Column: Serendipiteit

Chelsey Buurman

Er worden grenzen gesteld aan eindeloos willen, gedaan alsof er geen dieptepunten van de donkerste dagen zijn. Er ontbreekt elk spoor van zwemmen buiten de kaders en kleuren buiten de lijntjes. Er is een gebrek aan de moed om buiten de gebaande paden te stappen en daarmee te kunnen zeggen, ‘hé, hier ben ik, en ik mag gezien worden!’. Er zijn onvoldoende woorden om mee te spreken – de moedertaal ligt begraven onder het puin van een ingestorte opvoeding en de klinkers zijn onvindbaar wanneer ze verward worden met feiten.

Ik zou mijn tong willen vragen om accentloos te spreken. Maar hoe kun je van je mond vragen om de beweging van elke spier te vergeten zodat het inmengen in de grijze vanille massa makkelijker gaat, wanneer het elke pees en zenuw is aangeleerd om een klank te produceren die een herinnering oproept aan een vreemd oord? Dus leer je een taal aan, een geaccepteerde spraak waarmee integratie wordt bevorderd en uitblinken de das om wordt gedaan. De boosheid om de belemmering is terecht omdat de nieuwe woorden de creativiteit indammen. Er wordt een laagje ijs gelegd over de spier in de hoop de laatste stuiptrekking de das om te doen. Het product van de jarenlange kweek naar uniformiteit maakt van opvallen een zonde en van vermenging de standaard. De snaren van de stembanden worden niet gestreeld en langzaam wordt de frequentie van trillingen vergeten zodat tonen niet meer zijn dan valse hoop voor mooiere dagen. Een poging tot zang is niet meer dan vals geluid.

Op sommige dagen heeft het zonlicht moeite om alle hoeken en kieren van mijn kamer te verlichten. De stofvlokken worden rond geblazen door de tocht die onder de deur uit komt. Het houten raamkozijn is zacht en heeft als een spons de tikkende druppels tegen de ruiten opgezogen. Er is geen droog plekje en de warme stralen vinden hun weg niet meer. In de verder lege kamer heb ik een doosje neer gezet. Een voor een stop, ik daar al het bijzondere in dat niet voldoet aan de bestaande norm. Te grote dromen – want je moet maar lekker normaal doen – wilde fantasieën en de jacht naar avontuur. Ook uiterlijke kenmerken stop ik erin: de boog van mijn mond, de vouw van mijn ooglid, de tint van mijn huid en de tong van het gezicht dat zich niet liet temmen. Een voor een leg ik ze aan banden totdat het doosje niet meer dicht kan. Het geheel maak ik af met een strik. Ik laat het in de kamer staan wanneer ik de deur achter mij dicht trek en hoop dat het nu eens goed is zo.