Uit de Oude Doos: Joris Baeten (1985-2005)

Iedere dag rakelt ANS in het kader van het jubileum herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Vandaag in de nostalgische rubriek: het afscheid van een geliefde ANS-redacteur.

De afgelopen maand hebben we tijdens ons jubileum via deze serie Uit de Oude Dozen teruggeblikt op 25 jaar Algemeen Nijmeegs Studentenblad. Artikelen van alle verschillende categorieën hebben jullie hier kunnen lezen: interviews met onder andere Pim Fortuyn, Mart Smeets en Job Cohen, kritische artikelen over de studentenmedezeggenschap en reportages, waarin geïnfiltreerd werd bij de ontgroening van Nijmeegs grootste studentenverenigingen. Een mooi overzicht van hoogtepunten, die in de afgelopen 25 jaar door jullie gelezen konden worden.

25 jaar is echter een lange tijd; een tijd die te lang is om slechts hoogtepunten te kunnen vieren. In 2005 werd de ANS-redactie bijvoorbeeld opgeschrikt door een verschrikkelijke tragedie, die redacteur Joris Baeten persoonlijk trof. Bij hem werd op negentienjarige leeftijd een onbehandelbare vorm van kanker geconstateerd, waarvan direct vast werd gesteld dat deze hem fataal zou worden. Voor zijn overlijden beschreef hij zijn ziekbed en zijn omgang met de vreselijke ziekte, die zijn leven zou beëindigen. Dit resulteerde in een aangrijpend verhaal, waarin Joris schrijft over het leven na de dood, het beleven van liefde en de waarde van geld. Dit stuk, ongetwijfeld het meest aangrijpende in 25 jaar ANS, verdient daarom een bijzondere plaats in deze Uit de Oude Doos-maand en daarmee ook in de geschiedenis van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad. Het artikel werd na het overlijden van Joris gepubliceerd; hij overleed een week voor zijn twintigste verjaardag.

Lees het artikel uit de ANS van oktober 2005 hieronder.

Joris Baeten 1 september 1985 25 augustus 2005

Ik ben negentien, ik heb een onbehandelbare vorm van kanker en mijn levensverwachting is hoogst onzeker maar kort. Wat telt er nog in zo’n situatie en wat niet? Een kort tripje door mijn gedachten.

Tekst: Joris Baeten

Sinds maanden liep ik rond met maagklachten. Dan weer een verdikte buik, dan weer een complete intolerantie van vet, overgeven. Mijn huid had een gelig kleurtje van de bleekheid en ik was hondsmoe terwijl ik niet kon slapen. Allemaal verdacht, maar mijn huisarts hield het logischerwijs op een gastritis, een ontstoken maag. De medicijnen hielpen wat en na een aantal weken enorme ziekte liep ik weer rond, inmiddels verhuisd naar een Lents prefab-kamertje. Ik dacht dat het beter ging, maar het was slechts even redelijk stabiel. Rond Pinksteren ging het echt fout, ik viel flauw en kwam via de EHBO het ziekenhuis binnen. Daar bleek de maag slechts een bijverschijnsel van liters vocht in de buik, die weer het resultaat waren van een verslechterde hartfunctie. En die hartfunctie werd belemmerd door een knoeperd van een tumor. Uitgebreid en onbehandelbaar, al hadden we ‘m anderhalf jaar eerder gevonden. Ik kan uren doorgaan over de medische details. Maar stel je eens voor wat door mijn hoofd gaat vanaf de diagnose. Het valt niet mee te weten dat aan je leven snel een einde gaat komen. Het feit dat je toekomst in een klap is verdwenen is het ergste. Je zult niet afstuderen, geen baan vinden, een huis kopen, en alle huisje-boompje-beestje dingen doen die in je onderbewuste burger-ik begraven liggen. Keihard voor een 19-jarige die het gevoel heeft net te beginnen. Dolgraag was ik journalist geworden. Ik zag mezelf al staan met zo’n microfoon bij een rampgebied, of liever nog een politieke top. Ik hoefde niet zo nodig naar Harvard eeuwig te studeren en rijk te worden. Ik wilde kennis opdoen van de politicologie en dan lekker van mijn eeuwige nieuwsgierigheid mijn beroep maken. Maar dat zal nooit gebeuren. Wanneer ik in rolstoel langs de huizen in onze woonwijk word gereden, snap ik ook dat ik nooit in zo’n geval zal wonen, terwijl ik wel al een paar leuke exemplaren heb gezien. Een mooi huisje bijvoorbeeld met klimop erlangs, en een torentje op de hoek net buiten Maastricht. Geen VINEX voor mij in elk geval. In dat leuke, romantische huisje zou ik dan wonen met mijn geliefde vriendin. Geliefde vriendin klinkt misschien net zo over the top als de klimop richting het torentje, maar ik meen het in dit geval. Ik ken haar vanaf mijn veertiende, derde klas, schoolorkest. Annemieke. We hebben niks gemeen qua karakter en toch passen we als twee magneetjes (de goede kanten uiteraard) bij elkaar. Wanneer ik kletste, luisterde zij, en wanneer ik weer duizend dingen tegelijk deed maakte zij een lekkere lasagne en bracht me rust. En als ik me bezig hield met de wereldpolitiek, had zij een verhaal klaar over de wondere wereld van de levensmiddelentechnologie. Totdat ik last begon te krijgen van m’n ziekte. Ik sliep niet meer, raakte verward, lag doodziek in bed. Eigenlijk door mijn eigen communicatieve onvermogen zag zij de ernst van de klachten niet in. Ik wist toen ook nog lang niet dat het zó erg was, maar wel dat ik flink ziek was. Toch hield ik me groot: weekendje rust, gaat wel over. Zij pakte daarom rustig de bus naar huis in plaats van het weekend met mij te spenderen. Zonder te weten hoe het écht met me was ging ze weg. Mijn ouders haalden me op en ik maakte het aan het einde van de week uit. Vijf weken ziek thuis zonder haar, een paar weken weer iets beter terug op kamers zonder haar. Ik miste haar na een tijdje verschrikkelijk, en zij kon alleen nog maar huilen en tentamens verknallen. Toen ging ik het ziekenhuis in. Met haar. Jankend belde ik op de dag van opname. ‘Kom naar me toe, vergeef me alsjeblieft.’ En Annemieke kwam, om niet meer van mijn zijde te wijken. We zijn weer bij elkaar en beseffen hoe gruwelijk veel we van elkaar houden. Bijna elk moment zijn we bij elkaar, om de verloren tijd in te halen maar vooral om de resterende tijd te koesteren zoals we dat nog nooit gedaan hebben. Er kan niet zoveel meer, we kunnen niet even een filmpje pakken of wat gaan drinken. Seks zit er ook niet in door hart, buik en medicijnen. Maar met de rolstoel rijdt Annemieke me rond, op een uitstapje lacht ze naar me en geeft me een aai. En ‘s nachts aarzelt ze geen seconde om me om twee uur een schoudermassage te geven als ik pijn heb door het liggen in één houding. Ik geef haar een aai, zoen of knuffel terug, of een korte omhelzing als ik even opsta uit bed of rolstoel. Verder praten en janken we met elkaar, met af en toe een glimlachje. Het klinkt allemaal nogal beperkt, maar in onze relatie zit onbeschrijflijk veel liefde, meer dan ooit. Ik durf te beweren dat ik nu pas ontdekt heb hoe diep liefde kan gaan en hoe belangrijk liefde is. Ook in de relatie met mijn ouders. Op mijn leeftijd maak je je normaal los van ze en vergeet je de zogenaamde ouderlijke liefde vaak. Ik groei juist naar ze toe, ondervind hoe onvoorwaardelijk veel ze van me houden. Zie hoe ze huilen en lijden, hoe ze alles doen om het mij naar de zin te maken.

Met het idee nooit af te studeren ben ik relatief minder bezig. Ik was nog niet zo ver met Politicologie. Geswitcht van Biotechnologie (ja, Biotechnologie) begin 2004 en vorig collegejaar een aantal politicologische vakken gevolgd en ingehaald. Dit collegejaar heb ik veel tijd gestoken in het ANS en een stage gevolgd bij RTL Nieuws in New York. En oh ja, de gaten van de propedeuse opgevuld. De laatste drie gaten moesten op het einde worden gedicht. Een vak heb ik tijdens mijn eerste periode van ziek zijn geleerd en wonderbaarlijk gehaald. Het tweede, een paper, schreef ik in de korte periode dat ik mij iets beter voelde, maar de kwaliteit was onvoldoende. Waarschijnlijk toch door de vermoeidheid, door het niet honderd procent fit zijn. En tijdens het derde vak, een project, lag ik in het ziekenhuis. Een ‘tsjakka, die P wil ik nog halen’-gevoel zou dus irreeël zijn, maar het ontbreekt me er sowieso aan. En wat de rest van de studie betreft: ik was net zo lief fruitverkoper geworden als ik daarmee kon blijven leven.In tegenstelling tot liefde en de mensen om je heen, is een titel een onbeduidend iets geworden.

Net zo’n loos begrip als Master of Arts is geld. Ik won twee keer een aantal duizend euro met een website-ontwerpwedstrijd voor scholieren en werk al jaren soms aan lucratieve websites. Ik kon dus best wat spenderen aan leuke dingen, maar was toch nog steeds blij met elk vijftigje van oma, blij met elke bonusaanbieding en blij als als ik elke maand wat kon sparen voor grote aankopen of vakantie. Nu boeit sparen of het binnenhalen van geld me geen zier meer. De pecunia van oma bij iedere kaart doen me niks. Discussies over kosten voelen banaal. Pak het van mij, wat heb ik er nog aan. Laten we nóg een keer een weekend weggaan, dat chique hotel is niet duur als het van mijn creditcard wordt afgeschreven.

De Nintendo DS, een soort geavanceerde gameboy, wilde ik al in New York hebben. Ik heb me naar de Mediamarkt laten rijden en het zinloze kreng gewoon gekocht, met niet één, maar twee spelletjes. Ik weet dat het een duur ding is om gewoon Mario 64 weer een keer te kunnen spelen, maar de prijslolverhouding boeide me niet meer. Zo zal ik ook meteen een airco kopen als het kwik wederom boven de dertig komt. Belachelijk duur, maar lekker om te hebben. Geld boeit alleen nog voor zover je jezelf of anderen er gelukkig mee kunt maken door het uit te geven. Daarom heb ik mijn vriendin een prachtige Apple-laptop gegeven van mijn ANS-bestuursmaanden. De blik in haar ogen toen ze het glimmende witte ding in ontvangst nam, dat was me het idiote bedrag waard. Misschien klinkt het allemaal nogal Eurocard/Mastercard, maar ik had nooit gedacht dat mijn besef en gevoel over geld zó zou veranderen.

‘NOS, het achtuurjournaal’. Vanaf mijn zesde elke avond standaardkost. Nou ja, als student af en toe afgewisseld met een RTLZ’tje overdag en de Volkskrant. Met het geblaat over mijn journalistieke aspiraties lijkt het een paradox, maar wat er gebeurt in de wereld gaat goeddeels langs je heen. Het nieuws, de wereld om je heen, het interesseert je allemaal minder. Je maakt de gevolgen immers toch niet meer mee. Ik zat zonder internet of een aangesloten televisie in Spa in een villa, met vriendin en moeder van, even een dagje eruit. Toen belden mijn ouders en vertelden over de aanslagen in Londen. We hebben in de villa de televisie niet eens verplaatst naar de antenne-aansluiting en bij de open haard gewoon een domme comedy gekeken. Het lijkt zo onbelangrijk allemaal. Toch moet ik uitkijken dat ik me niet teveel fixeer op kwalen en kwaaltjes en blijf genieten van wat ik wel nog kan doen. Met uitstapjes en dagjes weg lukt dat aardig, maar een boek lezen of een film kijken is een hel. Om de twee seconden dwalen mijn gedachten af en zak ik weer weg in mijn angsten. Wat voelde ik daar in mijn borst? Zo kun je je natuurlijk nooit ontspannen en dat laatste is nou juist weer zo belangrijk. Daarom ben ik soms blij als ik ‘s avonds in mijn nest lig met een kalmerende pil op, en nergens meer aan hoef, of eigenlijk kan denken. Even niks aan mijn kop. Ontzettend jammer natuurlijk, langs de zijlijn staat iedereen ‘pluk de dag’ te roepen. Maar je moet soms hard trekken om ‘m uit de grond te krijgen.

Mijn angsten betreffen vooral de dood en mijn ziekte. Er wordt bij mij niet behandeld in de zin van genezing of rekken, dat heeft namelijk geen enkele zin, maar alleen extra risico’s. De chemokuur die het ziekenhuis in Maastricht bedacht had was al slechts rekkend, maar zou volgens specialisten in Leuven fataal geweest zijn. Ik weet dus dat het uiteindelijk slechter wordt, er komt een tijd van totale bedlegerigheid en enorme ellende. Maar omdat ik nu juist een uniek geval ben - het type tumor is nooit eerder voorgekomen op die plek (bij m’n hart) kan dat dagen, weken of maanden duren. Ze hebben geen idee. Ondertussen ben ik twee maanden uit het ziekenhuis en nog steeds in leven. Het lijkt niet eens noemenswaardig slechter te gaan. Maar de angst voor de verslechtering trekt niet weg, en terecht. Zo ondervond ik vanmiddag na het eten een duizeling die mijn eerste hartritmestoornis lijkt te zijn. Het hoeft niet veel uit te maken voor je levensduur, maar het confronteert je wel met het onvermijdelijke: De dood komt. Ik ben er straks niet meer, ik kom in een kist en word begraven. Er is een dienst waar mensen huilen, een boekje krijgen over mij met mijn keuze aan plaatjes erin, de klarinetmuziek horen die ik heb uitgezocht en... aargh. Ik snap nog steeds niet van mezelf dat ik me met die details bezig kon houden. Ik denk dat de echte angst ook niet daarin zit. Die zit in het niet meer hier kunnen rondlopen, genieten van eten, drinken, muziek, de natuur. Gewoon er opeens niet meer zijn, geen deel meer uitmaken van deze wereld. En vooral: geen ménsen meer zien. Dat maakt me zo, letterlijk, doodsbang. Van ANS de sfeer, de deadlines, de frieten en de rooklucht missen is één ding, maar vooral mis ik Mies, Bram, Tom, Bert, Iris, Mathieu en alle anderen. En nu ben ik er nog gewoon. Dat ik ze opeens nooit meer zal kunnen zien heeft me gisteren een ochtend lang doen huilen, gewoon door een aardig mailtje van een van hen. Wat betreft het leven na de dood ben ik aardig omgeslagen. Met een bèta-achtergrond dacht ik altijd hersenen=cellen=persoon en dat dat betekent dat de dood echt het einde is. Waarschijnlijk om die gedachte te ontvluchten, ben ik toch wat meer in ‘iets’ gaan geloven. Ik ben geen boeddhist geworden, maar heb er wel wat over gelezen. Ik ben geen reïncarnatie-fanaat geworden, maar heb wel een KRO-programma gezien waarin iemand verifieerbare dingen vertelde uit een vorig leven. Ik heb het niet als scepticus uitgekotst maar meegenomen. Dingen als bijnadoodervaringen houden me bezig. Tegenover de artsen die erin geloven staan genoeg sceptici, maar sommige verhalen zijn ongelooflijk frappant. Ik kets dingen dus iets minder sceptisch af. Zelfs wat betreft de echte godsdienst ben ik wat geloviger geworden. In de Onze-LieveVrouwe Kerk in Maastricht heb ik voor het eerst echt gebeden, mijn hart uitgestort in stilte. Ook heb ik met twee priesters gepraat over de vraag hoe ze die wereldgodsdiensten in de hemel voor zich zagen: 72 maagden linksaf, katholieken naar die wolk en atheïsten pech? De ene priester zei dat het allemaal verschillende menselijke uitingen zijn van dezelfde basisgedachte. Ook hier op de grond, of het nu een synagoge is of een basiliek. De ander deed me zelfs een boekje vol Chinese wijsheden cadeau en wees me op de overeenkomsten met de bijbel. De verschillen tussen de godsdiensten zijn dus eigenlijk cosmetisch, ze zijn op menselijk niveau gecreëerd. Daarmee is het bestaan van die god of leven na de dood natuurlijk nog niet bewezen. Maar op dit moment redeneer ik: als miljarden mensen zich vastklampen aan die gedachte in al hun gebedshuizen, laat ik dan ook maar vertrouwen hebben. Het zal geen fysiek leventje zijn op een wolk met een zuivelspread erbij (stel dat je met pijn sterft, dan kun je die niet opeens kwijt zijn daarboven). Ik denk ook niet dat ik kan toekijken hoe de anderen doorleven, jammer genoeg. Maar als je ziel reïncarneert of ergens naartoe gaat, vind ik dat al heel wat. Verder geloof ik dat als je me een paar maanden geleden had gezegd dat ik dit zou gaan geloven, ik je nooit had geloofd.

Dit verhaal bestaat uit mijn gedachtenflarden tijdens een eindig leven. De boodschap ligt er niet heel dik bovenop, maar toch, ik hoop dat je er als lezer een beetje meer door leert waarderen wat je hebt: levenstijd, gezondheid, tijd voor je vrienden en andere fijne personen. En die studie natuurlijk die ook een keer af moet. Maar stel om die studie of om iets anders de leuke dingen nooit uit. Als ik m’n stageplek tot een logisch moment bewaard had of zelfs maar drie maanden langer had gewacht, wat een serieuze optie was, had ik niet kunnen gaan. Ik heb in m’n korte leven zoveel gedaan dat ik bíjna voor twee geleefd heb. Een schrale troost, maar toch een kleine geruststelling. En dan kets ik dat cliché toch nog even keihard terug: ‘Pluk de dag.’ Je weet nooit wat er kan gebeuren, dus geniet.

Lieve Joris, Je hebt veel betekend voor ons en het blad. We zullen je nooit vergeten. Je vrienden van ANS

 

Martini

Uit de Oude Doos: Is de paus een nicht?

Iedere dag rakelt ANS in het kader van het jubileum herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Vandaag in de nostalgische rubriek: Ware liefde door Stichting Hellun Zelluf.

In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw was de wereld in de ban van een tot dan toe onbekende ziekte, die merkwaardig genoeg vooral homo's trof. Grootschalige verspreiding van het aidsvirus bleek alleen te voorkomen door het gebruik van condooms. Dit was echter geen gewoonte in de toenmalige gayscene. Om de voorlichting over aids te verbeteren richtte presentator en zanger Geert Vissers samen met Marco de Koning in 1991 de Stichting Hellun Zelluf op. Deze organisatie streefde ernaar de voorlichting over aids te verbeteren en af te rekenen met het beeld van het zielige hiv-slachtoffer. Dit deden ze onder andere door het geven van semi-educatieve shows. Na het overlijden van Vissers in 1992 zette De Koning de organisatie samen met een groep enthousiastelingen voort.

In 1993 deed het theaterprogramma van Hellun Zelluf, 'de Ware Liefde Show', Doornroosje aan. ANS sprak na afloop van de show met Marco de Koning, alias Coby Genezijde. Het resultaat was een vrolijk interview met een belangrijke boodschap: 'Ik kan niet zo gauw komen op een nicht of pot die ik niet mag, maar de paus mag ik niet! Het is toch te gek dat hij het condoom verbiedt in deze tijd?'

Lees hieronder dan het volledige artikel uit de ANS van september 1993.

Is de paus een nicht?

Bevordering van een homo-cultuur in het aidstijdperk, dat is het doel van Stichting Hellun Zelluf. 'De Ware Liefde Show', een extravagante quasi-dating-show afgewisseld met acts, is hun laatste project. Mede-oprichter Marco de Koning alias Coby Genezijde praat over homo-cultuur, aids, nichtenhumor en anale seks. 'Wij zeggen: Hét doe je mét!'

Tekst: Alex Scheffer

Na afloop van de 'Ware Liefde Show' heerst er een gezellige chaos in de kleedkamer van Doornroosje. Een fotograaf van Vrij Nederland maakt een paar foto's van de cast, bestaande uit Bep von Zelluf, Vera Springveer en Coby Genezijde (de spelleidsters), Viola Violà (het aanprijsmeisje), Beestje Freek (de gewillige assistent), Eugène Hoochtepaert en Agneta Immergeil (de huishoudelijke staf). De stripteasedanseressen Loes en Natasja ontbloten braaf hun borsten voor de fotograaf, terwijl Jacques Herb nog een pilsje uit de koelkast pakt. In rustiger sferen vertelt Coby Genezijde (alias Marco de Koning) over de begintijd: 'Hellun Zelluf (Geert Vissers) en ik zijn in 1991 begonnen met gay-datings in de theatrale nachtclub 'Mazzo'. Toen we daar uit groeiden, besloten we echt theater te gaan maken. Het huidige theaterprogramma bevat zo'n zeventig procent amusement en dertig procent safe-sex-promotie. De stichting Hellun Zelluf streeft naar de bevordering van een homo-cultuur in het aidstijdperk. We doen dat in de vorm van modeshows, theaterstukken en de uitgave van boeken. De sociale kant is ook heel belangrijk: Wij stellen creatieve seropositieven en mensen met aids in de gelegenheid om nog iets te doen.'

Paul de Leeuw Bij de eerste Gay Dating Shows was de mediagenieke Hellun Zelluf het stralende middelpunt. Veel aandacht concentreerde zich op hem. De Koning: 'Geert was een hele pittige jongen, wat niet altijd wil zeggen dat iemand intelligent is, maar hij was dat wel. Uit respect voor hem zijn we na zijn overlijden doorgegaan met drie nieuwe spelleidsters: Coby, Bep en Vera, die al bekend waren van de cast. De meeste figuren, zoals de familie Von Zelluf, Beestje Freek en Viola Violà, heeft Geert verzonnen. Voor de Ware Liefde Show werken we samen met de toneelschrijver Ton Vorstenbosch voor de teksten en met Guus Vleugel voor de liedjes.' Stichting Hellun Zelluf houdt van het levenslied. Daarom komt Jacques Herb veelvuldig opdraven om zijn 'Manuela' ten gehore te brengen. De Koning: 'Camp is een belangrijk element van de show. Ja, god, wat is nichtenhumor? Dat is toch altijd een beetje het relativeren van het nicht-zijn en daar hoort camp bij. Travestie hoort er ook bij. In je jurkje voel je je vrijer en durf je meer. Kun je meer spelen. Zoals een ander weer in leer speelt of in rubber.' De Koning heeft een heleboel helden en dat hoeven geen travestieten te zijn: 'Ik ben erg geporteerd voor Margreet Dolman. Haar zachte kant vind ik erg leuk. Dame Edna vind ik juist weer leuk vanwege haar pittige kant. Quinton Crisp, de overleden filmster die vaak nichten speelde, bewonder ik ook. Dat zijn allemaal mensen met karakter. Mensen die het publiek kunnen uitdagen.' Wat vindt De Koning van Paul de Leeuw? 'Een schat. Lekker cynisch. Typisch een homo eigen om dingen te relativeren. Dat geeft kracht.' En Ien Dales? 'Dat is een goeie pot. Of je het nu met haar beleid eens bent of niet, het is een vrouw die ergens voor staat.' 'Ik kan niet zo gauw komen op een nicht of pot die ik niet mag, maar de paus mag ik niet! Of hij nou nicht is of niet. Het is toch te gek dat de paus het condoom verbiedt in deze tijd. Wie is er dan nog gek, zij of ik?' De Stichting Hellun Zelluf is momenteel bezig met een benefiet-actie om geld binnen te halen voor een multifunctioneel ligbad ten behoeve van de aidsafdeling van het AMC. De Koning: 'Het bad bubbelt, het is verstelbaar en speciaal gemaakt voor mensen die doorgelegen zijn. Het is gewoon een hele dure aanschaf en in deze bezuinigingstijd is daar geen geld voor. Zo'n bad kost met verbouwingen erbij wel 60.000 gulden.' Volgens De Koning moet er ook meer geld vrijkomen voor het aids-onderzoek. 'Veel meer. Als je toch hoort dat de heterofiele vrouwen de snelst groeiende groep vormen van mensen met HIV. Dat is een signaal, dat het een volksziekte wordt, maar waarom moeten we zo lang wachten! De nieuwste ontwikkelingen op het gebied van aids-onderzoek volg ik wel, maar altijd met heel veel scepsis. Het is al zo vaak gebeurd dat een kleine vooruitgang in de media terechtkomt als dé oplossing. Onderzoekers moeten heel voorzichtig zijn en mensen geen valse hoop geven. Ik hoop voor de korte termijn dat er medicatie komt waardoor je met AIDS kunt leven, net zoals met suikerziekte.

Anale seks De Stichting Hellun Zelluf is nooit te beroerd geweest om vooroordelen en vooronderstellingen in de eigen culturele kringen te ondergraven. In de show gebeurt dat door veel aandacht te besteden aan vragen over lesbo's en aids, door alle vormen van keurigheid op de hak te nemen en de discussie over het al dan niet aanvaardbaar zijn van anale seks aan te vatten. De Koning: 'Jaren geleden was de officiële richtlijn van WVC voor homo's: Niet neuken. Anale seks, dat mocht niet. Ik vind dat iedereen zijn eigen verantwoordelijkheid heeft tot hoever hij gaat. Wij zeggen dan ook bij onze safe-sekspromotie: "Hét doe je mét". Inmiddels is WVC ook teruggekomen van haar richtlijn.' Volgens De Koning maakt de homo-cultuur in Nederland op het moment een groeiproces door: 'Er is jarenlang sprake geweest van een soort drooglegging in tijden van oorlog. Daar bedoel ik het aids-tijdperk mee. Je ziet dat het nu ontzettend aantrekt.' De Stichting Hellun Zelluf kan er mede voor zorgen dat die ontwikkeling zich doorzet. Er zijn nieuwe plannen, nieuwe initiatieven en nieuwe programma's. De Koning: 'We gaan door met de theatershows en er komt een nieuwe serie dating-shows op de Amsterdamse kabel.' Daarnaast komt er binnenkort een boek uit: 'In memoriam Hellun Zelluf' is de titel.

 

Mickey

Uit de Oude Doos: De Refter getest

Iedere dag rakelt ANS in het kader van het jubileum herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Vandaag in de nostalgische rubriek:een ervaren restaurantcriticus komt een oordeel vellen over het Reftervoedsel.

Anno 1997. De Refter is net geopend. Het is zo nieuw, dat 'De Refter' zelfs tussen aanhalingstekens wordt geplaatst. ANS is benieuwd naar de kwaliteit van het eten en nodigt restaurantcriticus Wouter Klootwijk uit. Het is de eerste keer dat hij in een mensa eet. En waarschijnlijk ook meteen de laatste keer. Klootwijk is niet te spreken over de 'Mexicaanse burger' die wordt geserveerd: 'Zo'n naar geval dat dan "Mexicaanse burger" heet. Een klef stukje gehakt is het.' Ook de rest van het eten kan Klootwijk niet bekoren. De chef van de Refter wordt om een reactie gevraagd en laat weten dat 'over smaak niet te twisten valt.' De rücksichtslose restaurantcriticus geeft toe dat hij van ANS verwachtte dat hij de Refter voor hen moest gaan afkraken. Dat bleek uiteindelijk gemakkelijker dan gedacht. Klootwijk blijkt een ware keukenfilosoof als hij zijn kritiek op het eten besluit met: 'En tja, doppers zijn doppers.'

Ben je benieuwd naar onderbouwing van de expert? Lees hieronder dan het volledige artikel uit de ANS van oktober 1997.

De Refter getest

'De Refter mag dan nu in het bezit zijn van een afwasmachine, een 'bestekmagneet' en een 'lepel-mes-en-vork-sorteerder', of naast de apparatuur de kwaliteit van het eten in gelijke mate is verbeterd, blijft de vraag. ANS vond het tijd om 'De Refter' aan een kritische test te onderwerpen en een expert een oordeel te laten vellen over dat waar het eigenlijk om draait: Het Eten. Wouter Klootwijk recenseert en concludeert: 'Studenten kunnen veel beter thuis eten.'

Tekst: Koen Dortmans en Kester Wagenvoort

We treffen Wouter Klootwijk buiten aan, hoewel we aan de ingang van 'De Refter' hadden afgesproken. 'Jeetje, wat een stank zeg, daarbinnen', zegt hij. Nog mooi dat we Klootwijk überhaupt bij 'De Refter' aantreffen. De nieuwe naam is hem bijna noodlottig geworden. 'De treintaxichauffeur had me bijna bij het gelijknamige kasteeltje in Ubbergen afgezet.' We stappen door de grote draaideur en sluiten achteraan in de lange rij. Het is Klootwijks eerste ervaring met een mensa. Langzaam schuifelend komen we dichter bij de vitrine, waar de maaltijden zich koud aan ons presenteren. 'Je krijgt zo in ieder geval genoeg tijd om die borden uitgebreid te bestuderen. Wat nemen jullie?' We besluiten allen iets anders te nemen, in het kader van een zo breed mogelijk warenonderzoek. Als we uiteindelijk zijn aangekomen bij de 'opschepeilanden' ontstaat er lichte paniek. Mogen we nu wel of niet uit de rij stappen en aansluiten bij het eiland naar keuze? Was het basismenu nu met kip of was dat de dagschotel? We spreken af om op te splitsen en elkaar bij de kassa weer te ontmoeten. Wanneer iedereen van eten voorzien uit de chaos ontsnapt, rekenen we af. Klootwijk fronst zijn wenkbrauwen: 'Niet goedkoop, hè?' Er wordt instemmend geknikt. We lopen naar het balkon en vinden een plekje tussen de 1200 eters om onze maaltijden te nuttigen. 'Moeten jullie als goed katholieken nog bidden?', vraagt Klootwijk lachend. 'Smakelijk eten!' 'Jezus, wat zijn die frieten droog, niet te vreten! Ik wilde er nog wat mayo opdoen, maar die was op. Schande. Het is werkelijk niks. Het smaakt allemaal hetzelfde.' Klootwijk staart hoofdschuddend naar zijn dagschotel. Slechts enkele frietstengels zijn door hem beroerd. Over de Mexicaanse hamburger is hij al evenmin te spreken: 'Zo'n naar geval dat dan "Mexicaanse burger" heet. Een klef stukje gehakt is het. Een beetje sambal in de saus en je hebt een smaakje. En dan die enorme berg gortdroge frieten. Veel te groot. Alles is erop gericht.' Klootwijk roept zichzelf echter tot de orde: 'Kom, laat ik nou mijn best even doen.' Van alle borden wordt een hapje geprobeerd. Klootwijk kijkt bedachtzaam naar boven. 'Niet slecht, die Rostbraten. En tja, doppers zijn doppers.' Maar deze lichtpuntjes maken zijn oordeel niet milder. Het ergste vindt Klootwijk dat het er allemaal uitziet alsof niemand de moeite heeft willen nemen om het er appetijtelijk uit te laten zien. 'Ik vind het echt een nare bak eten. Ik hoop dat er thuis nog wat eten over is.' Klootwijk had niet durven vermoeden dat de kwaliteit van het voedsel zo belabberd zou zijn. 'Ik dacht: "Die lui van dat maandblaadje willen natuurlijk dat ik het eten afzeik. Maar dan moeten ze van goede huize komen, want ik vind eten al snel lekker." Ik dacht dat ik in ieder geval een redelijk bord eten zou krijgen. Dit is te slecht voor woorden!' Niet alleen het eten scoort laag, ook de voedingswaarde moet het ontgelden. 'Volgens mij is de voedingswaarde knudde. Aan zo'n klein lullig slaatje wordt al snel veel meer gezondheid toegeschreven dan in werkelijkheid het geval is. Die twee stukjes komkommer met geraspte wortel en een snippertje paprika zijn totaal uitgedroogd. Volgens mij kan het niet door de beugel. Als je hier een jaar of wat studeert en je regelmatig van die melige sausjes eet, krijg je daar geheid oedeem van. Ik heb erg weinig gegeten en toch heb ik al een naar gevoel in mijn buik. 'Ik vind het wel verontrustend dat al die honderden studenten die hier nu zitten zelf hun eten niet meer maken terwijl dat eigenlijk het beste en goedkoopste is. Neem nou pannenkoeken. Het is heel makkelijk, goedkoop en gezond. Je vult ze met wat taugé en kip en je hebt een Chinese loempia. Ik denk dat je dan voor f 1,80 en een lol dat je hebt. 'Of je gaat naar de Aldi, loopt naar de diepvries en koopt zo'n doosje zalmmootjes van hooguit drie à vier gulden. Dan heb je vier zalmmoten, dus voor vier mensen. Als je die heel even schroeit, is dat heerlijk. Met een stukje brood of zo. En mis je de frieten dan koop je een zakje Vlaamse frieten van Aviko. Gooi ze in een hapjespan met slechts een scheutje olijfolie. Zo eenvoudig is dat. Het zijn ook allemaal spullen van de fabrieksband, maar beduidend beter dan wat je hier krijgt. 'Hier kunnen ze blijkbaar niet eens de juiste diepvriesproducten uitzoeken. En koken kunnen ze nog slechter. Warm maken moet ik eigenlijk zeggen want koken doen ze niet eens zelf. Bovendien kunnen ze geen sla raspen. Als dit een commercieel bedrijf is dan wil men er waarschijnlijk vet aan verdienen. Logisch want het gebouw heeft dertien miljoen gekost. Tja, dan blijft er geen geld over voor de maaltijd.' Maar het is toch moeilijk om voor al die duizenden mensen in zo'n korte tijd eten op tafel te krijgen? 'Met die moderne technieken die hier voor handen zijn, moet dat tegenwoordig voor elkaar te krijgen zijn. Neem een techniek als stomen of frituren. Je kunt het eten in kleine charges opwarmen zonder dat het arbeidsintensief is. Zolang je het maar een beetje handig aanpakt.' Naast het leveren van kritiek weet Klootwijk ook enkele tips ter verbetering te geven. 'Ik kan zeker wel een goede suggestie geven. Het vlees, de vis of de vleesvervangers moeten alle nadruk krijgen. Dat zou immers het hoofdbestanddeel moeten zijn. daar moeten ze dan hun uiterste best op doen. En laat mensen zelf vrolijk hun maaltijd samenstellen. Zet een paar bakken sla, geraspte wortels, paprika enzovoort neer en laat mensen hun gang gaan. Heel feestelijk. Bovendien is het nog goedkoper ook. Je hebt minder mensen nodig en koelen moet je toch. 'En wat betreft de opstelling: plaats niet al die eilanden op een rij. Niemand weet nog welke rij hij of zij moet kiezen en de consternatie is compleet. Misschien kunnen ze er iemand met een stok neerzetten om de mensen wat aan te porren. 'De opstelling nu deugt totaal niet. Je raakt verstrikt. En terwijl je je een uitweg probeert te banen, ligt het eten te verpieteren op het bord. Hoewel er weinig aan smaak verloren gaat wanneer je het koud eet. Daarom zijn die magnetrons ook niet meer nodig. Die illustreren overigens wel de wanorganisatie.' Klootwijk is streng met zijn eindbeoordeling. Op een schaal van één tot tien punten geeft hij een drie. Vanwaar die twee extra punten? 'Je krijgt per slot van rekening maagvulling. Bovendien kun je vers fruit krijgen, hoewel je daar wel extra voor moet betalen.' Conclusie? 'Ik zou het wel weten als ik student was. Ga toch naar huis waar wel lekkere mayo voor handen is.' Eén ding is zeker. Wouter Klootwijk hoeven we niet meer in 'De Refter' te verwachten.

Gezien de scherpe kritiek van Klootwijk besloot ANS de Universitaire Restauratieve Dienst (URD) in de gelegenheid te stellen zich te verdedigen. Namens de URD reageert Anton van Looyengoed, chef van 'De Refter'.

Wouter Klootwijk vond het eten smakeloos en eentonig. Wat vindt u daarvan? 'Dat verbaast mij. Heeft hij dan echt alle menu's geproefd? We zijn van duizend maaltijden in de oude mensa naar 1600 in de nieuwe gegaan. Dat is een omzetsverhoging van bijna veertig procent. Blijkbaar vinden die mensen het allemaal goed, anders zou onze omzet wel gedaald zijn.'

Denkt u niet dat de meeste mensen uit pure gemakzucht in 'De Refter' eten? Dat ze gewoon geen zin meer hebben om zelf nog te koken? 'We hebben nog steeds geen slechte reacties over het eten in de ideeënbus gekregen. Trouwens, als Klootwijk vroeger naar kleine vier-sterren-restaurants ging, komt hij hier natuurlijk appels met peren vergelijken.'

Maar hij is uitdrukkelijk niet met het idee van een sjiek restaurant naar 'De Refter' gekomen. En nog vindt hij het eten smakeloos. 'Wij moeten 1600 mensen een maaltijd aanbieden. Dat moet wel op een gemiddeld niveau, anders gaan mensen klagen dat het eten te pittig of te ziet is. Wij moeten eten maken dat iedereen lekker zou kunnen vinden.'

Dat betekent toch niet dat het eten smakeloos moet zijn? 'Tja, over smaak valt niet te twisten.'

Bovendien vindt hij de indeling niet goed. 'Daar heeft hij gelijk in. Ook wij van de URF hebben geconstateerd dat de doorstroming niet helemaal vlekkeloos verloopt en we zijn er druk mee aan de slag. Er liggen momenteel nieuwe plannen klaar om de opschepeilanden ruimer op te zetten. We willen zorgen dat er rondom meer plaats is, zodat de rij sneller oplost. Daarvoor zouden de kassa's verder in het restaurantgedeelte komen. Als de plannen zijn goedgekeurd door de URD gaan we de aannemer inschakelen.'

Wouter Klootwijk

Wouter Klootwijk is een autoriteit op het gebied van restaurants en eten. Wekelijks verschijnt zijn column 'Genieten' in Vrij Nederland onder het pseudoniem van Ben de Cocq. Tien jaar geleden schreef hij samen met Adriaan de Boer in de Volkskrant een restaurantrubriek waarin een willekeurige eetgelegenheid in Nederland onder de loep werd genomen. Het was een gevreesd duo. Volledig undercover trokken ze er als twee doodgewone restaurantbezoekers op uit. Wat ze daar aantroffen, was erger dan hun ergste dromen. De meeste restaurants werden dan ook genadeloos afgekraakt door het tweetal. 'Van de pakweg vijftig restaurants die we in die tijd bezocht hebben, was het aantal goede op een hand te tellen.' De rubriek was een doorslaand succes. 'Het gaf een hoop tumult. De lezers waren dolenthousiast. "Eindelijk was er iemand die de waarheid durfde te zeggen", zo vermeldden ze in hun brieven.' Tot dan toe werd namelijk alles wat met eten en drinken te maken had, angstvallig door de journalistiek vermeden. 'Het was enkel een onderwerp van de maîtresses van de hoofdredacteuren'. Klootwijk wordt gedreven door zijn nieuwsgierigheid. Hij wil controleren of het imago dat restaurants willen etaleren, ook daadwerkelijk tot uitdrukking komt in de kwaliteit van het voedsel. 'Ik vond dat iets simpels als eten gehuld werd in enorme deftigheid en flauwekul. Ik wilde daar de draak mee steken.'

 

pieter.hengst

Uit de Oude Doos: De donkere kamers van de KUN

Iedere dag rakelt ANS in het kader van het jubileum herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Vandaag in de nostalgische rubriek: een kijkje binnen de nog niet eerder geopende deuren van de KUN.

Soms zit je in de UB en zijn je gedachten geheel ergens anders dan bij het boek dat voor je ligt. Je checkt even snel je Facebook- of Twitterpagina op je überhippe telefoon en pingt direct even je huisgenoten over het eten van vanavond. Tien jaar geleden was deze wereld echter nog onbekend en dwaalden de gedachten van UB-gangers naar hele andere zaken af. Zo vroeg de redactie van ANS zich af welke schatten de universiteitsbibliotheek eigenlijk rijk is, of er ondergrondse gangen onder de RU (destijds KUN) liggen en welk doel die nu zouden dienen en wat er gebeurt met het bord dat je in de Refter op de lopende band zet. Genoeg redenen om eens een kijkje te nemen in de donkere kamers van de universiteit. Enkele ontdekkingen: een schuilkelder die dienst doet als wijnkelder, een hoeveelheid boeken van omgerekend veertig kilometer lang en een student die gestopt is met de studie en fulltime etensresten is gaan verwijderen ‘omdat het zo afwisselend is’.

Benieuwd naar de andere ontdekkingen? Lees hieronder dan het volledige artikel uit de ANS van oktober 2001.

De donkere kamers van de KUN

De twintigste verdieping van het Erasmusgebouw, de aula, het Halte 4-theater: je meent de meeste bijzondere plekjes van de KUN inmiddels wel te kennen. Maar wat te denken van de zes verdiepingen van de Universiteitsbibliotheek waar je als student géén toegang tot hebt? Waar blijven de dienbladen die je altijd netjes op de afruimband in de Refter zet? En wat gebeurt er eigenlijk onder de grond van de KUN? ANS opent deuren die tijdens de intro gesloten bleven.

Tekst: Hester van Rijn

Uit angst voor een atoomaanval in de vijftiger en zestiger jaren moesten er bij de constructie van nieuwe gebouwen veiligheidsmaatregelen worden genomen. Zo ook bij de bouw van de B-faculteit van de KUN begin jaren zestig. Diep onder de grond bevinden zich daar nog altijd twee schuilkelders, te herkennen aan de dikke muren en deuren. Sinds 1990 is de eerste van de kelders als laboratorium in gebruik, vijf jaar later volgde de tweede. Door de dikke betonnen muren zijn de ruimtes uiterst geschikt voor het verrichten van precieze metingen. Van trillingen van het verkeer wordt hier immers geen last ondervonden. Maar ook voor andere doeleinden blijkt de atoomkelder uitkomst te bieden. In het lab fluistert een student me toe dat een van de ruimtes jarenlang dienst deed als wijnkelder van niemand minder dan de directeur van de B-faculteit. Tja, het blijft een zwaar vak, dat onderwijs. De procedure is simpel: je zoekt in de computer een boek op, dient een leenaanvraag in en binnen een kwartier verschijnt jouw boek bij de uitleenbalie. Maar wat gebeurt er allemaal achter de schermen van onze Universiteitsbibliotheek? Leon Stapper, afdeling PR en Voorlichting van de UB: ‘De verdiepingen boven de begane grond vormen ons magazijn. Als er beneden een boek wordt aangevraagd, gaat er boven een printer ratelen. Hieruit rolt een bon met daarop de specificaties van het desbetreffende boek. De magazijnmedewerker zoekt het op, legt het in het boekenliftje et voilà: daar komt het beneden de lopende band afrollen.’In totaal telt de UB een miljoen boeken. Voor de kennisfetisjen onder ons maakt dat, met een gemiddelde boekbreedte van vier centimeter, veertig kilometer boek, de afstand van Nijmegen tot ’s-Hertogenbosch. Het merendeel van deze kilometers is terug te vinden in het grote magazijn. Een aantal weken is echter zo kostbaar en oud dat het niet zomaar door de eerste de beste mee naar huis mag worden genomen. Deze werken staan veilig achter slot en grendel, in de kluis van de UB. Stapper: ‘Het oudste dat we aan geschreven materiaal hebben, is een aantal stukjes papier daterend uit de tweede of derde eeuw voor Christus. Het zijn Griekse marktbriefjes waar iets opstaat als ‘vandaag drie kilo meel afgeleverd’. Dan maken we een enorme sprong in de tijd naar de eerste handschriften. Die stammen voornamelijk uit de veertiende en vijftiende eeuw.’Een loodzware deur verschaft toegang tot de kluis. De ruimte wordt door een metalen hek in twee gedeelten gescheiden: ‘het voorgeborchte en de hemel’ noemt Stapper ze. In de hemel staan de papieren schatten die de KUN rijk is. ‘Want,’ meent Stapper, ‘in het voorgeborchte wordt bepaald of iemand naar de hemel mag en dat geldt ook voor onze boeken.’ Nooit afgevraagd waar je dienblad blijft als je die op de afruimband in de Refter zet? Helaas, kaboutertjes hebben er niets mee te maken. In vijf minuten doorloopt jouw dienblad een traject op de lopende band naar een afspoelkeuken in de kelder naar het Erasmus. Daar in de kleder werken voornamelijk uitzendkrachten die de ganse dag bezig zijn jullie zooi schoon te maken. Door etensresten en langs machines – waaronder een magneet die bestek de lucht in zuigt – baan ik me een weg naar medewerkster Maggie Beck. Beck: ‘Ik werk hier fulltime. Toen ik vier jaar geleden begon, was ik nog studente Engels en Nederlands. Mijn studies heb ik inmiddels aan de wilgen gehangen, maar hier ben ik blijven plakken. Het werk bevalt me wel. Om de twee uur verander je van plaats, dat maakt het erg afwisselend. Collega-afwasser Toon Ottenheijm deelt die mening niet: ‘Kom op, dit is gewoon dom lopende band werk!’ Verwachtingsvol daal ik de trap af naar de kelder van het Erasmusgebouw. Voor me loopt een man met een zaklamp, achter me een nieuwsgierige fotografe. De man opent een deur die toegang geeft tot een broeierig machinelokaal. Na nog een deur wordt het plotseling claustrofobisch smal en heet, veertig graden, op z’n minst. Als een man voor me het licht van zijn zaklamp door de duisternis laat schijnen, zie ik dat ik me in een tunnel bevind. Overal om me heen buizen en op de grond dampende plassen water, niet bepaald een gezellig bedoening. ‘Blijf je nu rechtdoor lopen, dan kom je vanzelf uit bij het Bestuursgebouw. Halverwege kun je links afslaan naar de Thomas van Aquinostraat of rechtsaf richting het Radboud Ziekenhuis,’ vertelt Hans van Weert van de afdeling Huisvestingsbeleid van het Universitair Facilitair Bedrijf, die ons vandaag door de catacomben onder het universiteitsterrein leidt. ‘Het ziekenhuis gebruikt de tunnel voor het transporteren van bedden, wij transporteren er slechts warmte doorheen, door de dikke leidingen die je ziet lopen. Vandaar die ondraaglijke hitte. Alleen medewerkers van de afdeling Onderhoud brengen de tunnel regelmatig een bezoekje. Voor studenten is dit verboden terrein, behalve in geval van nood, dan mag iedereen de tunnel in.’ Pech voor ons, studenten. Zou het geen vinding zijn de tunnel tijdens regenachtige dagen voor het publiek open te stellen? Kun je droog en lekker warm van het Spinozagebouw naar de Refter wandelen. ’t Is maar een idee.

 

Eva-Marijn

Uit de Oude Doos: Midas Dekkers

Iedere dag rakelt ANS in het kader van het jubileum herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Vandaag in de nostalgische rubriek: Midas Dekkers over de relatie tussen mens en dier.

Volgens menig student miste er in 2002 nog wat in de ANS. Seks. Gewoon doodnormale seks. Als respons kwam de redactie in februari met een ANS vol hiervan, met onder meer een seksenquete, porno voor dummies en een alternatieve stadswandeling langs de crème de la crème van de Nijmeegse sekslocaties. Daarnaast had de ANS ook een interview met Midas Dekkers, een Nederlands bioloog met een duidelijk visie over relaties en biologie, voor deze speciale seks-editie. Dekkers, die bekend is van verscheidene columns en tv-programma's, spreekt zich uit over liefde, seks met dieren en Freud.

Midas Dekkers pakt in het interview de biologische kant van liefde erbij en beschrijft dat dit bij dieren en mensen niet heel anders is en dat dit ook geldt voor liefde tussen mensen en dier. 'Er bestaat maar één vorm van liefde,' beweert hij. 'Het gaat erom dat de natuurlijke behoefte tot liefhebben en bemind worden bevredigd wordt. Die behoefte hebben zowel mensen als dieren.' Verder beschouwt Dekkers de misdrijven binnen de bio-industrie moreel veel kwalijker dan cohabitatie tussen mensen en dier en wordt Freud uitgemaakt voor 'één van de grootste oplichters ooit.'

Lees hieronder het artikel, dat verscheen in de ANS uit februari 2003

Baltsgedrag en bestialiteit

Midas Dekkers, de bekendste bioloog van Nederland, is een productief man: in de afgelopen twintig jaar verschenen van zijn hand ruim vijftig boeken. Evenals in zijn radiocolumns en tv-programma’s staat daarin de vergelijking tussen mens en dier centraal. Een gesprek over liefde en seks: ‘Als een man kan kiezen, gaat hij er vandoor met de grote tieten.’ Tekst: Luuk Willems Foto's: Marloes Verhoeven Midas Dekkers (1946) leunt ontspannen achterover in een stoel. Hij heeft de tijd, nu de promotieperiode van zijn in augustus verschenen boek De Larf is afgerond. Zijn woning, een statig, gerestaureerd gemeentehuis, biedt een prachtig uitzicht over rivier de Vecht. De bioloog deelt het pand met vriendin Ruth en zijn katten. ‘De kat is het ideale dier,’ beweert hij stellig. ‘Ik heb wel eens gedacht dat God het als laatste heeft geschapen, omdat het scheppen van andere dieren daarna geen enkele zin meer had. Het liefst ben ik mens. Maar als ik moet kiezen wat voor dier ik anders wil zijn, word ik poes. Om de eenvoudige reden dat zo’n beest weet hoe het gelukkig moet worden. Ik weet dat niet, ga me aanstellen op tv, boeken schrijven, of met mijn hoofd staan in studentenbladen. Mijn poes gaat op de verwarming liggen en is simpelweg tevreden. Tot hij van puur geluk van de cv lazert en er weer opklimt.’ Volgens Dekkers vormen zijn dieren zelfs prima vervangers voor kinderen. ‘Ik ben een twijfelaar in hart en nieren, maar heb er geen seconde spijt van gehad nooit kinderen te hebben genomen. Opvoeden kost zoveel tijd en aandacht dat je aan je eigen leven nauwelijks meer toekomt. Bovendien kun je alle emoties die je op kinderen botviert, ook bij dieren kwijt. Daar kun je evengoed voor zorgen, de baas over spelen en van houden.’

Is het eigenlijk niet vreemd dat mensen van dieren houden? Waarom beperken we ons tot onze eigen soort?

‘Olifanten worden geboren met de taak van olifanten te houden, giraffen zijn gek op giraffen. Mensen worden geboren met enkel het vermogen van mensen te houden. Iedere keer dat iemand denkt van een dier te houden, gaat het alleen om de menselijke trekjes van zo’n beest. Hondenliefhebbers houden niet van het kwijl, het haar en de onzindelijkheid, maar van menselijke eigenschappen als trouw of blijheid die honden vertonen. Het zeepaardje en de papegaai staan in de top tien van de meest populaire dieren. Waarom? Omdat ze net al mensen rechtop zitten. Al dat getroetel, gehannes en gefrutsel met beesten is dus een merkwaardige omweg om van mensen te houden. Een omweg met voordelen: als je ontzettend van een mens houdt, zit je mooi in de penarie als die liefde niet meer beantwoord wordt. Dat is een van de verschrikkelijkste dingen die bestaan. De eerste keer duurt het een jaar om erover heen te komen, de tweede keer nog langer, de tweede keer nog langer, tot je op een gegeven moment denkt: “geef mijn portie maar aan Fikkie”, of liever gezegd, “geef mij Fikkie maar.” Een dier geeft altijd de liefde terug die erin wordt gestopt.’

In uw boek ‘Lief Dier’ gaat u uitgebreid in op bestialiteit, seks tussen mens en dier. Wat vond u zo intrigerend aan juist dat thema?

‘In de kunst zijn er talloze voorbeelden van bestialiteit. Zo stikt het in de Griekse mythologie van goden die het vermomd als mens met dieren doen. In musea wordt dat op talloze schilderijen uitgewerkt. Toch wordt in de praktijk het seksueel aspect van de relatie tussen mens en dier absoluut ontkend. Ik zie buiten regelmatig een keurige mevrouw lopen met naast zich een joekel van een hond met een lul van hier tot ginder, toch kijkt dat mens alsof er niet aan de hand is. Dat is je reinste ontkenning: als die vrouw haar hond aait, zitten daar allerlei erotische aspecten aan.’

Maar de liefde die iemand toont bij het aaien van een hond is toch niet te vergelijken met het hebben van seks ermee?

‘Dat hangt er maar net vanaf wat je onder seks verstaat. Seks is het hele scala van de meest kuise liefde, als die van nonnen voor Jezus, tot de meest gore verkrachting van twintig blote wijven. Er bestaat geen liefde zonder seks en geen seks zonder liefde; platonisch liefhebben bestaat niet. Die gedachte is gebaseerd op het misverstand dat de mens te scheiden is in lichaam en geest, en dat die geest allerlei brave hogere dingen doet, zoals mooie gedichten schrijven en de liefde bezingen. Het lichaam is dan de viespeuk die slechts lage lusten wil botvieren. Maar op het moment dat je met je hoofd aan het liefhebben bent, roert je lichaam zich altijd in meer of mindere mate.’

Keurt u bestialiteit af?

‘De cruciale vraag is: wat vindt je partner ervan? Een kip vindt het niet leuk om geneukt te worden, want een kippenkontje is te krap voor een mensenlul. Een koe merkt waarschijnlijk niet eens dat iemand een piemel in hem steekt. De hond is een geval apart. Die heeft maar één doel in zijn leven: zijn baas het naar de zin maken. Als dat beest ontdekt dat hij dat kan doen met seks en welgekozen likken hier en daar, zijn beide partijen blij. Het is merkwaardig dat mensen bestialiteit alleen bekijken vanuit een moreel standpunt. Als met er in een dorp achter komt dat de buurman het met de kippen doet, kan die maar beter verhuizen. Maar is wat een boer in de bio-industrie met zijn dieren doet niet veel erger?’

Over naar de liefde tussen mensen. Is dat een ander soort liefde dan die tussen mens en dier?

‘Er bestaat maar één vorm van liefde. Mensen hebben vaak de neiging hogere en lagere liefde van elkaar te onderscheiden: het houden van een vrouw zou meer waarde hebben dan het houden van een hond. Voor jezelf maakt het echter niet uit op welk object je die liefde richt. Het gaat erom dat de natuurlijke behoefte tot liefhebben en bemind worden bevredigd wordt. Die behoefte hebben zowel mensen als dieren. Als twee mensen het met elkaar doen, praten we over liefde en gaan we gedichten schrijven. Als twee dieren het doen vinden we het vies en gooien we er een emmer water overheen. Dat is idioot, gebaseerd op het idee dat seks tussen dieren slechts lichamelijk zou zijn. Ik kan mij niet anders voorstellen dan dat wanneer twee beesten seks hebben, daar ook hen een gevoel van hogere liefde aan te pas komt. Wat dat betreft verschillen we in niets van andere dieren.’

Is voor een bioloog het menselijk paargedrag net zo eenvoudig te verklaren als het dierlijke?

‘Wat mannen en vrouwen aantrekkelijk vinden, is biologisch te verklaren. Mannen vallen op eigenschappen van vrouwen die hen het meest van zichzelf onderscheiden. Dat wordt meteen duidelijk wanneer een man zich als vrouw probeert te verkleden. Dat lukt nooit. In het donker of in de mist kun je nog steeds zien dat die mevrouw geen mevrouw is, maar Maarten het Hart. Vrouwen zijn altijd herkenbaar aan brede heupen, dikke tieten en volle lippen, allemaal kenmerken van vruchtbaarheid. Dat is wat mannen aantrekkelijk vinden en de doorslag laten geven. Als een man kan kiezen, gaat hij er vandoor met de grote tieten. Of het bijbehorend meisje een zinnig woord kan uitbrengen, is zorg voor later. ‘Wat versieren betreft is het baltsgedrag van de mens net zo goed te bestuderen als dat van de fuut. Kijk maar eens hoe een jongen een meisje versiert in de discotheek. Allereerst geldt er een vaste volgorde van baltsgedragingen. Je kunt eerst je piemel in haar mond steken, dan met haar dansen en vervolgens zeggen hoe je heet, maar je kunt het natuurlijk beter omkeren en kijken hoe ver je komt. Verder is de rol van muziek en dans de natuur ook niet vreemd. Vogels gaan zingen zodra de geslachtshormonen rondspuiten in hun lijfjes. En heel veel dieren hebben als inleiding op het paren een dans. Het windt kennelijk op om je partner ritmische bewegingen te zien maken. ‘Dat de vrouw bij het versieren vaak minder initiatief neemt en niet zo snel bereid is tot seks, is ook niet verwonderlijk. Ze heeft slechts eens per maand een eicel tot haar beschikking, als die wordt bevrucht zit ze de komende twintig jaar met een behoorlijk handenbindertje opgescheept. Een man maakt elke dag nieuw zaad. Om veel van zijn genen in het nageslacht te krijgen, doet hij er het beste aan zo veel mogelijk vrouwtjes te bevruchten. Monogamie is dus geen vanzelfsprekendheid. Onder zoogdieren komt het nauwelijks voor, 99 procent van de apen heeft er nooit van gehoord. Dat mensen wel zo trouw zijn aan hun geliefde, is mede te verklaren doordat kinderen een extreem lange jeugd hebben. Er is geen enkel dier dat zo lang aan mamma’s rokken blijft hangen. Dat maakt het een hele opgave voor vrouwen om een kind alleen groot te brengen, zelfs in onze moderne tijd van wasmachines crèches.’

Volgens Freud zouden seksuele drijfveren de verklaring zijn voor al het menselijk handelen. Tot in hoeverre bent u het daarmee eens?

Freud was één van de grootste oplichters ooit. Hij heeft een absurd idee gelanceerd dat een eeuw lang elke verklaring van menselijk gedrag heeft gefrustreerd, namelijk dat kinderen ook seksuele en erotische gevoelens hebben. Dat is onmogelijk omdat kinderen nauwelijks geslachtshormonen in hun lichaam hebben en bijbehorende gevoelen dus niet kunnen kennen. Dat al het menselijk gedrag uit seksuele driften voortkomt is dus onmogelijk. Het is wel waar dat eenmaal volwassen mensen door seks geobsedeerd lijken. Of het nu gaat om hun handelen, de kunst waarvan ze houden of de gebruiksvorm waarin ze voorwerpen gieten, alles krijgt een erotische lading. Als die er niet van zichzelf is, stopt de reclame die er wel in. In deze maatschappij wordt je zo doodgegooid met seks dat het zijn prikkelende werking begint te verliezen. Ik klink bijna als een evangelist van de Veluwe, maar seks en liefde zijn zulke waardevolle dingen dat het geen slechte gedachte zou zijn er spaarzamer mee om te gaan. Eigenlijk kan ik me ook niet anders voorstellen dan dat die oversekstheid weer zal verminderen. De oplage van blootblaadjes loopt terug, sekswinkels verdwijnen. Ik herinner me dat die zaakjes in Amsterdam opkwamen: in elk steegje verschenen rode lampjes. Die lampjes zijn er nu nog steeds, maar nu wijzen ze eerder op de aanwezigheid van een eettentje. We zijn beland in een tijdperk waar eten in al zijn facetten wordt gewaardeerd. Eten is de seks van de 21e eeuw.’

Wat betekent liefde in uw leven?

‘Alles. Een mens wordt gedreven door de haat die hem duwt en de liefde die hemt trekt. Ik hou van mijn vriendin en van mijn werk. Beide geven liefde terug, het werk via het publiek dat ik ermee bereik. Ik schrijf niet voor mezelf. Als er niemand is om mij te vertellen hoe ontzettend hij genoten heeft van het lezen van mijn boek, dan is het schrijven een zinloze exercitie. Voor televisie maken geldt hetzelfde. Iedereen die met zijn kop op televisie wil, zoekt eigenlijk een aai over zijn bol, alleen op een wat merkwaardige manier. Ik kijk met voortdurende argwaan naar mijn kijk- en verkoopcijfers uit angst dat ze gaan dalen. Ik ken mensen met heel aardige, open karakters die hun portie erkenning en egostrelerij niet uit dat soort bronnen hoeven te putten. Die mensen staan wat dichter bij de poes, het dier waar ik zo jaloers op ben.’

 

Mitchel

Uit de oude doos: studieblaadjes getest

Iedere dag rakelt ANS in het kader van het jubileum herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Vandaag in de nostalgische rubriek: studieblaadjes langs de meetlat.

'Het gaat gewoon als volgt: iedereen geniet ervan om te lezen hoe anderen worden aangepakt. Daarom vindt iedereen ANS leuk, totdat hij of zij zelf wordt aangepakt.' Zo wordt in een notendop de relatie tussen ANS en de studieverenigingen beschreven in ons jubileumboekje. Dat die houding ook opging voor de grote test van studieverenigingsperiodieken spreekt voor zich. Van de top 3, gevormd door Synjaal, Desipientia en Freem, hoorden we niets. Dat Motje op nummer dertig werd geplaatst stelden de Biologen niet op prijs. Sterker nog ze sloegen terug. En hoe!

In Comic Sans, het lettertype waarvan alleen crèches en Disney zonder straffe gebruik van mogen maken, werd één van de schrijvers met een Biologie-achtergrond 'genadeloos' op de hak genomen. Inhoudelijk reageren of lering trekken uit het onderzoek deden de vlinderprikkertjes niet. En die reactie, oh-oh nou-nou poe-poe, iemand vergelijken met een reetkever dat is van een niveau waar je 'u' tegen zegt.

Enfin, alles kwam uiteindelijk goed. Voor ANS dan. Motje is nog steeds actief op de manier waarop we haar kennen: 'Het MOTjE is de VAC die zich bezig houdt met het onafhankelijke opinieblad van de biologen (het MOTjE) dat een keer per twee maanden uitkomt (zes keer per jaar dus) en het kost helemaal niks. Daarbovenop is het ook nog eens gratis. En laten we niet vergeten dat het kosteloos te verkrijgen is. Een bijkomende service is dat het uitgedeeld wordt, zodat je er niet zelf achteraan hoeft, dit is wederom helemaal gratis. Voor niet-leden kost het officieel een euro.'

Lees hieronder het artikel uit de december-ANS van 2008.

Tussen vod en glossy

Een strakke lay-out, een perfecte mix van luchtige en inhoudelijk interessante artikelen. Dit zijn de criteria waaraan een goed studieblad zou moeten voldoen. Hoe is het gesteld met de vele bladen die de RU rijk is?

Academische schoolkranten De werkelijkheid is anders dan het ideaalbeeld: lukraak aan elkaar geniete stencils bedrukt met fotocollages en incrowd roddelpraat zijn aan de orde van de dag. Behalve dit soort slecht gekopieerde krantjes bestaan er ook heuse glossy’s. De variatie in studietijdschriften aan de RU blijkt enorm, zowel qua niveau en uiterlijk als invalshoek. In veel van de bladen duiken dezelfde uitgekauwde ideeën op: rebussen, wist-je-datjes, ‘komische’ uitspraken en testjes – met de ‘slet of slotje test’ in de zomeruitgave van Biologies Motje als dieptepunt. Ook de rommelige fotocollages vol benevelde studenten ontbreken zelden. Op het gebied van foto’s heeft de GAG_MAG van studierichting Engels voor een kunstzinnige invalshoek gekozen met hun rubriek Photographique. Welk doel de willekeurige beelden van ‘interessante’ plekjes in Nijmegen precies dienen en wat ze met de studie te maken hebben blijft echter onduidelijk. Geïnteresseerden in het wel en wee van medestudenten kunnen aan de doorsnee verenigingsperiodieken vaak hun hart ophalen. In haast ieder blad is wel een verslag van een excursie, studiereis of verenigingsactiviteit te vinden. Hierin worden soms de meest gênante voorvallen tot in detail uit de doeken gedaan. Koren op de molen van het roddelcircuit binnen de studie natuurlijk. Tenminste, als je weet over wie het gaat, want vaak zijn deze verhalen alleen begrijpelijk voor de vriendenkring van de schrijvers.

Doe-het-zelf opmaak Hoewel sommige verenigingen pogen hun blad een aantrekkelijke aanblik te geven door de cover op een gezellig groen of oranje vel te printen, kiezen de meeste voor een simpele witte achtergrond. Gezien de vaak beperkte financiële speelruimte is dit vaak een begrijpelijke beslissing. Het is moeilijker te bevatten waarom de covers bij voorkeur worden gesierd door onscherpe WordArt afbeeldingen of knullig bewerkte kiekjes van leden. Wanneer de cover omgeslagen wordt blijkt ook de verdere lay-out te wensen over te laten. Inconsequent lettertypegebruik binnen een blad is iets wat vaak voorkomt. De fontfanatici van ’t Blaatje, een uitgave van Sociologische studievereniging De Geitenwollen Soc, maken het wel erg bont. In één van de artikelen in het meest recente exemplaar treft de lezer maar liefst vijf verschillende lettertypes aan. Verderop wordt zelfs het vermaledijde lettertype Comic Sans gebruikt, favoriet onder brugklassers die ongeïnspireerd op het zoveelste boekverslag zwoegen. In tegenstelling tot een teveel aan lettertypes kan ook een gebrek aan lay-out hinderlijk zijn. Sommige bladen zijn niet veel meer dan één grote lap tekst, een probleem waaraan onder andere de ObSodamIter van Griekse en Latijnse Taal en Cultuur lijdt. Toch is dit blad een voorbeeld voor andere. Hoewel het niveau niet consistent is – de fotocollage is werkelijk erbarmelijk – weet het als een van de weinige een goede balans te vinden tussen interessante artikelen en wetenschappelijk minder verantwoorde items.

Glad en groots Niet alle redacties worden beperkt door een klein budget. Vooral op de faculteiten Managementwetenschappen en Rechten hebben studieverenigingen de middelen voor het maken van aantrekkelijke tijdschriften. Voorbeeld van zo’n Radboud glossy is de Bulletineke Justitia (BJ) van Rechten, een blad met een professionele lay-out dat volledig in kleur wordt gedrukt op kwaliteitspapier. De 80 pagina’s tellende BJ kan zo groots worden opgezet, doordat hij - de kritiekloze ‘reportages’ over advocatenkantoren niet meegerekend - voor een vijfde bestaat uit reclame. Bovendien schrijven circa dertig redacteuren mee aan het blad, voornamelijk over zakelijke onderwerpen als wetgeving, topwerkgevers en het carrièreperspectief van Rechten alumni. Toch is een grote redactie geen kwaliteitsgarantie voor de inhoud. Een pijnlijk voorbeeld is het diepte-interview met de medewerkers van de rechtenkantine: vier lange pagina’s met zouteloze anekdotes en alles wat je nooit wilde weten over de verkoop van fruit en biologisch brood. Het bedrijfswetenschappelijk tijdschrift Synjaal combineert een even gelikt uiterlijk met een gevarieerde en interessante inhoud, zonder te veranderen in een veredelde reclamefolder. Ondanks de beperkte aandacht voor het sociale aspect behoort het kwalitatief gezien tot de top. De verdere lijst van semi-professionele studiezines bevat onder andere de bladen van Geneeskunde en Economie. Het lijkt alsof dergelijke tijdschriften alleen gemaakt kunnen worden bij grote studies die een doelgroep vormen voor welvarende adverteerders. Het visueel appetijtelijke blad Freem van Communicatiewetenschappen bewijst echter dat studies buiten dit profiel toch een fraai tijdschrift kunnen maken. Er moet wel creatief talent worden gevonden in eigen gelederen, én een gulle sponsor.

Echte schoonheid zit van binnen Naast dit uiterlijk vertoon bestaat ook een categorie verenigingsblaadjes die zich vooral qua inhoud onderscheidt, zoals de eerder genoemde ObSodamIter. Ze compenseren hun beperkte middelen met enthousiasme en visie. Een ander voorbeeld hiervan is het door studenten Geschiedenis gemaakte HInT. Behalve de korrelige cover is het blad zonder kleur geprint op regulier papier. Wel is het geheel reclamevrij. Hoewel het blad zijn uiterlijk niet mee heeft, bevat het voornamelijk goed geschreven artikelen. Een mix van actualiteit, interviews en het verenigingsleven, gepresenteerd in een consequente lay-out en zonder tenenkrommende clichés. Ook de Uitvreter van Nederlands behoort tot de met liefde en bezieling gemaakte bladen, ondanks dat hier de clichés niet van de lucht zijn. Naast de even hilarisch als belachelijke Moenen en Mariken fotostrip wordt in de Uitvreter interessant geschreven over docenten, het vakgebied en literatuur.

Goede sponsoring en dus een ruim budget zijn zonder twijfel belangrijke factoren in het maken van een aantrekkelijk studieblad. Grote studies, met name voor sponsors commercieel aantrekkelijke doelgroepen, zijn hierbij duidelijk in het voordeel. Toch mogen wat betreft inhoud de kleinere studies niet weggecijferd worden. Sommige van deze studieverenigingen weten te compenseren voor hun relatieve minibudgetten. Hun sympathieke bladen worden gemaakt met originaliteit, doorzettingsvermogen en passie.

Tekst: Kenne Peters en Rob Ramaker Foto: Loes Perrée

 

Henk Strikkers

Uit de Oude Doos: Carolus' ontgroening

Iedere dag rakelt ANS in het kader van het jubileum herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Vandaag in de nostalgische rubriek: undercover bij de ontgroening van Carolus Magnus.

Wat dachten ze wel? Dat we zo laf waren dat we enkel de ontgeling van Ovum Novum zouden publiceren, terwijl we een decennium eerder hetzelfde bij Carolus deden? Natuurlijk niet. ANS is oprecht en plaatst diezelfde dag ook het Dagboek van een klooi, over hoe hoofdredacteur Moniek Hüsken een midweek undercover ging en bespreekt hoe ze wordt bewerkt met bezemstelen en langs alle dispuuthuizen moet fietsen om verschillende opdrachten te vervullen. Benieuwd naar eventuele andere vernederingen en de achtergrond van een ontgroening an sich? Lees de artikelen uit de periode dat tweeduizend woorden nog niet een absoluut maximum was voor ANS-redacteuren.

Lees hieronder het artikel uit de oktober-ANS van 1988.

Dagboek van een klooi

Hoe verloopt een ontgroening anno 1988? Bestaan er überhaupt nog wel ontgroeningen? Ook bij Carolus? Want daar hoor je nooit iets van? Nieuwsgierig geworden naar het hoe en wat, en in de veronderstelling dat het allemaal best mee zou vallen, besloot een redacteur bij de ontgroening van Carolus te infiltreren..

Tekst: Moniek Hüsken

Maandag: de kennismaking Maandagavond zeven uur. Voor de sociëteit van de N.S.V. Carolus Magnus is het druk. Zo’n tachtig aspirant-leden staan te wachten op het moment dat ze naar binnen mogen. Wie alleen superballen heeft verwacht, komt bedrogen uit. Het overgrote deel ziet er inderdaad keurig uit, maar er zijn ook andere kledingstijlen te bespeuren. Er is zelfs een enkeling in de zogenaamde New Wave stijl wat bij iemand de opmerking ‘die komen zeker om rotzooi te trappen’ ontlokt. Iedereen is een beetje zenuwachtig, ik ook. Uit het raam hangen wat Carolusleden. Blijkbaar hebben ze nogal lol. Het wachten duurt wel erg lang. ‘Volgens mij is de introductie al begonnen’, merkt iemand op. Daar gaat de deur open. ‘Jij daar en die daar’, twee aan twee worden we uit de groep gepikt en naar binnen gewenkt. Het bestaan als klooi kan beginnen. Bij de inschrijving (au, zegt de portommonaie: f90,-) krijgen we een Groenboekje en een fel groen shirt. We zijn verplicht het iedere dag te dragen. Eén voor één moeten we op de foto met een helm op waar groene takjes uit steken, zodat het lijkt alsof het groen bij ons uit de oren groeit. Daarna worden we naar de kelder gebracht, waar iemand in gestreept colbert ons opvangt. ‘Ik ben van de eerstejaarscommissie’, zegt hij. ‘De komende tijd zullen jullie mij nog hard nodig hebben. Ik ben jullie vriendje.’ Het is de eerstejaarscommissie niet geoorloofd ons uit te schelden. Dat is de taak van de introductiecommissie (I.C.). Bij de eerstejaarscommissie kunnen we terecht als er iets is. Zij beschermt ons nog enigermate tegen de I.C.. Het doet me denken aan de verdeel- en heerspolitiek bij de politie. De ene politieagent is je vijand die je probeert uit te horen, de andere je zogenaamde vriend, waar je uit kunt huilen, maar beiden staan aan dezelfde kant. Ons vriendje stelt ons op in vier rotten (rijen). Twee rotten aan de ene kant, twee rotten aan de andere kant met daartussenin een loper. Pas als we recht genoeg staan en er absolute stilte heerst kan hij de I.C. binnenlaten. Een klop op de deur. De I.C. doet, gekleed in geblokt colbert en nippend aan een glas bier haar intrede. Ze zijn met z’n twaalven maar hebben al meteen overwicht op tachtig klooien. Schreeuwend, tierend en scheldend inspecteren ze de rotten en vertellen hoe dom wij klooien wel niet zijn. Het is echt schrikken hoe overheersend de I.C. is. Elke beweging die je maakt wordt gezien, elk kuchje wordt gehoord en meteen staan ze bij je om je iets toe te bijten. Voortdurend worden we geïntimideerd. Meneer de Vice-praeses komt binnen en schreeuwt: ‘God wat een afschuwelijke zooi is het hier. Ik heb nog nooit zo’n dom stel groenen bij elkaar gezien.’ ‘Geen wonder dat alle leden naar huis toe zijn. Die willen niet met een stelletje van zulke klootzakken in één gebouw en gelijk hebben ze’, schreeuwt iemand anders. ‘Hou toch eens op met dat gekuch. Ooooh... wat zijn we zielig hè. Hebben we een koutje gevat en moeten we nu kuchjes doen’, sist een I.C.-lid tegen een klooi. Ook heeft de I.C. de gewoonte om naast je te komen staan en je uitvoerig te bekijken om daarna wat stompzinnige opmerkingen te maken over je uiterlijk of over de kleding die je draagt. Een klooi wordt naar voren geroepen. Als hij nog niet eens één stap opzij heeft gezet klinkt er al een snerpende gil: ‘Niet over de loper godverredomme, wie denk je wel niet dat je bent! Die loper is alleen voor leden van de I.C. en zover zul jij het wel nooit brengen. Zover zal niemand van jullie het wel ooit brengen.’ Verschrikt probeert de klooi zo te lopen dat hij de loper niet aanraakt. ‘Zouden jullie je jaargenootje niet eens helpen door een stukje opzij te gaan? Zijn jullie zo stom, moeten we jullie dan alles voorkauwen, een stelletje gore egoïsten zijn jullie.’ De klooi is inmiddels vooraan gekomen. I.C.: -Klooi stel je voor. Klooi: -Mag ik mij even voorstellen, mijn naam... (wordt afgebroken door I.C.) I.C.: -Jij domme klooi, jij stelt niets voor dus stel je je ook niet voor. Doe het maar weer opnieuw. De klooi doet het opnieuw en antwoordt daarna netjes op een vraag, maar natuurlijk is het weer niet goed. Een klooi moet antwoorden op de volgende manier: ‘Geachte meneer de vice-praeses, geachte leden van de introductiecommissie, jaargenoten’ (jaargenoten zijn niet geacht). Vinden de andere klooien het antwoord van hun jaargenoot goed dan moeten ze trappelen. We maken ook kennis met het indikken: de I.C. duwt de voorsten van een rot naar achteren zodat we allemaal dicht tegen elkaar aangeduwd staan. Het is erg vervelend, we zweten ons kapot en krijgen nauwelijks ruimte om te ademen. Deze avond zijn er twee gastsprekers: Prof. Stadhouders en pastor Simons. Laatstgenoemde leert ons enkele mores: de ongeschreven wetten van het Corps die bij wijze van gewoonterecht nageleefd moeten worden. Hij vertelt ons hoe te toasten, dat we niet mogen slapen, schrijven of met de jas aan in de kroegzaal zitten en dat de heren aan hun revers naar buiten mogen worden getrokken, het zogenaamde brassen. (Enkele jaren geleden waren in Amsterdam twee corpsleden fanatiek aan het brassen toen de een de ander plotseling losliet. Deze schoot achteruit en viel door het openstaande raam naar buiten. Hij liep hersenletsel op.) Er wordt een vuurklooi aangewezen die sigaren aan moet steken en een tijdklooi die elk uur de tijd moet zeggen. In de loop van zijn verhaal worden enkele klooien bevangen door de hitte en moeten buiten afkoelen. Na de toespraak moeten de klooien naar boven om kennis te maken met de ouderejaars. Sommige heren (en ook dames) hebben een glaasje teveel op. Tot twee keer toe zoeken twee heren al vechtend hun weg over de grond. De klooien moeten kennis gaan maken en worden voortdurend geprovoceerd: alles wat je zegt is fout en shirts worden aan stukken gescheurd of in brand gestoken met aanstekers. Rond vier uur mag iedereen naar huis waarvoor men eerst af dient te laten tekenen bij de I.C..

Woensdag: Jaarclubavond Appèl om vier uur. De klooien moeten op pad voor de kankerbestrijding. Twee aan twee gaan we op pad. Als we terugkomen worden we weer naar de kelder gedirigeerd. Staande in de vier rotten wordt het appèl wederom afgenomen. Lid I.C.: -Aalders? Aalders: -Aanwezig. Lid I.C. (schreeuwend): -Wat aanwezig? Aalders: -Aanwezig Mevrouw Kooistra. Lid I.C. (krijsend): -VOLUME! Aalders: -Aanwezig Mevrouw Kooistra. Zo wordt de hele lijst afgewerkt. Het collecteren is niet goed gebeurd volgens meneer de Vice-praeses, daarom moeten we gestraft worden. - Wat doen de varkens als ze honger hebben? - Die knorren meneer de Vice-praeses, zeggen de klooien in koor. - Dus wat doen jullie? Het blijft akelig stil. - Jullie gaan knorren, godverredomme. Ga knorren nu, onmiddellijk. - Gnrrrr, Gnnrrr, Grrnrrr. Een kelder vol knorrende klooien. Leden van de I.C. springen op de klooien af om te luisteren of iedereen wel mee knort. - Knorren, domme klooien, oooh wat zijn jullie domme knorren. - Silencium, buldert de vice-praeses, terug in jullie rotten. Dadelijk kunnen jullie gaan eten. Eén voor één draaien de rotten zich om. Onder het zingen van het lied: ‘Oh wat benne we groen, als groentesoep zo groen, nog groener dan de groenste soep, is deze vuile klooietroep, oh wat benne we groen’, etc. lopen we naar boven. In de kroegzaal moeten de klooien de introductiecommissie bedienen. Ze zitten met de rug naar ons toe. Wij moeten op de grond zitten en dienen als tafel. Na het eten moeten we, terug in de kelder, weer in de rotten. Zes uur lang moeten we staan; rechtop, handen langs het lichaam en voeten naast elkaar. We mogen ons niet bewegen. Voortdurend komen leden van de I.C. langs en schelden je uit of sissen je wat toe. We worden vermaakt met ellenlange toespraken van de I.C.-leden en met klooien die naar voren worden gehaald om voor gek gezet te worden. Klooien die stiekum lachen of praten moeten voor straf een brommerhelm op. Eén van de I.C.-leden leeft zich flink uit daar beneden in de kelder. Constant zit hij te boeren. ‘BLURP’ klinkt het nu weer voor je dan weer achter je waarna hij de gelukwensen van de andere leden krijgt: Bettie, Meneer van Ieperen. In de kelder is het benauwd en vies warm. Een meisje valt flauw en wordt afgevoerd. Meneer de Vice-praeses hekelt gymschoenen: ‘Wat zijn dat toch voor een afschuwelijke gezondheidsstappertjes. Jullie lijken wel een stel uit Mongolië.’ Deze avond moeten ze mij ook verschillende keren hebben. Ik moet naar voren om voor waslijnpaal te spelen. Twee andere klooien krijgen een kleerhanger in hun T-shirt en moeten aan de waslijn gaan hangen. Het is zo komisch en ik moet lachen, maar dat is uit den boze. Als iedereen weer in zijn rot mag moet ik blijven staan. ‘Haal die grijns van je gezicht af.’ Ik probeer het maar het lukt blijkbaar niet. Het I.C. wordt razend. Ik moet mee naar de gang met een van de leden. ‘En nu kijk jij mij vijf minuten recht in de ogen’, zegt ze dreigend. Maar ik neem mijn kans waar. Daar op de gang is geen I.C. en er zijn geen klooien, dus afgaan kan ik niet. Ik bijt haar wat toe en vertik het. Ze wordt woest en voelt zich blijkbaar machteloos. Ik moet weer mee naar binnen waar mijn wandaden uit de doeken worden gedaan. Ik word uitgescholden en moet net zolang blijven staan totdat ik mijn bek heb afgetrokken, dat wil zeggen met mijn hand over mijn gezicht heb gewreven van boven naar beneden, mijn gezicht dan symbolisch op de grond geworpen heb om er vervolgens op te trappen. Deze avond staat bekend als jaarclubavond. De verschillende jaarclubs komen langs en we zullen aan hen worden voorgesteld in de kroegzaal. ‘Mensen die last hebben van hun rug moeten maar even achter blijven’, zegt meneer de Vice-praeses. Eén voor één draaien de rotten zich om en vertrekken onder het zingen van het groentesoeplied naar de kroegzaal. Daar leven de leden van Carolus zich flink uit op de klooien. Gewapend met verf, pindasaus, tomatenketchup, eieren en water gaan ze de ongewapende groenen te lijf. De kroegzaal veranderd in een soort judozaal waar de twee groepen tegen elkaar vechten. Het is rollen, trekken en sleuren om jaargenootjes te redden van een lading pindasaus, water, of eieren. Aan beide kanten valt een gewonde. De glazen van een lid en een klooi komen met elkaar in botsing, wat voor een snee in de hand bij de laatstgenoemde zorgt. Hij moet naar het ziekenhuis om gehecht te worden. Na twintig minuten afzien worden we gered en mogen we terug naar de kelder. Nat en vol ketchup e.d. staan we de rest van de avond stil, (voor zover dat lukt), in onze rotten te luisteren naar de saaie toespraken die gehouden worden en naar de scheldende leden van de I.C. die voorbij komen.

Donderdag: Huizentocht ‘Dit is de één-na-ergste avond’ gonst het onder het eten. Vanavond zullen we een tocht maken langs de huizen waar Carolusleden wonen. Na het appèl gaan we lopend in onze groene shirtjes de stad in. Op de oude markt, voor het Waaggebouw, moeten we in onze rotten gaan staan. We trekken aardig wat bekijks. De I.C. bestijgt de trappen van het Waaggebouw. ‘Silencium’, schreeuwt meneer de Vice-praeses als hij op het balkon staat. De hond van de kroegbaas begint angstig te blaffen. Twee toeschouwers barsten in lachen uit. Eén voor één moeten we naar boven om een doopsel te ontvangen. Water, zo voelt het het eerste ogenblik, maar als we even later onze haren stijf voelen worden, weten we dat het behangplaksel of suikerwater geweest moet zijn. Groepsgewijs doen we de verschillende huizen aan. We moeten op de grond gaan zitten en yoghurt op likken van een schoteltje, terwijl ze eieren boven onze hoofden kapot slaan, door het water om een ‘lijk’ te redden, in een kubus gaan zitten en voor kip spelen en door een soort schoorsteen klauteren. Als we de opdrachten vervuld hebben is de sfeer vriendelijk. Nieuwsgierig informeren de huisleden wat we bij de andere huizen moesten doen. Bij een huis moeten we een parcours afleggen door de kelder. Op onze buik moeten we over de keldervloer kruipen, die besmeurd is met lijm. Bij corpsleden staat dit de horizontale voortbewegen waarbij gesteund wordt op de ellebogen bekend onder de naam tijgeren. Ondertussen bewerken de huisleden ons met bezems, waaraan weer andere rotzooi kleeft. Aan het eind van het parcours worden onze haren bespoten met groene verf. Eén huis, een meisjesdispuut, is een goede uitzondering. Daar geen fysiek geweld, maar een ‘op goed gelukshow’. Een meisje speelt Carry Tefsen met Brabants accent en doet dit heel leuk. Maar de vrijheid duurt niet lang. Terug op de Bijleveldsingel moeten we weer in de kelder in de rotten. Met opzet tik ik de loper, die niet aangeraakt mag worden door een klooi, een beetje aan. Woedend komt een I.C.-lid op me afgestormd: ‘Meisje, als jij godverredomme niet ophoudt! Je weet toch wel dat ik hier na de introductie ook nog rondloop! Dan pak ik je dan wel!’ Meneer de Vice-praeses begint weer aan één van zijn toespraken en de leden van de I.C. gaan de rotten weer inspecteren. Op mij maakt het geen indruk meer, het is alleen stomvervelend. Bovendien heb ik koppijn. Ik heb er genoeg van en besluit mijn leven als klooi deze avond af te sluiten. De rest heeft nog een weekend en een halve week tegoed. ‘Je moet er gewoon even doorheen’ en ‘Volgend jaar mag je die klooien zelf uitschelden’ was een veel gehoord motief om door te zetten. Ik hoop dat ze het halen en dat de band, die door de ontgroening bewerkstelligd moet worden, tot stand zal komen. Misschien kan ik daar zelf nog wel een beetje aan meewerken door ervandoor te gaan, verraad te plegen en op deze manier van mijzelf een vijandsbeeld te maken. Ik zie al zo voor me hoe ze mijn portret en pleine public aan het verbranden zijn of me symbolisch op de grond gooien en vertrappen. Eén van de eerstejaars bekijkt mijn groene boekje. Ik ben nog nooit lang blijven hangen, dat is een kwalijke zaak. De volgende keer moet ik tot half drie blijven, bepaalt hij. ‘Okay’, zeg ik en trek de deur achter me dicht...

De groene evolutie

In de zeventiende eeuw ontstonden er binnen de studentenwereld ontgroeningen. Meteen al stond deze vorm van inwijding ter discussie, en dat was wel de eerste maar niet de laatste keer. Soms verdwenen de ontgroeningen voor een tijdje, maar altijd kwamen ze terug. Rond 1800 werden de eerste studentenverenigingen opgericht, de ontgroening was essentieel om lid te worden. In 1988 is dit nog steeds zo, ondanks democratisering en vele discussies. Zou het soms zo zijn dat de ontgroening zo essentieel is voor een studentenvereniging dat zij zonder ontgroening niet voort zou blijven bestaan?.

Tekst: Moniek Hüsken

‘Daar bereikt het groen met benepen hart het station. Daar staan reed de aanstaande corpsbroeders, nuchtere en benevelde, door elkaar heen, om hem met open armen te ontvangen. Aan hunne stokke, hunne fiere imponeerende houding herkent men hen. Nederig met zijn petje in zijn hand presenteert het groen zich aan de eerste die op hem losstormt.’ Op deze manier werd de eerste kennismaking van een nuldejaars met de corpsleden beschreven in ‘Groenlopen, een ernstig woord aan ouders en voogden van aanstaande studenten, door een hoogleraar’. Dit geschrift, dat dateert uit 1900, was bedoeld als waarschuwing. Uit angst voor sancties vanuit de universitaire wereld durfde deze hoogleraar zichzelf niet bekend te maken. Oorspronkelijk stamt het ontgroeningsverschijnsel uit de middeleeuwen. In de zeventiende eeuw probeerden Nederlandse universiteiten welgestelde buitenlandse studenten aan te trekken. Een nieuw aangekomen student was groen zodra hij zich had laten inschrijven en de eed had afgelegd om de academische wetten te gehoorzamen. Vanaf dat moment werd hij gepest door zijn Nederlandse medestudenten op straat, op college en in de kroeg. Door een partij te geven kon hij dit afkopen. Als hij dit weigerde, werd hij net zolang gepest en gesard totdat hij dit alsnog deed of vertrok. Er waren verscheidene studenten die inderdaad vertrokken. Dit betekende verlies van inkomsten en schade voor de Staten die de universiteiten in stand hielden. Al in 1606 volgde daarom op de Universiteyt van Franeker een formeel verbod op het ontgroenen. Dit hielp eventjes, maar niet lang. Het verschijnsel bleef bestaan en er ontstond een nieuwe organisatievorm, de ontgroensenaten. De oorsprong hiervan lag bij de private colleges van de hoogleraren. In de achttiende eeuw hadden de private colleges, waarvoor de studenten moesten betalen, de publieke verdrongen. Deze colleges duurden meestal langer dan een jaar en nieuwbakken studenten begonnen vaak ergens halverwege, om pas in het daaropvolgende jaar het begin van het college te horen. Zodoende bezochten nieuwelingen samen met ouderejaars dezelfde colleges. De ouderejaars achtten zichzelf superieur aan de groenen en lieten dit goed merken. Er vormden zich onderling clubjes die zich met de ontgroening bezig gingen houden. Het groen werd weer net zo lang gepest totdat hij een partij gaf en geïnaugureerd kon worden tot student. Deze inauguratie was een nabootsing van de promotie tot doctor. De ontgroenclubjes namen nog meer uiterlijke tekenen van academische waardigheid over tot grote woede van de echte professoren, die de ontgroensenaten probeerden te onderdrukken. Tijdens de Franse bezetting verdwenen de ontgroeningspraktijken grotendeels, maar daarna leefde het ritueel weer op. De senaten wilden zich niet meer alleen met ontgroeningen bezig houden maar ook met het behartigen van studentenbelangen. Er werden sociëteiten opgericht waar studenten tezamen kwamen en als groep voor zichzelf opkwamen. Hieruit ontstonden de latere studentenverenigingen. De groentijd bleef een essentiële rol spelen in dit verenigingsleven.

Excessen Ontgroeningen zijn geheim, nuldejaars krijgen een zwijgplicht opgelegd. Toch lekt er zo nu en dan wat uit, meestal als er een exces heeft plaatsgevonden. Deze lopen als een rode draad door de geschiedenis van het ontgroeningsgebeuren heen. In 1838 ontstond er een conflict toen enkele Leidse studenten weigerden zich aan de groentijd te onderwerpen. Dit leidde tot vechtpartijen waarvan die met de nuldejaars Kraakman in een koffiehuis het bekendste is geworden: ‘Nu werd Kraakman dan hier, dan daarheen gesleurd, een ogenblik liep zijn leven gevaar toen een ruwe hand, zijn bouffante aantrekkend, hem bijna deed stikken. Het mes van een koopman kwam nog net op tijd door den doek af te snijden. Met gescheurde jas werd Kraakman op straat geworpen. Angstige toeschouwers riepen de politie te hulp.’ Er kwam een rechtszaak met het gevolg dat zes van Kraakmans belagers wegens belediging veroordeeld werden tot gevangenisstraffen en boetes. Een meer recent voorval is uit 1962, toen in Amsterdam 200 groenen in een kamertje waren ingedikt. Tussen hun werd een speenvarken losgelaten dat vooraf volgepropt was met laxeermiddelen. De ramen en deuren bleven gesloten. Er ontstond een gebrek aan zuurstof en een aantal groenen viel flauw. Dit gebeuren werd betiteld als Dachautje spelen. Dit was des te pijnlijker omdat vijf van de betrokken groenen familieleden in Dachau verloren hadden. Bij dezelfde vereniging werden nuldejaars uitgemaakt voor vuile rotjood. De twee bestuursleden die voor deze gang van zaken verantwoordelijk waren, werden door de vereniging berispt en legden later hun bestuurlijke functies neer. Er waren ook gevallen met dodelijke afloop. De Groot maakt in zijn boek melding van ‘groen V. zeventien jaar, een zachte bescheiden jongen. V. wordt onder handen genomen door de introductiecommissie en ‘razend getapt’. Dronken wordt hij in deze koude oktobernacht achtergelaten ergens buiten de stad. Niet lang daarna sterft hij aan tyfus. Zijn kwellers zijn nooit gestraft wegens gebrek aan bewijs.’ In 1965 overlijdt de twintigjarige David R., nuldejaars bij het Utrechts studentengenootschap Tres Faciunt Collegium nadat hem een roetkap over zijn hoofd is getrokken. Hij stikt. De daders worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Daarna is het een tijd stil geweest rondom ontgroeningen totdat vorig jaar Rotterdam in de publiciteit kwam waar groenen door vleesafval heen hadden moeten kruipen. Dit jaar was het paalneuken in Utrecht weer ouderwets stuitend. Vrouwelijke eerstejaars kregen de opdracht om een met mayonaise ingesmeerde lantaarnpaal in het openbaar te neuken.

Cognitieve dissonantietheorie De vraag blijft staan: waarom ontgroeningen op een dergelijke manier? ‘Zo leer je de regels van de vereniging en je jaargenoten kennen, en het kweekt een jaarband. Het is maar een spelletje’, is het standaard antwoord. Maar al deze doelstellingen zijn ook op een andere, aangenamere manier te bereiken. Een meer aannemelijke reden voor het in stand houden van ontgroeningen is simpelweg het in stand houden van de vereniging. Het is bekend dat personen die via een moeilijke weg toegang krijgen tot een groep beter denken over deze groep dan personen die deze moeilijke weg niet af hoeven te leggen. Deze theorie staat bekend als de Cognitieve Dissonantie Theorie van Festinger. Als een persoon een moeilijke weg af heeft moeten leggen om bij een groep te komen dan is de gedachte aan deze moeilijke weg dissonant met de gedachte dat er dingen in de groep zijn waar hij niet van houdt. Hij kan deze dissonantie op twee manieren reduceren: hij kan zichzelf ervan overtuigen dat het initiatieritueel eigenlijk best nog wel meeviel of hij kan het positieve karakter van de groep vreselijk overdrijven en de negatieve aspecten negeren. Maar hoe erger de initiatierite was hoe moeilijker het wordt om te geloven dat het allemaal best nog meeviel. Een persoon die een pijnlijk of ingrijpend initiatieritueel achter de rug heeft zal daarom zijn dissonantie reduceren door de groep te verheerlijken. Een voorbeeld: Frederik-Jan wil lid worden van Carolus en moet dus de ontgroening lopen (het initiatieritueel). Hij ervaart dit als zeer ingrijpend. Nu is het zo dat Frederik-Jan helemaal niet van drinken, brassen, ontgroenen of boertje laten houdt, waardoor hij een dissonantie in zichzelf ervaart omdat hij zo’n moeilijke weg heeft af moeten leggen om bij de club te mogen horen. In dit geval zal Frederik-Jan zijn dissonantie opheffen door te denken dat brassen, zuipen en boertjes laten eigenlijk toch best wel leuk is, en er in het vervolg aan meedoen. Op deze manier houdt hij tradities, zoals ontgroenen, in stand, en daarmee ook de vereniging.

Tijdsgeest ‘Het corps heeft zich niet aangepast aan de maatschappij van vandaag’, zegt de populaire criticus, ‘het weet zich geen raad met z’n vrijheid. Men blijft rondlopen in smoking en jaquet als gold het een diplomatiek corps, men houdt krampachtig vast aan dure dies-diners met tafeldames, men feest erop los bij de geringste aanleiding en verbrast de kostbare tijd die uiteindelijk voor een groot deel door de belastingplichtige wordt betaalt. ‘Men bouwt een muur van arrogantie op en schept binnenskamers een hierarchie van zesde, vijfde, vierde en derdejaars terwijl de tweedejaars zich mogen uitleven in de meest feodale van alle instellingen: de groentijd. ‘Het corps zoals het nu is, balanceert op de rand van een afgrond van clan-geest, groepswaan, steriel isolement, leidend tot het griezeligste conservatisme, leidend tot een aanbidding van fascisme... ‘Wil het corps blijven meetellen dan zal het zich moeten ontdoen van bijmengsels van dubieuze aard. Om de eenvoudigste te noemen: bijverschijnselen van de groentijd: kikkeren, invechten, indikken, kaalscheren.’ (uit: Het Vrije Volk, 27 oktober 1962)

 

Henk Strikkers