ANSadvo 570x135

Enerzijds Anderzijds

De stelling van deze maand: Vrijheid in Nederland is een illusie

Tekst: Auke van der Veen

Dit artikel verscheen eerder in de juni-ANS

In Nederland mag je vinden en schrijven wat je wil. Zo plaatste hoogleraar Marcel Wissenburg naar aanleiding van een vleesvrije maandag laatst op Facebook dat hij vond dat de universiteitskantine van de Radboud Universiteit (RU) was overgenomen door nazi’s. De grondwet stelt dat wij dit soort vrijheden hebben en dit recht wordt door velen met hand en tand verdedigd. Aan de wet zitten echter grenzen, want mensen moeten zich ook aan regels houden. Zo werd Wissenburg na zijn opmerking nog op het matje geroepen door de universiteit omdat het bericht schadelijk zou zijn voor het imago van de RU. Andere vrijheidsbeperkingen in Nederland zouden bijvoorbeeld de recente afluisterpraktijken van de AIVD en de verhoogde alcoholleeftijd zijn. Hoe vrij zijn we eigenlijk in onze samenleving? Bepalen we ons eigen leven, of is vrijheid een illusie?

Nico van Eijk, hoogleraar Informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam ‘Vrijheid is altijd een illusie. De grondwet geeft heel nauwkeurig aan waar de rechten van burgers en instituten beginnen, maar ook waar deze eindigen. Je kunt bijvoorbeeld niet zomaar iemand vermoorden. Wij hebben in de samenleving dan wel afspraken met elkaar gemaakt waarin we onze vrijheden hebben vastgelegd, maar daar zitten simpelweg beperkingen aan. ‘Op het gebied van privacy kunnen we nog veel vrijer worden dan we nu zijn. Veel Nederlanders denken dat in ons land vrijheid volop aanwezig is, omdat we zoiets als censuur of journalistieke onvrijheid weinig tegenkomen. Toch is er in vergelijking met het buitenland nog veel ruimte voor verbetering. Het is verontrustend dat bijvoorbeeld de privacygevoelige informatie ook direct naar de woningbouwvereniging gaat wanneer iemand anoniem zijn buurman aangeeft omdat deze een cannabisplant op zolder zou hebben. Vandaag de dag zijn dankzij technologische ontwikkelingen zelfs alleen maar meer mensen bezig met het doen van dit soort anonieme aangiftes, ook al zouden we sinds de Tweede Wereldoorlog moeten weten dat dit vrijheidsbeperkende NSB-praktijken zijn. ‘De vrijheid van denken en bewegen in Nederland wordt beperkt doordat je weet dat je permanent wordt gemonitord. Dit komt doordat in Nederland met mass surveillance grootschalig ongericht data mag worden verzameld. Het gaat dan vrijwel uitsluitend om data van onschuldige burgers, zoals bij cameratoezicht op straat. Het feit dat ieders gegevens op elk moment mogen worden verzameld en gebruikt, leidt ertoe dat mensen in de praktijk bepaalde dingen niet meer willen zeggen of doen. Dat zijn zogenaamde chilling effects. Iemand is dan minder vrij omdat diegene bijvoorbeeld geen gevoelige e-mail naar een collega durft te sturen of het idee heeft dat iedere beweging op straat wordt gevolgd en daarom zijn gedrag gaat aanpassen.’

Jean-Pierre Wils, hoogleraar Praktische Filosofie aan de RU ‘Vrijheid is geen illusie. Een illusie zou betekenen dat we in een soort vrijheidsdroom zitten die niets met de realiteit te maken heeft. Dat is niet zo, want je kunt niet zomaar de regering omver werpen. Als zoiets gemakkelijk mogelijk zou zijn, wordt leven in een samenleving totaal onmogelijk. Door de externe beperkingen, die bestaan uit wetten en regels, kunnen we juist een vrij leven leiden, ondanks bijvoorbeeld de toenemende controle van geheime diensten. ‘Burgers onderschatten vaak de vrijheden die ze hebben. Ook al zijn er in Nederland beperkingen die ons niet direct vrijer maken, we wonen niet in China of Rusland. Bijna iedereen zal zeggen dat we in een maatschappij leven waarin de vrijheid van het individu in het algemeen wordt gerespecteerd. In Nederland bestaat er namelijk geen autoritaire, sanctionerende macht die mensen ervan weerhoudt hun dagelijks leven in te richten zoals ze willen, mits ze natuurlijk geen misdaden plegen. ‘Het is niet zo dat wij vandaag de dag minder vrij zijn dan in de jaren twintig of dertig. Toen werden burgers nog volop in hun vrijheid beperkt door controlerende sociale instituties en maatschappelijke rollen. Wij zijn tegenwoordig vrijer, omdat de invloed van bijvoorbeeld religieuze tradities is afgenomen. Ook hebben we veel beter onderwijs gehad en zijn daardoor beter ontwikkeld, waardoor we meer mogelijkheden hebben in ons leven. ‘Zoiets als de NSA beperkt misschien de vrijheid indirect, maar zulke controle weerhoudt je er niet van om vanavond televisie te kijken of morgen te staken als reactie op een besluit van de overheid. In onze samenleving bestaan er namelijk zogenaamde zones van overleg waarin burgers op basis van beargumenteerde communicatie besluiten kunnen nemen. Het bestaan van deze overlegstructuren in Nederland bewijst het bestaan van vrijheid.’

Klik hier voor de overige artikelen uit de juni-ANS.

 

Redactie

Enerzijds Anderzijds

De stelling van deze maand: Het kamertekort in Nijmegen is opgelost

Tekst: Evy van der Aa

Dit artikel verscheen eerder in de mei-ANS

In september kondigde de Stichting Studentenhuisvesting Nijmegen (SSHN) aan dat het kamertekort is opgelost. Studenten krijgen steeds sneller een kamer en steeds meer woonruimtes komen leeg te staan. Toch wordt er door studenten zelf veel geklaagd over de moeite die het kost een geschikte en betaalbare kamer te vinden. Uit de Algemene Studentenenquête 2014, die in april door het universiteitsbestuur is besproken, blijkt dat bijna de helft van de Nijmeegse studenten ontevreden is over zijn huidige kamer en dat 10 procent van de RU-studenten die nog thuis woont wel op kamers wil, maar geen woonruimte kan vinden. Zoeken studenten op de verkeerde plek en zijn ze te veeleisend of is er nog steeds sprake van een kamertekort? Kees Stunnenberg, directeur van Stichting Studentenhuisvesting Nijmegen ‘Het kamertekort in Nijmegen is opgelost. De SSHN kampt de laatste tijd namelijk steeds vaker met leegstand. Zo zien we ons tijdelijke complex Griftdijk in Lent langzaam leeglopen. Deze locatie was bedoeld om de piek in het aantal uitwonende studenten op te vangen. Door de bouw van nieuwe complexen hebben we besloten om een deel van dit complex in de zomer vervroegd te sluiten. ‘De groep eerstejaarsstudenten met reisurgentie – een reistijd langer dan twee uur – krijgt ook steeds sneller een kamer. Voor de nieuwe studenten hebben we verschillende complexen gereserveerd, zoals Hoogeveldt en Vossenveld. Dit collegejaar was de wachtlijst voor eerstejaars met reisurgentie al voor december afgewerkt. Dat duurde een aantal jaren terug veel langer, dan werd dit punt pas rond maart bereikt. Rond september en januari zal er altijd een piek blijven in de vraag naar kamers. Daar kunnen we echter niet op bouwen, want de kans is groot dat een deel van de kamers dan de rest van het jaar leegstaat. ‘Het lage aantal reacties dat we krijgen op kamers in het tweede semester is voor ons een duidelijk signaal dat de woningmarkt ontspannen is. Soms reageert een week lang niemand op een kamer, waardoor we deze meerdere keren aanbieden. Dat is de afgelopen tien jaar niet voorgekomen. Hoewel het kamertekort is opgelost, blijft de kwaliteitsvraag over. Studenten wachten soms lang op zelfstandige wooneenheden, met een eigen keuken en badkamer. Doordat er de laatste tijd veel zelfstandige kamers zijn bijgekomen, maken studenten met een kortere wachttijd kans op deze ruimtes. Het is lang geleden dat je met zo’n relatief korte wachttijd in een van die zelfstandige wooneenheden kon.’

Nina den Elzen, secretaris van Stichting Huurteams Nijmegen ‘Het kamertekort in Nijmegen is niet opgelost. Uit de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting van Kences bleek vorig jaar dat er in Nijmegen nog een kamertekort was van 2700 kamers. Max Derks, de toenmalige directeur van de SSHN, sprak dit tegen. Hij merkte op dat maar 3 procent van de Nijmeegse studenten de enquête had ingevuld en de uitslag slechts een indicatie zou zijn. Volgens Huurteams Nijmegen zou dit getal dus weleens veel hoger kunnen liggen dan 2700. Deze schatting kan namelijk ook te laag liggen. Daarnaast gaven ongeveer 3500 studenten in diezelfde monitor aan dat ze liever ergens anders willen wonen, waar ze eigen voorzieningen hebben. Het gebrek aan kwalitatief goede woonruimtes duidt ook op een kamertekort. ‘In Nijmegen huurt ongeveer 70 procent van de studenten bij een particuliere verhuurder en zij vragen nog steeds buitengewoon hoge huurprijzen en stoppen nadelige bepalingen in huurovereenkomsten. Wanneer er geen kamertekort zou zijn, zou dit niet kunnen. Als student ga je dan op zoek naar een andere verhuurder waar je met betere voorwaarden een kamer kunt krijgen. Bij Huurteams Nijmegen zien we veel mensen die erachter komen dat ze al een tijdje 150 euro in de maand teveel betalen voor hun woonruimte. Ditzelfde geldt voor de herenhuizen die worden omgebouwd tot studentenkamers. Door de grote vraag naar deze kamers eisen verhuurders een bedrag dat hoger ligt dan wettelijk zou mogen met de beschikbare voorzieningen en grootte van de ruimte. ‘Daarnaast blijft de studentenpopulatie de komende zes jaar groeien en probeert de RU internationale studenten naar Nijmegen te halen. Ook deze mensen moeten een kamer hebben. De buitenlandse groep woont vaak in SSHN-complexen, waardoor hier minder woonruimte overblijft voor Nederlandse studenten.’

Klik hier voor de overige artikelen uit de mei-ANS.

 

Redactie

Enerzijds Anderzijds

De stelling van deze maand: universitaire docenten mogen relaties aangaan met studenten.

Tekst: Tijs Sikma

Dit artikel verscheen eerder in de april-ANS

Steeds opnieuw dwaalt de blik van de docent af naar de mooie jonge vrouw op de eerste rij. Het is duidelijk dat ze elkaar zien zitten. Is het voor hen ethisch om aan hun gevoelens toe te geven? Onlangs verbood Harvard studenten en professoren een romantische of seksuele relatie met elkaar aan te gaan. In Nederland is dit op geen enkele universiteit verboden. In 2013 meldde het universiteitsbestuur van de RU dat docenten zich hebben te houden aan regels van goed werknemerschap, zoals vastgelegd in de wet. Een relatie tussen een student en een docent verbiedt de RU echter nergens expliciet. Is het kwalijk wanneer een docent en een student een relatie aangaan? Of mag niks hen hierbij in de weg staan?

Tim Houwen, universitair docent Bedrijfsethiek aan de RU
‘Een relatie tussen een docent en een student is niet per se verwerpelijk. Iedereen heeft de vrijheid zelf te bepalen met wie hij of zij een relatie aangaat. De voorwaarden zijn natuurlijk wel dat het een gelijkwaardige verhouding is en dat de student meerderjarig is. Docenten moeten er ook open over zijn, maar het is aan de betrokkenen zelf om te kijken hoe ze daarmee omgaan. Dit moet je niet gaan dichtspijkeren met regels. Voor de relatie tussen docent en student zijn er volgens mij voldoende mogelijkheden (studentenpsychologen, vertrouwenspersoon, klachtenprocedure voor seksuele intimidatie, agressie en geweld) om aan de bel te trekken indien er zich ontwikkelingen voordoen die duiden op machtsmisbruik. Als een student een relatie heeft met een docent, zou een andere docent ook de student of het vak bijvoorbeeld kunnen overnemen. Het is immers belangrijk dat de docent een zekere distantie van de student moet kunnen houden. ‘Mijn principiële punt is dat de vrijheid van een individu om zijn levensgeluk achterna te gaan, belangrijker is dan de functie die hij heeft in een organisatie. Als een student en docent beiden verliefd worden is daar niets op tegen. Of dit nou veel of weinig voorkomt, maakt in die zin ook niet uit. Ik vind dat universiteiten terughoudend zouden moeten zijn bij het opstellen van regels bij een privéaangelegenheid. ‘Het is ook niet per se verkeerd als een docent bijvoorbeeld probeert een student te versieren. Het is inherent aan een liefdesrelatie dat mensen elkaar proberen te verleiden. Ik vind niet dat de universiteit hierbij als zedenmeester moet optreden. ‘Een liefdesrelatie hoeft er niet per definitie voor te zorgen dat een werknemer minder goed gaat functioneren. Als een werknemer zijn werk niet goed uitoefent, heb je als werkgever een goed argument om maatregelen te treffen. Dit kan echter door verschillende redenen komen. Of een docent slecht functioneert staat los van de vraag of dit komt doordat hij een relatie met een student heeft.’

Marin Terpstra, universitair docent Praktische Filosofie aan de RU
‘Een docent zou principieel geen relatie aan mogen gaan met een student. Natuurlijk zou je kunnen zeggen dat een specifieke student die een verhouding met zijn docent heeft, overgeplaatst kan worden. Ik vind echter dat een docent zich daar überhaupt niet mee bezig moet houden, net zoals hij niet overmatig gericht moet zijn op geld verdienen of media-aandacht. Dat corrumpeert. ‘Het problematische aan een liefdesrelatie is dat deze exclusief is. Dat tast de onafhankelijke status van de docent aan, doordat de docent extra aandacht geeft aan een student. Als ze openlijk zouden flirten bij een college of hand in hand over de campus zouden lopen, voelen we aan dat daar een grens wordt overschreden. Een universiteit moet erop kunnen vertrouwen dat studenten hetzelfde worden behandeld. ‘Als docenten met studenten een relatie aangaan, levert dit voor de universiteit imagoschade op. De universiteit heeft er belang bij dat ze wordt gezien als een plek waar docenten en studenten een louter functionele relatie hebben. Ik denk ook dat een hoop ouders het niet prettig vinden als docenten en studenten openlijk een relatie aangaan. ‘Een docent verliest aan gezag als iedereen weet dat hij een relatie heeft met een student; dan wordt hij een gewoon mens. Gezag betekent dat je op een bepaalde manier niet benaderbaar bent. Een docent heeft binnen de universiteit niet de rol van zomaar een mens en kan zich ook niet zo gedragen. ‘Heftige emoties zijn niet goed voor het uitoefenen van je vak. Iedere docent moet beseffen dat als hij liefde voelt voor een student er iets problematisch aan de hand is, niet omdat die liefde problematisch is maar omdat die liefde zijn rol als docent problematisch maakt. Relaties tussen studenten en docenten gebeuren nooit openlijk. Dit bewijst al dat het eigenlijk niet de bedoeling is.’

Klik hier voor de overige artikelen uit de april-ANS.

 

Redactie

Enerzijds Anderzijds

De stelling van deze maand: De RU moet een cultuurcentrum op de campus realiseren Tekst: Eveline Knapen en Anne van Veen

Dit artikel verscheen eerder in de maart-ANS

In hoeverre moeten nevenactiviteiten op de campus worden gestimuleerd en wat is de rol van de universiteit hierin? De Radboud Universiteit zorgt er nu voor dat de sportverenigingen ruimte krijgen in het sportcentrum. Hebben culturele verenigingen ook recht op zo’n complex? Op initiatief van CHECK, de koepelorganisatie voor maatschappelijke en culturele verenigingen, werd samen met de Universitaire Studentenraad vorig jaar de werkgroep Hart voor Cultuur in het leven geroepen. Deze werkgroep buigt zich over de mogelijkheden voor een cultuurcentrum op de Nijmeegse campus. Dit zou een plek moeten worden waar studenten elkaar kunnen ontmoeten voor culturele activiteiten, zoals repeteren en workshops volgen. Rector magnificus Theo Engelen is een voorstander van het project omdat hij meent dat culturele bagage een onderdeel is van een academische opleiding. Tegenstanders vinden echter dat het niet de taak van de universiteit is om hierin te voorzien. Moet de universiteit een cultuurcentrum bewerkstelligen of is het een overbodige luxe?

Rosan Koolen, politiek commissaris bij CHECK ‘Ik vind dat er een cultuurcentrum op de campus moet komen. De universiteit kent veel culturele studentenverenigingen, waarvan de meeste een keer in de week de mogelijkheid krijgen om te repeteren. Deze repetities vinden vaak plaats in buurthuizen in Hatert of Dukenburg en zijn afhankelijk van de geplande activiteiten en vakantiedagen van deze wijkcentra. De organisaties hebben hierdoor niet altijd de faciliteiten om te doen wat ze graag willen doen. ‘Het gros van de studenten kent de grote culturele organisaties op de campus wel. Iedereen komt bijvoorbeeld wel eens in het Cultuurcafé, maar stiekem gebeurt er nog meer. Velen hebben hier echter geen weet van, omdat de activiteiten niet zichtbaar zijn. Met een opvallende ontmoetingsplaats voor culturele verenigingen, wordt de drempel om deel te nemen lager. Een cultuurcentrum kan van Nijmegen een nog mooiere en meer bruisende studentenstad maken. Het is zonde als aankomende studenten een andere stad boven Nijmegen verkiezen, omdat ze denken dat de Radboud Universiteit op het gebied van cultuur minder te bieden heeft.’ ‘Natuurlijk kunnen studenten van cultuur genieten of hieraan deelnemen door naar LUX of Doornroosje te gaan. Studenten hebben echter vaak een andere agenda en geven daarom de voorkeur aan activiteiten dichtbij de universiteit. Dit is te vergelijken met sportverenigingen. Zo heeft Nijmegen een eigen hockeyclub, maar hockeyen de meeste studenten toch bij de studentenvereniging Apeliotes. ‘De universiteit is in de eerste plaats een onderwijsinstelling, maar je komt hier ook om je academisch te ontwikkelen. Hiervoor is meer nodig dan alleen onderwijs. Nevenactiviteiten, zoals een bestuursjaar, worden niet voor niks gestimuleerd. Ook kunst en cultuur, zowel het beoefenen als het consumeren hiervan, leveren een bijdrage aan je academische vorming. Iedereen weet dat studeren meer is dan alleen in de boeken zitten. In dat geval kun je je net zo goed inschrijven bij de LOI en krijg je studiewerk thuis gestuurd.’

Caspar Safarlou, lid van de JOVD en regiocoördinator bij studentenpartij de Vrije Student ‘Ik ben tegen de bouw van een cultuurcentrum op de campus. Ruimtegebrek voor de culturele verenigingen zou een aanleiding zijn om een dergelijke plek te verwezenlijken. In plaats van het creëren van een nieuw centrum moet eerst worden gekeken naar de ruimten op de universiteit die ’s avonds niet in gebruik zijn, zoals het Collegezalencomplex. Kunnen de verenigingen daar geen gebruik van maken? Het is onnodig om een nieuw centrum te realiseren, terwijl er op de campus mogelijkerwijs al genoeg plekken zijn voor culturele organisaties om elkaar te ontmoeten. ‘Een cultuurcentrum wordt vaak vergeleken met het huidige sportcomplex, omdat het beide plekken zijn waar verenigingen bij elkaar komen. Zowel sport als cultuur bieden geen meerwaarde voor de academische vorming. Academische ontwikkeling betekent dat je kennis en kunde meekrijgt over je eigen vakgebied en dat je het vermogen hebt om zelf op onderzoek uit te gaan. Cultuur, maar ook sport, komen hier totaal niet in voor. Deze activiteiten hebben alleen te maken met ontspanning. Daarnaast zijn deze nevenactiviteiten helemaal niet vergelijkbaar. Bij sport speelt er een gezondheidscomponent mee, wat pleit voor een toepasselijk complex. Het gezondheidsaspect mist bij cultuur, waardoor het realiseren van een cultuurcentrum niet de taak van de universiteit is. ‘Het cultuurcentrum is een rookgordijn. De universiteit wil dat studenten veel gebruik maken van de campus en blijven hangen na hun colleges. Dat is een van de argumenten voor het realiseren van een cultuurcentrum. Nu wordt er top-down gekeken naar de mogelijkheden voor een nieuw complex en naar de wensen van de belangenorganisatie CHECK. In plaats daarvan zou er een onderzoek moeten komen naar wat studenten daadwerkelijk op de campus houdt. Het zou me niet verbazen als een loungecentrum met bijvoorbeeld hoekbanken, spelcomputers en bedden voor een middagdutje meer bij zou dragen aan de binding dan een atelier voor beeldende kunst.’

Klik hier voor de overige artikelen uit de maart-ANS.

 

Redactie

Enerzijds Anderzijds

De stelling van deze maand: Het faciliteren van vreemdgaan is moreel verwerpelijk

Tekst: Saskia Verheijden

Dit artikel verscheen eerder in de februari-ANS

‘Als mijn man eens zou weten wat ik nu doe...’, klinkt een zwoele vrouwenstem in de reclame op televisie. Tv-kijkers worden tijdens ieder reclameblok aangemoedigd om vreemd te gaan: ‘Mis jij de spanning in je relatie? Of gewoon zin in een spannende flirt? Schrijf je dan nu in.’ Websites als Second Love, datingsites voor getrouwde mensen, geven je de mogelijkheid anoniem op zoek te gaan naar een spannende affaire, hoewel een scheve schaats rijden in de Nederlandse samenleving doorgaans niet wordt geaccepteerd. Volgens voorstanders is het plegen van overspel voor veel mensen een manier om hun relatie te redden. Tegenstanders vinden het een kwalijke zaak dat er geld wordt verdiend aan iets dat mensen kan kwetsen. Is vreemdgaan promoten een schandelijke zaak of moet iedereen het gewoon zelf weten?

Erik Drost, medeoprichter van Second Love
‘Ik vind het faciliteren van vreemdgaan niet ethisch onverantwoord. Overspel verergert relatieproblemen niet, maar neemt juist de druk en frustratie weg. Na verloop van tijd zitten veel mensen binnen hun relatie in een sleur, waardoor ze niet tevreden zijn. Door de alledaagse drukte vergeten zij hun partner en worden er geen complimenten en aandacht meer gegeven. Vaak zijn dit soort relatieproblemen niet meer op te lossen en is scheiden niet mogelijk vanwege financiële problemen of de zorg voor de kinderen. Ook schamen mensen zich wanneer ze een slechte relatie hebben. Op Second Love kunnen zij een gelijkgestemde vinden die ook in een dergelijke situatie zit. Voor deze mensen is er vaak niets mooiers en zij kunnen zo hun relatie redden. ‘Onze website is opgericht om te voorzien in behoeftes die je dagelijks op straat ook tegenkomt. We zagen vaak mensen die aan het flirten waren. Daar was nog geen site voor, dus hebben wij die opgericht. Het beeld van veel mensen is te gefocust op het vreemdgaan, terwijl 60 tot 65 procent van onze leden niet eens op date gaat en alleen op zoek is naar virtuele spanning en complimentjes. ‘Ik denk niet dat door reclame te maken voor onze website de drempel om vreemd te gaan wordt verlaagd. In de trein praat en flirt ook iedereen met elkaar. Als je het onmogelijk wil maken om vreemd te gaan, moeten er aparte werkplekken en bussen voor mannen en vrouwen komen. Iedereen die behoefte heeft aan aandacht van een ander vindt die toch wel. Ik denk zelfs dat het beter is om deze aandacht online te vinden dan in je kennissen- of vriendenkring. Dan wordt het lastiger om het anoniem te doen. De een gaat tennissen om zijn ei kwijt te kunnen en de ander gaat op Second Love. Misgun je hen het geluk?’

Evert van der Zweerde, hoogleraar Politieke filosofie aan de Radboud Universiteit en directeur van het Centrum voor Ethiek
‘Het is een slechte zaak om vreemdgaan te faciliteren, want het is een vorm van bedrog. Websites als Second Love spelen heel erg in op de angst om betrapt te worden. Hier kun je stiekem iets doen dat normaal eng of riskant zou zijn. Als mensen vreemdgaan terwijl hun partner ervan op de hoogte is, vind ik het geen vreemdgaan meer. Ik denk bovendien dat mensen het erger zouden vinden als hun partner vreemdgaat via een website dan dat het in real life zou gebeuren. ‘Ik ben er niet blij mee dat ondernemers virtueel vreemdgaan aanbieden. Ook al is vreemdgaan niet strafbaar meer, het is wel moreel laakbaar. Ik vind niet dat je aan dit soort dingen geld moet verdienen en ze zo makkelijk aan moet reiken. Dan zou ik ook een cursus legaal dieren mishandelen kunnen beginnen. Vreemdgaan lijkt via Second Love steeds laagdrempeliger te worden. Wat mij betreft is dat het probleem van zulke organisaties. Waar mensen bang voor zijn, namelijk dat iemand er achter komt, wordt door deze websites netjes afgedekt. Daarentegen lijkt het misschien zo dat Second Love zorgt voor discretie, maar alle communicatie die via hun site loopt, wordt ergens opgeslagen en kan de privacy van de gebruiker niet waarborgen - terwijl dat bij ‘klassieke’ vreemdgaanafspraken vaak niet het geval is. ‘Reclame maken voor websites als Second Love vind ik dubieus. Reclame op tv kun je volgens mij zien als een etalage: alles dat daarin staat mag je vrij kopen. Hierdoor zijn veel mensen geneigd te denken dat overspel plegen normaal en sociaal aanvaardbaar is. De eventuele twijfels, bedenkingen of morele bezwaren die je daarbij hebt, worden dan weggenomen. Dat mensen nou eenmaal vreemdgaan, betekent niet dat dat mag worden aangegrepen om er geld aan te verdienen.’

 

Redactie

Enerzijds Anderzijds

De stelling van deze maand: De gelijktrekking van de hbo- en wo-titels is terecht

Tekst: Daan van Acht

Dit artikel verscheen eerder in de januari-ANS

Begin 2013 diende het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een wetsvoorstel in waarin wordt gesteld dat de bachelor-diploma’s van zowel hbo- als wo-studenten dezelfde diplomatitel zouden moeten krijgen. Inmiddels is het plan gerealiseerd en hebben hbo-diploma’s de toevoegingen ‘of Arts’ en ‘of Science’ gekregen, zoals bij universitaire bachelors al het geval was. De gelijkstelling van titels is volgens het ministerie nodig, omdat een aantal hbo-opleidingen nog onvoldoende internationaal herkenbaar zijn. Na de indiening van het wetsvoorstel, klonk vanuit de Raad van State direct felle kritiek. De verschillen binnen het onderwijs moeten volgens de raad juist onderstreept worden. Daarnaast zouden gelijke titels verwarring bij werkgevers opleveren, aangezien zij niet direct kunnen zien of een opleiding aan het hbo of wo is gevolgd. Recent laaide de discussie weer op tijdens de HO-Tour, een bijeenkomst over de toekomst van het hoger onderwijs. Is de gelijke titulatuur terecht, of worden wo-studenten hiermee tekort gedaan?

Kees Boele, voorzitter van het College van Bestuur van de HAN ‘Ik ben heel blij dat de gelijke titulatuur geregeld is en vind niet dat we er een probleem van moeten maken. De ‘h’ in hbo wordt met een bijpassende titel op waarde geschat en onderstreept. We moeten het systeem van hbo-en wo-onderwijs dat we in Nederland hebben als een kans zien. Deze gedachte loopt helemaal in lijn met het rapport van de Commissie Veerman van een aantal jaar geleden, dat zegt dat we in Nederland content moeten zijn met de academische onderzoeks-universiteiten en praktisch georiënteerde hogescholen. Dit wil echter nog niet zeggen dat er sprake is van een niveauverschil, de oriëntatie is anders. Het is onze verantwoordelijkheid om je academische titel te rechtvaardigen. Een hbo-opleiding Commerciële Economie heeft bijvoorbeeld een andere insteek dan de wo-variant, maar beide invullingen zijn van gelijke waarde. ‘De meeste landen kennen het onderscheid tussen hogescholen en universiteiten niet. Daar wordt het verschil tussen de instellingen niet goed begrepen. Dat zorgt voor veel verwarring. Dankzij de gelijkstelling van titulatuur, valt deze verwarring weg. ‘De verschillen tussen hbo en wo zouden een gelijke titel niet in de weg mogen staan. Het is net als met appels en peren, zowel de appel als de peer is een belangrijk stuk fruit. De appel moet alleen niet tegen de peer zeggen dat hij beter is of beschikt over een langere historie en daarmee de peer voorbijstreeft. De Raad van State zou er goed aan doen om het rapport van de Commissie Veerman te lezen, waarin de grote betekenis van zowel het wo als het hbo wordt benadrukt. Ook zie ik geen problemen voor werkgevers, omdat ik denk dat zij meer naar de persoon voor zich zullen kijken dan naar de papiertjes.’

Paul Bovend’Eert, hoogleraar Staatsrecht aan de RU ‘In de wet worden de hbo- en wo-bachelors gelijkgesteld, terwijl het binaire stelsel – het verschil tussen wo en hbo – gewoon blijft bestaan. Je suggereert in de titel dat iets hetzelfde is, terwijl het onderwijs verschillend is en moet zijn. Dit moet ook tot uitdrukking komen in de titulatuur. Je kunt de twee opleidingsvormen, en daarmee de toekenning van de uiteindelijke titel, niet met elkaar vergelijken. Het ministerie vergelijkt appels met peren, dat vind ik niet sterk. Het hbo is nu eenmaal praktijkgerichter, met veel projectonderwijs, stages en een stuk minder theorievorming. Dat is prima, maar dan moet er wel een andere titel aan worden verbonden. ‘Ons binaire stelsel is moeilijk te vergelijken met buitenlandse stelsels. In Engeland wordt geen onderscheid gemaakt tussen hbo en wo en in andere landen ligt het weer anders. Als men overal in het buitenland hetzelfde systeem en dezelfde titulatuur zou hanteren, snap ik dat men dat in Nederland ook zou overwegen. Dit is echter niet het geval. ‘Op de arbeidsmarkt is op basis van de gebruikte titulatuur niet meer te zien welke opleiding de betrokkene heeft gevolgd. Dat kan alleen maar wanneer een werkgever het getuigschrift opvraagt. Ik vind dat misleidend en verwarrend. Daarnaast is het vervelend voor de betreffende student, die moet uitleggen aan welke instelling hij of zij heeft gestudeerd. Het kan nadelig uitwerken voor afgestudeerden, wanneer tijdens een sollicitatie blijkt dat er liever een universitair geschoold persoon dan een hbo’er wordt aangenomen of andersom. Dat werkgevers vooral af zullen gaan op de persoon, snap ik niet. Het gaat natuurlijk om de persoon in combinatie met de opleiding die hij of zij heeft afgesloten. Op die manier kunnen we iedereen wel een diploma geven.’

Klik hier voor de overige artikelen uit de januari-ANS.

 

Redactie

Enerzijds Anderzijds

De stelling van deze maand: particulier vuurwerk moet worden verboden.

Tekst: Annemarie Verschragen en Bas van Woerkum

Dit artikel verscheen eerder in de december-ANS

Zelf vuurwerk afsteken wordt, als het aan de voorstanders van een particulier verbod ligt, in heel Nederland verboden. De burgemeester van Hilversum nam vorig jaar al het drastische besluit om vuurwerk in het centrum te verbieden en ook Hubert Bruls, burgemeester van Nijmegen, liet doorschemeren geen traan te laten om een particulier vuurwerkverbod. Het is echter een diepgewortelde traditie om met Oud en Nieuw met een glas champagne naar buiten te rennen en de eerste knallen mee te maken die het nieuwe jaar inluiden. Tegenstanders van het verbod hameren daarom op het belang van voorlichting en het terugdringen van illegaal vuurwerk. Zij proberen de huidige situatie te behouden door zich te verenigen in initiatieven zoals Vuurwerktraditie. Naar aanleiding van negentigduizend meldingen van vandalisme, letsel en angst voor vuurwerk werd vorig jaar de afsteektijd al teruggebracht van 10 uur ‘s ochtends naar 6 uur ’s avonds. Blijft het hierbij of moet particulier vuurwerk volledig worden afgeschaft?

Nick van der Veen, voorzitter Vuurwerktraditie en initiator van het Online Nederlands Vuurwerkmuseum ‘Nederland heeft een rijke vuurwerkgeschiedenis. Het behoort tot onze identiteit, dat schaf je niet af. Op die manier stimuleer je de smokkel van illegaal vuurwerk en het maken van eigen vuurwerk, zoals dat in de jaren zeventig ook gebeurde toen zwaar vuurwerk werd verboden. Ik geloof daarom niet in een verbod als oplossing. ‘De overheid moet meer inzetten op diplomatie. De grootste ellendeknallers, illegaal vuurwerk zoals cobra’s, komen uit het buitenland. De regering moet strengere afspraken maken om de toevoer van dit soort vuurwerk te stoppen. Dit kan op Europees niveau aangepakt worden. ‘Bovendien moet de voorlichting beter, zodat mensen veiliger omgaan met vuurwerk. De overheid zou moeten toezien op het gebruik van vuurwerkbrillen in plaats van enkel te focussen op voorlichting over illegaal vuurwerk. De verantwoordelijkheid ligt echter niet alleen bij de overheid en scholen, ook ouders en verzorgers spelen hierin een rol. Zij sturen vaak kinderen van 10 jaar met een vuurwerktasje de straat op zonder te weten wat daar in zit. Dit is niet alleen een taak van de overheid, maar van de hele maatschappij. Ik sta open voor goede oplossingen maar word een beetje moe van bijvoorbeeld GroenLinks, dat probeert zieltjes te winnen zonder met feiten op tafel te komen. Zij zouden moeten focussen op voorlichting en het aanpakken van illegaal vuurwerk, dat biedt een meer structurele oplossing. ‘Vuurwerkshows, een veelgehoord alternatief, zou de traditie om zeep helpen. Niet iedereen wil ’s nachts met zijn kinderen naar een plek waar al urenlang gefeest en gedronken wordt. Een groot deel van de bevolking zal dan afhaken, terwijl maar een kleine groep de overlast veroorzaakt. Zij denken echter nu al boven de wet te staan, dus zullen zich van een verbod ook niets aantrekken. We moeten dan ook niet meteen naar het zwaarste middel, een vuurwerkverbod, grijpen. Dit gaat ongetwijfeld het bestaande probleem niet oplossen.’

Arno Bonte, oprichter Meldpunt Vuurwerkoverlast en raadslid GroenLinks Rotterdam ‘De vuurwerktraditie heeft de afgelopen jaren steeds meer schade en overlast veroorzaakt. Hierdoor is Oud en Nieuw voor steeds minder mensen een feest. Jaarlijks gaan er ongeveer honderd mensen met een oog of hand minder het nieuwe jaar in. Inmiddels durven veel mensen de straat niet op vanwege onveilige situaties, zijn er veel klachten over geluidsoverlast en schieten huisdieren dagenlang in de stress. ‘Oplossingen als voorlichting, die de afgelopen jaren zijn voorgesteld door fanaten als Vuurwerktraditie, leiden niet tot verbetering. Postbus 51-spotjes bestaan al langer, maar de schade is juist toegenomen. Het verbieden van particulier vuurwerk is uiteindelijk de enige oplossing. Voorbeelden uit het buitenland, zoals Sydney en New York, tonen aan dat er in het begin veel verzet is, maar uiteindelijk vindt iedereen het fijn de buren weer een gelukkig nieuwjaar te wensen zonder het risico van een vuurpijl in je nek. De groep die illegaal vuurwerk afsteekt zal klein zijn en daardoor is het voor de politie relatief makkelijk om op te treden. ‘In de ideale situatie organiseert iedere gemeente een professionele vuurwerkshow. Op deze manier heb je niet de nadelen en ongelukken die met particulier vuurwerk gepaard gaan. Vuurwerkshows kunnen daarbij ook een stuk spectaculairder zijn, zoals je in Sydney ziet. Het mes snijdt dan aan twee kanten: voor een dergelijke show zijn mensen nodig. Vuurwerkfanaten zouden na een kleine cursus pyrotechniek mee kunnen helpen, terwijl de rest veilig kan toekijken. ‘Tot nu toe heeft de overheid het niet aangedurfd maatregelen tegen de overlast te nemen, omdat de 15 procent fanatieke vuurwerkafstekers flink van zich laat horen. Je ziet echter dat de meerderheid van de Nederlanders naar een situatie wil waarin vuurwerk niet meer door amateurs maar door professionals wordt afgestoken. Het wordt tijd om de traditie te hervormen.’

Klik hier voor de overige artikelen uit de december-ANS.

 

Redactie