Professor weetnietveel

Heidebloempje

Hoogleraren zijn er in alle soorten en maten. Het zijn zelfs net echte mensen, hoewel sommigen zich natuurlijk een superieur element van het menselijk ras wanen. Je bent in elk geval een flinke vrouw of vent als je een professor bent.

Vaak gaan daar jaren van ploeteren als UHD aan vooraf. De UHD is een subspecies van het professorenras. Soms zijn het eminente grijsaards die ooit zijn ingehaald door een jonger talent van buiten. Dat jonge talent werd dan uit zijn UHD-positie aan een andere universiteit gehaald en kreeg enkele taakjes, een budgetje en enkele vakjes aan onze RU cadeau. Vaak is er natuurlijk ook sprake van eigen kweek. Zo’n kwekeling begint onderaan de ladder als student-nogwat en eindigt twintig jaar verder in de zwarte toga. Dat is natuurlijk de ideale route.

De echte UHD-en van de toekomst zijn natuurlijk de talloze promovendi die onze universitaire gemeenschap bevolken. Zij houden zich bezig met een tweetal elementaire dingen: de wetenschapper uithangen en regelmatig uithuilen van alle emoties die zo’n stressvol bestaan met zich meebrengt. Het publiceren van een boekje vermag immers veel. Sommigen van hen zullen ongetwijfeld Onder professoren van W.F. Hermans op het nachtkastje hebben liggen, eigenlijk zo’n beetje het handboek “waarom jij eigenlijk nooit professor wil worden”.

Er zijn ook promovendi die onderwijs mogen geven. Een normale sterveling moet minstens een tweejarige of vierjarige opleiding volgen om een klas vol basisschoolscholieren of pubers op de middelbare school iets van kennis bij te brengen. Een promovendus of promovenda wordt meteen geschikt geacht om in het diepe te springen en een vak te doceren aan een zwijgend clubje studenten, die vaak ook nog eens half of onvoorbereid te werk gaan.

Als “klant” van deze instelling heb ik een zwak voor zulke ploeteraars. Zij krijgen een leuk middenmootsalaris, mogen regelmatig allerlei strontvervelende klusjes oplossen. Klusjes weigeren is erg onverstandig als ze nog ooit een echte professor willen worden. Met een beetje mazzel staan ze nog uren per week voor een zwijgende club studenten een doceerkunstje te vertonen. En dat vijf, zes, soms zeven jaar lang. En ondertussen dreigt altijd de knoet van het publiceren en uithuilen bij de promotiebegeleider. Arme wezens!

Zo’n bestaan ongetwijfeld wel wat charme: ze krijgen geld om een boekje te schrijven en mogen na jaren keihard werken uiteindelijk 45 minuten lang zweten tijdens een toneelshow in de Aula. Je krijgt een mooie bul met lakzegel cadeau en kan de dag na de promotie met een gerust hart het gemeentehuis binnenwandelen en dr. als titel opgeven.

Na het publiceren van hun proefschrift hopen te worden geciteerd door andere wetenschappers. Misschien wel door belangrijke professoren. Professoren waarvan de gewone sterveling nog nooit heeft gehoord. En dat is wederzijds. De voorkant van de januari-ANS is hier het sprekende bewijs van. Daarvan ben ik compleet ontgoocheld. Naarmate de mens hiërarchisch stijgt, neemt zijn kennis van de onderste mechanismen en bewoners van de organisatie af. Er zijn zelfs professoren die denken dat studenten 1000 euro per maand van de staat vangen wanneer zij het thuisnest verlaten. Een duidelijk bewijs van een prof die zijn eigen roots is vergeten. Het is een hard leven, daar in de academische ivoren toren!