Column: Ontbijtgestapo

Laura van der Vet

‘Ik smeer geen brood zonder korstjes’ zegt Anja. Ze is overduidelijk woedend. Jasmijn en ik kijken geboeid toe vanuit onze ziekenhuisbedden, die tegenover elkaar staan. Tussen onze bedden in staat Anja, prominent lid van de ontbijtgestapo, en Maaike, onze zuster. Ook onze kamergenoten zijn in volle staat van paraatheid. Mijn demente buurvrouw meldt al een kwartier dat ze graag rode wijn wil bij haar ontbijt en mijn overbuurman bij het raam is toch zeker tien minuten gestopt met naar ons staren. We noemen ze ‘de hand’, naar de gebroken hand van mijn demente buurvrouw, en ‘de benen’, naar de volledige afwezigheid van benen bij mijn overbuurman. Eerst vonden we hem zielig, maar toen ontdekten we dat hij vanachter zijn tv-scherm de hele dag naar onze borsten lag te staren. Medelijden veranderde in gepaste ongemakkelijkheid. We ontwikkelden wel een typische ziekenhuisband, allebei aan hetzelfde geopereerd en in hetzelfde schuitje.

‘Die meisjes kunnen helemaal geen korstjes eten Anja, ze zijn geopereerd aan hun amandelen’. Stilletjes juichen Jasmijn en ik voor Maaike. Anja kijkt bedenkelijk. ‘We geven nooit brood zonder korstjes, behalve aan ouderen die geen tanden meer hebben.’ Maaike zucht.

‘De korstjes zijn gevaarlijk voor ze, scherpe en harde randjes trekken de wond weer open. Die is dicht gebrand door dokter Bos. Moet ik dokter Bos anders even vragen wat ze vindt van brood met korstjes bij amandelpatiënten?’ Daar heeft Anja niet van terug. Als dokter Bos erbij moet worden gehaald, kiest ze eieren voor haar geld. Ze gaat boterhammen zonder korstjes voor ons halen en Maaike gaat naar ‘de hand’ om uit te leggen dat je geen rode wijn mag bij het ontbijt en dat het in het ziekenhuis ook niet echt gepast is om rode wijn te drinken. Daarnaast gaat het niet zo lekker samen met de liters morfine die er in haar worden gepompt. Jasmijn en ik vieren de overwinning van zuster Maaike in gepaste stilte. Ze heeft ons beloofd dat als we het brood zonder korstjes op kunnen eten dat we dan naar huis mogen. En we willen erg graag naar huis. De hand en de benen snurken nogal hard en de hand heeft er een handje van om in haar bed te poepen. Dat is natuurlijk heel sneu, maar het stinkt ook nogal.

‘Wat wil jij op je boterham?’, vraagt Anja met gemaakte vriendelijkheid. Ik schud mijn hoofd. ‘Alleen boter’, adem ik zachtjes haar kant op. ‘Wat zeg je kind? Je moet wel normaal praten anders kan ik je niet verstaan.’ ‘Alleen boter’, zucht ik nog iets harder. ‘Ze wil alleen boter’, zegt Maaike hard vanaf de andere kant van de kamer. Anja’s gezicht vertrekt. ‘Ik smeer geen brood met alleen boter.’ Maaike laat het urinoir van de benen bijna uit haar handen vallen en marcheert weer terug naar Anja.

‘Dat kind heeft gister de hele dag bloed overgegeven dus ik kan me voorstellen dat ze geen zin heeft in kleffe kaas of in mierzoete jam. Als dat kind boter wil, dan krijgt ze boter. En als jij geen brood smeert met alleen boter Anja, dan smeer ik het wel.’ Terwijl ze haar tirade afsteekt over Anja gulpen er kleine beetjes urine over de rand van het urinoir heen, op het schortje van Anja en op het uiteinde van mijn dekbed. Het valt niet echt op naast de bloedspetters die ik er gisteren in heb gemaakt en door de morfine lijkt alles minder erg. Behalve brood met beleg en met korstjes. Anja marcheert inmiddels de kamer uit met haar ontbijttrolley in haar kielzog. Maaike zet eindelijk het urinoir neer en kijkt Jasmijn en mij aan. Haar handen zitten onder de pis, maar verpleegkundigen hebben daar blijkbaar immuniteit voor opgebouwd.

‘Meisjes, hou vol. Ik ga nu brood voor jullie smeren en Anja zet geen voet meer in deze kamer.’ Jasmijn en ik juichen met onze fluisterzachte stemmetjes en Maaike moet lachen. Ik hoop heel erg dat ze eerst haar handen wast.