Ik word minister en neem mee...

Redactie

Met de invoering van het leenstelsel maakte demissionair minister Bussemaker van Onderwijs zich niet bepaald populair bij studenten. Om niet de nieuwe kop van Jet te worden kan haar opvolger wel wat tips gebruiken. ANS vroeg de VSNU, de LSVb en het ISO om raad voor vier succesvolle jaren ministerschap.

Tekst: Noor de Kort
Illustratie: Rens van Vliet

Dit artikel verscheen eerder in de zevende editie van ANS.

1. Investeer het basisbeursgeld enkel en alleen in het hoger onderwijs
Na invoering van het leenstelsel in 2015 besloot Jet Bussemaker, inmiddels demissionair minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dat het basisbeursgeld volledig moest worden geïnvesteerd in de kwaliteit van het onderwijs. De nieuwe minister moet erop toezien dat het geld inderdaad alleen hieraan wordt besteed, want er zijn veel kapers op de kust. De kans is aanwezig dat instellingen het geld in andere zaken steken dan onderwijs, zoals gebouwen of onderzoek. De nieuwe minister mag de belofte van Bussemaker echter niet breken. 

Volgens Jarmo Berkhout, voorzitter van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb), bestaat het gevaar dat een deel van het budget wordt gebruikt om het bedrijfsleven te stimuleren meer te investeren in het hoger onderwijs. ‘Dat vind ik heel slecht, want het geld moet gewoon worden ingezet voor verbetering van de onderwijskwaliteit.’

Jan Sinnige, voorzitter van het Interstedelijk Studenten Overleg ziet ook in dat toezicht op besteding van het geld van groot belang is. ‘Als je het geld op de rekening van de universiteit stort, weet je nog niet zeker dat het aan studenten ten goede komt, terwijl dat wel de belofte is.’ De verantwoordelijkheid van de nieuwe minister eindigt dus niet als het geld is overgemaakt aan de instellingen.

2. Voorkom overlap van taken
Voor een goed functioneren van de nieuwe minister van Onderwijs is een duidelijke taakverdeling tussen de minister en staatssecretaris van groot belang. Volgens Karl Dittrich, voorzitter van de Vereniging van Universiteiten (VSNU), zaten minister Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker elkaar bij sommige onderwerpen in de weg. Dit was vooral het geval bij wetenschap. ‘Wij hebben gemerkt dat het maken van afspraken daardoor niet altijd even soepel verliep’, legt hij uit. ‘Om iets voor elkaar te krijgen moest je langs verschillende bureaus en kamers, en waren er meerdere handtekeningen nodig.’ Dit moet de komende jaren dus anders. Baken goed af wie waar verantwoordelijk voor is.Openingsartikel groot vierkant

3. Hou het hoger onderwijs betaalbaar voor iedereen
Met de invoering van het leenstelsel zaagde demissionair minister Bussemaker aan de poten van de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Tegenwoordig is het volgen van een opleiding voor sommigen simpelweg te duur. De nieuwe minister moet ervoor waken dat het hoger onderwijs toegankelijk blijft voor iedereen die daarvoor de capaciteiten heeft.

Om hiervoor te zorgen, moet de stijging van het wettelijke collegegeld worden begrensd. Sinnige vertelt dat het bedrag voor een jaar studeren in zes jaar tijd steeg van 1713 euro naar 2006 euro komend collegejaar. Een eerste stap in de goede richting zou het bevriezen van het wettelijke collegegeld zijn. ‘Zodra je gaat studeren, moet worden vastgesteld welk bedrag je de komende vier jaar gaat betalen’, legt hij uit. Sinnige vervolgt dat studenten op dit moment in een onzekere situatie verkeren. ‘Je gaat voor drie of vier jaar een verbintenis aan met een universiteit of hogeschool en het collegegeld kan ondertussen alle kanten opgaan. Om deze reden stoppen met je studie is echter een rigoureuze beslissing. Als een krant te duur wordt, zeg je het abonnement op. Zo simpel ligt het niet met een studie.’

Een andere manier om het onderwijs voor meer mensen toegankelijk te maken, is het uitbreiden van de aanvullende beurs. Deze moet worden verhoogd en voor meer studenten beschikbaar zijn, vindt ook Berkhout. ‘Dat is een aanmoediging voor mensen om te gaan studeren.’

4. Wees terughoudend met het door voeren van nieuwe maatregelen
Om te zien of een maatregel echt werkt, is tijd nodig. Nu is er vaak geen ruimte voor universiteiten om fouten te maken en hiervan te leren. ‘Als er nu iets gebeurt wat niet bevalt, neemt de politiek meteen maatregelen’, vertelt Dittrich. Hierbij realiseren politici zich volgens hem onvoldoende dat een nieuwe afspraak niet per definitie een goede oplossing is. ‘Elke extra regel kan tot problemen bij de uitvoering ervan leiden. Deze kan daarnaast de lasten versterken in plaats van verminderen.’ Dittrich vervolgt dat de overheid er ook nog op wil toezien dat regels werken zoals ze zijn bedoeld, als ze eenmaal zijn doorgevoerd. ‘Dit circus aan toezicht is onnodig groot.’

In plaats van het opleggen van maatregelen zou de overheid meer in gesprek moeten gaan met universiteiten als er een probleem opspeelt. Dittrich legt uit dat nieuw beleid dan niet nodig is. ‘Kijk eerst of iets kan worden opgelost door met de betrokkenen te spreken: waarom is iets op een bepaalde wijze gegaan, wat hadden we anders kunnen doen, wat zijn de consequenties en op welke manier komen we met hetzelfde beleid tot een andere uitkomst?’ Dan voelen universiteiten zich met meer vertrouwen behandeld, blijft de overheid niet steken in administratieve rompslomp en kunnen instellingen echt vooruitgang boeken.