Universitaire uitdagingen

Redactie

De universiteit als instituut staat onder druk. Het is niet zeker of de universiteit 2040 haalt in haar huidige vorm. Om ook in de toekomst relevant te blijven moeten er veranderingen worden doorgevoerd. Voor welke uitdagingen staat de universiteit?

Tekst: Vince Decates en Wout Zerner
Foto's: Anne Rombouts

Dit artikel verscheen eerder in de vijfde editie van ANS.

Het voortbestaan van de universiteit is voor veel studenten een vanzelfsprekendheid. Al honderden jaren is zij tekenend voor het onderwijsklimaat in Nederland. Binnen de top van de universiteiten in Nederland is echter niet iedereen van dit voortbestaan overtuigd. Bert van der Zwaan, rector magnificus van Universiteit Utrecht (UU), publiceerde onlangs het boek Haalt de universiteit 2040: Een Europees perspectief op wereldwijde kansen en bedreigingen. In het boek stelt Van der Zwaan belangrijke vragen over de toekomst van de universiteit. Hij vreest dat zij een deel van haar relevantie gaat verliezen als er geen veranderingen worden doorgevoerd. Door deze publicatie is de discussie over de toekomst van de universiteit tot in de Tweede Kamer opgelaaid. Het debat spitst zich onder andere toe op de thema’s: financiering van het onderwijs, het toelaten van een beperkt aantal studenten, het curriculum van de toekomst en de digitalisering. ANS keek in de glazen bol en vroeg enkele kopstukken uit de universitaire wereld om hun kijk op deze vier vraagstukken te geven.

It’s all about the money
Van der Zwaan waarschuwt in zijn boek dat er steeds minder geld vanuit de overheid naar de universiteiten stroomt, waardoor private investeringen in het onderwijs toenemen. De overheid trekt zich steeds meer terug. Bovendien neemt het aantal studenten toe, waardoor de overheid per student een kleiner budget beschikbaar stelt dan voorheen.

Een risico van een particulier systeem is volgens Van der Zwaan dat studeren steeds meer iets voor de rijken kan worden, omdat het collegegeld significant omhoog gaat. Een ander gevaar van particuliere investeringen is dat de onafhankelijkheid van het instituut in het geding komt. Han van Krieken, rector magnificus van de Radboud Universiteit, onderschrijft dit: ‘Wanneer een universiteit afhankelijk is van private investeringen, bestaat de kans dat een deel van de invulling van het programma aan geldschieters wordt overgelaten. Dat zou een slechte gang van zaken zijn. De overheid moet blijven investeren in onderwijs en onderzoek en daarmee in de toekomst van ons land.’

Niet iedereen ondersteunt de visie van de twee rectores magnifici. Dat de private investeringen toenemen staat vast. Over teruglopende overheidssubsidies heeft Barend van der Meulen, hoofd onderzoek aan het Rathenau Instituut, dat politieke en publieke meningsvorming over wetenschap stimuleert, echter zijn bedenkingen. ‘Het geld dat de overheid overhoudt door het leenstelsel komt nog steeds bij de universiteiten terecht. De overheid investeert dus nog steeds veel in het hoger onderwijs.’

‘We moeten niet bang zijn om te praten over beperking van de toegang.’

Selectie aan de poort
Het huidige onderwijsstelsel gaat gebukt onder een te hoog aantal universitaire studenten, stelt Van der Zwaan vast. Sommige universiteiten hanteren daarom een selectiesysteem om zich hiertegen te wapenen. Vooral bij studies als Geneeskunde en Psychologie is hiervan sprake. Volgens Van der Zwaan is deze selectie niet direct een probleem. ‘We moeten niet bang zijn om te praten over beperking van de toegang. Als je overgaat op selectie, krijgt talent voorrang.’

Ziek Erasmusgebouw grootKarl Dittrich, voorzitter van de Vereniging van Universiteiten, schaart zich achter de rector magnificus van de UU. ‘Het publieke stelsel moet toegankelijk blijven voor iedereen, maar het is zinvol om te debatteren over de vraag of elke student ook op alle onderwijsinstellingen moet worden toegelaten.’ Hij vervolgt dat selectie een positief effect kan hebben. ‘Door te selecteren krijg je een gedifferentieerd aanbod van onderwijsinstellingen, wat de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt.’ Van Krieken is tegen selectie omdat bestaande selectie-instrumenten niet noodzakelijkerwijs de juiste studenten selecteren. Toch ziet ook hij in dat het noodzakelijk kan zijn om in sommige gevallen te selecteren. ‘We moeten vanuit het arbeidsmarktperspectief bijvoorbeeld goed nadenken of er wel zoveel psy- chologen nodig zijn in de maatschappij. Daarnaast zijn bij medische studies dure apparaten nodig waardoor er maar een beperkt aantal studenten kan worden opgeleid.’

Curriculum van de toekomst
Alle studenten moeten over de juiste academische competenties beschikken, schrijft Van der Zwaan in zijn boek. De universiteit van morgen moet nadenken over hoe deze terugkomen in haar onderwijsprogramma. De universiteit onderscheidt zich door academische vaardigheden van het hbo. De vaardigheden zijn daarmee onderdeel van haar bestaansrecht. Volgens de rector magnificus van de UU is er momenteel nog niet genoeg aandacht voor dergelijke vaardigheden. ‘Het curriculum is te veel gericht op het verwerven van vakkennis. Ik pleit daarom ook voor een verbreding van het eerste jaar van de bachelor, waarin meer academische vaardigheden worden aangeleerd.’ Van der Zwaan vindt daarnaast dat er aandacht moet zijn voor arbeidsmarktoriëntatie. ‘Wij moeten studenten voorbereiden op de flexibiliteit die de arbeidsmarkt van ze vraagt. Een samenwerking met bedrijven kan zeker interessant zijn, maar de studenten hoeven niet worden opgeleid voor een specifiek beroep.’

Het debat over het curriculum richt zich op de vraag welke accenten er binnen de opleiding moeten worden gelegd. Moet het accent op de academische vaardigheden liggen of juist op de arbeidsmarktoriëntatie? Volgens Van Krieken moet de rol voor de arbeidsmarktoriëntatie een stuk kleiner zijn. ‘In de bachelor moeten academische basisvaardigheden worden aangeleerd. Bedrijven zijn bij afgestudeerde studenten vooral op zoek naar die basisvaardigheden. De specifieke werkzaamheden van een bedrijf worden later aangeleerd. Een universiteit moet echter niet aan bedrijven vragen over welke vaardigheden studenten moeten beschikken. Ik denk dat wij dat als universiteit zelf beter weten.’ Dittrich sluit zich bij Van Krieken aan. ‘De universiteiten moeten goed naar de arbeidsmarkt kijken, maar de invloed daarvan mag niet doorslaggevend zijn. De instellingen zijn verantwoordelijk voor hun eigen curriculum.’

De focus op de arbeidsmarkt verschilt op dit moment sterk per opleiding. Zeker de opleidingen met een duidelijk beroepsperspectief, zoals Geneeskunde, besteden meer aandacht aan de carrière na het studeren. Andere studies die recent zijn gegroeid in studentenaantal worstelen hier volgens Van der Meulen nog mee. ‘Aan de universiteit zullen altijd studierichtingen zijn die meer studenten in een gebied opleiden dan de maatschappij strikt nodig heeft. Deze opleidingen moeten zich afvragen of ze de studenten wel de juiste competenties en vaardigheden aanleren om op de arbeidsmarkt ook buiten de kaders van de opleiding uit de voeten te kunnen.’ Een grotere focus op de arbeidsmarkt is een belangrijke manier om deze studenten toch een reële baankans te garanderen.

'Aan de universiteit zullen altijd studierichtingen zijn die meer studenten in een gebied opleiden dan de maatschappij strikt nodig heeft.'

Interactie als basis
Naast de invulling van het curriculum is ook de manier van studeren aan verandering onderhevig. De digitalisering van de universiteit heeft een snelle opmars gemaakt, schetst Van der Zwaan in zijn boek. Steeds meer colleges worden opgenomen en komen online beschikbaar, zodat studenten hun tijd flexibeler kunnen indelen. Achter de toenemende digitalisering schuilt echter ook een groot gevaar. ‘Het contact tussen studenten en docenten vormt de kern van ons onderwijs en moet daarom behouden blijven’, stelt Dittrich. Van Krieken signaleert hetzelfde. ‘Leren begint uiteindelijk toch bij interactie tussen mensen. Formeel leren, dus onder begeleiding van een docent, is voor het overgrote deel van de studenten de beste methode om zich de stof eigen te maken. Ik denk dat deze methode nog lang blijft bestaan en dat digitalisering vooral als ondersteuning voor het onderwijs aan de campus zal dienen.’

Van der Zwaan eindigt zijn boek met de hoopvolle conclusie dat de universiteit 2040 wel degelijk gaat halen. Dit kan echter niet in haar huidige vorm, dus zullen er veranderingen moeten worden doorgevoerd. Voordat deze in werking kunnen treden moet er debat zijn over de universiteit en haar toekomst.

Op de vraag hoe de uitdagingen moeten worden aangepakt, valt geen eenduidig antwoord te geven. De universiteiten moeten nadenken over de kwesties rondom financiering, selectie, curriculum en digitalisering. Anders wordt Van der Zwaans waarschuwing werkelijkheid en zal de universiteit in 2040 niet meer zo vanzelfsprekend zijn als zij nu is.