Kroegtheoloog: godsbeeld

Redactie
Een go(e)d voorbeeld

Als je alleen maar de regels volgt en niet geniet, doe je het geschenk van het leven geen eer aan.’ Theologiestudente Joanne denkt na over de balans tussen geloven en plezier maken en beschrijft het studentenleven met een zakbijbel in haar hand.

‘Ehm, mag jij wel bier drinken? Is jouw rokje niet te kort? Als aankomend dominee moet je toch het goede voorbeeld geven?’ Typische opmerkingen. Mensen weten de antwoorden heus wel, maar willen toch even porren. De leukste vraag vind ik: ‘Heb je dan ook geen seks voor het huwelijk?’ Eigenlijk een bizarre vraag, als je iemand net ontmoet. Ik vraag een willekeurige vreemde ook niet wanneer hij seks heeft. Hoe dan ook: omdat ik al getrouwd ben geweest, zeg ik graag dat ik sowieso nooit meer seks heb voor het huwelijk. Dat ligt al achter de rug.

Wat je wel en niet mag volgens God, hangt af van het godsbeeld dat je hebt. De Remonstranten hebben vaak campagnes met posters, waarop teksten staan als ‘mijn God laat me zelf denken’. Het godsbeeld dat ze beschrijven vind ik prachtig. Die God vind ik persoonlijk ook binnen de Protestantse Kerk Nederland.

Soms hoor ik mensen zeggen dat ze niet in God geloven, dat ze alles doen wat ‘God verboden heeft’ en dat ze toch wel naar de hel gaan. Wat me dan opvalt, is dat ze juist een heel specifiek godsbeeld aandragen. Wat denk je dat God verboden heeft? Ik ken de 10 geboden en die zijn lang niet gek. Over het algemeen hebben we allemaal liever niet dat mensen stelen, moorden, vreemdgaan, enzovoorts. Daarbij is er een verschil tussen een verbod en een gebod. Geboden beginnen met ‘Gij zult niet…’

Wil je goed bezig zijn, dan zal je dit gedrag niet vertonen. Wanneer mensen het hebben over ‘wat God verboden heeft’ en dat ze naar de hel gaan, dan spreekt daar het beeld van een strenge, straffende God uit. Het godsbeeld dat je hebt maakt alles uit voor de vrijheid die je in het leven ervaart.

Als mensen mij vragen of ik in God geloof, wil ik eerst graag weten wat voor godsbeeld ze hebben, voordat ik dit beaam. Mijn God is als een vader die graag wil dat je een goed mens wordt en je daarom voorschrijft hoe dat moet. Een God die voor jou graag wil dat het je goed gaat. Ik kan niet geloven in een God die mij een lichaam gegeven heeft, maar me verbiedt er gebruik van te maken. Het geloof in zo’n God wens ik ook niemand toe.