Uit de Oude Doos: Carolus' ontgroening

Henk Strikkers

Iedere dag rakelt ANS in het kader van het jubileum herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Vandaag in de nostalgische rubriek: undercover bij de ontgroening van Carolus Magnus.

Wat dachten ze wel? Dat we zo laf waren dat we enkel de ontgeling van Ovum Novum zouden publiceren, terwijl we een decennium eerder hetzelfde bij Carolus deden? Natuurlijk niet. ANS is oprecht en plaatst diezelfde dag ook het Dagboek van een klooi, over hoe hoofdredacteur Moniek Hüsken een midweek undercover ging en bespreekt hoe ze wordt bewerkt met bezemstelen en langs alle dispuuthuizen moet fietsen om verschillende opdrachten te vervullen. Benieuwd naar eventuele andere vernederingen en de achtergrond van een ontgroening an sich? Lees de artikelen uit de periode dat tweeduizend woorden nog niet een absoluut maximum was voor ANS-redacteuren.

Lees hieronder het artikel uit de oktober-ANS van 1988.

Dagboek van een klooi

Hoe verloopt een ontgroening anno 1988? Bestaan er überhaupt nog wel ontgroeningen? Ook bij Carolus? Want daar hoor je nooit iets van? Nieuwsgierig geworden naar het hoe en wat, en in de veronderstelling dat het allemaal best mee zou vallen, besloot een redacteur bij de ontgroening van Carolus te infiltreren..

Tekst: Moniek Hüsken

Maandag: de kennismaking Maandagavond zeven uur. Voor de sociëteit van de N.S.V. Carolus Magnus is het druk. Zo’n tachtig aspirant-leden staan te wachten op het moment dat ze naar binnen mogen. Wie alleen superballen heeft verwacht, komt bedrogen uit. Het overgrote deel ziet er inderdaad keurig uit, maar er zijn ook andere kledingstijlen te bespeuren. Er is zelfs een enkeling in de zogenaamde New Wave stijl wat bij iemand de opmerking ‘die komen zeker om rotzooi te trappen’ ontlokt. Iedereen is een beetje zenuwachtig, ik ook. Uit het raam hangen wat Carolusleden. Blijkbaar hebben ze nogal lol. Het wachten duurt wel erg lang. ‘Volgens mij is de introductie al begonnen’, merkt iemand op. Daar gaat de deur open. ‘Jij daar en die daar’, twee aan twee worden we uit de groep gepikt en naar binnen gewenkt. Het bestaan als klooi kan beginnen. Bij de inschrijving (au, zegt de portommonaie: f90,-) krijgen we een Groenboekje en een fel groen shirt. We zijn verplicht het iedere dag te dragen. Eén voor één moeten we op de foto met een helm op waar groene takjes uit steken, zodat het lijkt alsof het groen bij ons uit de oren groeit. Daarna worden we naar de kelder gebracht, waar iemand in gestreept colbert ons opvangt. ‘Ik ben van de eerstejaarscommissie’, zegt hij. ‘De komende tijd zullen jullie mij nog hard nodig hebben. Ik ben jullie vriendje.’ Het is de eerstejaarscommissie niet geoorloofd ons uit te schelden. Dat is de taak van de introductiecommissie (I.C.). Bij de eerstejaarscommissie kunnen we terecht als er iets is. Zij beschermt ons nog enigermate tegen de I.C.. Het doet me denken aan de verdeel- en heerspolitiek bij de politie. De ene politieagent is je vijand die je probeert uit te horen, de andere je zogenaamde vriend, waar je uit kunt huilen, maar beiden staan aan dezelfde kant. Ons vriendje stelt ons op in vier rotten (rijen). Twee rotten aan de ene kant, twee rotten aan de andere kant met daartussenin een loper. Pas als we recht genoeg staan en er absolute stilte heerst kan hij de I.C. binnenlaten. Een klop op de deur. De I.C. doet, gekleed in geblokt colbert en nippend aan een glas bier haar intrede. Ze zijn met z’n twaalven maar hebben al meteen overwicht op tachtig klooien. Schreeuwend, tierend en scheldend inspecteren ze de rotten en vertellen hoe dom wij klooien wel niet zijn. Het is echt schrikken hoe overheersend de I.C. is. Elke beweging die je maakt wordt gezien, elk kuchje wordt gehoord en meteen staan ze bij je om je iets toe te bijten. Voortdurend worden we geïntimideerd. Meneer de Vice-praeses komt binnen en schreeuwt: ‘God wat een afschuwelijke zooi is het hier. Ik heb nog nooit zo’n dom stel groenen bij elkaar gezien.’ ‘Geen wonder dat alle leden naar huis toe zijn. Die willen niet met een stelletje van zulke klootzakken in één gebouw en gelijk hebben ze’, schreeuwt iemand anders. ‘Hou toch eens op met dat gekuch. Ooooh... wat zijn we zielig hè. Hebben we een koutje gevat en moeten we nu kuchjes doen’, sist een I.C.-lid tegen een klooi. Ook heeft de I.C. de gewoonte om naast je te komen staan en je uitvoerig te bekijken om daarna wat stompzinnige opmerkingen te maken over je uiterlijk of over de kleding die je draagt. Een klooi wordt naar voren geroepen. Als hij nog niet eens één stap opzij heeft gezet klinkt er al een snerpende gil: ‘Niet over de loper godverredomme, wie denk je wel niet dat je bent! Die loper is alleen voor leden van de I.C. en zover zul jij het wel nooit brengen. Zover zal niemand van jullie het wel ooit brengen.’ Verschrikt probeert de klooi zo te lopen dat hij de loper niet aanraakt. ‘Zouden jullie je jaargenootje niet eens helpen door een stukje opzij te gaan? Zijn jullie zo stom, moeten we jullie dan alles voorkauwen, een stelletje gore egoïsten zijn jullie.’ De klooi is inmiddels vooraan gekomen. I.C.: -Klooi stel je voor. Klooi: -Mag ik mij even voorstellen, mijn naam... (wordt afgebroken door I.C.) I.C.: -Jij domme klooi, jij stelt niets voor dus stel je je ook niet voor. Doe het maar weer opnieuw. De klooi doet het opnieuw en antwoordt daarna netjes op een vraag, maar natuurlijk is het weer niet goed. Een klooi moet antwoorden op de volgende manier: ‘Geachte meneer de vice-praeses, geachte leden van de introductiecommissie, jaargenoten’ (jaargenoten zijn niet geacht). Vinden de andere klooien het antwoord van hun jaargenoot goed dan moeten ze trappelen. We maken ook kennis met het indikken: de I.C. duwt de voorsten van een rot naar achteren zodat we allemaal dicht tegen elkaar aangeduwd staan. Het is erg vervelend, we zweten ons kapot en krijgen nauwelijks ruimte om te ademen. Deze avond zijn er twee gastsprekers: Prof. Stadhouders en pastor Simons. Laatstgenoemde leert ons enkele mores: de ongeschreven wetten van het Corps die bij wijze van gewoonterecht nageleefd moeten worden. Hij vertelt ons hoe te toasten, dat we niet mogen slapen, schrijven of met de jas aan in de kroegzaal zitten en dat de heren aan hun revers naar buiten mogen worden getrokken, het zogenaamde brassen. (Enkele jaren geleden waren in Amsterdam twee corpsleden fanatiek aan het brassen toen de een de ander plotseling losliet. Deze schoot achteruit en viel door het openstaande raam naar buiten. Hij liep hersenletsel op.) Er wordt een vuurklooi aangewezen die sigaren aan moet steken en een tijdklooi die elk uur de tijd moet zeggen. In de loop van zijn verhaal worden enkele klooien bevangen door de hitte en moeten buiten afkoelen. Na de toespraak moeten de klooien naar boven om kennis te maken met de ouderejaars. Sommige heren (en ook dames) hebben een glaasje teveel op. Tot twee keer toe zoeken twee heren al vechtend hun weg over de grond. De klooien moeten kennis gaan maken en worden voortdurend geprovoceerd: alles wat je zegt is fout en shirts worden aan stukken gescheurd of in brand gestoken met aanstekers. Rond vier uur mag iedereen naar huis waarvoor men eerst af dient te laten tekenen bij de I.C..

Woensdag: Jaarclubavond Appèl om vier uur. De klooien moeten op pad voor de kankerbestrijding. Twee aan twee gaan we op pad. Als we terugkomen worden we weer naar de kelder gedirigeerd. Staande in de vier rotten wordt het appèl wederom afgenomen. Lid I.C.: -Aalders? Aalders: -Aanwezig. Lid I.C. (schreeuwend): -Wat aanwezig? Aalders: -Aanwezig Mevrouw Kooistra. Lid I.C. (krijsend): -VOLUME! Aalders: -Aanwezig Mevrouw Kooistra. Zo wordt de hele lijst afgewerkt. Het collecteren is niet goed gebeurd volgens meneer de Vice-praeses, daarom moeten we gestraft worden. - Wat doen de varkens als ze honger hebben? - Die knorren meneer de Vice-praeses, zeggen de klooien in koor. - Dus wat doen jullie? Het blijft akelig stil. - Jullie gaan knorren, godverredomme. Ga knorren nu, onmiddellijk. - Gnrrrr, Gnnrrr, Grrnrrr. Een kelder vol knorrende klooien. Leden van de I.C. springen op de klooien af om te luisteren of iedereen wel mee knort. - Knorren, domme klooien, oooh wat zijn jullie domme knorren. - Silencium, buldert de vice-praeses, terug in jullie rotten. Dadelijk kunnen jullie gaan eten. Eén voor één draaien de rotten zich om. Onder het zingen van het lied: ‘Oh wat benne we groen, als groentesoep zo groen, nog groener dan de groenste soep, is deze vuile klooietroep, oh wat benne we groen’, etc. lopen we naar boven. In de kroegzaal moeten de klooien de introductiecommissie bedienen. Ze zitten met de rug naar ons toe. Wij moeten op de grond zitten en dienen als tafel. Na het eten moeten we, terug in de kelder, weer in de rotten. Zes uur lang moeten we staan; rechtop, handen langs het lichaam en voeten naast elkaar. We mogen ons niet bewegen. Voortdurend komen leden van de I.C. langs en schelden je uit of sissen je wat toe. We worden vermaakt met ellenlange toespraken van de I.C.-leden en met klooien die naar voren worden gehaald om voor gek gezet te worden. Klooien die stiekum lachen of praten moeten voor straf een brommerhelm op. Eén van de I.C.-leden leeft zich flink uit daar beneden in de kelder. Constant zit hij te boeren. ‘BLURP’ klinkt het nu weer voor je dan weer achter je waarna hij de gelukwensen van de andere leden krijgt: Bettie, Meneer van Ieperen. In de kelder is het benauwd en vies warm. Een meisje valt flauw en wordt afgevoerd. Meneer de Vice-praeses hekelt gymschoenen: ‘Wat zijn dat toch voor een afschuwelijke gezondheidsstappertjes. Jullie lijken wel een stel uit Mongolië.’ Deze avond moeten ze mij ook verschillende keren hebben. Ik moet naar voren om voor waslijnpaal te spelen. Twee andere klooien krijgen een kleerhanger in hun T-shirt en moeten aan de waslijn gaan hangen. Het is zo komisch en ik moet lachen, maar dat is uit den boze. Als iedereen weer in zijn rot mag moet ik blijven staan. ‘Haal die grijns van je gezicht af.’ Ik probeer het maar het lukt blijkbaar niet. Het I.C. wordt razend. Ik moet mee naar de gang met een van de leden. ‘En nu kijk jij mij vijf minuten recht in de ogen’, zegt ze dreigend. Maar ik neem mijn kans waar. Daar op de gang is geen I.C. en er zijn geen klooien, dus afgaan kan ik niet. Ik bijt haar wat toe en vertik het. Ze wordt woest en voelt zich blijkbaar machteloos. Ik moet weer mee naar binnen waar mijn wandaden uit de doeken worden gedaan. Ik word uitgescholden en moet net zolang blijven staan totdat ik mijn bek heb afgetrokken, dat wil zeggen met mijn hand over mijn gezicht heb gewreven van boven naar beneden, mijn gezicht dan symbolisch op de grond geworpen heb om er vervolgens op te trappen. Deze avond staat bekend als jaarclubavond. De verschillende jaarclubs komen langs en we zullen aan hen worden voorgesteld in de kroegzaal. ‘Mensen die last hebben van hun rug moeten maar even achter blijven’, zegt meneer de Vice-praeses. Eén voor één draaien de rotten zich om en vertrekken onder het zingen van het groentesoeplied naar de kroegzaal. Daar leven de leden van Carolus zich flink uit op de klooien. Gewapend met verf, pindasaus, tomatenketchup, eieren en water gaan ze de ongewapende groenen te lijf. De kroegzaal veranderd in een soort judozaal waar de twee groepen tegen elkaar vechten. Het is rollen, trekken en sleuren om jaargenootjes te redden van een lading pindasaus, water, of eieren. Aan beide kanten valt een gewonde. De glazen van een lid en een klooi komen met elkaar in botsing, wat voor een snee in de hand bij de laatstgenoemde zorgt. Hij moet naar het ziekenhuis om gehecht te worden. Na twintig minuten afzien worden we gered en mogen we terug naar de kelder. Nat en vol ketchup e.d. staan we de rest van de avond stil, (voor zover dat lukt), in onze rotten te luisteren naar de saaie toespraken die gehouden worden en naar de scheldende leden van de I.C. die voorbij komen.

Donderdag: Huizentocht ‘Dit is de één-na-ergste avond’ gonst het onder het eten. Vanavond zullen we een tocht maken langs de huizen waar Carolusleden wonen. Na het appèl gaan we lopend in onze groene shirtjes de stad in. Op de oude markt, voor het Waaggebouw, moeten we in onze rotten gaan staan. We trekken aardig wat bekijks. De I.C. bestijgt de trappen van het Waaggebouw. ‘Silencium’, schreeuwt meneer de Vice-praeses als hij op het balkon staat. De hond van de kroegbaas begint angstig te blaffen. Twee toeschouwers barsten in lachen uit. Eén voor één moeten we naar boven om een doopsel te ontvangen. Water, zo voelt het het eerste ogenblik, maar als we even later onze haren stijf voelen worden, weten we dat het behangplaksel of suikerwater geweest moet zijn. Groepsgewijs doen we de verschillende huizen aan. We moeten op de grond gaan zitten en yoghurt op likken van een schoteltje, terwijl ze eieren boven onze hoofden kapot slaan, door het water om een ‘lijk’ te redden, in een kubus gaan zitten en voor kip spelen en door een soort schoorsteen klauteren. Als we de opdrachten vervuld hebben is de sfeer vriendelijk. Nieuwsgierig informeren de huisleden wat we bij de andere huizen moesten doen. Bij een huis moeten we een parcours afleggen door de kelder. Op onze buik moeten we over de keldervloer kruipen, die besmeurd is met lijm. Bij corpsleden staat dit de horizontale voortbewegen waarbij gesteund wordt op de ellebogen bekend onder de naam tijgeren. Ondertussen bewerken de huisleden ons met bezems, waaraan weer andere rotzooi kleeft. Aan het eind van het parcours worden onze haren bespoten met groene verf. Eén huis, een meisjesdispuut, is een goede uitzondering. Daar geen fysiek geweld, maar een ‘op goed gelukshow’. Een meisje speelt Carry Tefsen met Brabants accent en doet dit heel leuk. Maar de vrijheid duurt niet lang. Terug op de Bijleveldsingel moeten we weer in de kelder in de rotten. Met opzet tik ik de loper, die niet aangeraakt mag worden door een klooi, een beetje aan. Woedend komt een I.C.-lid op me afgestormd: ‘Meisje, als jij godverredomme niet ophoudt! Je weet toch wel dat ik hier na de introductie ook nog rondloop! Dan pak ik je dan wel!’ Meneer de Vice-praeses begint weer aan één van zijn toespraken en de leden van de I.C. gaan de rotten weer inspecteren. Op mij maakt het geen indruk meer, het is alleen stomvervelend. Bovendien heb ik koppijn. Ik heb er genoeg van en besluit mijn leven als klooi deze avond af te sluiten. De rest heeft nog een weekend en een halve week tegoed. ‘Je moet er gewoon even doorheen’ en ‘Volgend jaar mag je die klooien zelf uitschelden’ was een veel gehoord motief om door te zetten. Ik hoop dat ze het halen en dat de band, die door de ontgroening bewerkstelligd moet worden, tot stand zal komen. Misschien kan ik daar zelf nog wel een beetje aan meewerken door ervandoor te gaan, verraad te plegen en op deze manier van mijzelf een vijandsbeeld te maken. Ik zie al zo voor me hoe ze mijn portret en pleine public aan het verbranden zijn of me symbolisch op de grond gooien en vertrappen. Eén van de eerstejaars bekijkt mijn groene boekje. Ik ben nog nooit lang blijven hangen, dat is een kwalijke zaak. De volgende keer moet ik tot half drie blijven, bepaalt hij. ‘Okay’, zeg ik en trek de deur achter me dicht...

De groene evolutie

In de zeventiende eeuw ontstonden er binnen de studentenwereld ontgroeningen. Meteen al stond deze vorm van inwijding ter discussie, en dat was wel de eerste maar niet de laatste keer. Soms verdwenen de ontgroeningen voor een tijdje, maar altijd kwamen ze terug. Rond 1800 werden de eerste studentenverenigingen opgericht, de ontgroening was essentieel om lid te worden. In 1988 is dit nog steeds zo, ondanks democratisering en vele discussies. Zou het soms zo zijn dat de ontgroening zo essentieel is voor een studentenvereniging dat zij zonder ontgroening niet voort zou blijven bestaan?.

Tekst: Moniek Hüsken

‘Daar bereikt het groen met benepen hart het station. Daar staan reed de aanstaande corpsbroeders, nuchtere en benevelde, door elkaar heen, om hem met open armen te ontvangen. Aan hunne stokke, hunne fiere imponeerende houding herkent men hen. Nederig met zijn petje in zijn hand presenteert het groen zich aan de eerste die op hem losstormt.’ Op deze manier werd de eerste kennismaking van een nuldejaars met de corpsleden beschreven in ‘Groenlopen, een ernstig woord aan ouders en voogden van aanstaande studenten, door een hoogleraar’. Dit geschrift, dat dateert uit 1900, was bedoeld als waarschuwing. Uit angst voor sancties vanuit de universitaire wereld durfde deze hoogleraar zichzelf niet bekend te maken. Oorspronkelijk stamt het ontgroeningsverschijnsel uit de middeleeuwen. In de zeventiende eeuw probeerden Nederlandse universiteiten welgestelde buitenlandse studenten aan te trekken. Een nieuw aangekomen student was groen zodra hij zich had laten inschrijven en de eed had afgelegd om de academische wetten te gehoorzamen. Vanaf dat moment werd hij gepest door zijn Nederlandse medestudenten op straat, op college en in de kroeg. Door een partij te geven kon hij dit afkopen. Als hij dit weigerde, werd hij net zolang gepest en gesard totdat hij dit alsnog deed of vertrok. Er waren verscheidene studenten die inderdaad vertrokken. Dit betekende verlies van inkomsten en schade voor de Staten die de universiteiten in stand hielden. Al in 1606 volgde daarom op de Universiteyt van Franeker een formeel verbod op het ontgroenen. Dit hielp eventjes, maar niet lang. Het verschijnsel bleef bestaan en er ontstond een nieuwe organisatievorm, de ontgroensenaten. De oorsprong hiervan lag bij de private colleges van de hoogleraren. In de achttiende eeuw hadden de private colleges, waarvoor de studenten moesten betalen, de publieke verdrongen. Deze colleges duurden meestal langer dan een jaar en nieuwbakken studenten begonnen vaak ergens halverwege, om pas in het daaropvolgende jaar het begin van het college te horen. Zodoende bezochten nieuwelingen samen met ouderejaars dezelfde colleges. De ouderejaars achtten zichzelf superieur aan de groenen en lieten dit goed merken. Er vormden zich onderling clubjes die zich met de ontgroening bezig gingen houden. Het groen werd weer net zo lang gepest totdat hij een partij gaf en geïnaugureerd kon worden tot student. Deze inauguratie was een nabootsing van de promotie tot doctor. De ontgroenclubjes namen nog meer uiterlijke tekenen van academische waardigheid over tot grote woede van de echte professoren, die de ontgroensenaten probeerden te onderdrukken. Tijdens de Franse bezetting verdwenen de ontgroeningspraktijken grotendeels, maar daarna leefde het ritueel weer op. De senaten wilden zich niet meer alleen met ontgroeningen bezig houden maar ook met het behartigen van studentenbelangen. Er werden sociëteiten opgericht waar studenten tezamen kwamen en als groep voor zichzelf opkwamen. Hieruit ontstonden de latere studentenverenigingen. De groentijd bleef een essentiële rol spelen in dit verenigingsleven.

Excessen Ontgroeningen zijn geheim, nuldejaars krijgen een zwijgplicht opgelegd. Toch lekt er zo nu en dan wat uit, meestal als er een exces heeft plaatsgevonden. Deze lopen als een rode draad door de geschiedenis van het ontgroeningsgebeuren heen. In 1838 ontstond er een conflict toen enkele Leidse studenten weigerden zich aan de groentijd te onderwerpen. Dit leidde tot vechtpartijen waarvan die met de nuldejaars Kraakman in een koffiehuis het bekendste is geworden: ‘Nu werd Kraakman dan hier, dan daarheen gesleurd, een ogenblik liep zijn leven gevaar toen een ruwe hand, zijn bouffante aantrekkend, hem bijna deed stikken. Het mes van een koopman kwam nog net op tijd door den doek af te snijden. Met gescheurde jas werd Kraakman op straat geworpen. Angstige toeschouwers riepen de politie te hulp.’ Er kwam een rechtszaak met het gevolg dat zes van Kraakmans belagers wegens belediging veroordeeld werden tot gevangenisstraffen en boetes. Een meer recent voorval is uit 1962, toen in Amsterdam 200 groenen in een kamertje waren ingedikt. Tussen hun werd een speenvarken losgelaten dat vooraf volgepropt was met laxeermiddelen. De ramen en deuren bleven gesloten. Er ontstond een gebrek aan zuurstof en een aantal groenen viel flauw. Dit gebeuren werd betiteld als Dachautje spelen. Dit was des te pijnlijker omdat vijf van de betrokken groenen familieleden in Dachau verloren hadden. Bij dezelfde vereniging werden nuldejaars uitgemaakt voor vuile rotjood. De twee bestuursleden die voor deze gang van zaken verantwoordelijk waren, werden door de vereniging berispt en legden later hun bestuurlijke functies neer. Er waren ook gevallen met dodelijke afloop. De Groot maakt in zijn boek melding van ‘groen V. zeventien jaar, een zachte bescheiden jongen. V. wordt onder handen genomen door de introductiecommissie en ‘razend getapt’. Dronken wordt hij in deze koude oktobernacht achtergelaten ergens buiten de stad. Niet lang daarna sterft hij aan tyfus. Zijn kwellers zijn nooit gestraft wegens gebrek aan bewijs.’ In 1965 overlijdt de twintigjarige David R., nuldejaars bij het Utrechts studentengenootschap Tres Faciunt Collegium nadat hem een roetkap over zijn hoofd is getrokken. Hij stikt. De daders worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Daarna is het een tijd stil geweest rondom ontgroeningen totdat vorig jaar Rotterdam in de publiciteit kwam waar groenen door vleesafval heen hadden moeten kruipen. Dit jaar was het paalneuken in Utrecht weer ouderwets stuitend. Vrouwelijke eerstejaars kregen de opdracht om een met mayonaise ingesmeerde lantaarnpaal in het openbaar te neuken.

Cognitieve dissonantietheorie De vraag blijft staan: waarom ontgroeningen op een dergelijke manier? ‘Zo leer je de regels van de vereniging en je jaargenoten kennen, en het kweekt een jaarband. Het is maar een spelletje’, is het standaard antwoord. Maar al deze doelstellingen zijn ook op een andere, aangenamere manier te bereiken. Een meer aannemelijke reden voor het in stand houden van ontgroeningen is simpelweg het in stand houden van de vereniging. Het is bekend dat personen die via een moeilijke weg toegang krijgen tot een groep beter denken over deze groep dan personen die deze moeilijke weg niet af hoeven te leggen. Deze theorie staat bekend als de Cognitieve Dissonantie Theorie van Festinger. Als een persoon een moeilijke weg af heeft moeten leggen om bij een groep te komen dan is de gedachte aan deze moeilijke weg dissonant met de gedachte dat er dingen in de groep zijn waar hij niet van houdt. Hij kan deze dissonantie op twee manieren reduceren: hij kan zichzelf ervan overtuigen dat het initiatieritueel eigenlijk best nog wel meeviel of hij kan het positieve karakter van de groep vreselijk overdrijven en de negatieve aspecten negeren. Maar hoe erger de initiatierite was hoe moeilijker het wordt om te geloven dat het allemaal best nog meeviel. Een persoon die een pijnlijk of ingrijpend initiatieritueel achter de rug heeft zal daarom zijn dissonantie reduceren door de groep te verheerlijken. Een voorbeeld: Frederik-Jan wil lid worden van Carolus en moet dus de ontgroening lopen (het initiatieritueel). Hij ervaart dit als zeer ingrijpend. Nu is het zo dat Frederik-Jan helemaal niet van drinken, brassen, ontgroenen of boertje laten houdt, waardoor hij een dissonantie in zichzelf ervaart omdat hij zo’n moeilijke weg heeft af moeten leggen om bij de club te mogen horen. In dit geval zal Frederik-Jan zijn dissonantie opheffen door te denken dat brassen, zuipen en boertjes laten eigenlijk toch best wel leuk is, en er in het vervolg aan meedoen. Op deze manier houdt hij tradities, zoals ontgroenen, in stand, en daarmee ook de vereniging.

Tijdsgeest ‘Het corps heeft zich niet aangepast aan de maatschappij van vandaag’, zegt de populaire criticus, ‘het weet zich geen raad met z’n vrijheid. Men blijft rondlopen in smoking en jaquet als gold het een diplomatiek corps, men houdt krampachtig vast aan dure dies-diners met tafeldames, men feest erop los bij de geringste aanleiding en verbrast de kostbare tijd die uiteindelijk voor een groot deel door de belastingplichtige wordt betaalt. ‘Men bouwt een muur van arrogantie op en schept binnenskamers een hierarchie van zesde, vijfde, vierde en derdejaars terwijl de tweedejaars zich mogen uitleven in de meest feodale van alle instellingen: de groentijd. ‘Het corps zoals het nu is, balanceert op de rand van een afgrond van clan-geest, groepswaan, steriel isolement, leidend tot het griezeligste conservatisme, leidend tot een aanbidding van fascisme... ‘Wil het corps blijven meetellen dan zal het zich moeten ontdoen van bijmengsels van dubieuze aard. Om de eenvoudigste te noemen: bijverschijnselen van de groentijd: kikkeren, invechten, indikken, kaalscheren.’ (uit: Het Vrije Volk, 27 oktober 1962)