Column: Serendipiteit

Chelsey Buurman

Naast ons zitten vier dames die ons voor de zoveelste keer vertellen dat ze Braziliaans zijn. Terwijl een voordoet hoe ze sushi eet – ‘een kunststukje! Zo lekker, met elke hapje geniet ik!’  - doet de ander een poging tot het versieren van de barman, zo een met een veel te diep uitgesneden shirt. Aan een ander tafeltje, rechts tegenover ons, zit een meisje. Ze schrijft met een vulpen, maar dat valt mij alleen op. Ze kijkt om zich heen en wanneer onze blikken kruisen kijkt ze weg.

‘Ik vraag me af waar ze over schrijft’, zeg ik, maar jij bent bezig met een verdwaalde haar uit mijn gezicht te vegen en verstrooid een hand op mijn knie te leggen en besteedt weinig aandacht aan wat ik zeg. Terwijl ik enthousiast, verhalend vertel volg jij de bewegingen van mijn mond. Ik ben bedacht op plotselinge bewegingen.

Er is maar een toilet in de kroeg. Terwijl ik sta te wachten komt het terrasmeisje achter mij in de rij staan.

‘Ben je een dagboek aan het bijhouden?’ vraag ik uit nieuwsgierigheid en ik probeer vast te stellen of ze een hipstermeisje is dat op pad is met haar vulpen. Haar blauwe ogen en besproete neus kijken me verward aan. Ze spreekt geen Nederlands. Ze vertelt me hoe ze op reis is en hoe ze probeert met de wind mee te gaan. Het valt haar zwaar. Ze vindt het moeilijk om los te laten en geen plan te hebben. Dus ik vertel haar over de allereerste keer dat ik alleen reisde en in een vlaag van wanhoop en mentale inzinking mijzelf opsloot in een toilet op het vliegveld.

‘Hé,’ zeg ik, ‘het is ok’, want ze ziet eruit alsof ze iemand nodig heeft die dit tegen haar zegt. Ik geef haar mijn telefoonnummer, een emailadres en wil een vriendelijke vreemdeling zijn die haar de moed geeft om haar reis te vervolgen. Ik denk dat ze er blij mee is. Ik vertel haar niet dat ik een uur lang probeerde mijn moeder te bellen, of dat ik bijna mijn terugreis had gewijzigd naar drie weken eerder. Dat zou alleen maar ontmoedigen.

Jij kijkt nog vol bewondering en overdonderd naar de exotische schone terwijl ze uitdagend lacht. Haar vingers trekken je naar binnen en jij zit bijna bij haar op schoot.

‘Zullen we gaan?’

‘Ja nog even, ze is bijna klaar.’

Vulpenmeisje pakt haar rugzak in, heeft geen handen vrij dus stopt haar portemonnee in haar mond. Ze kijkt me verwachtingsvol aan, maar ik weet niet tot hoe ver ik mijn hand moet uitstrekken.

‘Maak je geen zorgen, ik heb betaald. We hebben geen haast’, alsof je mij gerust wilt stellen. Meisje hijst haar rugtas op en slingert een linnen tas om haar arm. Ze probeert resoluut te bepalen welke straat ze in zal slaan maar maakt geen overtuigende keus. Nog een vriendelijke blik die misschien als uitnodiging bedoeld is, maar ik pas.

Terwijl jouw geanimeerde gesprek nog levendiger wordt, kijk ik het meisje na. Ik kruis mijn benen in kleermakerszit en warm mijn handen aan de terrasverwarmer. Ik doe geen moeite om mij in het gesprek te verwikkelen. Terwijl ik over mijn knokkels wrijf om mijn vingers kraak, probeer ik haar avontuur niet te benijden.