Studiefinanciering: van Koning Willem I tot minister Bussemaker

Max Bosschaart

Sinds een maand heeft het leenstelsel de studiefinanciering vervangen. Het is de zoveelste verandering in Onderwijsland. In tweehonderd jaar tijd is er heel wat gesleuteld aan de subsidiëring voor studenten. Tijd om het leenstelsel in historisch perspectief te plaatsen. Hoe werden jongelui in het verleden gesubsidieerd om te gaan studeren en hoe verhoudt dit zich met het huidige systeem? 

William I of the NetherlandsStuderen voor de upper class
Het moment waarop we voor het eerst kunnen spreken van ‘studiefinanciering’ is het jaar 1815. Koning Willem I kwam in dat jaar met een tegemoetkoming voor minderbedeelde studenten, omdat hij een grote behoefte had aan ambtenaren die hem steunde. De eerste studiebeurs gaf studenten uit arbeiders- en middenklasse het recht op een bijdrage in de studiekosten. Het ging hier gemiddeld om een derde van de studiekosten die werden vergoed door de overheid. Uiteindelijk had deze tegemoetkoming maar een beperkt effect op het toegankelijker maken van het onderwijs. Dit kwam vooral doordat de studenten voor deze tegemoetkoming aangedragen moesten worden door de universiteit. Je moest dus wel echt iets kunnen, wilde je door de selectie komen.

Een leenstelsel
Studeren bleef tot het midden van de 20e eeuw vooral een elitaire aangelegenheid. Dit werd nog eens benadrukt doordat in 1924 de bestaande beurs werd veranderd in een lening. In 1924 ziet het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck II zich genoodzaakt om een leenstelsel in te voeren, door de aanhoudende economische malaise. Vasthouden aan de bestaande beurs zou het onderwijsbudget en daarmee de onderwijskwaliteit uithollen. Ook toen bestond er – zoals nu – de angst dat met de invoering van het leenstelsel het aantal studenten zou afnemen. Daarom besloot de overheid de beurs voor ‘maatschappelijk nuttige functies’ te laten bestaan. In deze sterk verzuilde samenleving profiteerde vooral theologische studies hiervan.

waalbrugOpenstelling van onderwijs
Na de Tweede Wereldoorlog kwam een einde aan deze uitsluiting, doordat de overheid behoefte had aan een leger van hoogopgeleide technici om het land weer op te bouwen. In 1956 werd toen een studietoelage ingevoerd, die het voor kinderen uit de arbeiders- en middenklasse mogelijk maakte om te gaan studeren. Deze vorm van ‘studiefinanciering’ was geregeld via een opslag (extra bijdrage) op de kinderbijslag, die per gezinssituatie kon verschillen. Toch was studeren nog steeds alleen voor de elite weggelegd. Op kamers wonen kwam relatief weinig voor, omdat op kamers gaan vaak te duur was. Veel studenten bleven dus in eerste instantie thuis wonen of gingen tijdelijk bij een hospita inwonen.

De jaren '60 en '70
De studietoelage was zeker geen vetpot, maar stelde studenten wel in staat om het grootste deel van de studiekosten te dekken. Dit hing samen met de toenemende welvaart die jongeren de mogelijkheid gaf zich onafhankelijker van hun ouders op te stellen. In de jaren '60 zien we dan ook het aantal studenten dat op kamers gaat met sprongen toenemen. In de loop van de jaren '70 wordt de positie van de student alleen maar sterker. Studenten krijgen steeds meer inspraak op de besluitvorming van het hoger onderwijs. Deze generatie studenten vormde onderdeel van een bredere protestbeweging die meer democratie eiste en zich antiautoritair opstelde tegenover de overheid en hun ouders. De komst van de basisbeurs in 1986 maakte een einde aan de afhankelijkheid van studenten aan hun ouders.

De basisbeurs
Vanaf 1986 kreeg iedere 18-jarige student 600 gulden per maand. Een belangrijk gevolg van deze wijziging was dat er een einde kwam aan de inkomensafhankelijkheid, die vanaf 1956 bestond. De nieuwe basisbeurs werd daardoor niet langer meer gekoppeld aan het inkomen van de ouders. Alle studenten kregen vanaf dat moment evenveel geld van de overheid. Studentenbonden protesteerden massaal tegen de plannen van de toenmalige onderwijsminister Wim Deetman, omdat het nieuw stelsel studenten met rijke ouders extra geld opleverde en studenten uit armere gezinnen in de kou liet staan. Jongeren uit de arbeiders- en middenklasse moesten namelijk geld lenen bovenop hun basisbeurs om uit te komen. Daartegenover stond wel dat studenten onafhankelijker werden van hun ouders, doordat de beurs niet langer meer overgemaakt werd naar pa en ma. Een positieve noot die in die tijd werd overstemd door de protesten tegen het beleid van Deetman. Een wijziging was echter onvermijdelijk met het oog op het grote aantal langstudeerders dat maar bleef toenemen.

Deetman

Tempobeurs
De volgende wijziging van de basisbeurs kwam in 1993, met de zogenaamde tempobeurs. In dat jaar werd besloten om de studiefinanciering te koppelen aan de studievoortgang en werden de aanvullende beurs en het studentenreisproduct ingevoerd. Door de studiefinanciering te koppelen aan de studievoortgang hoopte de toenmalige minister van Onderwijs Jo Ritzen het aantal spookstudenten – studenten die langer deden over hun studie – terug te brengen. De afspraak was dat studenten een minimaal aantal studiepunten per jaar moesten halen. Als een student zich hier aan hield dan zou de beurs – na het behalen van het diploma – omgezet worden in een gift. Wanneer dit niet het geval was dan zou de beurs omgezet worden in een lening die terugbetaald moest worden na je studie. Al gauw bleek echter dat de maatregelen nauwelijks werkten. Het aantal studiepunten dat behaald moest worden – 25 procent van de studielast – was veel te laag, waardoor veel studenten alsnog lang over hun studie deden en bleven rondspoken.

Jet Bussemaker 2012Prestatiebeurs
In 1996 werd besloten over te gaan op de prestatiebeurs, omdat er nog steeds te veel langstudeerders zouden zijn. Deze beurs kende eenzelfde karakter als de tempobeurs, maar was strenger. Als er voldoende werd gepresteerd, dan werd de studiefinanciering (bestaande uit basisbeurs, eventueel aanvullende beurs en een studentenreisproduct) omgezet in een gift. Kort gezegd betekende het dat de studenten met de prestatiebeurs binnen 10 jaar een diploma moesten halen. Wanneer dit niet het geval was dan werden de basisbeurs, voor sommige de aanvullende beurs en het studentenreisproduct omgezet in een lening. De studiefinanciering bestond dus uit drie onderdelen waarvan de basisbeurs en het studentenreisproduct voor iedereen toegankelijk waren. De aanvullende beurs was dit niet. Deze was alleen bedoeld om studenten uit armere gezinnen tegemoet te komen in de studiekosten.

Einde aan de basisbeurs
Dat er nu dankzij het onderwijsbeleid van Jet Bussemaker een einde komt aan de basisbeurs is voor veel studenten een bittere pil. De huidige studenten van 2015-2016 krijgen voor het eerst te maken met het leenstelsel. Een systeem waarin studenten geld van de overheid moeten lenen om studiefinanciering te krijgen. Voor velen is dit een reden om nog eens goed na te denken over de studiekeuze. Maar misschien belangrijker: studeren wordt veel duurder en ontoegankelijker voor toekomstige studenten. Hiermee zijn we eigenlijk weer terug bij af. Waar we in 1956 bredere lagen van de samenleving wilde betrekken bij de maatschappij, zijn we nu bezig om het voor veel mensen moeilijker te maken om te gaan studeren.