel Hendrikx, woordvoerder van het ministerie van Onderwijs, geven MOOCs de mogelijkheid voor instellingen om gebruik te maken van het beste onderwijs van over de hele wereld. ‘De student profiteert hier direct van en kan breder dan alleen binnen de eigen instelling op zoek naar uitleg, verdieping en verbreding’, stelt Hendrikx. MOOCs vergroten volgens hem daarnaast de toegankelijkheid van het onderwijs. ‘Daardoor krijgt de student meer keuzemogelijkheden in zijn studieprogramma.’ Universiteiten profiteren zelf ook van MOOCs. Gideon Shimshon, directeur van het Centre for Innovation van de UL, noemt internationale verspreiding van kennis een van de belangrijkste redenen voor het maken van MOOCs. ‘Als publieke organisatie streeft een universiteit naar wereldwijde kennisverspreiding en dat is mogelijk met MOOCs’, vertelt hij.

‘We hebben 22 duizend studenten aan onze universiteit, maar met de MOOCs bereiken we 350 duizend mensen in meer dan 180 landen’

De UL is de eerste onderwijsinstelling in Nederland die begon met het maken van een MOOC in 2013. Inmiddels staan er vijftien cursussen online die massaal worden gevolgd. ‘We hebben 22 duizend studenten aan onze universiteit, maar met de MOOCs bereiken we 350 duizend mensen in meer dan 180 landen’, zegt Shimshon. MOOCs geven een universiteit de mogelijkheid om zichzelf internationaal te profileren. Tom Spits, MOOC-coordinator van de RUG, vertelt dat duizenden mensen zich inschrijven voor hun MOOCs. De eerste MOOC van de RUG werd in 2014 gelanceerd en op dit moment staan er vijf verschillende cursussen online. ‘Je kunt dit zien als reclame voor je instituut. Wanneer veel mensen zich inschrijven en vervolgens de kwaliteit van de cursus goed beoordelen, zorgt dat voor een goede, wereldwijde reputatie’, legt hij uit.

Eigenzinnige RU-kabouter
Ondanks de voordelen staat de RU niet te springen om MOOCs. Volgens Martijn Gerritsen, woordvoerder van de RU, wordt ICT op de RU als ondersteuning van onderwijs gebruikt. ‘ICT is geen doel op zichzelf, maar een middel om ons onderwijs te verbeteren. We houden de ontwikkelingen rond MOOCs in de gaten en zullen het zeker niet nalaten de mogelijkheden die ons onderwijs kunnen verbeteren, te gebruiken’, verklaart Gerritsen. MOOCs vallen blijkbaar op dit moment niet onder die mogelijkheden. Ze passen niet in de onderwijsfilosofie van de universiteit volgens Gerritsen. De RU vindt het namelijk belangrijk om studenten en docenten met elkaar te verbinden. ‘Studeren aan de RU doe je niet alleen thuis achter je computer, kijkend naar een online cursus. Het is een proces dat je met elkaar doet, waarbij persoonlijk contact belangrijk is. Daarom hebben wij geen MOOCs’, legt Gerritsen uit.

Massaal maar persoonlijk
Het gebruik van MOOCs in het onderwijs hoeft echter helemaal niet te betekenen dat het persoonlijk contact tussen studenten en docenten op de campus minder belangrijk wordt. Shimshon vindt dat die fysieke ontmoeting juist effectiever wordt met MOOCs. ‘Hoe groter de groep studenten, hoe groter en onpersoonlijker de hoorcolleges worden.

'In hetzelfde aantal contacturen als normaal kunnen de studenten meer diepgang bereiken.’

Door een MOOC in te zetten, kunnen de studenten thuis online het college bestuderen. Tijdens het college op de campus, dat niet verdwijnt door het inzetten van MOOCs, wordt in kleinere groepen gediscussieerd en samengewerkt bij projecten of opdrachten. In hetzelfde aantal contacturen als normaal kunnen de studenten meer diepgang bereiken’, redeneert hij. Shimshon denkt dat MOOCs er over vijf jaar heel anders uit zullen zien vanwege de snelheid waarmee digitale ontwikkelingen in het onderwijs veranderen. Toch vindt hij het belangrijk om hier mee te experimenteren. ‘Het is belangrijk daar nu veel van te leren. Op die manier weet je als instelling waar je precies mee te maken hebt en kun je er een mening over vormen’, vertelt Shimshon.

Ook Spits vindt dat de onderwijsfilosofie van de RU niet in strijd hoeft te zijn met het gebruik van MOOCs. ‘In Groningen vinden we de binding tussen docenten en studenten zeker belangrijk. Een component van het onderwijs zal altijd op de campus zijn’, vertelt hij. Op de RUG worden MOOCs bijvoorbeeld gebruikt om Small Private Online Courses (SPOCs) te maken. Een SPOC is een online cursus met een beperkt aantal studenten van de eigen instelling. Studenten binnen een bepaalde opleiding delen hun kennis en ervaring online, maar blijven elkaar ook op de campus ontmoeten tijdens colleges. ‘Door het werken met MOOCs hebben we ervaring gekregen in de techniek van online lesgeven, we gebruiken namelijk veel materiaal van onze MOOCs voor de SPOCs’, legt Spits uit.

Omarm de MOOC
De RU doet zichzelf en haar studenten tekort door terughoudend te blijven met het gebruik van MOOCs. De voordelen van MOOCs voor studenten zijn toegang tot het beste onderwijs en meer keuzemogelijkheden in het studieprogramma. Als een koppige kabouter laat de RU een kans om haar onderwijs wereldwijd te verspreiden en zich internationaal te profileren, aan de neus voorbijgaan. Dat de RU deze voordelen voorlopig wilt laten schieten is jammer en haar motivatie daarvoor is niet afdoende. Meegaan met de ontwikkelingen van online onderwijs zonder de eigen onderwijsfilosofie te verliezen, kan op allerlei manieren. In plaats van veilig in haar boomholletje af te wachten, zou de RU bovenop de ontwikkelingen moeten zitten. 

Add a comment
Redactie
Het taboe van eenzaamheid onder studenten

Eenzaamheid; je bent niet alleen

Eenzaamheid is een veelvoorkomend probleem onder studenten, maar iets waar liever niet over wordt gepraat. Hoog tijd om dit taboe te
doorbreken.

Tekst: Tijs Sikma en Bas van Woerkum
Illustratie: Carmen Groenefelt

Dit artikel verscheen eerder in het vierde nummer van ANS

Het is donderdagavond en alles is klote. Eigenlijk zou je moeten beginnen met het leren voor tentamens, maar in plaats daarvan zit je op Facebook. Traag kruipen foto’s van feestende en wereldreizende Facebookvrienden omhoog over je scherm. Iedereen heeft plezier, waarom voel jij je zo kut? Hoe langer je staart naar je tentamenstof, hoe zekerder je wordt dat deze studie niet is wat je wilt. Wat wil je eigenlijk? Wie zijn je vrienden, wie is de persoon waarmee je de rest van je leven wil delen en wat wil je later worden? Sinds je uit huis woont, heb je steeds meer het gevoel dat je ouders je problemen niet begrijpen. Ook de vrienden van de vereniging zitten niet op je gezeur te wachten en de maten van de middelbare school hebben inmiddels een nieuwe vriendenkring gevonden. Je hebt het gevoel dat je er helemaal alleen voor staat.

Veel studenten zullen een soortgelijke situatie wel eens hebben meegemaakt. Gevoelens van eenzaamheid zijn niet erg. Als je ze echter vaak hebt, is er sprake van een probleem. In 2010 bleek uit een landelijk onderzoek van het ITS in samenwerking met universiteitsblad Vox, dat een op de vijf studenten zich regelmatig eenzaam voelt. In 2015 waarschuwden de studentenkerk en de studentpsychologen dat studenten steeds vaker bij hen aankloppen met klachten over eenzaamheid. Toch wordt er onder hen nauwelijks over gesproken. Om het eenzaamheidstaboe te doorbreken, is het belangrijk de oorzaken ervan te begrijpen. Uiteindelijk is de enige oplossing om het simpelweg met elkaar te bespreken. Dus medestudenten, doorbreek dit taboe!

Eenzaamheid

It’s lonely at the top
Studentpastor Froukien Smit spreekt vaak studenten die naar haar toekomen met klachten die duiden
op eenzaamheid. Zij merkt dat prestatiegerichtheid hier vaak een oorzaak van is. ‘Vanuit de maatschappij heerst een heel sterke druk om autonoom te zijn, veel te bereiken en je leven zelf vorm te geven. De afgelopen jaren is dit sterk toegenomen. Bovendien vinden veel mensen het tegenwoordig belangrijk om een sterk imago te hebben. Als je hier niet goed in mee kan gaan, kan dat zorgen voor gevoelens van eenzaamheid.’

‘Vanuit de maatschappij heerst een heel sterke druk om autonoom te zijn.'

Als studenten op zichzelf gaan wonen, hebben ze vaak het gevoel dat ze van alles moeten bereiken tijdens hun studententijd: veel vrienden krijgen, leuke ervaringen opdoen en ook nog goed presteren op de universiteit. Onderwijsmaatregelen zoals het leenstelsel hebben deze druk om snel te presteren alleen maar verder aangewakkerd. Als het lastig wordt om aan al die verwachtingen te voldoen, kan dat leiden tot gevoelens van eenzaamheid. Dit zorgt voor het gevoel dat je helemaal alleen staat in het waarmaken van al deze verwachtingen. Het idee dat we alles zelf moeten doen, moeten we loslaten.

Angst voor eenzaamheid
Alex Buiks, studentenpsycholoog bij de RU, denkt dat studenten alleen-zijn tegenwoordig moeilijker kunnen verdragen. Ze associëren het al snel met eenzaamheid, merkt hij. ‘Studenten zijn vandaag de dag niet gewend om met gevoelens van alleen-zijn om te gaan, omdat je tegenwoordig overal in contact staat met mensen.’ Onder studenten heerst het gevoel dat alleen-zijn niet hoort, waardoor ze het vaak krampachtig uit de weg. Dit houdt het taboe in stand. Als je worstelt met dit probleem kun je altijd bij een studentenpsycholoog aankloppen.

In plaats van te denken dat gevoelens van eenzaamheid erbij horen, zijn studenten geneigd eenzaamheid als iets raars te zien. Een avond in je eentje bankhangen is niet cool, waardoor sommigen dwangmatig iedere avond volplannen. Ook dit is een teken van onverdraagzaamheid tegenover alleen-zijn. Iemand die bang is om eenzaam te zijn, probeert het alleen-zijn uit de weg te gaan. We moeten leren omgaan met alleen-zijn en niet meteen denken dat er iets mis is als je de hele week nog niet uit bent geweest.

'Een overenthousiaste foto die met de camera in de TweeKeerBellen is gemaakt, kan een saaie avond de beste ooit laten lijken.'

A-sociale media
Sociale media dragen bij aan het eenzaamheidstaboe. Facebook is volgens Marcel Becker, hoogleraar Filosofie aan de RU, voornamelijk een “narcistisch exhibitiepodium”. Becker heeft onderzoek gedaan naar de digitalisering van onze levens. ‘Het hele design van Facebook is erop gericht om jezelf op je best te laten zien. Je post je mooiste foto’s en zet je favoriete films en muziek erop. Dat is niet de manier waarop mensen doorgaans communiceren.’ Een gevolg van overmatig gebruik van sociale media is dat je geen representatief beeld krijgt van het leven van anderen. Een overenthousiaste foto die met de camera in de TweeKeerBellen is gemaakt, kan een saaie avond de beste ooit laten lijken.

Bij sociale media zijn mensen vaak meer met zichzelf bezig en minder met anderen. Dat is iets waar we ons bewuster van moeten worden, want oprechte interesse in een ander persoon kan er namelijk juist voor zorgen dat deze makkelijker durft te praten over het feit dat hij of zij eenzaam is.

Samen eenzaam
Eenzaamheid is onder studenten een taboe. Alleen wijzelf kunnen dit taboe doorbreken. We moeten leren omgaan met alleen-zijn – en niet meteen denken dat er iets mis is als je de hele week nog niet uit bent geweest. Daarnaast moeten we het idee dat we alles zelf moeten doen loslaten en in plaats van ons achter sociale media te verbergen, zouden we meer moeten investeren in eerlijke en serieuze contacten. Eenzame studenten moeten weten dat ze niet de enigen zijn die met deze gevoelens worstelen. Eenzame studenten in Nijmegen, verenigt u! Jullie zijn niet alleen.

Add a comment
Redactie