Achter de passie

Redactie

Rond Pasen staat dirigent Ton Koopman jaarlijks aan het hoofd van verschillende orkesten om de Matthäus Passion uit te voeren. Koopman ziet het aantal studenten in het publiek dalen en weet hoe ze opnieuw bij klassieke muziek kunnen worden betrokken. ‘Een concert moet geen opgelezen les zijn.’

Tekst: Rein Wieringa
Foto's: Kelley van Evert

Dit artikel verscheen eerder in de zesde editie van ANS. 

Met Pasen voeren orkesten over de hele wereld de Matthäus Passion uit. Dit stuk uit de barok, waarin de lijdensweg van Jezus wordt verteld, is een van de belangrijkste werken van Johann Sebastian Bach. De componist schreef het voor twee orkesten, twee koren, solisten en een kinderkoor. In zo’n kinderkoor zong Ton Koopman als jongetje van tien mee. Op zijn elfde werd Koopman kapelorganist en drie jaar later werd hij weggekocht door een kerk in Almelo. Daar mocht hij met blazers en strijkers spelen, bewerkte hij kerstliedjes en verdiende hij 40 gulden per maand. In het eerste jaar op het conservatorium zat hij aan het klavecimbel bij de uitvoering van de Johannes Passion.

Inmiddels behoort Koopman tot de wereldtop van de barokmuziek. Hij reist naar Rome, Washington en Tokio om orkesten te dirigeren en staat in Nederland aan het hoofd van zijn eigen Amsterdam Baroque Orchestra. Daarnaast is Koopman klavecinist, organist en hoogleraar Kunsten, in het bijzonder de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk van de oude muziek aan de universiteit Leiden. Dit jaar hield hij de Huizingalezing, een jaarlijkse cultuurhistorische lezing, die hiermee voor het eerst sinds 1988 over muziek ging.

Ton Koopman voert jaarlijks de Matthäus Passion meerdere keren uit. Aan publiek is geen gebrek, maar studenten zijn ondervertegenwoordigd. ‘In mijn studententijd gingen er meer studenten naar de Matthäus dan nu’, merkt hij. Als hoogleraar is Koopman actief betrokken bij studenten in zijn vakgebied. Hij geeft colleges, begeleidt promovendi Muziekwetenschap en geeft studenten de gelegenheid boeken uit zijn privébibliotheek te lezen. In deze bibliotheek, tussen de bruine ruggen van boeken en planken vol eeuwenoude partituren, vertelt Koopman bevlogen over het terugwinnen van een jong publiek. ‘Klassieke muziek hoor je altijd als er een belangrijk persoon overleden is, terwijl je met klassieke muziek juist ongelofelijk veel plezier kunt hebben.’Portret

Hoe is de belangstelling van studenten voor klassieke muziek sinds uw studententijd veranderd?
‘Ik zat zelf tussen de studenten Muziekwetenschap, een klein clubje van hooguit dertig man, waarvan er natuurlijk veel naar concerten gingen. Een hoogleraar van ons was vooral gepassioneerd door opera maar dook soms ook in een passion. Als hij college gaf, zat de grootste zaal, waar plek was voor zeshonderd mensen, altijd vol. Daarnaast waren er meer studentenorkesten dan nu. Naar mijn gevoel gaat het nu al heel goed als een universiteit één koor of orkest heeft.

‘Ik denk dat er minder belangstelling voor klassieke muziek is omdat minder studenten een instrument bespelen. Vroeger hadden studenten bijvoorbeeld vaak al pianoles gehad voor ze naar de universiteit gingen. Als student werd ik door scholen gevraagd om met orkesten en koren mee te spelen, maar van mijn studenten hoor ik dat soort dingen niet meer. Ik heb een keer een bijeenkomst georganiseerd over het benoemen van instrumenten in schilderijen, omdat alle musea dat verkeerd deden. Daar kwamen slechts twee studenten op af. Dat heb ik dus nooit meer gedaan. Toch heeft barokmuziek een jonger publiek dan andere soorten klassieke muziek. Musici van orkesten in bijvoorbeeld Chicago en Boston zeggen dat er bij mij een veel jonger publiek komt dan wanneer ze iets uit de romantiek spelen.’

Koopman pratendOp welke manier kunnen studenten weer bij klassieke muziek worden betrokken?
‘Als ik mijn dochter in een jazzcafé zingt, zie ik daar tot mijn verbazing veel mensen van wie ik niet wist dat ze van jazz houden. Ze hebben dan van het optreden gehoord, en vinden het gewoon leuk om er even een borrel te drinken. Kennelijk is de drempel bij jazz lager dan bij klassieke muziek. Ik denk dat wij, de muzikanten, ons moeten realiseren dat we de drempel zelf kunnen verlagen. Dat kan als we plezier en verdriet hebben met muziek, als we niet alleen professioneel zijn, maar echt van muziek houden. De wiskundeleraar die uitstraalt dat wiskunde een geweldig vak is, krijgt iedereen mee. Voor klassieke muziek geldt hetzelfde.

‘Daarnaast kunnen universiteiten veel meer met hun cultuurbudget doen om, buiten de muziekwetenschappen, ook de normale student bij klassieke muziek te betrekken. In Leiden zie ik dat er veel meer studenten naar concerten zouden kunnen gaan dan nu het geval is. Zelfs conservatoriumstudenten moet je een kaartje geven voordat ze een concert bezoeken.’

‘Ik vind dat je van muziek moet kunnen genieten als van een gedicht.’

Veel mensen denken dat je veel voorkennis nodig hebt om klassieke muziek te kunnen waarderen.Wat vindt u hiervan?
‘Ik vind dat je van muziek moet kunnen genieten als van een gedicht: je leest het gedicht oppervlakkig en denkt “goh, wat mooi”. Vervolgens kan je bereid zijn om je er verder in te verdiepen. Hoe dieper je gaat, hoe meer je vindt. Dat geldt natuurlijk ook voor Bach: je kunt de Matthäus Passion voor het eerst horen en denken: “Wat een geweldige muziek is dat”, en that’s it. Aan de andere kant kan je ook denken: “Bach weet je hart te raken, maar hij is ook een ongelofelijke architect; hij kan gebouwen maken met de minste stenen.” Zo is er altijd een groep mensen in het publiek die er veel meer van wil weten. Deze mensen stellen me vragen of sturen e-mails naar mijn kantoor. Dan wijs ik ze bijvoorbeeld op een prachtige biografie over Bach.

‘Mensen die komen luisteren moeten de muziek in eerste instantie aantrekkelijk vinden. Kennis achter muziek is belangrijk, maar je moet er niet door in slaap vallen. Dat geldt ook voor colleges: ik geef colleges van tweeënhalf uur waar de studenten niet in slaap vallen, omdat ik improviseer, vragen beantwoord en mijn verhaal op deze vragen aanpas. Zo moet een concert zeker zijn, en als dat aanzet tot verdere studie is dat alleen maar goed. Een concert moet geen opgelezen les zijn, maar een ervaring waarbij je ziet dat de musici houden van hun muziek en er iets mee willen zeggen.’

UitleggenHoe zorgt u ervoor dat een concert zo’n ervaring is?
‘Die ervaring breng ik over op het publiek, omdat het ook voor mijzelf een ervaring is. Je ziet dat ik geniet en dat ik contact heb met het orkest, het koor en de solisten. Daarnaast is het mooi om te zien hoe orkestleden op elkaar reageren. Ik vind dat de dirigent een primus inter pares moet zijn; een dirigent als dictator is niet meer van deze tijd. Iemand moet de kapitein zijn, maar je kan er als kapitein voor kiezen om een onmenselijke egotripper te zijn of iemand die samenwerkt met zijn musici.

‘Ik geef zelf ook kinderconcerten, omdat ik het belangrijk vind dat kinderen op een natuurlijke manier met klassieke muziek in aanraking komen. Rond Pasen voer ik bijvoorbeeld zeven à acht keer een Matthäus Passion voor kinderen uit. Dat is een ingekorte versie van de Matthäus, want een avondmatthäus van tweeënhalf uur is voor kinderen veel te lang. Zij hebben hapklare brokjes nodig met een visueel element erbij. In de kindermatthäus probeert de dochter van Pilatus bijvoorbeeld tegen haar vader te zeggen dat Jezus niet moet worden gekruisigd. Ze rent door de kerk: “Waar is mijn vader, ik kan hem niet vinden?” Ik weet niet of Pilatus een dochter had, maar dat is voor een kindermatthäus ook niet belangrijk. Met kleine aanpassingen zou zoiets ook voor studenten geschikt kunnen zijn. De tekst moet misschien iets worden veranderd ten opzichte van de kinderversie, maar ook voor studenten zou het een uur moeten duren.’

'Naar een concert gaan is gewoon een kwestie van durf.'

Wat zou u tegen studenten willen zeggen om ze aan te moedigen naar klassieke muziek te luisteren?
‘Tegen studenten zou ik zeggen: kijk op je computer welke muziek je leuk vindt en probeer dan een concert te vinden waarbij je het gevoel hebt dat je de muziek wel in het echt zou willen horen. Als je vindt dat muziek heel aangenaam moet zijn, zoek daarnaar. Ook als je van abstracte muziek houdt, zijn er genoeg voorbeelden te vinden. Heel veel concerten duren maar een uurtje, dus neem het risico en ga erheen. Neem je vriendin mee, ga daarna lekker ergens eten. Naar een concert gaan is gewoon een kwestie van durf. Mijn antwoord is dus: wees niet bang.’