De Marsman: de academische ziekte

Redactie
De Marsman speculeert er op los

Hij werd geboren in het Nijmeegse Waterkwartier. Als eerste in zijn familie ging hij naar het Stedelijk Gymnasium. Terwijl hij koffie drinkt op het Erasmusplein, voelt hij zich zo nu en dan een Marsman.

 

Op een gegeven moment in je studie kan het gebeuren dat je de ‘academische ziekte’ krijgt. Voor sommigen komt dit vroeg, voor sommigen laat en sommigen zullen het nooit oplopen. De ziekte kent eigenlijk maar één symptoom: alles wat je om je heen ziet, probeer je uit te leggen, te verklaren, te begrijpen aan de hand van een of meerdere theorieën die je in je studie hebt opgedaan. Anderen zullen het geen ziekte noemen. Die zullen zeggen dat een academicus nu eenmaal verbanden legt, kennis in een nieuw licht probeert te bekijken en dit alles probeert te ordenen in zijn of haar hoofd.

Zo wordt er vaak gezegd dat het klassieke idee van hoorcolleges is achterhaald. Ten eerste vraag ik me af hoe het klassieke idee van hoorcollege er uit heeft gezien. Waarschijnlijk werd er ook een groep jongelingen toegesproken door een belezen of bespraakt persoon. Verder zullen er vooral veel verschillen zijn, denk ik zo: geen vrouwen bijvoorbeeld, geen moderne wetenschapsfilosofie en kleinere groepen. Klassiek zal ik hier voor het gemak toch maar even interpreteren als ‘precies zoals het vandaag de dag gebruikelijk is’.

Maar dan dringt de vraag zich op: waarom wordt er op deze manier college gegeven? Wat is de bedoeling van het op deze manier over brengen van kennis? Maar vooral volledig volgens de academische ziekte: hoe zou Hannah Arendt erover denken? Of Imre Lakatos? Of Michel Foucault? En is een docent vooral een expert, een mentor of een leider? Waartoe dient interactie in een college? Is het om meer informatie in te winnen, om zelfvertrouwen te bevestigen, of zelfs om een gedeelde wereld van begrippen tot stand te brengen? Een politicoloog kan niet ontsnappen aan de gedachten dat in colleges bepaalde wereldbeelden over worden gebracht op de studenten; hoe genuanceerd deze ook mogen zijn, neutraal zijn ze in ieder geval niet. Er bestaat niet zoiets als een ‘free lunch’, een gratis college bestaat ook niet.

Na mijn zesde bak koffie van de dag speculeer ik er vol op los. Colleges bezoek ik om geïnspireerd te worden. Zo heb ik na een college weer zin om me te verdiepen in bepaalde onderwerpen. Het academische sprookje houdt me daarbij op de been: de gedachte dat het geheel van een hoorcollege meer is dan de som van de afzonderlijke delen. Door de interactie komt de bestudeerde stof tot leven.

De Marsman drinkt zijn koffie op en loopt zijn collegezaal uit. Er is misschien niet zoiets als een ‘gratis college’, maar door een keer hun bek open te trekken in collegezalen krijgen studenten misschien meer waar voor hun geld.