Uit de Oude Doos: Joris Baeten (1985-2005)

Martini

Iedere dag rakelt ANS in het kader van het jubileum herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Vandaag in de nostalgische rubriek: het afscheid van een geliefde ANS-redacteur.

De afgelopen maand hebben we tijdens ons jubileum via deze serie Uit de Oude Dozen teruggeblikt op 25 jaar Algemeen Nijmeegs Studentenblad. Artikelen van alle verschillende categorieën hebben jullie hier kunnen lezen: interviews met onder andere Pim Fortuyn, Mart Smeets en Job Cohen, kritische artikelen over de studentenmedezeggenschap en reportages, waarin geïnfiltreerd werd bij de ontgroening van Nijmeegs grootste studentenverenigingen. Een mooi overzicht van hoogtepunten, die in de afgelopen 25 jaar door jullie gelezen konden worden.

25 jaar is echter een lange tijd; een tijd die te lang is om slechts hoogtepunten te kunnen vieren. In 2005 werd de ANS-redactie bijvoorbeeld opgeschrikt door een verschrikkelijke tragedie, die redacteur Joris Baeten persoonlijk trof. Bij hem werd op negentienjarige leeftijd een onbehandelbare vorm van kanker geconstateerd, waarvan direct vast werd gesteld dat deze hem fataal zou worden. Voor zijn overlijden beschreef hij zijn ziekbed en zijn omgang met de vreselijke ziekte, die zijn leven zou beëindigen. Dit resulteerde in een aangrijpend verhaal, waarin Joris schrijft over het leven na de dood, het beleven van liefde en de waarde van geld. Dit stuk, ongetwijfeld het meest aangrijpende in 25 jaar ANS, verdient daarom een bijzondere plaats in deze Uit de Oude Doos-maand en daarmee ook in de geschiedenis van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad. Het artikel werd na het overlijden van Joris gepubliceerd; hij overleed een week voor zijn twintigste verjaardag.

Lees het artikel uit de ANS van oktober 2005 hieronder.

Joris Baeten 1 september 1985 25 augustus 2005

Ik ben negentien, ik heb een onbehandelbare vorm van kanker en mijn levensverwachting is hoogst onzeker maar kort. Wat telt er nog in zo’n situatie en wat niet? Een kort tripje door mijn gedachten.

Tekst: Joris Baeten

Sinds maanden liep ik rond met maagklachten. Dan weer een verdikte buik, dan weer een complete intolerantie van vet, overgeven. Mijn huid had een gelig kleurtje van de bleekheid en ik was hondsmoe terwijl ik niet kon slapen. Allemaal verdacht, maar mijn huisarts hield het logischerwijs op een gastritis, een ontstoken maag. De medicijnen hielpen wat en na een aantal weken enorme ziekte liep ik weer rond, inmiddels verhuisd naar een Lents prefab-kamertje. Ik dacht dat het beter ging, maar het was slechts even redelijk stabiel. Rond Pinksteren ging het echt fout, ik viel flauw en kwam via de EHBO het ziekenhuis binnen. Daar bleek de maag slechts een bijverschijnsel van liters vocht in de buik, die weer het resultaat waren van een verslechterde hartfunctie. En die hartfunctie werd belemmerd door een knoeperd van een tumor. Uitgebreid en onbehandelbaar, al hadden we ‘m anderhalf jaar eerder gevonden. Ik kan uren doorgaan over de medische details. Maar stel je eens voor wat door mijn hoofd gaat vanaf de diagnose. Het valt niet mee te weten dat aan je leven snel een einde gaat komen. Het feit dat je toekomst in een klap is verdwenen is het ergste. Je zult niet afstuderen, geen baan vinden, een huis kopen, en alle huisje-boompje-beestje dingen doen die in je onderbewuste burger-ik begraven liggen. Keihard voor een 19-jarige die het gevoel heeft net te beginnen. Dolgraag was ik journalist geworden. Ik zag mezelf al staan met zo’n microfoon bij een rampgebied, of liever nog een politieke top. Ik hoefde niet zo nodig naar Harvard eeuwig te studeren en rijk te worden. Ik wilde kennis opdoen van de politicologie en dan lekker van mijn eeuwige nieuwsgierigheid mijn beroep maken. Maar dat zal nooit gebeuren. Wanneer ik in rolstoel langs de huizen in onze woonwijk word gereden, snap ik ook dat ik nooit in zo’n geval zal wonen, terwijl ik wel al een paar leuke exemplaren heb gezien. Een mooi huisje bijvoorbeeld met klimop erlangs, en een torentje op de hoek net buiten Maastricht. Geen VINEX voor mij in elk geval. In dat leuke, romantische huisje zou ik dan wonen met mijn geliefde vriendin. Geliefde vriendin klinkt misschien net zo over the top als de klimop richting het torentje, maar ik meen het in dit geval. Ik ken haar vanaf mijn veertiende, derde klas, schoolorkest. Annemieke. We hebben niks gemeen qua karakter en toch passen we als twee magneetjes (de goede kanten uiteraard) bij elkaar. Wanneer ik kletste, luisterde zij, en wanneer ik weer duizend dingen tegelijk deed maakte zij een lekkere lasagne en bracht me rust. En als ik me bezig hield met de wereldpolitiek, had zij een verhaal klaar over de wondere wereld van de levensmiddelentechnologie. Totdat ik last begon te krijgen van m’n ziekte. Ik sliep niet meer, raakte verward, lag doodziek in bed. Eigenlijk door mijn eigen communicatieve onvermogen zag zij de ernst van de klachten niet in. Ik wist toen ook nog lang niet dat het zó erg was, maar wel dat ik flink ziek was. Toch hield ik me groot: weekendje rust, gaat wel over. Zij pakte daarom rustig de bus naar huis in plaats van het weekend met mij te spenderen. Zonder te weten hoe het écht met me was ging ze weg. Mijn ouders haalden me op en ik maakte het aan het einde van de week uit. Vijf weken ziek thuis zonder haar, een paar weken weer iets beter terug op kamers zonder haar. Ik miste haar na een tijdje verschrikkelijk, en zij kon alleen nog maar huilen en tentamens verknallen. Toen ging ik het ziekenhuis in. Met haar. Jankend belde ik op de dag van opname. ‘Kom naar me toe, vergeef me alsjeblieft.’ En Annemieke kwam, om niet meer van mijn zijde te wijken. We zijn weer bij elkaar en beseffen hoe gruwelijk veel we van elkaar houden. Bijna elk moment zijn we bij elkaar, om de verloren tijd in te halen maar vooral om de resterende tijd te koesteren zoals we dat nog nooit gedaan hebben. Er kan niet zoveel meer, we kunnen niet even een filmpje pakken of wat gaan drinken. Seks zit er ook niet in door hart, buik en medicijnen. Maar met de rolstoel rijdt Annemieke me rond, op een uitstapje lacht ze naar me en geeft me een aai. En ‘s nachts aarzelt ze geen seconde om me om twee uur een schoudermassage te geven als ik pijn heb door het liggen in één houding. Ik geef haar een aai, zoen of knuffel terug, of een korte omhelzing als ik even opsta uit bed of rolstoel. Verder praten en janken we met elkaar, met af en toe een glimlachje. Het klinkt allemaal nogal beperkt, maar in onze relatie zit onbeschrijflijk veel liefde, meer dan ooit. Ik durf te beweren dat ik nu pas ontdekt heb hoe diep liefde kan gaan en hoe belangrijk liefde is. Ook in de relatie met mijn ouders. Op mijn leeftijd maak je je normaal los van ze en vergeet je de zogenaamde ouderlijke liefde vaak. Ik groei juist naar ze toe, ondervind hoe onvoorwaardelijk veel ze van me houden. Zie hoe ze huilen en lijden, hoe ze alles doen om het mij naar de zin te maken.

Met het idee nooit af te studeren ben ik relatief minder bezig. Ik was nog niet zo ver met Politicologie. Geswitcht van Biotechnologie (ja, Biotechnologie) begin 2004 en vorig collegejaar een aantal politicologische vakken gevolgd en ingehaald. Dit collegejaar heb ik veel tijd gestoken in het ANS en een stage gevolgd bij RTL Nieuws in New York. En oh ja, de gaten van de propedeuse opgevuld. De laatste drie gaten moesten op het einde worden gedicht. Een vak heb ik tijdens mijn eerste periode van ziek zijn geleerd en wonderbaarlijk gehaald. Het tweede, een paper, schreef ik in de korte periode dat ik mij iets beter voelde, maar de kwaliteit was onvoldoende. Waarschijnlijk toch door de vermoeidheid, door het niet honderd procent fit zijn. En tijdens het derde vak, een project, lag ik in het ziekenhuis. Een ‘tsjakka, die P wil ik nog halen’-gevoel zou dus irreeël zijn, maar het ontbreekt me er sowieso aan. En wat de rest van de studie betreft: ik was net zo lief fruitverkoper geworden als ik daarmee kon blijven leven.In tegenstelling tot liefde en de mensen om je heen, is een titel een onbeduidend iets geworden.

Net zo’n loos begrip als Master of Arts is geld. Ik won twee keer een aantal duizend euro met een website-ontwerpwedstrijd voor scholieren en werk al jaren soms aan lucratieve websites. Ik kon dus best wat spenderen aan leuke dingen, maar was toch nog steeds blij met elk vijftigje van oma, blij met elke bonusaanbieding en blij als als ik elke maand wat kon sparen voor grote aankopen of vakantie. Nu boeit sparen of het binnenhalen van geld me geen zier meer. De pecunia van oma bij iedere kaart doen me niks. Discussies over kosten voelen banaal. Pak het van mij, wat heb ik er nog aan. Laten we nóg een keer een weekend weggaan, dat chique hotel is niet duur als het van mijn creditcard wordt afgeschreven.

De Nintendo DS, een soort geavanceerde gameboy, wilde ik al in New York hebben. Ik heb me naar de Mediamarkt laten rijden en het zinloze kreng gewoon gekocht, met niet één, maar twee spelletjes. Ik weet dat het een duur ding is om gewoon Mario 64 weer een keer te kunnen spelen, maar de prijslolverhouding boeide me niet meer. Zo zal ik ook meteen een airco kopen als het kwik wederom boven de dertig komt. Belachelijk duur, maar lekker om te hebben. Geld boeit alleen nog voor zover je jezelf of anderen er gelukkig mee kunt maken door het uit te geven. Daarom heb ik mijn vriendin een prachtige Apple-laptop gegeven van mijn ANS-bestuursmaanden. De blik in haar ogen toen ze het glimmende witte ding in ontvangst nam, dat was me het idiote bedrag waard. Misschien klinkt het allemaal nogal Eurocard/Mastercard, maar ik had nooit gedacht dat mijn besef en gevoel over geld zó zou veranderen.

‘NOS, het achtuurjournaal’. Vanaf mijn zesde elke avond standaardkost. Nou ja, als student af en toe afgewisseld met een RTLZ’tje overdag en de Volkskrant. Met het geblaat over mijn journalistieke aspiraties lijkt het een paradox, maar wat er gebeurt in de wereld gaat goeddeels langs je heen. Het nieuws, de wereld om je heen, het interesseert je allemaal minder. Je maakt de gevolgen immers toch niet meer mee. Ik zat zonder internet of een aangesloten televisie in Spa in een villa, met vriendin en moeder van, even een dagje eruit. Toen belden mijn ouders en vertelden over de aanslagen in Londen. We hebben in de villa de televisie niet eens verplaatst naar de antenne-aansluiting en bij de open haard gewoon een domme comedy gekeken. Het lijkt zo onbelangrijk allemaal. Toch moet ik uitkijken dat ik me niet teveel fixeer op kwalen en kwaaltjes en blijf genieten van wat ik wel nog kan doen. Met uitstapjes en dagjes weg lukt dat aardig, maar een boek lezen of een film kijken is een hel. Om de twee seconden dwalen mijn gedachten af en zak ik weer weg in mijn angsten. Wat voelde ik daar in mijn borst? Zo kun je je natuurlijk nooit ontspannen en dat laatste is nou juist weer zo belangrijk. Daarom ben ik soms blij als ik ‘s avonds in mijn nest lig met een kalmerende pil op, en nergens meer aan hoef, of eigenlijk kan denken. Even niks aan mijn kop. Ontzettend jammer natuurlijk, langs de zijlijn staat iedereen ‘pluk de dag’ te roepen. Maar je moet soms hard trekken om ‘m uit de grond te krijgen.

Mijn angsten betreffen vooral de dood en mijn ziekte. Er wordt bij mij niet behandeld in de zin van genezing of rekken, dat heeft namelijk geen enkele zin, maar alleen extra risico’s. De chemokuur die het ziekenhuis in Maastricht bedacht had was al slechts rekkend, maar zou volgens specialisten in Leuven fataal geweest zijn. Ik weet dus dat het uiteindelijk slechter wordt, er komt een tijd van totale bedlegerigheid en enorme ellende. Maar omdat ik nu juist een uniek geval ben - het type tumor is nooit eerder voorgekomen op die plek (bij m’n hart) kan dat dagen, weken of maanden duren. Ze hebben geen idee. Ondertussen ben ik twee maanden uit het ziekenhuis en nog steeds in leven. Het lijkt niet eens noemenswaardig slechter te gaan. Maar de angst voor de verslechtering trekt niet weg, en terecht. Zo ondervond ik vanmiddag na het eten een duizeling die mijn eerste hartritmestoornis lijkt te zijn. Het hoeft niet veel uit te maken voor je levensduur, maar het confronteert je wel met het onvermijdelijke: De dood komt. Ik ben er straks niet meer, ik kom in een kist en word begraven. Er is een dienst waar mensen huilen, een boekje krijgen over mij met mijn keuze aan plaatjes erin, de klarinetmuziek horen die ik heb uitgezocht en... aargh. Ik snap nog steeds niet van mezelf dat ik me met die details bezig kon houden. Ik denk dat de echte angst ook niet daarin zit. Die zit in het niet meer hier kunnen rondlopen, genieten van eten, drinken, muziek, de natuur. Gewoon er opeens niet meer zijn, geen deel meer uitmaken van deze wereld. En vooral: geen ménsen meer zien. Dat maakt me zo, letterlijk, doodsbang. Van ANS de sfeer, de deadlines, de frieten en de rooklucht missen is één ding, maar vooral mis ik Mies, Bram, Tom, Bert, Iris, Mathieu en alle anderen. En nu ben ik er nog gewoon. Dat ik ze opeens nooit meer zal kunnen zien heeft me gisteren een ochtend lang doen huilen, gewoon door een aardig mailtje van een van hen. Wat betreft het leven na de dood ben ik aardig omgeslagen. Met een bèta-achtergrond dacht ik altijd hersenen=cellen=persoon en dat dat betekent dat de dood echt het einde is. Waarschijnlijk om die gedachte te ontvluchten, ben ik toch wat meer in ‘iets’ gaan geloven. Ik ben geen boeddhist geworden, maar heb er wel wat over gelezen. Ik ben geen reïncarnatie-fanaat geworden, maar heb wel een KRO-programma gezien waarin iemand verifieerbare dingen vertelde uit een vorig leven. Ik heb het niet als scepticus uitgekotst maar meegenomen. Dingen als bijnadoodervaringen houden me bezig. Tegenover de artsen die erin geloven staan genoeg sceptici, maar sommige verhalen zijn ongelooflijk frappant. Ik kets dingen dus iets minder sceptisch af. Zelfs wat betreft de echte godsdienst ben ik wat geloviger geworden. In de Onze-LieveVrouwe Kerk in Maastricht heb ik voor het eerst echt gebeden, mijn hart uitgestort in stilte. Ook heb ik met twee priesters gepraat over de vraag hoe ze die wereldgodsdiensten in de hemel voor zich zagen: 72 maagden linksaf, katholieken naar die wolk en atheïsten pech? De ene priester zei dat het allemaal verschillende menselijke uitingen zijn van dezelfde basisgedachte. Ook hier op de grond, of het nu een synagoge is of een basiliek. De ander deed me zelfs een boekje vol Chinese wijsheden cadeau en wees me op de overeenkomsten met de bijbel. De verschillen tussen de godsdiensten zijn dus eigenlijk cosmetisch, ze zijn op menselijk niveau gecreëerd. Daarmee is het bestaan van die god of leven na de dood natuurlijk nog niet bewezen. Maar op dit moment redeneer ik: als miljarden mensen zich vastklampen aan die gedachte in al hun gebedshuizen, laat ik dan ook maar vertrouwen hebben. Het zal geen fysiek leventje zijn op een wolk met een zuivelspread erbij (stel dat je met pijn sterft, dan kun je die niet opeens kwijt zijn daarboven). Ik denk ook niet dat ik kan toekijken hoe de anderen doorleven, jammer genoeg. Maar als je ziel reïncarneert of ergens naartoe gaat, vind ik dat al heel wat. Verder geloof ik dat als je me een paar maanden geleden had gezegd dat ik dit zou gaan geloven, ik je nooit had geloofd.

Dit verhaal bestaat uit mijn gedachtenflarden tijdens een eindig leven. De boodschap ligt er niet heel dik bovenop, maar toch, ik hoop dat je er als lezer een beetje meer door leert waarderen wat je hebt: levenstijd, gezondheid, tijd voor je vrienden en andere fijne personen. En die studie natuurlijk die ook een keer af moet. Maar stel om die studie of om iets anders de leuke dingen nooit uit. Als ik m’n stageplek tot een logisch moment bewaard had of zelfs maar drie maanden langer had gewacht, wat een serieuze optie was, had ik niet kunnen gaan. Ik heb in m’n korte leven zoveel gedaan dat ik bíjna voor twee geleefd heb. Een schrale troost, maar toch een kleine geruststelling. En dan kets ik dat cliché toch nog even keihard terug: ‘Pluk de dag.’ Je weet nooit wat er kan gebeuren, dus geniet.

Lieve Joris, Je hebt veel betekend voor ons en het blad. We zullen je nooit vergeten. Je vrienden van ANS