Column: Soliste

Chelsey Buurman

De zaal heeft geen botte hoeken. Alleen waar de wand de vloer ontmoet loopt een strakke lijn. Op het podium staan twaalf violistes klaar in de startblokken in lange zwarte jurken, om een trio cello’s en een bas gearrangeerd. Hun kleding complementeert de decadentie van de zaal, roomwit en beige met gouden gordijnen en kristallen kroonluchters. Aan elk zeeblauw gordijn hangen meer kwastjes dan dat er te tellen zijn. Vanavond hoeft de muziek de ruimte niet in gedrukt te worden. Het vloeit moeiteloos. De schelp van je oor wordt gekieteld door de vele dimensies van de diepe klanken en de muzikanten zijn verleidsters.

Een jonge vrouw staat in het middelpunt. Een verschijning in een perzikkleurig gewaad tussen de zwarte serieuze beelden. Ik kan alleen proberen te beschrijven hoe het is om naar haar majestueuze spel te kijken, maar haar bezieling laat zich niet makkelijk vangen. Ik kan beginnen met de knik in haar hals waarmee ze haar hoofd op haar viool laat rusten, of de roomwitte binnenkant van de pols waarmee ze haar strijkstok vlug over de snaren beweegt. Misschien is het de blik in haar ogen, de manier waarop ze van in vervoering naar agressief beweegt op het ritme van haar muziek. Ze oogt fragiel, breekbaar, maar met ongekende kracht leidt ze ons.

Ze neemt ons bij de hand, vertelt een verhaal over plaatsen en eenvoudige deugden. Ze schildert het beeld van een woeste rivier, van een simpele emotie en van de trillende winterzon. Even geleidelijk als dat ze ons heeft meegenomen, laat ze ons plotsklaps vallen. Het gordijn valt en haar elegante gedaante verdwijnt achter filmisch rood fluweel. Ze gunt ons geen encore.

Ondertussen is de buitenwereld weer bedekt onder een isolerende deken. De ijslaag kraakt onder mijn schoenen en van de eerdere betovering is weinig meer over. Al gauw worden vingertoppen en neuzen gevoelloos. De ijle buitenlucht is koud, een gebrek aan zuurstof vraagt het lichaam harder te werken en wanneer mijn voeten mij over het trottoir dragen, op zoek naar een warme ruimte, vang ik in de weerspiegeling van een ruit een glimps op van de soliste. Alsof ze ongewild toch nog gedag kwam zeggen.