Het issue: Hulp om zeep

Henk Strikkers

In deze rubriek staat iedere maand een ander issue centraal waarover de meningen sterk zijn verdeeld. Deze maand: werkt ontwikkelingssamenwerking?

Kritiek op ontwikkelingssamenwerking is niet langer voorbehouden aan gierige liberalen. Zelfs vanuit Afrika wordt geknaagd aan het heilig huisje. Dambisa Moyo, een Zambiaanse econoom en schrijver van de bestseller Dead Aid, stelt dat de hulp die nu wordt geboden contraproductief werkt. Haar slogan ‘Red Afrika, schaf de hulp af!’ leidde tot beroering binnen de geitenwollensokkencultuur van de hulpverlening. Ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) legde de pijnpunten van ontwikkelingshulp bloot. De hulp was slechts ten dele effectief en bovendien werd het geld vaak ingezet voor politieke doeleinden. De conclusie van het rapport Minder pretentie, meer ambitie luidde dat Nederland haar hulp zou moeten inzetten om de onafhankelijkheid van ontwikkelingslanden te bevorderen door te investeren in infrastructuur en duurzaamheid. Minister van Ontwikkelingssamenwerking Bert Koenders lapt de adviezen van de WRR aan zijn laars. Hij beschouwt het rapport weliswaar als ‘een constructieve bijdrage aan het debat rond ontwikkelingshulp’, maar houdt voorlopig vast aan zijn beleid. Is de geboden ontwikkelingshulp een bodemloze put waar naïeve filantropen hun scepter zwaaien, of kan het daadwerkelijk derdewereldlanden verheffen?

De stelling van deze maand: Ontwikkelingshulp in haar huidige vorm werkt niet

Dr. Ruerd Ruben, hoogleraar Culturele Antropologie en Ontwikkelingsstudies aan de RU ‘Gezien de omvang van de ontwikkelingshulp is niet te verwachten dat er veel wordt bereikt, maar de laatste jaren sorteert deze meer effect. Vroeger werden vaak kleine, op zichzelf staande projecten gefinancierd. Nu vinden er investeringen op grotere schaal plaats, waarbij de overheid samenwerkt met private partijen. ‘Het hardnekkige verhaal dat er veel geld aan de strijkstok blijft kleven is een fabeltje. Wanneer de Nederlandse staat hulp biedt, blijft er maximaal 8 procent aan personeelskosten achter. Dit is drie keer minder dan bij de Verenigde Naties. Corruptie is echter onlosmakelijk verbonden met ontwikkelingshulp. Dit speelt vooral in fragiele staten en is tot nu toe onvoldoende aangepakt. Het zou beter zijn wanneer donorlanden en ontwikkelingslanden overleggen over de besteding. Infrastructuur en interne herverdeling van de welvaart moeten daarbij de hoogste prioriteit hebben. ‘Het doel van ontwikkelingshulp is het overbodig maken van zichzelf. In Azië en Latijns-Amerika is dit al grotendeels gebeurd. Bij elk project dienen termijngebonden doelen te worden gesteld, anders wordt het een bodemloze put. De toekomst van ontwikkelingshulp moet worden gezocht in een wereldwijde verzekering voor natuurrampen en ziektes. Staten betalen ieder jaar een premie en krijgen indien nodig een uitkering.’

Kon Kelei, voormalig kindsoldaat, Rechtenstudent aan de RU en oprichter van Cuey Machar Secondary School Foundation ‘Ontwikkelingshulp werkt over het algemeen goed, maar het kan natuurlijk altijd beter. Mijns inziens moet de prioriteit worden verschoven van voedselhulp naar kennisoverdracht. Wanneer mensen onbeperkt voedselpakketten ontvangen, worden ze daar afhankelijk van. Ze zullen niet snel geneigd zijn hun eigen voedsel te gaan produceren. ‘Corruptie is overal. Op korte termijn moet hierop beter worden gecontroleerd, op de langere termijn ligt in het onderwijs echter de sleutel tot uitbanning van corruptie besloten. Nu heerst vaak de rule of the jungle, wie als eerste bij een pakket is, grijpt het. Wanneer mensen begrip voor elkaar krijgen, zal de corruptie vanzelf verdwijnen. ‘Organisaties moeten geen termijnen stellen aan hun hulp, maar doelen die ze in een bepaalde periode willen bereiken. Alleen dan kan het armoedeprobleem worden opgelost. Vroeger dacht ik dat het binnen tien of twintig jaar mogelijk was om armoede uit te bannen. In de politiek is vrijgevigheid echter naar de achtergrond verdwenen. Mensen zijn sceptischer geworden over ontwikkelingshulp. Nu hoop ik dat armoede binnen vijftig jaar definitief tot het verleden behoort.’

Arend-Jan Boekestijn, voormalig Tweede Kamerlid voor de VVD en schrijver van De prijs van een slecht geweten ‘Hulp van het Westen aan regeringen van arme landen is altijd problematisch. Voor je het weet, houd je een dictator in het zadel of eindigt ontwikkelingsgeld op een Zwitserse bankrekening. In een dergelijke situatie is er veel voor te zeggen om non-gouvernementele organisaties (ngo’s), private partijen die meestal niet met regeringen samenwerken, van onderop te laten opereren. ‘Deze instanties raakten in het verleden sterk verweven met politieke partijen door de verzuiling. Ideologisch verschillen die verzuilde organisaties weliswaar van elkaar, maar over één punt zijn zij het altijd eens: hulp in de huidige vorm helpt. Er staat in Nederland een batterij aan ontwikkelingseconomen en dominees klaar die iedereen die kritische kanttekeningen maakt van repliek dient. ‘Toch is er sprake van aanzwellende kritiek op ontwikkelingssamenwerking. Vroeger was alleen de VVD kritisch over deze hulp. Uit recente enquêtes blijkt dat tegenwoordig ruim 60 procent van de Nederlandse bevolking deze zorgen deelt. Ook hulpverleners uiten steeds vaker kritische geluiden. Minister Koenders begreep dat hij iets moest doen. Hij droeg ngo’s op om zich te richten op “partnerlanden” en pleitte voor meer gecentraliseerde hulporganisaties. Dat zijn echter schijnoplossingen, waar grondige herzieningen van het beleid noodzakelijk zijn. ‘De meeste partijen in de Tweede Kamer lijken niet geïnteresseerd in een inhoudelijke discussie. Dit was zeer bevreemdend, aangezien de subsidies die aan ngo’s zijn verstrekt moesten worden geëvalueerd door diezelfde Kamer. Het was duidelijk dat het voor de hulporganisaties maar om één ding draaide: subsidies trekken tot in het oneindige. ‘Het is verbijsterend om te zien dat een ruime Kamermeerderheid en de hulpverlenende instanties zo onverstandig hebben geopereerd. Men hoeft geen helderziende te zijn om te kunnen bedenken dat voor het behoud van het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking fundamentele hervormingen nodig zijn. ‘Wat was het mooi geweest als donoren zelf initiatieven hadden genomen om zich veel meer te gaan richten op de private sector waar immers de groei vandaan zal moeten komen. Wat was het mooi geweest als ngo’s hadden erkend dat veel activiteiten die dienen om het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden te versterken vaak stuklopen omdat het regime dat tegenwerkt. En wat was het mooi geweest als de hulpverlenende instanties zelf het initiatief hadden genomen om door middel van evaluaties van hun fouten te leren. Het heeft niet zo mogen zijn. Kennelijk beseft men in deze kringen nog steeds niet dat men danst aan de rand van de vulkaan.’

Karen Mol, woordvoerder van de katholieke Nederlandse ontwikkelingsorganisatie Cordaid ‘Of ontwikkelingshulp effectief is, hangt af van welke doelen men stelt. Cordaid ziet dat voor velen in derdewereldlanden het bestaansniveau verbetert. De laatste jaren is bijvoorbeeld door één van onze projecten de gezondheidszorg in Afghanistan aanmerkelijk in kwaliteit gestegen. Wij beloven dan ook geen gouden bergen, maar werken kleinschalig en proberen daar resultaten te bereiken. De overzichtelijkheid van deze projecten zorgen er bovendien voor dat het gemakkelijker wordt om corruptie uit te bannen. ‘Ontwikkelingssamenwerking moet niet worden gezien als het wondermiddel om scheve verhoudingen binnen de wereld te laten verdwijnen. Daarvoor is een wereldwijde afstemming van beleid op gebieden als Economische Zaken, Gezondheidszorg en Onderwijs vereist. ‘Ook moeten scheve verhoudingen binnen staten worden aangepakt. De middenstand en de onderste regionen van de samenleving dienen daarom te worden gesteund. Indien dit op mondiaal niveau plaatsvindt, kan dat armoede verminderen. Er leven echter nog steeds een miljard mensen onder de armoedegrens, dus is het naïef om te denken dat ontwikkelingssamenwerking op korte termijn overbodig is.’

Klik hier voor alle artikelen van ANS maart 2010.

Tekst: Kasper Floor en Henk Strikkers Illustratie: Chris Berenbak