Barmhart

Felix Wagner

Tekst: Mark Buck

‘Laten we elkaar brieven schrijven!’ Ik weet niet eens meer of het mijn beste vriend was die het als eerste opperde of ik. De situatie weet ik wel nog: we liepen, ijsje in de ene hand, fiets aan de andere, vanuit de stad richting Kronenburgerpark. We bespraken de tijd die komen ging. De tijd waarin hij het voor mij veel te verre buitenland ging trotseren. Een tijd dus ook waarin we elkaar, toch zeker voor een half jaar, niet zouden zien.

Wie schrijft er tegenwoordig nog brieven? Toen prinses Beatrix nog koningin was, stuurde ze steevast telegrammen, maar die dienst is met het einde van haar regeerperiode volgens mij definitief de deur uit. Zou de brief hierna volgen? Ik hoop toch van niet: het blijft iets magisch. Te beginnen bij de envelop. Je kijkt naar het handschrift en probeert alvast te raden wie jou de eer te beurt heeft doen vallen door je te verrassen met een schrijfsel. Geen automatische melding dat Jan je een nieuwe mail heeft gestuurd. Raden wordt tot kunst verheven.

En zelfs al weet je dan wie je geschreven heeft, dan nog blijft het openen en uitvouwen van zo’n brief een hele nieuwe sensatie. Er kan wel van alles instaan. Je kunt ten huwelijk gevraagd worden, maar er kan ook zomaar een vriendschap worden opgezegd. De inhoud blijkt niet alvast uit een onderwerpregel, of een al zichtbare eerste zin. Alles is nog mogelijk, de geschreven wereld ligt nog helemaal open.

Daarmee is de brief heel goed vergelijkbaar met de goede voornemens waarmee we overstelpt worden nu we een nieuw jaar ingaan. Het is de eeuwige belofte van iets dat komen gaat, maar waarvan slechts in een heel klein geval ook echt iets uitkomt.

Over eeuwige beloftes gesproken: verder dan één brief kwam ik tot nu toe niet. Te spannend vond ik het, te angstig was ik om mijn beste vriend teleur te stellen. Dus kom ik in dit nieuwe jaar tot een resoluut besluit: mijn goede voornemen wórdt het schrijven van nieuwe brieven. Ik hoop dat ze de teleurstelling van de stilte wegnemen.