Ongenode gasten (2)

Elke student heeft tegenwoordig wel een laptop, tv en vaak ook nog een spelcomputer op zijn kamer staan: het is een waar walhalla voor inbrekers. Berichten over inbraken lijken steeds vaker voor te komen. Is er op dit moment sprake van een inbraakgolf? Waarom kunnen inbrekers zo gemakkelijk hun slag slaan en wat kun je daar als student aan doen?

Uit het eerste deel van de leadstory bleek dat er in 2011 1047 keer werd ingebroken in het district Nijmegen. Uit een steekproef van afgelopen zomer kwam naar voren dat een zesde van de inbraken in studentenhuizen gebeurt en in wijken waar de studentendichtheid groter is, loopt dat getal op naar een op de drie. Exacte cijfers zijn helaas niet voorhanden. Frank de Valk, politiewoordvoerder van Gelderland-Zuid, legt uit dat het monnikenwerk is om te registeren of een inbraak in een studentenhuis plaatsvindt of niet. ‘Het zou betekenen dat we een lijst moeten hebben van de gehele studentenhuisvesting en telkens wanneer wordt ingebroken, zouden we handmatig de postcode van het getroffen huis moeten invoeren. Wij hebben er geen belang bij om dergelijke cijfers bij te houden.’

De Valk waarschuwt dat vooral in deze tijd van het jaar en met name tijdens de avondschemering het aantal inbraken stijgt. Op donderdag, vrijdag en zaterdag ziet de politie pieken. ‘Dat zou ermee te maken kunnen hebben dat inbrekers na het stappen toeslaan. Ook zijn veel huizen onbewoond in het weekend.’ De politiewoordvoerder vertelt over de ‘modus operandi’, de werkwijze van criminelen: ‘We zien erg vaak dat er is geflipperd. De voordeur die niet op het nachtslot zit wordt dan geopend door het slot terug te drukken met een pasje. Ook worden ramen en deuren gewoon opengebroken, soms met grof geweld. Helaas helpen zelfs de meest geavanceerde sloten daar niet tegen.’

Uit onderzoek blijkt dat de gemiddelde inbreker maar drie minuten nodig heeft om zijn slag te slaan. De Valk wijst dan ook op het belang van inbraakpreventie. ‘Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat je huis bewoond lijkt. Ook al ben je maar drie minuten weg, doe dan toch je deur op het nachtslot en houd een lampje aan.’

Wil je meer tips ter preventie van inbraak? Kijk op http://www.politiekeurmerk.nl/consument/preventietips en lees later deze week wat Beveiligingstechniek IJzendoorn en de SSHN studenten aanraden.

 

Ongenode gasten (1)

Elke student heeft tegenwoordig wel een laptop, tv en vaak ook nog een spelcomputer op zijn kamer staan: het is een waar walhalla voor inbrekers. Berichten over inbraken lijken steeds vaker voor te komen. Is er op dit moment sprake van een inbraakgolf? Waarom kunnen inbrekers zo gemakkelijk hun slag slaan en wat kun je daar als student aan doen?

Masterstudent Politicologie Paul van der Plas kwam drie weken geleden thuis in een gigantische rotzooi. Een inbreker had een steen door de ruit van zijn studentenkamer gegooid, waarna het raam van buiten kon worden geopend en de dief zijn slag kon slaan. ‘De chaos in mijn kamer was ongeëvenaard. De inhoud van mijn kastjes lag verspreid over de grond, lades van mijn kledingkast waren aan gort getrokken en overal lag glas. Ik belde direct de politie en mijn huisbaas, die gelukkig al na een kwartier arriveerden’, vertelt Paul. Na navraag bij de buren bleek dat de inbrekers tijdens etenstijd zijn kamer waren binnengedrongen. Paul: ‘Het is echt bizar dat dit kan gebeuren. Kennelijk kan je hier gewoon inbreken rond spitsuur, terwijl er meerdere woningen op mijn kamer uitkijken en ik de mensen bij de bushalte kan zien staan.’ De SSHN-huisbaas timmerde zijn raam direct dicht en kwam de volgende dag terug om te inventariseren hoe de inbraakveiligheid verbeterd kon worden. Er zal een nieuw hang- en sluitwerksysteem op de ramen komen. Paul is tevreden met de maatregelen van de SSHN, maar baalt ook van de situatie: ‘Het kan nog wel even duren voor mijn raam weer is gemaakt. Daarnaast ben ik ook veel spullen kwijt. Zelf ben ik nu extra op mijn hoede. Als ik wegga doe ik standaard de gordijnen dicht en houd ik het licht ’s avonds aan, ook al ben ik er niet.’

Paul is een van de velen die de dupe is van inbraak. Uit cijfers van de Politie Gelderland-Zuid blijkt dat in 2011 in totaal - dus niet alleen in studentenhuizen - maar liefst 1047 inbraken zijn geregistreerd in het district Stad Nijmegen. Er is een behoorlijke stijging te zien ten opzicht van 2010; toen waren er ‘slechts’ 998 inbraken. Deze trend is landelijk, in diverse regio's neemt het aantal toe. Vorige week nog kwam een bericht naar buiten dat er in studentencomplexen in Wageningen sprake is van een heuse inbraakgolf. Cijfers van de exacte hoeveelheid inbraken in studentenhuizen in Nijmegen zijn er niet. Wel constateerde de politie afgelopen zomer door middel van een steekproef dat ongeveer een zesde van alle woninginbraken een studentenhuis betreft. In wijken waar de studentendichtheid groter is, loopt dat getal op tot een derde.

Benieuwd hoe inbrekers te werk gaan? Lees het in het volgende deel van de leadstory, waarin Frank de Valk, politiewoordvoerder van Gelderland-Zuid, vertelt op welke wijze de dieven je huis binnen kunnen dringen.

 

Topvrouwen in de wetenschappelijke wereld (3)

Hoewel er jaarlijks meer meisjes dan jongens afstuderen aan Nederlandse universiteiten, zijn vrouwen nog altijd ondervertegenwoordigd in wetenschappelijke functies. In de eerste delen van deze leadstory over topvrouwen in de wetenschappelijke wereld kon je lezen hoe de RU het doet ten opzichte van het landelijk gemiddelde als het gaat om vrouwen aan de top, en hoe onze universiteit haar beleid invult. Vandaag in het slotstuk van dit drieluik een reactie van Toine Lagro-Janssen, voorzitter van het Nijmeegse Netwerk van Vrouwelijke Hoogleraren, over de situatie aan de RU en het Netwerk.

In 2001 werd het Netwerk van Vrouwelijke Hoogleraren opgericht, bedoeld om 'ongelijke kansen voor doorstroming van vrouwen, dus genderongelijkheid, uit de weg te ruimen', aldus Lagro-Janssen. 'Dit gebeurt door onder meer besturen en decanaten bewust te maken van gender bias in toegang tot wetenschappelijke gremia en besturen.' Daarnaast wil het netwerk de mogelijkheden voor vrouwelijke wetenschappers aan de RU zichtbaar maken, onder meer door rolmodellen en het organiseren van symposia en congressen voor academia. Naast deze formele functies is het netwerk ook een plaats waar informatie en ervaringen van ongelijkheden op de werkvloer te delen en aan de kaak te stellen.

Lagro-Janssen is duidelijk over de problematiek van het geringe percentage vrouwen op wetenschappelijke posities. 'De Monitor van de Stichting de Beauvoir (2009) met betrekking tot de posities van vrouwen, laat een piramide zien. Van merendeel vrouwelijke studenten naar steeds minder vrouwen in topposities: via promovendi (42%), naar universitair docenten (31%) naar universitair hoofddocenten (UHD) (18%) naar hoogleraren (12%). In de Raden van Bestuur van universiteiten zijn vrouwen sterk ondervertegenwoordigd. Dat is jammer, omdat er veel vrouwelijk wetenschappelijk talent aanwezig blijkt te zijn als er naar gezocht wordt in bijvoorbeeld een Aspasia programma. Daarin wordt getalenteerde vrouwelijke universitaire docenten de mogelijkheid geboden om door te stromen naar UHD posities. Er werden heel veel excellente onderzoekers zichtbaar door deze procedure, meer dan beloond konden worden. Die vrouwen waren niet door decanen of hun collega's of Raad van Bestuur als potential aangemerkt. Vanuit een oogpunt van gelijke kansen en vanuit het oogpunt van benutting van menselijk kapitaal is dat onprofessioneel managent en ongeëmancipeerd beleid. Inhoudelijk is het ook jammer, omdat diversiteit in een organisatie en in een bestuur tot betere arbeidsverhoudingen en productie leidt.'

Over de situatie en het beleid aan de RU, stelt de voorzitter: 'De RU heeft de afgelopen twee jaar een inhaalslag gemaakt, mede te danken aan een verbetering van het schandelijk lage aantal medische vrouwelijke hoogleraren. Daar heeft het Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren van de RU steeds op gehamerd in gesprekken met en brieven aan het CvB. Met het ondertekenen van de Charter staat de doorstroom van vrouwen naar de top expliciet op de academische agenda, en het CvB heeft de aanbevelingen van onderzoekster Marieke van de Brink ten aanzien van benoemings- en adviescommissies aan het decanaat aanbevolen.' Het Netwerk wil naar aanleiding hiervan graag jaarlijks een openbare documentatie ontvangen van de samenstelling van alle sollicitatiecommissies, ten einde transparantie en monitoring te bevorderen. Het CvB heeft dat tot nu toe echter afgewezen. 'Wat nog veel beter moet en kan is een toename van vrouwen in besturen: als decanen, als directeuren van onderwijs en onderzoeksinstituten en in belangrijke wetenschappelijke colleges. Ook als keynote speakers op internationale podia, Nijmeegse festiviteiten en internationale congressen worden vrouwelijke hoogleraren te weinig gevraagd en zijn ze dus te weinig zichtbaar. Het streven is naar een evenwichtige samenstelling van commissies en van besturen: een gender bias moet worden vermeden door bij opvolging niet vanzelfsprekend te kiezen voor 'meer van hetzelfde', maar voor diversiteit. Er is landelijk een verbetering zichtbaar met het aantal vrouwen in hoge posities, maar het gaat erg langzaam en we zijn er nog lang niet.'

 

Eline Huisman

Topvrouwen in de wetenschappelijke wereld (2)

Afgelopen zaterdag verscheen deel een van dit drieluik over vrouwen in de wetenschappelijke wereld op ANS-online, waarin de feiten en cijfers over de man-vrouw verhoudingen in de wetenschap uiteen werden gezet. Nog altijd studeren jaarlijks meer meisjes dan jongens af aan Nederlandse universiteiten, terwijl vrouwen sterk ondervertegenwoordigd blijven in wetenschappelijke functies. In 2010 was het percentage vrouwelijke hoogleraren aan Nederlandse universiteiten nog gemiddeld 13,4 procent, tegenover 16,5 procent aan de Radboud Universiteit. Vandaag in deel twee van deze leadstory nemen we het beleid van de RU ten aanzien van de vrouwelijke vertegenwoordiging verder onder de loep.

Een belangrijk document in het beleid van de RU vormt de Charter Talent naar de top dat in 2009 door diverse universiteiten werd ondertekend. In de Charter is vastgelegd dat universiteiten eens in de drie of vijf jaar hun beleid moeten formuleren om de toestroom van vrouwen te vergroten, en deze jaarlijks evalueren. In het Strategisch Plan 2009-2013 worden de belangrijkste doelstellingen van de RU op dit gebied geformuleerd, voornamelijk gericht op het verhogen van het aantal vrouwelijke universitair hoofddocenten en hoogleraren. Het formuleren van streefcijfers is een van de onderdelen van de Charter, bij de RU zijn deze gesteld op 22 procent vrouwelijke hoogleraren en 28 procent vrouwelijke universitair hoofddocenten eind 2013.

Een van de speerpunten van de RU is de praktijk rondom benoemingsadviescommissies. Uit onderzoek van Marieke van den Brink blijkt dat de kans op het benoemen van vrouwelijke hoogleraren aanzienlijk toeneemt wanneer er minimaal één vrouw in de commissie plaatsneemt. Daarnaast vinden veel benoemingen nog achter gesloten deuren plaats waarbij netwerken en informele contacten een belangrijke rol spelen – iets waarbij vrouwen doorgaans minder kans maken, zo blijkt uit het onderzoek. Het opnemen van minimaal één vrouw in de commissie is tot streefpunt gemaakt bij alle faculteiten.

De RU kent hiernaast diverse stimuleringsmaatregelen voor vrouwen. Zo bestaat er de Frye-stipendia reisbeurs voor vrouwelijke promovendi die onderzoek willen doen over de grens en zijn er verschillende stimuleringspremies voor postdoc’s, docentes en onderzoeksters. Tevens is een activiteitenplan opgesteld in samenwerking met de faculteiten, waar een pilot mentoring & coaching een belangrijk aspect van is. In 2010 is begonnen met deze pilot voor talentvolle vrouwelijke wetenschappers, waarbij vrouwen een mentor (vaak een hoogleraar of directeur) krijgen aangewezen die hen begeleidt bij praktische zaken in hun wetenschappelijke carrière. In het najaar van 2011 werd de pilot afgerond, of het vervolg krijgt is nog onduidelijk.

Hoewel de RU diverse maatregelen heeft geformuleerd ter stimulering van het aantal vrouwen, zijn recente cijfers en evaluaties moeilijk vindbaar. Begin 2012 zullen tijdens de nieuwjaarspresentatie de nieuwste cijfers worden gepresenteerd. Wellicht zal er dan ook meer bekend worden over de praktijk van diverse beleidsvoornemens.

Sinds 2001 bestaat er het Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren op initiatief van alle vrouwelijke hoogleraren aan de RU, als platform voor deze groep en ter bevordering van de positie van vrouwen in de wetenschap. Over de praktijk en ervaringen van dit netwerk kun je morgen meer lezen in het slot van deze leadstory, waarin voorzitter Toine Lagro-Janssen aan het woord komt over topvrouwen in de wetenschappelijke wereld.

 

Eline Huisman

Topvrouwen in de wetenschappelijke wereld (1)

Of het nu komt door een glazen plafond, het beruchte old boys network of dat vrouwen simpelweg niet massaal naar de top willen, het percentage vrouwen in topfuncties is al jarenlang een problematisch gegeven. 1 januari 2012 gaat voor de top van het bedrijfsleven een vrouwenquotum gelden, waarbij uiterlijk in 2016 het aantal vrouwen minimaal 30 procent moet zijn. Ook in de wetenschap zijn vrouwen sterk ondervertegenwoordigd in hoge functies, terwijl jaarlijks meer meisjes dan jongens afstuderen aan Nederlandse universiteiten. Vandaag in het eerste deel van een drieluik over topvrouwen in de wetenschap een blik op de feiten: Hoe zit het precies met de man-vrouw verhoudingen in de wetenschappelijke wereld? En hoe doet de Radboud Universiteit het ten opzichte van andere Nederlandse universiteiten?

Sinds eind jaren negentig is het aantal vrouwen in het wetenschappelijk personeel (WP) gestaag toegenomen in Nederland. Was in 1998 dat percentage (in fte) nog 22,3 procent, in 2010 betrof dit 35,5 procent. Hoger op de wetenschappelijke ladder neemt het aantal vrouwen af. Met gemiddeld 13,4 procent kent Nederland een van de laagste percentages vrouwelijke hoogleraren binnen Europa - in 2009 lag het Europees gemiddelde op 19 procent. In 2000 werd in het Lissabonakkoord vastgelegd dat in 2010 het percentage vrouwelijke hoogleraren in alle EU-landen minstens 25 procent moet zijn, terwijl het Nederlandse ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een streefpercentage van 15 procent formuleerde - een cijfer dat anno 2011 nog niet gehaald is. Ook het aantal vrouwelijke universitaire docenten (32,9%) en hoofddocenten (20,4%) is relatief gering, terwijl onder de promovendi nog 44.3% vrouw is. De verschillen tussen wetenschapsgebieden zijn overigens groot: in het gebied Taal & Cultuur (18,4 in 2008) is het percentage vrouwen veel hoger dan bij Natuur, Techniek en Economie (respectievelijk 7,7, 4,8 en 6,8 in 2008).

De Radboud Universiteit doet het ten opzichte van het landelijk gemiddelde redelijk, met 16,5 procent vrouwelijke hoogleraren. De universiteit is een van de ondertekenaren van de Charter Talent naar de top uit 2009, waarbij universiteiten beleid om de toestroom van vrouwen te vergroten vastleggen en jaarlijks evalueren. De Nijmeegse onderzoeker Marieke van den Brink stelt echter dat de instellingen doorgaans een expliciet beleid hebben, maar dat dit niet altijd bekend is en er vaak niet naar wordt gehandeld. Hoe de RU haar beleid precies heeft geformuleerd voor de Charter en hoe het CvB denkt over deze kwestie, lees je maandag in het tweede deel van deze leadstory.

 

Eline Huisman

Gaat de gesubsidieerde baan eraan? (2)

De gemeente Nijmegen gaat stoppen met gesubsidieerde banen. Op de campus werken elf mensen via zo'n constructie. Wat betekent het voor hen en de RU?

Op 10 november 2010 zag de gemeente Nijmegen zich genoodzaakt te stoppen met gesubsidieerde arbeidsplaatsen. Jan ter Laak, documentalist bij het CICAM, is een van de medewerkers die waarschijnlijk slachtoffer gaat worden van deze bezuinigingsmaatregel. Hij vindt dat de universiteit een bepaalde verantwoordelijkheid heeft om deze medewerkers uit de brand te helpen. De RU lijkt vooralsnog niet van plan in de bres te springen voor de medewerkers die hun baan dreigen te verliezen. Inmiddels heeft het College van Bestuur (CvB) aangekondigd dat ook de fietsenmaker onder het Erasmusgebouw zal verdwijnen.

De geruchten dat de fietsenkelder gaat sluiten doen al enige tijd de ronde. In een brief aan de Gezamenlijke Vergadering (GV) laat het CvB weten dat de fietsenmaker per 1 januari 2012 zal verdwijnen. De drie werknemers die in de kelder onder De Refter menig student redden door een band te plakken of een ketting als nieuw te laten lopen zijn via het UMC st. Radboud in dienst. Daar vallen ze onder de Instroom-Doorstroom-banen die via gemeentelijke subsidies worden gefinancierd. Het UMC wil de kosten voor het verdwijnen van de subsidie doorbelasten aan de RU. Het zou gaan om 90 duizend euro per jaar.

De ongemakjes voor studenten door het vertrek van de fietsenmaker zullen voorlopig worden opgevangen door Bike Totaal, momenteel gevestigd aan de Kapittelweg. Per 12 december zal de firma een vestiging aan het Geert Grooteplein openen. Het CvB zegt gesprekken te voeren met de nieuwe fietsenmaker om te kijken of er volgend jaar ook een afdeling onder het Erasmusgebouw kan worden geopend.

Henk de Jager, voorzitter van de Ondernemingsraad (OR), laat in reactie op de brief weten dat de OR en de Universitaire Studentenraad (USR) niet blij zijn met het besluit van het CvB. Zij vinden dat het CvB verantwoordelijkheid moet dragen voor de verdwijnende gesubsidieerde banen. Het onderwerp staat op de agenda voor de komende GV, die op maandag 31 oktober wordt gehouden. De OR en USR willen van het college weten hoe het precieze kostenplaatje in elkaar zit en hoe het staat met de mogelijke oplossingen voor de overige gesubsidieerde banen aan de RU.

De fietsenmakers zelf willen liever niet reageren.

 

Fich

Gaat de gesubsidieerde baan eraan? (1)

De gemeente Nijmegen gaat stoppen met gesubsidieerde banen. Op de campus werken elf mensen via zo'n constructie. Wat betekent het voor hen en de RU?

Tekst: Rik van Hulst en Kiki Kolman

De massale bezuinigingen van de centrale overheid treffen ook de gemeente Nijmegen. De korting op het re-integratiebeleid is dankzij het huidige kabinet gestegen naar 75 procent. Hierdoor zag de gemeente Nijmegen zich gedwongen op 10 november 2010 te besluiten tot afschaffing van 600 gesubsidieerde arbeidsplaatsen. Elf hiervan hebben betrekking op RU-medewerkers. Zij verkeren nu in grote onzekerheid over het behoud van hun baan. Tot op heden zegt de universiteit niets aan het probleem te kunnen doen. Zij vindt dat deze verantwoordelijkheid niet bij de instelling ligt maar bij de gemeente, aldus Anton Franken, vicevoorzitter van het College van Bestuur. Is dit werkelijk zo? Of zou de RU hier wel degelijk in moeten grijpen?

Een van de benadeelden, documentalist bij het CICAM Jan ter Laak, vindt van wel. ‘Inmiddels werk ik hier 26 jaar en ik vind wel dat de RU een bepaalde verantwoordelijkheid heeft.’ Sinds hij te horen kreeg dat zijn baan op het spel staat, probeert Ter Laak er alles aan te doen om een oplossing te vinden. Inmiddels is de situatie van de slachtoffers zowel op universitair als facultair niveau aangekaart door de ondernemingsraad. Een collectieve oplossing zal niet waarschijnlijk zijn, aangezien het budget van re-integratiebeleid van de universiteit hier niet toereikend voor is. De individuele zaak van de documentalist zou eventueel ook op facultair niveau gered kunnen worden, wanneer hij daar op de loonlijst wordt gezet.

Hoewel Ter Laak hoopt op een oplossing, heeft hij wel al nagedacht over het doemscenario. ‘Ik ben 55, als ik volgend jaar per 1 juli ontslagen word ben ik 56. Het gaat vooral om oudere werknemers. Zij hebben momenteel weinig kans op een nieuwe baan. Straks zitten ze allemaal in de bijstand. Ik heb daar helemaal nog geen zin in.’

Kijk binnenkort op ANS-Online voor een volgend deel over de slachtoffers van de gemeentelijke bezuiniging

 

Rik