Bruut Debuut

Redactie

De Vlaamse schrijver Lize Spit debuteerde afgelopen jaar succesvol met Het smelt. Het boek heeft een erg duistere kant, die lezers op voorhand vaak niet verwachten bij Spit. ‘Mocht ik nu een man van vijftig zijn met een van alcohol doordrongen gezicht, dan zou iedereen snappen waar de hardheid vandaan komt.’

Tekst: Noor de Kort
Foto's: Ted van Aanholt

Dit artikel verscheen eerder in het introductienummer van ANS

‘Met dezelfde ingrediënten kun je een heel goed, maar ook een heel slecht brood bakken’, zegt Lize Spit. Voor haar debuutroman Het smelt, die afgelopen januari verscheen, gebruikte ze standaard ingrediënten: opgroeien in een dorp, daaruit losbreken en omgaan met seksualiteit. Het smelt is een succesvol brood: de roman wordt acht keer vertaald en een verfilming is in de maak.

Spit groeide op in Viersel, het Vlaamse dorp dat model stond voor het verhaal van haar debuutroman. Al tijdens haar jeugd was ze veel bezig met schrijven. ‘Ik klampte me er toen al aan vast dat ik met schrijven iets wilde bereiken.’ Daarin is ze geslaagd. In 2013 won Spit zowel de jury- als publieksprijs van Write Now! en publiceerde daarnaast proza en poëzie in de lite- raire tijdschriften Het Liegend Konijn, De Gids en Das Magazin. Haar debuutroman Het smelt bevat een duisterheid die je niet zoekt achter het schattige uiterlijk van Spit. Nadat ze is neergeploft op de bank – ‘Amai, wat zit er veel stof in die zetel!’ – vertelt de schrijver over de inspiratie die ze haalt uit treurigheid en haar hang naar het macabere.

Lize Spit

Afrekening
Het smelt gaat over Eva, die opgroeit in een klein dorp in Vlaanderen. Met haar vrienden Pim en Laurens vormt ze het hechte trio De Drie Musketiers. Wanneer de puberteit aanbreekt, verandert de vriendschap. Pim en Laurens bedenken wrede spellen waarbij meisjes worden gedwongen hun kleding uit te trekken. Eva wordt gekozen tot spelleider en heeft weinig andere keus dan meegaan in de plannen die de andere musketiers beramen. Dertien jaar later keert ze terug naar het dorp en besluit ze zelf de spelregels te bepalen.

'Ik kon als kind soms denken: "Dit is heel droevig, maar ik ga er later iets goeds over schrijven."'

Veel gebeurtenissen uit het boek komen voort uit observaties die Spit al tijdens haar jeugd deed. ‘Ik wist toen al: dit wordt ooit een boek’, licht ze toe. Het verhaal is niet autobiografisch, maar wel sterk geënt op de werkelijkheid. Eva is een personage dat dicht bij Spit zelf staat. ‘Zij heeft sterk mijn stem. Mijn vrienden zeiden: “Als ik het boek las, hoorde ik jou de hele tijd praten.” Alle personages zie ik voor me, maar van Eva weet ik eigenlijk niet hoe ze eruitziet, omdat ze een deel van mezelf is. Het voelt alsof ik Eva meenam als ik terugreed naar het dorp en ik haar door heel mijn jeugd heb geloodst. Toen het verhaal af was, heb ik haar daar achtergelaten. Ze is een deel van mezelf dat ik van me heb afgeschreven.’ Het boek is volgens Spit in zekere zin een afrekening met gebeurtenissen uit haar jeugd. ‘Ik kon als kind soms denken: “Dit is heel droevig, maar ik ga er later iets goeds over schrijven.”’

Onttoverd
Spit haalt veel inspiratie uit negatieve gebeurtenissen. ‘Op momenten dat iets mij droevig maakt, gaat er een knop om in mijn hoofd en denk ik: “Zuig dit in je op en doe er iets mee, want dan is dit niet voor niets geweest.” Deze knop gaat heel makkelijk om bij negatieve dingen en niet bij positieve. Lize kinToen ik laatst op straat fietste, vloog een duif langs mijn voorwiel. Ik keek naar de duif en precies op dat moment, werd deze overreden door een auto. Ik had mijn koptelefoon op, maar ik hoorde door de muziek heen het kraken van het skelet. Dan denk ik direct: hier moet ik iets mee doen. Ik haal dan mijn genoegen uit het heel goed beschrijven van het sterven van die duif.’

Hoewel ze beweert erg gelukkig te zijn, zegt Spit dat ze een zware ziel heeft. Ze denkt dat deze in de toekomst alleen maar zwaarder zal worden. ‘Hoe ouder je wordt, hoe meer teleurstellingen er volgen.’ Een mooi woord voor het proces van teleurstelling vindt Spit ‘onttovering’. Ze vervolgt dat ze hier veel last van heeft gehad. ‘Ik besef steeds meer dat het leven een grote grap is. Eerst bestaat Sinterklaas al niet en de onttovering gaat gewoon door. Ik heb bijvoorbeeld gewerkt bij een grote bioscoop. Daarvoor at ik heel graag popcorn, maar omdat ik nu weet hoe het daar wordt afgeleverd, kan ik het echt niet meer kopen. De popcorn in die gezellige, kermisachtige bakken wordt namelijk afgeleverd in enorme vuilniszakken.’

‘Ik kan prima balletjes in tomatensaus eten, terwijl ik op televisie naar een openhartoperatie kijk.’

Spit vervolgt dat ze clichés vroeger verwerpelijk vond, maar dat ze nu steeds vaker merkt dat ze kloppen. ‘Een cliché bestaat, omdat iets vaak voorkomt. Vroeger vond ik ze daarom het bewijs dat we ons te snel bij zaken neerlegden. Nu besef ik steeds vaker dat het kleine wijsheden zijn. Ik ben soms bang dat je aan het einde van je leven geen enkele illusie meer kunt hebben.’ In haar beschrijvingen verwerkt Spit niet veel emotie. ‘Ik vind pathetiek echt dodelijk voor een verhaal. Sommige schrijvers schrijven heel zacht en lief. Ze steken het verdriet in de woorden zelf, zodat je als lezer niet anders kunt dan beginnen te huilen. Mijn verhaal is liefdevol, maar wel op een koele manier geschreven.’ Lachend vervolgt ze dat lezers zich er vaak over verbazen dat een schattig ogend meisje zoals zij zo hard kan schrijven. ‘Mocht ik nu een man van vijftig zijn met een van alcohol doordrongen gezicht, dan zou iedereen snappen waar de hardheid vandaan komt.’ Spit vertelt dat ze altijd al een fascinatie heeft gehad voor de duistere zaken. ‘Ik smulde vroeger al van de ongekuiste sprookjes van de gebroeders Grimm met afgehakte hoofden. Nog steeds kan ik prima balletjes in tomatensaus eten, terwijl ik op televisie naar een openhartoperatie kijk.'

Zelfkastijding
Schrijven over wrede spellen en afrekenen met treurigheid; het is niet erg verrassend dat sommige critici Het smelt te zwartgallig vinden. Spit begrijpt deze kritiek, maar ze stelt dat het verhaal niet alleen uit doffe ellende bestaat. ‘Ik hoor ook dat mensen hardop hebben gelachen om bepaalde beschrijvingen. Het verhaal zelf is heel donker, maar gaandeweg lach je wel hier en daar. Ik moet het hebben van taal en humor die ontstaat uit een situatie.’

Kritiek die haar wel echt wat doet, is dat de Nederlandse taal slordig zou zijn. Spit vindt dat er ruimte moet zijn voor het eigen taalgebruik van de auteur. ‘De discussies gaan over dingen als “Ik was me” en “Ik was mezelf”. Ik schrijf “Ik was mezelf”, omdat ik dat zo zeg. In Vlaanderen zijn ze daar echt over gestruikeld.’ De taal in Het smelt is typisch Vlaams, maar bevat woorden en uitdrukkingen die ook in Vlaanderen niet algemeen bekend zijn. Lize handHierop is veel commentaar, vertelt Spit verontwaardigd. ‘Wij zeiden vroeger bijvoorbeeld “peperdoos” tegen een moedervlekje dat een bultje vormt.’ Ze wijst met haar vinger naar het moedervlekje op haar kin. ‘Dat woord staat zelfs niet in een Vlaams woordenboek, maar ik vind dat het er in moet, omdat wij het zo zeiden.’

Hoewel de overgrote meerderheid van de recensies positief is, bevuilt de kritiek het werk wel een beetje voor Spit. ‘Ik kan mijn boek nu niet meer zien, zonder een beetje de pijn te voelen van commentaar dat mij kwetste’, stelt ze. Toch kiest ze ervoor om alle kritiek te lezen. ‘Ik hou wel van een beetje zelfkastijding’, zegt Spit lachend terwijl ze een denkbeeldige zweep over haar schouders beweegt.

Foute richting
In de recensies wordt lovend gesproken over de hoofdstukken, die ‘miniatuurtjes’ zouden zijn: op zichzelf staand en mooi rond geschreven. Volgens critici komt hier de kracht van Spit als korte-verhalenschrijver naar voren en moet haar volgende werk daarom een korte-verhalenbundel worden. Spit vertelt echter dat ze voor haar volgende boek bezig is met een roman.

‘Ik schrijf liever een roman dan korte verhalen. Aan het schrijven van een roman is het zo fijn dat je helemaal door het verhaal wordt opgeslorpt; het wordt voor een tijdje helemaal jouw wereld. In mijn verhalen kan ik overal naartoe. Bij een roman is dat nog intenser dan bij een kort verhaal. Korte verhalen brengen mij nooit ver genoeg van mijn saaie, stabiele leven.’

‘Korte verhalen brengen mij nooit ver genoeg van mijn saaie, stabiele leven.’

In de nieuwe roman wil ze proberen hoopvoller te schrijven dan in Het smelt. ‘Ik zal ook wel moeten, want anders krijg ik het stempel van de droefgeestige Lize Spit’, zegt ze lachend. Ze is even stil en vervolgt dan: ‘Als ik er nu over nadenk, wordt mijn volgende boek misschien nog wel donkerder dan Het smelt. Oei, dat is een stap in de foute richting.’