Uit de Oude Doos: culturele kloof tussen studenten en professoren

Iedere dag rakelt ANS in het kader van het jubileum herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Vandaag in de nostalgische rubriek: De ANS Studentencultuur-enquête onder professoren.

De universitaire campus waar kennis en intellect zich verzamelen en ontwikkelen wordt nog wel eens beschouwd als de ivoren toren van de elitaire bovenlaag. Het baken van de wetenschap dat ver verwijderd is van de samenleving. Maar ondanks het academisch klimaat waar de ‘bewoners’ naar streven, blijkt een eendrachtig gedeelde belevingswereld verre van de realiteit.

ANS testte acht jaar geleden de kennis van twintig hoogleraren over het studentenleven. Slechts een enkeling wist een voldoende te behalen. Waar studenten in 2003 nog genoten van volksvermaak in de vorm van Idols en RTL Boulevard, tastten professoren volledig in het duister over de aard van deze televisieprogramma’s. In tegenstelling tot de studenten zelf lijken ze de band met de samenleving soms inderdaad verloren. Op de vraag naar welke DJ bijna vermoord werd door Volkert van der G. antwoordde hoogleraar Kusters: ‘Die DJ heette de Graaf, maar waar staat Van der G. eigenlijk voor?’

Benieuwd naar meer over de kloof tussen studenten en professoren? Lees hieronder het gehele artikel uit de ANS van mei 2003.

Onder professoren ANS Studentencultuur-enquête 2003

ANS test de kennis van de hoogleraren over het studentenleven. Zijn het moderne mensen die midden in het leven staan, of kluizenaars die de band met de samenleving verloren hebben?

Tekst: Bram Balk

Geen enkele voldoende. Na de beschamende uitslag van de vorige studentencultuur-enquête was te hopen dat hoogleraren eindelijk de culturele kloof met hun pupillen zouden overbruggen. Studentenleven voor dummies zou massaal worden ingeslagen en elke studieborrel zou worden aangegrepen voor en hippe lounge party. Maar niets blijkt minder waar: doctoren weten, zes jaar na de eerste enquête, nog steeds bar weinig over het leven van de Nijmeegse student. Dat het ook anders kan, bewijst professor Buruma. De hoogleraar Straf- en Procesrecht haalde als eerste in de geschiedenis van de enquête een voldoende. Dat de man alle televisievragen wist is voor ons geen wonder: de man komt zelf om de haverklap op de buis. Best of the rest is dr. Hans Ester van Algemene Cultuurwetenschappen, die tenminste nog in de buurt van een voldoende komt. Dat hij niet weet wie Eminem is, kunnen we hem best vergeven: ‘Ik ben een beetje blijven hangen bij Cliff Richard en de Blue Diamonds. Ik hou meer van een lieflijke melodie.’

Jolly Jumper aan het spit

De vragen over het collegegeld, studiebeurzen en de universitaire actualiteit zijn nog het beste beantwoord. Toch zit bijvoorbeeld Kusters lichtelijk aan de hoge kant met zijn schatting dat studenten maandelijks een basisbeurs van 1700 euro mogen incasseren. Geen enkele hoogleraar weet dat studentenrugbyvereniging Obelix door de komst van het Gymnasion dreigt te verdwijnen wegens het gebrek aan veld. In plaats daarvan gokken de hoogleraren massaal dat Phocas op de klippen dreigt te lopen en volgens dr. Quadevliegh, overigens van de faculteit Rechten, gaat paardenclub Jolly Jumper naar het slachthuis. Het imagoprobleem van de studentenpartij SIAM neemt toch wel buitengewoon ernstige vormen aan. Weten studenten misschien nog net dat het een clubje medezeggenschappers is, hoogleraren kijken erg glazig wanneer de naam wordt uitgesproken. Profesoor Terpstra van Sociale en Politieke Filosofie denkt aan ‘Buitenlandse studieopvang’, de Socioloog Ultee weet dat het ooit de naam van Thailand was en dr. Ester vraagt zich af of het soms iets met gehandicapten te maken heeft.

Vlotte blondjes en dikke koppen

De heren professoren tasten al helemaal in het duister, zodra we vragen gaan stellen over televisie. RTL Boulevard roept bij de meeste hoogleraren allerlei associaties op, behalve de goede. ‘Zijn dat niet die vlotte blondjes die de Balkenende vroegen of hij wel altijd zijn gulp dicht had?’ vraagt Romanist Kusters. Jacobs, die op dezelfde faculteit lesgeeft: ‘Is dat niet Jeroen Pauw? Die zap ik altijd weg: hij heeft een gemeen gezicht en een scheve lach. Ik zou erop gaan zitten, als ik zo’n gezicht had.’ Professor Ultee weet echter wel wat voor vlees hij in de kuip heeft. Dat wil niet zeggen dat hij gecharmeerd is van het dagelijkse roddelprogramma: ‘Daar zitten van die types die kokketeren met hun nichterigheid. Ze doen net of dat de gewoonste zaak van de wereld is, alsof iemand zich zo kan gedragen. Dat kan absoluut niet.’ En dan heb je nog Idols. Dat Jamaï gewonnen heeft, weten de doctoren vaak nog wel. De wiskundige Heckman heeft zelfs een geheel eigen kijk op de uitslag: ‘Voor Jamaï is het triest dat hij gewonnen heeft. Hij kan nu nooit meer een normaal leven leiden, zijn leven is voorgoed veranderd.’ Maar wie die dikke kop was met zijn geïmplanteerde zonnebril, die als voorzitter van de jury de carriereplannen van de mindere goden met grof geweld in de kiem smoorde, dáár hebben de meeste hoogleraren geen flauw benul van. Terpstra heeft de klok horen luiden, maar weet niet waar de klepel hangt: ‘Het is die vreselijke vent met z’n bezopen kop.’ Buruma weet alleen dat Jerney Kaagman in de jury zat, omdat hij vroeger verliefd op haar was. Populair onder studenten of niet, Idols en RTL Boulevard zijn niet echt programma’s van enige intellectuele diepgang. Daarom ook een literaire vraag: wie schreef Phileine zegt sorry? Dat het dezelfde zwaar seksueel gefrustreerde knakker is die het boekenweekgeschenk heeft geschreven, willen we nog wel als hint erbij geven. Jan Wolkers is in dat opzicht een goed gefundeerde gok van dr. Jacobs, maar Hans Ester kent zijn pappenheimers. De hoogleraar Algemene Cultuurwetenschappen merkt zelfs op dat iedereen nu wel zou moeten weten dat het Ronald Giphart betreft. Toch konden slechts vier van de twintig geïnterviewden het juiste antwoord geven.

Ruud van der Graaf

Dat DJ Ruud de Wild ternauwernood een kopje kleiner werd gemaakt door Volkert van de G., weet vrijwel niemand. Volgens romanist Jacobs was Ad Visser bijna het haasje geweest. Hans Ester denkt direct aan Gordon vanwege de posters die achteraf toch niet over het normen- en waardendebat gingen. Allemaal bijna goed. Kusters denkt het te weten: ‘Ik las het gisteren nog. Volkert zat toen in het struikgewas verscholen met zijn schietgrage hand. Die DJ heette de Graaf, maar waar staat Van der G. eigenlijk voor?’

Als het op internet en andere moderne snufjes aankomt, hoeft men van de geleerden weinig te verwachten. Waren ze niet aan het SMS’en gewend, vragen we opeens over MSN’en. Toch kunnen vier hoogleraren vertellen wat het begrip precies behelst, waaronder Kusters. Hij waarschuwt ons voor de gevaren: ‘MSN is de tegenhanger van MS. Als je MSN hebt, kun je ’s ochtends nog net je broek inkomen.’ Leuk geprobeerd, maar het enige goede antwoord geeft goalgetter Buruma: Dat is een programma op de computer waarmee je via het internet kunt chatten.’

Met de voldoende van Buruma is het beschamende eindresultaat helaas niet weg te moffelen: met een gemiddelde cijfer van 2,6 scoren de hoogleraren nog slechter dan in de vorige editie. En dat terwijl rector magnificus Kees Blom nog beterschap had beloofd. Niet alleen de vragen over televisie, internet, film en uitgaan zijn totaal onbekend terrein voor de hoogleraren; ook de vragen die direct met de universiteit te maken hebben blijven vaak onbeantwoord.

De KUN viert komend jaar haar zestiende lustrum. Het motto luidt: ‘Al tachtig jaar midden in het leven’. Midden in het leven van tachtig jaar geleden, zul je bedoelen.

 

Eline Huisman

Uit de Oude Doos: USR-verkiezingen zijn als het kopen van een auto

Iedere dag rakelt ANS in het kader van het jubileum herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Vandaag in de nostalgische rubriek: concurreren met dezelfde idealen in de USR-verkiezingsstrijd.

Hoewel de daadwerkelijke campagne- en verkiezingstijd voor de Universitaire Studentenraad (USR) nog even op zich laat wachten, treffen de Nijmeegse studentenpartijen reeds heimelijk hun voorbereidingen. Programma’s worden opgesteld, kandidaten geronseld, promotieplannen uitgestippeld.

De vraag ‘of er iets te kiezen valt’ wordt al decennialang actueel in verkiezingstijd. Zo ook voor de USR-verkiezingen. Want alle strijdende partijen vertegenwoordigen toch het belang van de Nijmeegse student?

Voor het antwoord op de keuzevraag moeten we nog even geduld hebben, maar in 1998 stond als een paal boven water dat de twee toen concurrerende fracties, PSF en ONS, amper inhoudelijke verschillen kenden. De fracties wezen weliswaar op het belang van stemmen voor de kracht van hun mandaat, maar de drang zich te willen onderscheiden leek bij voorbaat afwezig. ‘De keuze is vergelijkbaar met het kopen van een auto: uiteindelijk bepaalt een uiterlijk detail de beslissing,’ aldus de toenmalige voorzitter van fractie PSF.

Lees hieronder het gehele artikel uit de ANS van juni 1998.

Studentenraadsverkiezingen 1998 Lood om oud ijzer

Brulden alle commentatoren voor de Tweede-Kamerverkiezingen dat er niks te kiezen viel, voor de verkiezingen van de studentenraad aan de KUN staat dat al helemaal als een paal boven water. Zelfs de beide fracties waartussen gekozen dient te worden beamen dat de inhoudelijke verschillen nihil zijn. Waarom dan toch verkiezingen?

Tekst: Aafje Brandt

‘De keuze tussen PSF of ONS is vergelijkbaar met het kopen van een auto: uiteindelijk bepaalt een uiterlijk detail de beslissing,’ zegt Paul Willems, voorzitter van de Progressieve Studenten Fractie (PSF). De verschillen tussen de twee verkiesbare partijen voor de studentenraad, de PSF en het ONS, zijn ‘inhoudelijk verwaarloosbaar,’ vindt hij. Rond 20 mei vond iedere Nijmeegse student een KUN-envelop met stembiljetten op zijn deurmat. Naast het uitbrengen van een stem voor de Opleidingscommissie en Facultaire Studentenraad wordt de student ook geacht voor de centrale Studentenraad te stemmen. Dit inspraakorgaan voor studenten op centraal niveau bestaat voor de helft uit afgevaardigden van studentenverenigingen. De overige acht zetels worden opgevuld door verkiesbare leden van de twee studentenfracties, de Progressieve Studenten Fractie (PSF) en het Overleg Nijmeegse Studenten (ONS). De verhouding tussen het aantal zetels voor de PSF en die voor het ONS zal echter weinig invloed hebben op het beleid van het komend jaar. De plannen van beide fracties zoals die blijken uit de partijprogramma’s, verschillen nauwelijks. PSF en ONS beamen dit. ‘Hooguit zijn onze punten iets concreter,’ vindt Niels Barnhard van de PSF. ‘Het ONS roept bijvoorbeeld dat het onderwijs beter moet, maar doet geen concrete voorstellen. Wij willen een onderwijsdiploma en een proefcollege verplicht stellen voor iedere docent.’ Mathieu Segers van het ONS plaatst dit verschil in een iets ander licht. ‘Onze houding is pragmatischer. Wij nemen minder snel vooraf een extreem standpunt in. Juist in de discussie met het personeel en bestuur van de KUN wordt onze mening gevormd.’ Er is dus hooguit sprake van een cultuurverschil. Waarom dan twee partijen handhaven. ‘Tja, wat ons betreft had een fusie al plaatsgevonden,’ stelt Barnhard. ‘Maar het ONS heeft de boot altijd afgehouden.’ Met het aantreden van nieuwe fractievoorzitter Segers is deze weerstand ook vanuit de hoek van het ONS grotendeels verdwenen. ‘Daar zullen we volgend jaar inderdaad eens serieus over na moeten denken. We zijn immers belangenbehartigers van dezelfde groep.’ PSF-bestuurslid Jeroen Lugtigheid reageert cynisch op deze plotselinge ommezwaai. ‘Ik krijg er een beetje een dubbel gevoel bij. Het bestuur van het ONS heeft ons meermaals overduidelijk laten weten niet in te zijn voor fuseren. Nu hoor je regelmatig in de wandelgangen dat het slecht gaat met het ONS en dan willen ze opeens wel.’ Barnhard drukt het positiever uit. ‘Voorgaande jaren waren er wel eens strubbelingen. Nu staan zowel bij de PSF als bij het ONS nieuwe kandidaten op de lijst, die het prima met elkaar kunnen vinden.’ Geen van beide partijen voelt zich dus geroepen op principiële gronden voor handhaving van een meerpartijenstelsel te ijveren. Rest de vraag waarom wij nog moeten gaan stemmen; er valt immers niets te kiezen. Beide fracties geven aan dat het belangrijker is dát er gestemd wordt, dan wát er gestemd wordt. ‘Bij de invoering van de nieuwe bestuursstructuur in februari van dit jaar heeft de PSF ervoor gepleit de zogenaamde kiesdrempel te handhaven,’ reageert Barnhard. ‘In dat geval betekent een tekort aan stemmen een zetelverlies voor studenten. Dit zou meer nadruk leggen op het belang om te stemmen.’ Nu is dat niet het geval. Ook een zeer schamele opkomst betekent acht zetels voor PSF en ONS in de studentenraad. Toch vindt Barnhard het belangrijk dat er verkiezingen gehouden worden. Hij ziet hierin de mogelijkheid voor de partijen naar buiten te treden en te laten zien waar ze voor staan. Moet dat echter niet het hele jaar door het geval zijn? En is dat wel een principiële reden om verkiezingen te houden? Barnhard zwijgt peinzend. Segers heeft een duidelijke visie op het nut van verkiezingen en het belang van stemmen. ‘Een grote opkomst levert de studentenraadsleden een veel sterker mandaat op. Dan is bewezen dat we een achterban hebben en staan we het komende jaar sterker in de onderhandelingen met het College van Bestuur.’

 

Eline Huisman

Uit de Oude Doos: de premier die geen premier werd

Het was vlak voor de verkiezingen van 9 juni vorig jaar toen Job Cohen werd geïnterviewd tijdens zijn collegetour. De PvdA-leider was enkele maanden eerder verkozen tot lijsttrekker en leek door zijn ervaring in Amsterdam en het belang van het integratiedebat ideaal als opvolger van Balkenende. Totdat ineens de bezuinigingen het belangrijkste campagnepunt werden. In Nova kwam Cohen niet bepaald sterk over en zijn economische kennis was niet bepaald je van het. De sfeer sloeg om, het was nog maar de vraag of de geboren Haarlemmer premier zou worden. Cohen werd nukkiger wanneer hij werd aangevallen en plezier in het vak was ver te zoeken.

Dat blijkt ook uit het interview in de juni-ANS van 2010. Wanneer Cohen zijn standaardriedel afdraait lijkt er geen vuiltje aan de lucht, maar als hem wordt gevraagd naar de kwaliteiten van Balkenende is het einde nabij. 'Volgende vraag', luidt zijn antwoord. Eén van de vele reacties waarmee een interview totaal doodslaat. Ook wanneer naar zijn (in vergelijking met zijn concurrenten Balkenende en Rutte) betrekkelijke onervarenheid op landelijk gebied wordt gevraagd, is Cohen kortaf. Wat daarna volgt is een bijna letterlijk transcript van het interview, dat door de persvoorlichter na iets meer dan een kwartier wordt afgebroken. De 'droomkandidaat' zou geen premier worden en niemand zal ooit weten in hoeverre dit interview daaraan bijdroeg.

Job Cohen - De messias

Zijn kwaliteiten als bestuurder staan buiten kijf en hij werd onthaald als de ideale premier. Toch is de verkiezingsstrijd nog volledig open vanwege zijn onervarenheid als partijpoliticus. ‘Mensen moeten zelf maar uitmaken of ik geschikt ben.’

Tekst: Joost Nellen en Henk Strikkers Foto's: Boy van Dijk

Een luid applaus valt hem ten deel wanneer hij de collegezaal binnentreedt om een gastcollege te geven. Job Cohen (62) werd na het vertrek van Wouter Bos direct op het schild gehesen als leider van de Partij van de Arbeid (PvdA). Hij zou na het burgemeesterschap van Amsterdam de ideale premier zijn om de polarisatie in Nederland een halt toe te roepen. Na de wittebroodsweken waarin hij alom werd gelauwerd en de peilingen de hoogte in schoten, stokte het succes. Televisieoptredens waren verre van indrukwekkend en zijn economische inzichten staan zwaar ter discussie. Nijmegen is de eerste halte van zijn tour langs verschillende universiteiten. De massaal toegestroomde toehoorders willen het deze middag maar over één onderwerp hebben: de invoering van een sociaal leenstelsel. De basisbeurs, die nu nog een voorwaardelijke gift is, moet volgens de sociaaldemocraten veranderen in een lening. ‘Als de studenten van nu later bakken met geld verdienen, is het niet meer dan redelijk een extra bijdrage van hen te vragen’, aldus de voormalige staatssecretaris van Onderwijs en de voormalige rector magnificus van de Universiteit Maastricht in zijn inleidende rede. In de daaropvolgende drie kwartier wordt hij onderworpen aan een spervuur van vragen die allemaal op dezelfde leest zijn geschoeid: ‘Is het sociaal leenstelsel niet een onrechtvaardige, verkapte bezuiniging op het hoger onderwijs?’ De lijsttrekker houdt tamelijk eenvoudig stand. Zonder concrete cijfers aan te halen, weert hij iedere vraag kranig af. De menigte blijft na het debat morrend achter. Na verschillende cameraploegen te woord te hebben gestaan, wordt Cohen onder strikte beveiliging weggeleid naar een achterkamertje in de krochten van het collegezalencomplex. Onder toeziend oog van collegevoorzitter Roelof de Wijkerslooth en rector magnificus Bas Kortmann ontvouwt hij zijn ideale Nederland.

De commissie Veerman stelt in haar rapport dat juist nu moet worden geïnvesteerd in het hoger onderwijs. Uit uw verhaal bleek dat u vooral in het mbo en een voorschoolse opleiding wilt investeren. Schuift u hiermee dat rapport terzijde? ‘Ik wil het alle drie. Het mbo heeft een forse investering nodig, zodat meer scholieren kunnen doorstromen naar het hoger onderwijs. Desalniettemin wil ik ook geld steken in hogescholen en universiteiten. Wat ik vooral begreep uit het rapport is dat het onderscheid tussen hbo en wo ter discussie staat. Daar wil ik nog wel naar kijken, maar dat moet ik eerst diepgravender bestuderen.’

Ondanks uw onderwijsachtergrond staat u vooral bekend om uw sterke stellingname in het multiculturele debat. Is dat ook uw drijfveer om weer de nationale politiek in te gaan? ‘Er zit een onbehagen in mij over de manier waarop we met elkaar omgaan. Dat gevoel tref ik in de gehele samenleving aan. In onze maatschappij is geldelijk gewin een heel belangrijke motiverende factor. Daar komt nog eens bij dat bevolkingsgroepen te gemakkelijk aan de kant worden geschoven. Ik wil het sociale geluid laten horen. ‘De samenleving moet weer hoop krijgen. De economie moet weer gezond worden en de maatschappij weer fatsoenlijk. Iedereen moet tot zijn recht komen. Diegenen die daar een bijdrage aan kunnen leveren, moeten dat doen. De mensen die in eerste instantie weigeren moet je er toch bij proberen te betrekken. Als dat niet lukt moet je ze stevig aanpakken. Een uitgestoken hand waar mogelijk, een harde hand waar nodig.’

Dit klinkt erg mooi, maar wat gaat u daadwerkelijk doen? ‘Mijn kernwoorden zijn “sterker” en “fatsoenlijker”. Sterker heeft vooral betrekking op de economie. Door nieuwe banen te creëren voorkomt de PvdA dat de werkloosheid nog verder toeneemt. We moeten investeren in onderwijs, we moeten investeren in duurzaamheid en we moeten investeren in achterstandswijken. ‘Een fatsoenlijker Nederland is een Nederland waarin men eerlijker deelt. Daarin ligt ook de oplossing van de financiële crisis: iedereen moet zijn steentje bijdragen. De hogere inkomens, die het meest hebben geprofiteerd gedurende de vette jaren, zullen het meest moeten inleveren. Fatsoen betekent ook geld steken in veiligheid. De normen en de regels die hier gelden, moeten worden nageleefd. Toezicht, en met name politie, verdient meer aandacht. Werk en onderwijs kunnen hierin eveneens een belangrijke rol spelen. Mensen die met onderwijs of werk bezig zijn, zijn niet met rottigheid bezig.’

Welke rol is voor studenten weggelegd in uw plannen? Glimlachend wijst hij naar De Wijkerslooth en Kortmann: ‘Kijk, van die oudjes die daar zitten moeten we het niet meer hebben. Jullie brains zijn de toekomst. Daarom is onderwijs zo vitaal. Alle landen investeren in onderwijs en Nederland kan niet achterblijven, puur uit concurrentieoverwegingen. Dus: opleiden, opleiden, opleiden!’

Hij neemt nog een slok van zijn thee, die even daarvoor door rector Kortmann hoogstpersoonlijk is ingeschonken. Het kopje thee is een symbool geworden voor zijn manier van besturen. Keer op keer probeerde Cohen strijdende partijen aan tafel te krijgen, zoals na de moord op Theo van Gogh, toen hij herhaaldelijk verschillende radicale imams uitnodigde op zijn werkkamer. Het leverde hem een soft imago op dat hij nog steeds niet van zich heeft weten af te schudden. Zijn aanpak was desondanks succesvol; de stad kwam weer tot rust.

Haalde u geen voldoening meer uit het burgemeestersambt? ‘Niets daarvan. Ik heb tot het einde toe enorm genoten van mijn functie. Ik had wel het gevoel dat hetgeen ik in Amsterdam heb gedaan mij een ideale kandidaat maakt om Nederland te leiden.’

Als burgemeester was u populair omdat u de stad bij elkaar wist te houden. Vindt u het vervelend dat de verkiezingen nu om de economie draaien? Dat is niet bepaald uw sterkste punt. ‘Ik weet niet of de economische crisis het hoofdthema is. De economie is ongelooflijk belangrijk om ervoor te zorgen dat het land bij elkaar blijft. Het is nu zaak om de sterkeren een grote bijdrage te laten leveren aan de oplossing van de crisis. Als dat niet gebeurt, wordt de tweedeling tussen arm en rijk eerder groter dan kleiner.’

Is het wel fair om de jongeren van nu te laten opdraaien voor zowel de kosten van de vergrijzing als die van de economische crisis? ‘Dat is een heel belangrijke en heel terechte vraag. De kunst is om ouderen en jongeren te verbinden. Ouderen moeten betalen voor goed onderwijs en jongeren voor goede zorg. Het plaatje dat wordt geschetst is overigens niet volledig. Jullie generatie zal later geen last hebben van werkloosheid, omdat de beroepsbevolking kleiner wordt.’

U smeert uw bezuinigingen uit over dertig jaar. Treft u de jongeren van nu daardoor niet onnodig hard? ‘De manier waarop wij de hypotheekrenteaftrek beperken is ook goed voor jongeren, omdat het huizenprijzen doet dalen. Veel bezuinigingen kun je niet plotsklaps doorvoeren. Mensen hebben bepaalde verwachtingen en die moet je niet zomaar schaden. Als je al jaren uitkijkt naar je vijfenzestigste verjaardag, kom je met de plannen van de PvdA niet voor een verrassing te staan. De geleidelijkheid van onze plannen maakt ze acceptabel.’

Vanaf het moment dat hij met veel bombarie de nationale politieke arena betrad, was Job Cohen de belangrijkste kandidaat om minister-president te worden. Hoewel hij als verlosser werd binnengehaald, blijft hij er zelf nogal nuchter onder: ‘Ik heb mijzelf kandidaat gesteld als lijsttrekker van de PvdA en dat ben ik geworden. Als we de grootste worden, ben ik premier. Anders niet.’ De hallelujastemming rond zijn persoon maakt hem echter het favoriete doelwit van vijandige spindoctors. Geert Wilders maakte hem uit voor een ‘vriend van de moslims’ en de VVD stelde dat hij nogal nukkig kan worden als hem moeilijke vragen worden voorgelegd. Zo ook in dit gesprek. Op de vraag of Wouter Bos bewust is ingezet als aanvaller om de lijsttrekker uit de wind te houden, antwoordt Cohen geagiteerd: ‘Punt één: het antwoord is nee.’ Ontzet vervolgt hij: ‘En in de tweede plaats: dit antwoord is gewoon nee. Het lijkt me betrekkelijk onverstandig om over strategie te praten.’

Bos noemde Jan-Peter Balkenende een ongeschikte kandidaat voor het premierschap. Wat vindt u daarvan? ‘Volgende vraag.’

U bent betrekkelijk onervaren in de landelijke politiek. Hoe hebt u zich op deze stap voorbereid? ‘Ik geloof dat ik een aantal jaren geleden staatssecretaris van Onderwijs ben geweest en daarna ben ik een tijd staatssecretaris van Justitie geweest. Dat is niet echt de allergemakkelijkste post. Het valt dus wel mee met die groenheid.’

Was het wennen om terug te komen? ‘Het is een andere rol. Ik was eerst burgemeester en nu ben ik lijsttrekker.’

Er waren geen verschillen of moeilijkheden waar u tegenaan bent gelopen? ‘Het is een andere rol.’

Stel dat de Partij van de Arbeid de verkiezingen niet wint. Welke functie ziet u dan voor uzelf weggelegd? ‘Of ik word premier, of ik ga de Kamer in.’

Na de Paarse jaren kwam er een stroom op gang die ageerde tegen de toen heersende regentencultuur. Halen we met u niet een regent terug, iemand die nog nooit op een kieslijst heeft gestaan? ‘Ach, de vraag stellen is hem beantwoorden. Ik heb verteld waarom ik mij heb gekandideerd en wat mijn beweegredenen zijn. Verder moet iedereen zelf maar uitmaken of ik geschikt ben of niet.’

U heeft in de campagne steeds gesteld dat verschillen niet benadrukt moeten worden. Betekent dit dat u zich niet afzet tegen andere partijen? ‘Nee. Ik vind het prima om verschillen te benadrukken, maar je moet ze vervolgens wel oplossen. Je moet ze niet uitvergroten of onder tafel schuiven, want ze zijn er nu eenmaal. Als er in Amsterdam sprake was van frustraties, probeerde ik de ruziënde partijen bij elkaar te halen. Ik zocht altijd naar overeenkomsten, want we wonen hier tenslotte allemaal. We hebben het met elkaar te doen en dan is het maar beter om je zo constructief mogelijk op te stellen.’

Waarom spreekt u zich dan niet uit over Jan-Peter Balkenende? ‘Dat heeft niet zoveel te maken met verschillen, maar met stijl. Ik heb geen zin in al dat persoonsgerichte gedoe.’

Daarmee maakt u zich een gemakkelijk slachtoffer om met modder naar te gooien. ‘Dat moeten die anderen dan maar doen. Als ze denken dat ze daar beter van worden, ga ik ze niet tegenhouden.’

U laat zich niet van de wijs brengen. ‘Nee, dat was ik niet van plan.’

 

Henk Strikkers

Uit de Oude Doos: het innerlijke universum van een semi-kluizenaar

Iedere dag rakelt ANS in het kader van het jubileum herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Vandaag in de nostalgische rubriek: een interview met het 'tamboerijnvrouwtje' .

Nu de vorst uit de grond verdwenen is en een voorzichtig lentezonnetje het buitenleven veraangenaamt, kan de winkelende Nijmegenaar zich weer verheugen op haar aanwezigheid. De bijzondere tamboerijnklanken vergezeld van kreten in een ondefinieerbare taal zijn een vertrouwd geluid voor wie regelmatig het centrum bezoekt. Wie zich afvraagt wat er schuilgaat achter dit fenomeen, hoeft niet langer te gissen. De Nijmeegse straatmuzikante, beter bekend als het tamboerijnvrouwtje, had in mei 2009 een briefwisseling met ANS. Openhartig vertelt Oda le Noble hoe ze in haar 7777 jaren op aarde kennis mocht maken met zowel Paul McCartney als nirvana. Vergis je echter niet door na deze kennismaking met Oda zomaar een praatje te maken met deze interessante klankenzangeres, want ze kan niet gezellig over koetjes en kalfjes praten. 'Zij die spreken, weten niet. Zij die weten, spreken niet.'

Lees hieronder het interview met Oda le Noble uit de ANS van mei 2009.

Oda la Noble – Ik was 3 seconden in nirvana

Oda le Noble, in de volksmond het tamboerijnvrouwtje genoemd, is een vertrouwd gezicht voor vele Nijmeegse studenten. ANS had een briefwisseling met de klankenzangeres over haar semi-kluizenaarsbestaan en studententijd in Londen.

Tekst: Andy Leenen

‘Wie aangekomen is in het zelf, beseft dat het de binnenwereld is die er toe doet. Wat zich afspeelt in het innerlijke universum is de essentie.’ Aldus Oda le Noble, al jarenlang een van de bekendste straatmuzikanten van Nijmegen. Ze wilde graag meewerken aan een interview, maar alleen door middel van een briefwisseling. Het gevolg waren enkele zoektochten en misgelopen afspraken, maar het resulteerde uiteindelijk in een intrigerende blik op haar leven.

Mooiste baantje ooit

‘Zodra ik op een natuurlijke manier wakker ben geworden, kijk ik hoe laat het is. Volgens de Indiaan Don Juan Matus, bekend uit de werken van Carlos Castaneda, is opstaan een kunst. Mijn moeder verstond die kunst, mijn vader niet. Ik lijk op mijn vader wat opstaan betreft. Ik neem een geestelijk ontbijt door een hoofdstuk uit de Bhagavad Gita te lezen, of een stukje uit de Upanishads. De Duitse filosoof Arthur Schopenhauer zei over dit laatste werk: “Deze verhalen hebben mij getroost tijdens mijn leven en zullen dat doen als ik heenga.”’ Beide boeken zijn kerngeschriften uit het hindoeïsme, dat een belangrijke rol speelt in het leven van le Noble. Na de mentale ochtendmaaltijd fietst ze tien kilometer naar het centrum van Nijmegen en koopt ergens op de route de Volkskrant, vanwege de puzzel. Dan installeert ze zich op een van haar werkplekken in de stad. ‘Dit is het mooiste baantje dat ik ooit heb gehad, omdat ik allerlei inspirerende gesprekken voer. Zo sprak ik ooit een man van 37 jaar die een nieuwe gitaar kocht, dat was voor hem een jongensdroom die verwezenlijkt werd.’ Na haar werk doet ze boodschappen bij de Aldi of gaat naar een van haar vier stamcafés. Vervolgens eet ze soms een grote friet mayonaise, of gaat meteen naar huis. Thuis rust ze uit, leest de krant en maakt de puzzel. ‘Ik ben een echte lezer. Ik heb geen tv, radio of computer. Ik heb alleen via boeken contact met de buitenwereld. Het laatste deel van de dag mediteer ik, plaats een waxinelichtje in mijn heilige nis, zeg gebeden en ga kofferen – slapen.’

7777 jaar

Le Noble weidt openhartig uit over haar bijzondere leven, de antwoorden die ze opschrijft beslaan meerdere kantjes. ‘Mijn moeder werd verbannen door haar familie en hield een oog op de elite van het dorp waarin ze terechtkwam. Ze koos een kostschool voor mij uit. Het schooltype bestaat niet meer, maar is vergelijkbaar met havo. Het hoogst haalbare na die school was een opleiding voor de Akte NXIX, een diploma om les te geven op nijverheidsscholen. Deze opleiding volgde ik in het Noord-Hollandse Bergen; een kunstenaarsdorp ten noorden van Alkmaar. Ik heb er de dichter Adriaan Roland-Holst in levende lijve gezien.’ Sommige dingen laat ze in het midden, zoals haar leeftijd: ‘Natuurlijk is het heel duidelijk voor mij hoe u deze vraag bedoelt, maar voor mystici is dit niet eenvoudig te beantwoorden. Elk wezen heeft een eeuwige leeftijd en een tijdelijke. De eeuwige leeftijd is voor de gehele schepping eender, terwijl de leeftijd van de vorm varieert. Toen mij in een tattoo-studio werd gevraagd naar mijn leeftijd, zei ik: “Dat mag u niet vragen!” Na een korte stilte zei ik: “Ik wil het u wel vertellen, ik ben 7777 jaar.” De reactie “Oh, ik dacht 7725 jaar”, vond ik erg leuk.’

Ringo Starr

Oda le Noble woonde van 1968 tot 1974 in Londen. In deze periode deed ze yoga, volgde talloze lezingen, behaalde een certificaat in een Afrikaanse taal en deed, op één dag na, een verpleegstersopleiding van een halfjaar. Ook was ze er lid van de Internationale Studentenclub van de British Council, waar ze een tweede prijs haalde in de debating club. ‘Londen heeft me echt veel gegeven; op de eerste dag dat ik daar was zag ik Queen Elizabeth II toen ze aankwam bij Buckingham Palace. Ook werkte ik in het academisch ziekenhuis, waar ik Ringo Starr ontmoette. Ik stal een sigaret van hem, van het merk Lark – leeuwerik.’ ‘Wereldwijd was 1974 een belangrijk jaar in vele levens. Dit jaartal duikt heel vaak op in biografieën als een bijzonder jaar. Zo ging Haille Selassie heen in 1974.’ Selassie was de keizer van Ethiopië en werd door de rastafari-beweging als de reïncarnatie van Jezus gezien. Op zondag 27 januari 1974 nam ook le Noble’s leven een kolossale wending, die ze haar belangrijkste spirituele ervaring noemt. ‘De Duitse Sonia gaf me LSD in Hanover Lodge te Londen. Deze ervaring was heel indringend, ik was drie seconden in Nirvana. De geest kwam in mij en ik zong in de straten van Londen. Daar ben ik ingewijd.’ Le Noble woont vanaf 1980 in deze regio, door het huwelijk met Gerardus Hendrikus Antonius le Noble – die ze ‘de liefste man van de hele wereld en omstreken’ noemt. Le Noble is sinds 1995 klankenzangeres in Nijmegen. ‘Vooral kinderen en honden reageren buitengewoon positief op mijn klanken. Niet elk geluid is muziek. Wat mij betreft moeten klanken vooral aangenaam zijn.’ Sinds het overlijden van haar man in 2000 leeft ze als semi-kluizenaar; buiten haar werk heeft ze geen contacten. Ze kiest voor een eenzaam bestaan omdat de grens tussen privéleven en openbaar leven volgens haar steeds vager wordt in deze tijd. ‘Een mens kan op twee manieren zijn grenzen verleggen, naar buiten of naar binnen. De binnenwereld is het meest interessant; ik kan niet gezellig over koetjes en kalfjes praten. De grote Chinese Taoïst Lao-Tse zegt: “Zij die spreken, weten niet. Zij die weten, spreken niet.”’

 

Eline Huisman

Uit de Oude Doos: Pardon lul, u staat op mijn hondje

Op dit moment biedt ANS-Online een podium voor de cartoons van Argibald, Molkenboer en Mannetje Pug. Maar ook in het verleden hebben vele cartoonisten hun werk aangeleverd bij ANS. In de jubileum-ANS keerde Mark Retera nog één keer terug met zijn strip Dirk-Jan, te bewonderen op de middenpagina. Echter, er zijn weinig cartoonisten zelf aan het woord geweest in de ANS.

In 1992 interviewde Patricia Veldhuis cartoonist Hein de Kort, bekend van onder andere het Parool, REVU en Libelle. De striptekenaar, die bekend staat om zijn grofgebekte grappen en rommelige tekenstijl, vertelt over zijn doorbraak met zijn albums ‘Pardon lul, u staat op mijn hondje’ en ‘Eikels’. En hoewel bij velen zijn strips op de lachspieren werken, is De Kort ook vaak punt van kritiek. Naar eigen zeggen denken mensen dat hij zwaar gefrustreerd is en daarom obscene cartoons maakt. Volgens de Kort komt het meer voort uit een losgeslagenheid en laat hij daarom zijn fantasie de vrije loop gaan.

Maar het interview is vooral de bevestiging van wat al naar voren kwam uit zijn strips: Hein de Kort is niet op zijn mondje gevallen.

Lees hieronder het interview met Hein de Kort uit de ANS van februari 1992.

'Pardon lul, u staat op mijn hondje'

Hein de Kort, man achter de rommelige tekeningen en absurde grappen. Door hem zelf ooit omschreven als 'Wurgende humor met een feministische touch'. Maar: 'Dat slaat nergens op, het staat alleen wel leuk...'

Tekst: Patricia Veldhuis

We hebben 's ochtends afgesproken op het centraal station van Amsterdam. Hein komt een half uur te laat aanhollen, met excuses en wallen onder z'n ogen: 'Ik had gisteravond een optreden met de Big Band waarin ik speel en dat liep een beetje uit de hand.' Hij zwaait nog even naar de rest van de bandleden, die hem lachend succes toeschreeuwen. Het interview kan beginnen.

De Hein de Kort successtory begint zo'n tien jaar geleden in de zomer van '81. Hein besluit om te stoppen met zijn werk als tekenleraar op een middelbare school. Hij wil iets anders gaan doen, iets dat hij echt leuk vindt. 'De twee jaar dat ik leraar was vond ik afschuwelijk, iedere week werd vergald. Les geven is gewoon niets voor mij, ik wil niet voor andere mensen nadenken. Tekenen doe ik al zolang ik me kan herinneren, niet alleen strips trouwens: op de lerarenopleiding schilderde ik vooral. Eigenlijk wilde ik het liefst kunstenaar worden, maar ook theater en muziek trokken me wel. Ik was echt zoekende in die tijd.' De zoektocht eindigde, in de bewuste zomer, met het besluit om striptekenaar te worden. 'Ik ben al zolang met strips bezig geweest en heb vaak gedacht: als al het andere niet lukt kan ik altijd nog strips gaan tekenen.' Hein gaf zichzelf een half jaar om iets op poten te zetten. Resultaat was een album getiteld: 'Dat kan iedereen nou wel willen maar ik moet het zelf ook leuk vinden.' Al na een paar jaar kwam de grote doorbraak. Albums als 'Pardon lul, u staat op mijn hondje' en 'Eikels' werden populair bij het grote publiek.

Geploeter

Op het moment tekent hij voor tien tijdschriften, waaronder Oor en Nieuwe Revu. Daarnaast doet hij veel reclamewerk. Hein heeft het druk. 'Ja, Hein de Kort is Big Business geworden,' zegt hij sarcastisch, 'ik heb er een complete weektaak aan.' De tijd die overblijft is vooral bestemd voor zijn twee kinderen, 'die zijn echt het allerbelangrijkst voor me', en zijn grote hobby: trompet spelen. 'Ik ben niet goed hoor, ik kan me net staande houden in de Big Band waarin ik speel, maar het moet niet slechter worden want dan vlieg ik eruit!' Wél goed is hij in striptekenen. Een idee voor een grap ontstaat bij hem al denkend. Hein: 'Vroeger bedacht ik alles tijdens mijn ochtendwandeling, dan liep ik met zo'n opnameapparaatje over straat en telkens als er iets boven kwam drijven, sprak ik het in. Tegenwoordig ga ik er echt voor zitten, en dan maar verzinnen. Soms moet ik een dag over een grap nadenken terwijl ie er op de andere dagen zo uitpoept.' Vandaag is blijkbaar een 'andere dag'; in amper vijf minuten tekent Hein, één hand onder z'n kin en met de ander nonchalant krassend, drie cartoons voor ons. Op mijn verbazing reageert hij lachend: 'Ik weet absoluut niet waar het vandaan komt, ik kan echt niet verklaren hoe het bij mij van binnen werkt. Ik heb wel het gevoel dat het bedenken van een grap vroeger gemakkelijker ging, terwijl ik tegenwoordig sneller teken. Waarschijnlijk heb ik er in de loop van de tijd meer handigheid in gekregen, maar echt gemakkelijk is het nooit; het blijft geploeter.' Leuk geploeter, want Hein kan nog steeds om z'n eigen grappen lachen; 'Ik hang meestal grinnikend boven de tekentafel en dat is ook mijn standaard, ik moet het zélf leuk vinden.' Behalve om zijn eigen grappen, lacht hij om die van zijn collega's Windig en de Jong en die van zijn andere collega en tevens vriend, Eric 'klepzeiker' Schreurs. 'Eigenlijk lees ik bijna gen strips, ik lees echte boeken, haha. Maar Eric vind ik nog steeds weergaloos, we werken ook veel samen, dan bedenk ik een scenario en Eric tekent het. Dat gaat er vrij serieus aan toe, we liggen echt niet met z'n tweeën te rollebollen.' Hein wil zijn eigen humor het liefst niet als cynisch maar als sarcastisch bestempelen. 'Cynisme heeft zo'n negatieve lading, alsof je niet meer gelooft dat het goedkomt...' Hein kijkt bedenkelijk, hij aarzelt, '...Ik geloof trouwens ook niet dat het goedkomt...maar toch...nee...ik vind mezelf meer sarcastisch.'

Zieke geest

Niet iedereen kan zijn humor waarderen. Zo kreeg hij een tijdje geleden kritiek op een strip over blinden: 'Wist meneer de Kort wel hoe verschrikkelijk het is om visueel gehandicapt te zijn?' Hein: 'Diezelfde week kreeg ik een brief van Handicap Magazine, of ik voor dat blaadje wilde tekenen. De discussie over wat wel en niet kan was daarmee voor mij gesloten; ik mag nu lekker de vreselijkste dingen doen met gehandicapten, haha. 'Ik vind niet dat ik te ver ga in mijn grappen, ik haal niemand persoonlijk onderuit, als mensen zich dan toch aangesproken voelen is dat hun probleem. Eén keer vond ik wel dat ik te ver ging. Ik had een strip gemaakt over een man die een zwangere vrouw neukt terwijl hij ondertussen 'zuig dan kindje, zuig dan' roept. Op dat moment was mijn vrouw in verwachting... Nadat ik die strip gemaakt had dacht ik; 'Jezus Christus, dit is niet leuk meer, dat ik dáár nu aan loop te denken...' Toch denk ik niet dat ik een zieke geest heb, ik doe zoiets niet echt. Iedereen heeft fantasieën en dat is ook het mooie ervan: je mág ze gewoon hebben.

Zwaar gefrustreerd

'Veel mensen denken dat ik zwaar gefrustreerd ben omdat ik dit soort strips maak, maar ik denk het meer een soort losgeslagenheid is, af en toe vermengd met kwaadheid. Een heleboel goede grappen heb ik namelijk uit pure kwaadheid gemaakt. Ik kan me vreselijk kwaad maken over kortzichtige mensen, mensen die het allemaal zo goed denken te weten, die de waarheid in pacht denken te hebben. Verder heb ik niet echt ergens een hekel aan, ik ben eigenlijk wel tevreden... hoe saai dat ook klinkt. Ik besef dat ik gewoon ontzettend veel mazzel heb gehad, dat het me gelukt is. Ik kan geen 'gewone' baantjes hebben, ik kan niet tegen die regelmaat, dan krijg ik het gevoel alsof ik uit elkaar knal. Dit werk is ideaal voor mij, ik kan m'n eigen tijd indelen. Ik moet tegenwoordig ook wel een bepaalde discipline opbrengen hoor en dat lukt me meestal niet, haha. Ik lever m'n tekeningen bijna altijd te laat in en ben er, om die reden, wel eens bij een blad uitgegooid. Maar desondanks blijf ik het leuk vinden, blijft het me boeien. En als het even kan wil ik er nog heel lang mee doorgaan.'

We nemen afscheid. De fotograaf wil nog een paar foto's van hem maken, voor het centraal station. Een paar toeristen blijven nieuwsgierig staan kijken. Hein voelt zich opgelaten en mompelt: 'Dat is nu het fijne van strips tekenen; ik ben zelf niet in beeld!'

 

Erik

Uit de Oude Doos: De goedheiligman en zijn voetstuk

Bij ANS wordt sinds een aantal jaar het beruchte SinterklANS gevierd. De nostalgische decembermaand willen we niet aan onze neus voorbij laten gaan en de kans om iemand eens lekker met de neus op de feiten te drukken middels een snerend gedicht wordt graag aangegrepen. In 2000 vond de ANS-redactie het tijd voor een goed gesprek met Sinterklaas. Wat bleek? Sinterklaas is naar eigen zeggen lui, wordt oud en blaast nogal hoog van de toren. Zo vindt hij zelf dat hij in staat is wonderen te verrichten en ziet hij zichzelf als wakend oog over zeelieden, dieven, toneelspelers en kinderen. Hij wijst ouders erop dat ze hem niet als 'opvoedmiddel met de roe' moeten inzetten, geeft toe dat Sinterklaasliedjes nergens op slaan en biecht op dat hij niet bezig is met moralisme.

Lees en huiver. Sinterklaas wordt voorgoed van zijn voetstuk gegooid in dit interview met Sinterklaas in de december-ANS van 2000.

'Van nature ben ik ontzettend lui'

Sinterklaas ziet zichzelf als een openbaar lichaam, althans tussen 18 november –de dag van de intocht- en 6 december. De rest van het jaar is de goedheilig man een Besloten Vennootschap. Favoriete activiteit: niets doen. Ook dit jaar zal de kindervriend vele hartjes verblijden, hoewel: ‘Een écht rotkind kan een schop krijgen.’

Tekst: Gijs Munnichs

sinterklaasDag Sinterklaas, hoe gaat het met U?
‘Goed, dank u wel. Het gaat eigenlijk altijd goed met mij. Ik ben nog steeds heel vitaal, hoewel mij hersenfuncties wel wat achteruit zijn gegaan.’

Wat heeft U de rest van het jaar gedaan?
‘Zo goed als niets. Dat kan ik me permitteren. Ik leef zonder vrouw en kinderen, en heb ook geen baan. Dat komt allemaal goed uit. Van nature ben ik namelijk ontzettend lui. ‘Als u precies wilt weten wat dat nietsdoen inhoudt, dan is het enige dat ik daarop kan zeggen dat ik zit, opsta, loop, weer ga zitten, adem en ach... Ik weet het ook allemaal niet zo goed. Ik word al oud en ik zei het al: mijn hersenfuncties.’

Bent U als Sinterklaas geboren?
‘Ik kan me niet herinneren dat ik iemand anders was, dan degene die ik ben. U wel? Wel heb ik een aantal wonderen moeten verrichten, die mij de status van beschermheilige hebben gegeven. Die hebben er voor gezorgd dat ik het wakend oog ben over de zeelieden, dieven, toneelspelers en natuurlijk de kinderen. ‘Zo heb ik drie zeelieden gered, die in een storm schipbreuk leden. Daarnaast werden drie kinderen, die door hun gemene vader in een pekelvat waren gestopt, door mij verlost. Ook gaf ik aan drie onschuldige meisjes een bruidsschat, zodat ze konden trouwen. Dat deed ik, om ze te behoeden voor de prostitutie.

Hoe zou U Uzelf nu omschrijven?
‘Ik zie mezelf als een openbaar lichaam, althans tussen 18 november –als de televisie mijn intocht uitzendt- en 6 december. De rest van het jaar ben ik dicht. Een Besloten Vennootschap, zeg maar. Met een hart dat vol verwachting klopt tot de Sinterklaastijd weer losbarst.’

U heeft er weer zin in?
‘Steeds meer zelfs. Dat komt doordat ik niet meer degene ben die de kinderen tot de orde roept. Halverwege de negentiende eeuw, kreeg ik vooral door onderwijzers en ouders die rol toebedeeld. Zijnde een handlanger van hen, de boze opvoeders. Ik was degene die stoute jongetjes meenam in de zak naar Spanje. Ik ben blij dat ik nu ben veranderd. ‘Ik beleef er nu veel meer plezier aan. Kinderen krijgen steeds meer door dat ik één van hen ben en aan hun kant sta. Als er een conflict is tussen een leraar en een kind, dan zal ik onvoorwaardelijk de kant van het kind kiezen. Tenzij het écht een rotkind is, want dat kan een schop krijgen.’

Heeft U een bepaalde boodschap die U de kinderen wil meegeven?
‘Ik doe erg veel boodschappen voor de kinderen, ja. Moge dat duidelijk wezen. Maar als je het in moreel opzicht bekijkt, nee. Ik houd me niet bezig met moralisme. Het enige dat ik wil zeggen, en dat is bedoeld voor onderwijzers en ouders, is dat ze me niet moeten gebruiken als chantagemiddel. Dat is de Sinterklaasmoraal. ‘Natuurlijk heeft het hele Sinterklaasfeest een moraliserend tintje. In de gedichten die ik aan de mensen schrijf, deel ik steken uit. Onder water, boven water. Daarmee uit ik op een leuke manier mijn wreven over de mensen. Je kunt dat zien als een zekere moraal. Het is echter niet boosaardig bedoeld en ik gebruik daarbij zo min mogelijk de wijzende vinger.’

Sinterklaas, U ziet er al eeuwen hetzelfde uit. Wordt het niet eens tijd voor een metamorfose?
‘Daartoe zijn wel eens pogingen ondernomen. Zo heb ik ooit een rood broekpak geprobeerd en ook een blauwe tabberd. Dat is echter jammerlijk mislukt. Ik ga lekker niet met de tijd mee. Wel pleeg ik, helaas pindakaas, soms stiekem een mobiel belletje. Alleen als niemand het ziet, hoor. ‘Zoals ik al opgemerkt heb, wil ik niet meer door de ouders ingezet worden als een opvoedmiddel met de roe. Om toch herkenbaar te blijven, dient juist mijn uiterlijk onveranderd te blijven. ‘Daarbij is mijn verschijning een constante in de hedendaagse modernisering. Ik vertegenwoordig nog steeds het boek en niet de laptop; nog altijd het paard, niet de auto. Ik ben lekker kneuterig, oubollig en gezellig. Juist omdat de maatschappij dat ouderwetse niet meer heeft, is het ieder jaar voor de mensen zo bijzonder dat ik langskom.’

Wat wordt er eigenlijk bedoeld met “Sinterklaas Kapoentje”?
‘In het liedje heeft het geen betekenis. Kapoentje rijmt op schoentje, meer niet. Net zoals regentonne rijmt op “bonne, bonne, bonne”. Volgens de oude heer Van Dale is een kapoen een gecastreerde haan. Mocht u daar in het zoeken naar de betekenis van “Sinterklaas kapoentje” enige gevolgtrekking uit halen, dan is dat geheel voor eigen rekening.’

Sinterklaas, wat vindt U van de Kerstman? Bent U niet bang dat hij Uw rol als kindervriend aan het overnemen is?
‘De Kerstman is een hele goede vriend van me. Na Kerstmis zoeken we elkaar altijd op om de zaken van het afgelopen jaar door te nemen. Dat is erg gezellig. Hoewel we allebei grote kindervrienden zijn, merken we dat er ook veel verschillen zijn. Hij is een Amerikaan en opereert wereldwijd. Ik ben een Spanjaard, die alleen in Nederland, België en Duitsland komt. We staan allebei symbool voor ons eigen feest. ‘De Kerstman en ik zullen altijd naast elkaar blijven bestaan. Dat er een strijd tussen ons zou zijn, is niet aan ons te wijten, maar aan de commercie. In Assen hebben ze zelfs borden in de etalageruiten geplaatst: “Verboden voor de Kerstman tot 6 december.” Nou, als ik zoiets zie, blijf ik ook weg.’

Bent U bang voor de dood?
‘Nee. De kinderen maken, via hun ouders of juf, kennis met mij en met het Sinterklaasfeest. Zij raken enthousiast en dragen dat over op de rest van het volk. Het zijn de peuters en de kleuters die hun geloof in mij betuigen. Zolang dat gebeurt, en dat zàl gebeuren, blijf ik leven. Ik besta. Ik ga niet dood.’

 

Eva-Marijn

25 jaar ANS: the teaser

Op de redactie wordt hard gewerkt aan een filmpje over de totstandkoming van de jubileum-ANS. Vandaag laten we alvast een paar van de legendarische beelden zien die in dit stukje ANS-geschiedenis voorkomen.

Hieronder, natuurlijk ten overvloede, een lijstje met de jubileumactiviteiten:

Nu: Tentoonstelling 25 jaar ANS, in samenwerking met Cultuur op de Campus, Gymnasion 15 maart, 19.30: Filmavond Frost/Nixon en presentatie jubileumfilm, CC2 18 maart, 22.00: Feest in de NDRGRND 24 maart, 20.00: Symposium 'Alles mag, als het maar nieuws is', in samenwerking met het Soeterbeeck Programma, CC2

 

Jozien