Uit de Oude Doos: het verachte werkcollege

Iedere twee weken rakelt ANS herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Deze week in de nostalgische rubriek: hoorcollege vs. werkcollege.

Het lijkt een discussie die vandaag de dag nog wordt gevoerd: is het werkcollege nuttig of kun je studenten beter hoorcolleges aanbieden? In de intro-ANS van dit jaar verscheen er nog een artikel over. Daarin wordt geconcludeerd dat het hoorcollege zeker nog toekomst heeft, mits de docent de aandacht van de studenten erbij kan houden. We zijn het tegenwoordig in elk geval eens over het nut van het werkcollege. Die zijn immers goed voor de interactie tussen student en docent.

In 1998 staat het werkcollege nog midden in de discussie. In een rede tijdens de opening van het academisch jaar wordt de ontwikkeling dat er meer werkcolleges komen, besproken. Studenten vinden dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor hun studiegedrag. 'Waarom kunnen studenten niet een week voor het tentamen pas gaan leren?' Dat kan volgens hen best. Docenten benadrukken dat werkcolleges heel handig kunnen zijn, maar dat het vooral de combinatie is die een studie geslaagd maakt. Kortom, verschoolsing gaat al jaren mee.

Lees hier het artikel uit de oktober-ANS van 1998:

Horen of werken

Het onderwijsaanbod op de universiteit verandert. De traditionele hoorcolleges worden steeds vaker aangevuld met of vervangen door werkgroepen. Professor Schuyten en studente Sylvia Broekhuizen hielden tijdens de opening van het academisch jaar een rede over deze ontwikkeling. Is de toename van het aantal werkgroepen op de universiteit wenselijk? Tekst: Loulou Edelman Cartoon: Pierre van der steen

Sylvia Broekhuizen, studente bestuurs-en organisatiewetenschap en fractielid PSF: ‘Ik moet er niet aan denken dat er alleen maar probleemgestuurd onderwijs (PGO) zou bestaan. Ik zou er absoluut tevreden mee zijn als er alleen hoorcolleges gegeven werden. ‘Wat mij tegenstaat bij PGO is dat het hier op de universiteit een heel verplichtend karakter heeft. Het kan heel frustrerend werken dat je zoveel móet. Op de universiteit moet je zelfstandig leren denken en niet continu beïnvloed worden. Ik denk dat je als student zelf je verantwoordelijkheden moet kennen en ook moet leren kennen. Dan ga je maar een keer op je plaat. ‘We hebben de middelbare-schooltijd achter ons gelaten. Waarom kunnen studenten niet een week voor het tentamen pas gaan leren? Dat kan best. ‘Bovendien wordt je geen vrije keuze gelaten tussen PGO en hoorcolleges. Er wordt gewoon bepaald: dit is een PGO-blok en dit is een blok met hoorcolleges. Ik vind dat de keuze aan de student zou moeten zijn in plaats van aan de docent.’

Sonja Terluin, studente en ex-studentlid opleidingscommissie Algemene Taalwetenschap: ‘Studenten leren meer van werkcolleges dan van hoorcolleges. Bij hoorcolleges gaan veel studenten gewoon stampen voor het tentamen, zodat ze een groot deel later weer zijn vergeten. Bij een werkcollege kun je je meer in een onderwerp verdiepen. Je bent er dan intensiever mee bezig. Bovendien gaat het niet alleen om kennis, maar ook om vaardigheden en die blijven, denk ik, meer hangen dan kennis. ‘Ik ben een voorstander van veel variatie in werkvormen. Niet opeens alle hoorcolleges afschaffen, maar kijken welke vorm het meest geschikt is voor welk vak, zodat je een evenwichtige verdeling krijgt over het hele curriculum. Er moet een evenwicht zijn tussen kennis, inzicht en vaardigheden. Die combinatie vind ik heel belangrijk.’

Prof. Dr. P.G.J.M. Raedts, docent Middeleeuwse Geschiedenis: ‘Ik moet eerlijk zeggen dat ik van mijn eigen studie aan de hoorcolleges de beste herinneringen heb. Maar ik had heel erg veel geluk, wij hadden geweldige docenten. Bij het hoorcollege ben je erg afhankelijk van de docent. Als die goed hoorcollege kan geven, kan het bijzonder stimulerend zijn. ‘Voor het hoorcollege is het heel belangrijk dat je goed kunt voordragen. Er zijn mensen die buitengewoon goed zijn in voordrachten houden en er zijn mensen die zeer geleerd zijn, maar niet zo goed voordrachten kunnen geven. Maar dat zegt nog niets over de onderwijskwaliteiten. Sommige van die echte hoorcollegedocenten horen zichzelf zo graag praten dat je als studenten niet aan het woord komt in een werkcollege. ‘Bepaalde vakken moet je in de vorm van een werkcollege geven. Kennis van oud schrift bijvoorbeeld bijvoorbeeld bij historici. Het heeft weinig zin als ik hoorcollege ga geven over hoe je oud schrift moet lezen, dat moet je met elkaar oefenen. Maar bijvoorbeeld een mooi college over de Middeleeuwen of over het ontstaan van de Nederlandse staat, dat kan toch wel heel stimulerend zijn.’

Peter van de Wijngaard, universiteitscontactpersoon Landelijke Studentenvakbond (LSVb): ‘Studenten zouden zelf moeten kunnen kiezen in wat voor vorm zij de studiestof het liefste tot zich nemen. Die voorkeur verschilt namelijk per student. ‘Waar de LSVb vooral een groot voorstander van is, is dat er een grote diversiteit aan onderwijsvormen wordt aangeboden en daaronder vallen ook hoorcolleges. Daarmee bedoel ik uiteraard niet de heel massale hoorcolleges om geld uit te sparen, want dat kan niet de bedoeling zijn van een onderwijsvorm. Die massale colleges hebben vaak tot doel om grote groepen heel snel iets bij te brengen, maar ik denk niet dat dat werkt. ‘Hoorcolleges kunnen uiteraard nog wel een functie hebben binnen het onderwijs. Maar werkgroepen zijn in principe beter.’

Dr. A.F.M. Verhoeven, docent Onderwijskunde: ‘Het onderwijs is doorgeschoten in de richting van de werkcolleges. We moeten zorgen dat de collegezaal een wezenlijke functie houdt. Hoorcollege in de zin van niet-interactief grote-groepscollege waar op een ouderwetse manier tegen studenten wordt gepraat zonder audiovisuele middelen, daar is iedereen natuurlijk tegen. ‘Bij Onderwijskunde hebben we nu software aangekocht waardoor het mogelijk is om met elkaar en met de docent te communiceren op afstand, via e-mail en intrawerkruimtes. Het zijn werkgroepen vanuit computerzalen. Ik ben er voor om dat heel voorzichtig te ontwikkelen. Deze ontwikkelingen mag je door te zeggen ‘niet zoveel werkcolleges’ niet zomaar wegstrepen.’

Marco Konings, student politicologie en voorzitter faculteitsvereniging Beleidswetenschappen Phoenix: ‘Ik denk dat een hoorcollege leerzamer is dan een werkcollege. Op de universiteit moet een zekere mate van zelfstandigheid aangeleerd worden. In het systeem van werkcolleges worden studenten steeds meer bij de hand genomen door docenten en studiebegeleiders en als het ware door vier jaar studie heen geloodst. Er wordt te weinig overgelaten aan het eigen initiatief van de student. ‘Wat je wel leert van werkcolleges is samenwerken met anderen, vergadertechnieken en andere dingen die later van pas kunnen komen in je werkterrein. Maar ik denk dat je dat niet van een docent uit een boekje kunt leren. Je hebt er mee aan als het uit jezelf komt, zoals bij mijn voorzitterschap.’

Dr. E.V. Schalwijk, algemeen directeur Universitair instituut voor de Lerarenopleiding: ‘Waar ik niet goed tegen kan in de discussie, is dat het heel vaak een of-of-verhaal is: of hoorcolleges, of werkcolleges. Ik denk dat juist de combinatie ontzettend belangrijk is. ‘Op de universiteit moet meer geïnvesteerd worden in individuele begeleiding, maar dat is niet hetzelfde als het afschaffen van de hoorcolleges. Er zijn bepaalde onderwerpen die zich heel goed lenen voor een verhaal. Laat de docent dan alsjeblieft dat verhaal vertellen. ‘Je moet bepalen wat effectief is voor de student. Als je in een grote groep iets uitlegt en er komen vragen van mensen die dingen niet goed hebben begrepen, heeft dat meteen effect op de rest van de groep. Het is heel belangrijk dat studenten van elkaar leren, maar dat moet niet het enige zijn. Er moet ook individueel werk zijn. ‘Nu is er bijvoorbeeld bij de Rechtenfaculteit en bij Sociale Wetenschappen een tutorsysteem. Dat is eigenlijk ook al een combinatie van hoorcolleges met individuele begeleiding, waar ze ook vaardigheden oefenen. Dat vind ik heel zinvol.’

 

Cecile Vermaas

Uit de Oude Doos: Het homohuwelijk

Iedere twee weken rakelt ANS herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Deze week in de nostalgische rubriek: Het homohuwelijk.

In het nieuws wemelt het van de berichten over homo-haat in verre landen. Nederland profileert zich graag als tolerant land ten opzichte van allerlei bevolkingsgroepen, zo ook de gay-scene. Ons kikkerlandje wordt vaak genoemd als een van de voorlopers van de homo-emancipatie. Sinds 1 januari 1998 kunnen homostellen zich namelijk al bij de burgerlijke stand als partners laten registreren. In de december editie van 1997 verscheen in ANS een artikel waarin meningen werden gevraagd over dit onderwerp. 'Is het mogelijk en wenselijk om het huwelijk open te stellen voor homoseksuele koppels?' Met andere woorden, waren wij Nederlanders wel werkelijk zo tolerant ten tijde van de invoering van het homohuwelijk?

Hoogleraar burgelijk recht S.C.J.J. Kortmann was voorzitter van de gelijknamige commissie-Kortmann die in opdracht van de minister de mogelijkheid en wenselijkheid van het homohuwelijk bestudeerde. Kortmann? Ja, die Kortmann is nu rector magnificus aan de Radboud Universiteit. Hij deed in de december ANS van 1997 opvallende uitspraken over het homohuwelijk.

Lees hier het artikel uit de december-ANS van 1997:

M.J.A. van Mourik, hoogleraar Notarieel Recht: Afschaffing van het huwelijk is niet nodig om gelijke rechten te kunnen toekennen aan homostellen. Het advies van de commissie Kortmann om het huwelijk open te stellen voor homoseksueel geaarde koppels is echter een stap op weg naar die afschaffing. Een huwelijk is in zijn wezen immers een instituut voor man/vrouwrelaties. Een homorelatie is een wezenlijk andere dan de man/vrouwrelatie, aangezien deze niet gericht kan zijn op de verzorging en opvoeding van biologisch gemeenschappelijke kinderen. Dat verschil maakt het wenselijk het huwelijk met het bijbehorende afstammingsrecht te reserveren voor de heterobetrekking. Natuurlijk kunnen kinderen keurig worden verzorgd en opgevoed door twee personen van hetzelfde geslacht. Ideaal is het niet, maar soms is het onvermijdelijk. Het recht sluit bij deze sociale realiteit aan. De sociale ouders kunnen tezamen het gezag krijgen over het kind, met alle rechten en plichten van dien. Waarom dan aandringen op een adoptieregeling die een kind twee vaders of twee moeders bezorgt? Daarmee is geen enkel kind gediend. Een kind stamt nu eenmaal niet af van twee mannen of twee vrouwen. Buiten de relatie is er ten minste een derde in het spel waarvan het kind biologisch wel afstamt. Het belang van het kind wordt geschaad door het bewust een vader of een moeder te onthouden. Verder doet de creatie van een sekse-neutraal huwelijk de vraag rijzen waarom het huwelijk slechts voor twee personen toegankelijk zou zijn, en waarom het huwelijk ouder-kind niet tot de mogelijkheden zou behoren?

S.C.J.J. Kortmann, hoogleraar burgerlijk recht: Mijn persoonlijke standpunt, en dat is een minderheidsstandpunt binnen de commissie, is dat er een onderscheid moet blijven tussen geregistreerd partnerschap voor homoparen en het huwelijk voor heteroparen. Het geeft namelijk verwarring als je twee zaken die niet in alle opzichten dezelfde gevolgen hebben wel dezelfde naam geeft. Ik stel dus niet dat die relaties niet gelijkwaardig zijn, maar wel dat ze verschillend zijn. Al is het maar omdat je in de ene relatie wel kinderen kunt krijgen en in de andere niet. Daarnaast zal het homohuwelijk internationaal niet erkend worden. Het geregistreerd partnerschap is in een aantal buurlanden reeds ingevoerd en invoering in Nederland zal dus internationaal op aanzienlijk minder bezwaren stuiten. Het belangrijkste argument van de meerderheid in de commissie, die het huwelijk wil openstellen voor mensen van hetzelfde geslacht, was dat homo's zich nog steeds gediscrimineerd voelen. Ik denk ook dat het niet valt te ontkennen dat homo's in het verleden zijn gediscrimineerd. Door niet alleen dezelfde rechtsgevolgen aan homo's te geven maar ook dezelfde naam, wordt die discriminatie volledig weggenomen. De symbolische waarde van de stap van openstelling weegt voor hen zwaar. Het idee dat openstelling van het huwelijk allerlei andere gevolgen zou hebben dan het geregistreerd partnerschap, dat per 1 januari mogelijk is, berust op een misverstand. Beide hebben dezelfde gevolgen, afgezien van de positie van de kinderen. Een punt dat voor de commissie heel zwaar heeft gewogen, is de bescherming van het kind. Het is zeer wenselijk dat homostellen samen een kind kunnen verzorgen en dat het kind ook (juridisch) beschermd wordt. De vraag is alleen of je positie van de kinderen via de regeling van het huwelijk moet beschermen. Het familierecht gaat er vanuit dat een kind dat geboren wordt binnen het huwelijk, ook vermoed wordt het biologische kind van die ouders te zijn. Als een kind dat binnen een homorelatie geboren of opgenomen wordt, automatisch in familierechtelijke betrekking tot de partners zou komen te staan, net zoals bij gehuwden, dan zou dat betekenen dat dat kind geen relatie zou hebben ten opzichte van de biologische ouder. Terwijl je juist in die situatie met zekerheid weet dat er een biologische ouder is buiten die verhouding. De commissie vindt unaniem dat je die relatie met een derde niet mag negeren. Een kind heeft het recht te weten wie zijn vader is. In bepaalde omstandigheden kan het nodig zijn dat degene die het kind verwekt heeft dat kind onderhoudt. Er treed per 1 januari een nieuwe wet in werking die het zogenaamde gezamenlijke gezag regelt. Dat wil zeggen dat twee mensen die niet getrouwd zijn gezamenlijk het kind kunnen vertegenwoordigen, dat ze het vermogen van het kind gezamenlijk kunnen beheren en dat het kind recht op onderhoud heeft jegens beide. De nieuwe wetgeving regelt wel degelijk de bescherming van het kind dat opgroeit in een homofiele relatie, maar doet dat niet via de weg van de afstamming. Op die manier omzeil je de knelpunten die het homohuwelijk wél met zich meebrengt.

R.C. Hoogland, contactpersoon Lesbische en Homo-studies: Ik vind de hele discussie zoals die op dit moment in de media door een stelletje columnisten gevoerd wordt gewoon erbarmelijk. Mijn eerste bezwaar is dat lesbiennes in deze discussie compleet worden gepasseerd. Het woord 'homohuwelijk' geeft al aan dat we het hebben over mannen. Homoseksualiteit wordt in deze maatschappij toch in eerste instantie met mannen geassocieerd. Bovendien wordt er in de media nog vaak met stereotypen gewerkt. Onlangs werden homo's in een artikel in Elsevier afgeschilderd als verwijfde mietjes uit de provincie. Dat getuigt van bijzonder weinig respect. De hele kwestie wordt gereduceerd tot de vraag: 'Waarom willen die domme homo's toch trouwen?' Het huwelijk zou een ouderwetse, achterhaalde institutie zijn en niemand zou de moeite moeten nemen daartoe toegang te eisen. Dat is wel een erg gemakkelijk standpunt als je zelf wel in de gelegenheid bent om te beslissen of je al dan niet gebruik wilt maken van die institutie. Iedereen zou zelf de keuze moeten hebben of hij al dan niet wil trouwen. Het feit dat deze discussie nog gevoerd moet worden, geeft al aan hoe het met de erkenning van homoseksualiteit gesteld is. Het recht op huwelijken tussen mensen met verschillende etnische achtergronden zal bijvoorbeeld tegenwoordig door niemand meer ter discussie worden gesteld. Cultureel gezien en vanuit de geschiedenis is het wel te begrijpen dat mensen bezwaren hebben tegen het homohuwelijk. Maar je zou graag willen dat deze discussie de ogen opent. Wat mensen uit deze discussie kunnen leren, is dat wij Nederlanders niet zo vooruitstrevend zijn als we denken. Dat zie je duidelijk in deze discussie. Maar dat wil niemand graag horen natuurlijk. Dat de commissie Kortmann het huwelijk voor homo's wil openstellen is mooi, maar het is erg vreemd dat ze daaraan wel restricties willen verbinden, bijvoorbeeld inzake adoptie. Het huwelijk tussen twee homo's zou dus geen volwaardig huwelijk zijn. Of het homohuwelijk binnenkort geaccepteerd zal worden durf ik echt niet te zeggen. Ik verwacht geen revolutionaire veranderingen. In Nederland gaan dat soort dingen niet zo snel.

 

Aniek Hikspoors

Uit de Oude Doos: Commercialisering van universitaire kennis

Iedere twee weken rakelt ANS herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Deze week in de nostalgische rubriek: geld sprokkelen op de universiteit

Het is de afgelopen tijd weer in het nieuws: Nederland moet investeren in de kenniseconomie. Gisteren werd bekend gemaakt dat Nederland niet meer tot de top 5 van slimste landen behoort. Investeringen in onderzoek en onderwijs zijn hard welkom. Dan moet er echter wel iemand voor betalen, de vraag is wie. Sommigen opperen dat het bedrijfsleven de oplossing biedt. De commerciële sector zou meer moeten investeren in wetenschappelijk onderzoek. Dit is ook wat de rector van de Rijksuniversiteit Groningen benadrukte in zijn toespraak op de academische opening afgelopen maandag.

In 1987 ging het ook niet zo best met de economie en had de universiteit - destijds nog KUN genoemd - geld nodig. Dat probeerde zij op allerlei manier te vinden. Het wegbezuinigen van personeel en het verhuren van een ongebruikt parkeerterrein werden gezien als oplossingen. ANS nam alle gevolgen onder de loep.

Lees hier het artikel uit de mei-ANS van 1987.

 

Goed Fout

Tekst: Ilse Bos, Hans Wagner en Marlies ten Bulte

In de huidige tijd van krimp en bezuiniging is het leven ook voor de faculteiten niet gemakkelijk. Op de één of andere manier zal en moet er geld in het laatje komen. Maar hoe? Dat moet het directoraat van de faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen zich ook afgevraagd hebben, totdat men op het idee kwam om met een middenstander uit Nijmegen in zee te gaan en het onbenutte parkeerterrein achter het hoofdgebouw van W en N te exploiteren. De middenstander, het naar meer parkeerruimte verlangende Autocenter Heyendaal kan nu tegen een kleine vergoeding gebruik maken van het terrein. Leuke bijverdienste voor W en N, en ook het Autocenter heeft geen slechte koop gedaan: het terrein wordt 24 uur per dag bewaakt door de portiers van de universiteit, en het is ook niet zichtbaar vanaf de Heyendaalseweg. Kunnen de pers en andere lastposten er ook niet zo snel over gaan zeuren. Pech gehad.

Ook het College van Bestuur luistert liever naar 'het bedrijfsleven' dan naar de in de U-raad vertegenwoordigde universitaire gemeenschap. Een jaar geleden wilde W en N splitsen in Wiskunde en Informatica en de 'echte' natuurwetenschappen, maar dat werd toen door het CvB botweg afgewezen, ook nadat de U-raad zich vóór zo'n splitsing had uitgesproken. Dit voorjaar kwam het CvB opeens met een verassend voorstel: 'Laten we de huidige faculteit W en N opsplitsen in Wiskunde en Informatica, en de echte natuurwetenschappen'. Aanleiding was een rapport van het UBO (een overlegorgaan van universiteit en het bedrijfsleven). Op de door een U-raadslid gestelde vraag hoe het CvB haar radicale standpuntsverandering kon verklaren, antwoordde de heer van Lieshout dat de U-raad blij moest zijn dat het CvB nu eens een keer naar de U-raad geluisterd had.

De dans om de schaarse centen drijft de KUN in een steeds inniger omarming met het bedrijfsleven. Onderzoek is pas echt onderzoek als het betaald wordt door een multinational. 'Commercialiseren van universitaire kennis', wordt dat genoemd. Om de verkoop van onderzoeken te bevorderen werden het Transferbureau (waar bedrijven met vragen terecht kunnen) en de Stichting Gelder Kennis opgericht (een instelling die zichzelf sinds kort parasitair -pardonpara-universiteir mag noemen). De Stichting Gelder Kennis heeft onlangs onderzoek laten doen naar de mogelijkheid van een zogeheten 'science-park' bij de KUN. Men stelt zich dus voor om nog wat bomen te kappen op Heyendaal, ten behoeve van de vestiging van bedrijven en bedrijfjes die gebruik maken van de universitaire voorzieningen. Studenten en medewerkers die afscheid nemen van de universiteit om voor zichzelf te beginnen zijn de nieuwe 'jonge helden' die het science-park mogen gaan bevolken. De hoop van de KU, deze zogenaamde spinn-offs, die met yuppige computer-consultants-burootjes het imago van moeder universiteit op zouden moeten vijzelen. Voor een nastrevenswaardig voorbeeld van spinn-off aktiviteiten heef de alom bekende Nijmeegse uroloog Boerema inmiddels al gezorgd, met zijn huiveringwekkende initiatieven ter commercialisering van de gezondheidszorg. Laten we hopen dat deze respektabele wetenschapper zich op ons science-park zal willen vestigen, dat zou een frustratie minder opleveren voor de ex-krakers van de Mariënburcht, want in dat pand zou de door Vendex gesteunde 'jonge ondernemer' het liefst zijn prive-kliniek willen vestigen.

Dat commercieel talent op de KU niets in de weg gelegd wordt, moge duidelijk zijn. Anders ligt dat voor de armzalige studentjes met meer idealen dan geld, die sinds kort gehuisvest zijn in een Universitair studentencentrum. Met hun toch al zeer bescheiden budget zouden zij volgens beheerder Willems ook nog hun eigen werkster moeten betalen. Een week geleden kwam deze man vragen voor hoeveel uur wij zo iemand zouden willen 'huren'... En alsof het nog niet genoeg is, wordt er ook nog bezuinigd op de uitstekend functionerende fractiemedewerkster van de studentenfractie. Dat is inderdaad dè manier om naar buiten te treden als universiteit. Het onderwijs, de studenten, de vrouwen in een verdomhoekje stoppen en vervolgens een flitsend Science Park starten met argumenten die het opnoemen niet waard zijn. Opnieuw geen aandacht voor de kwaliteit van het onderwijs, er wordt slechts gekeken hoe het snelst een derde geldstroom binnengehaald kan worden. Maar laten we niet te hard van stapel lopen, hier en daar wordt natuurlijk nog wel naar 'het student' gekeken. Alweer een jaar geleden werd bij nederlands een nieuwe cursus gestart: PCO. Een cursus die de arbeidsmarktpositie van studenten zou moeten verbeteren. Een nobel streven. Maar er stak meer achter. Ook medewerkers zagen hun arbeidsmarktwaarde stijgen en enkelen onder hen waren niet te beroerd om aan een omscholingscursus mee te doen. De heer Springorum bijvoorbeeld, die niet gehinderd door overdreven veel kennis van het 'vak' studenten opleidt tot deskundigen in de bedrijfscommunicatie. Toch prettig dat zo'n man aan het werk kan blijven, zonder dat hij opvalt tussen de studenten (zijn kennisniveau is ongeveer gelijk aan dat van zijn studenten). De creativiteit van de medewerkers van deze cursus heeft nu opnieuw tot een briljant idee geleid. Er zijn plannen om een stichting op te zetten (inherent aan de katholieke hiërarchie) die zou moeten bemiddelen tussen werkgevenden en studenten die een stage willen lopen. Hierbij wordt natuurlijk wel om een geringe vergoeding van studentenzijde verwachte.... Dit is nog tot daaraantoe. Er wordt echter niet bij verteld dat studenten van nu hun eigen stageplaatsen moeten zoeken en als ze er eentje gevonden hebben onmiddellijk achtervolgd worden door een delegatie medewerkers die dezelfde stageplaats proberen te claimen voor de komende jaren.

 

Felix Wagner

Uit de Oude Doos: Nimwegeneuren over studenten

Als het weer even meezit, veroveren zij de terrasjes. Nu de laatste tentamens er aan zitten te komen, vullen zij ook na middennacht weer het centrum en vanaf september zal weer een hele lading eerstejaars naar Nijmegen komen. Studenten vormen maar liefst 15 procent van de Nijmeegse bevolking en dat is te merken ook. Fietsenstallingen vol oude barrels, studentenhuizen in elke straat en extra bieraanbiedingen in de bar bewijzen hun aanwezigheid.

Niet iedereen is hier blij mee. Onlangs protesteerde de Nijmeegse Fractie tegen aanwezigheid van een hoog aantal studentenkamers in de Nijmeegse wijken. Wat vindt de gemiddelde NEC-fan, groenteboer of 'Dukenburger' daarvan? Oftewel: hoe kijkt de Nijmegenaar in hart en nieren aan tegen dit intellectuele importvolk? Onze voorgangers in 1990 gingen de straat op om het uit te zoeken. 'Ze zuipen veel te veel. Dan worden ze zo bijdehand als de pest', kregen zij onder andere als antwoord.

Lees hier het artikel uit de april-editie van 1990:

Dag mevrouw, mag ik u wat vragen?... Wacht nu even, het gaat niet over God en u hoeft ook nergens anders lid van te worden. Ik wil echt geen geld van u. Ik wil u alleen maar een eenvoudig vraagje stellen. Hoe denkt u over studenten?

Tekst: Rob Brouwer, Marc Janssen en Hartger Wassink

‘Laat de Here tot je komen, hij wil je het eeuwige leven brengen.’ Het winkelende publiek in de Broerstraat loopt met een boog om de vasthoudende Jezus-freak heen. Ook een Veronica promotie-team heeft de Nijmeegse koopavond aangegrepen om zieltjes te winnen. Tussen dat geweld van goedsdienstwaanzinnigen en rondborstige promo-meiden houdt zich onverschrokken een drietal ANS-interviewers staande. Hun heilige opdracht: een antwoord vinden op de vraag hoe Nijmegenaren denken over studenten. Hebben Nijmegenaren eigenlijk wel een mening over studenten? In eerste instantie lijkt het er niet op. De meeste ondervraagden halen hun schouders op en kijken verbaasd wanneer er naar hun mening gevraagd wordt. ‘Studenten? Wat moet ik daar nou van vinden? Ze horen er bij, want Nijmegen is nu eenmaal een universiteitsstad. Ik heb er eigenlijk nooit zo bij stil gestaan. Je weet gewoon niet beter.’ Reacties als deze zijn talrijk. Na wat lichte aandrang komen de verhalen echter los. De Nijmegenaar blijkt wel degelijk een mening te hebben over studenten. We gooiden alle antwoorden op een hoop en zochten er de leukste uit. Een bloemlezing zonder wetenschappelijke pretenties.

Beestenboel Het is een afgekauwd beeld maar het leeft nog volop: de student als klaploper. ‘Ze zuipen veel te veel’, zegt een knaap van een jaar of twintig. ‘Dan worden ze zo bijdehand als de pest. Zeker wanneer ze met een groep zijn. Daaraan kan ik me behoorlijk ergeren wanneer ik in het weekend in de Swing kom. Dan mogen ze van mij best wel eens een goeie ram voor hun kop krijgen. Voor de rest heb ik trouwens weinig last van ze.’ Dat laatste geldt niet voor iedereen. Een vrouw van midden dertig barst in een ware klaagzang uit: ‘Ja ik heb last van ze, dat mag je rustig weten. Ik woon in de Rozenbuurt bij de Graafseweg en daar stikt het van de studenten. Die kunnen ’s nachts tekeer gaan, dat is gewoon niet normaal. Als ze nuchter zijn dan gaat het nog wel, maar als ze gezopen hebben maken ze er echt een beestenboel van.’ En bij overmatig drankgebruik blijft het volgens sommigen niet. ‘Ze roken ook veel hasj hè', constateren twee middelbare scholieren. ‘Daar hebben ze toch van die koffieshops voor? En rellen trappen natuurlijk, met al die kraakpanden hier. We komen ze ook wel eens in de kroeg tegen. Dan zijn ze eigenlijk best wel tof. Maar dan moeten ze niet dronken zijn want dan gaan ze aan je zitten frunniken en zo.’

Milkshakes Volgens een jongen met een authentiek Nijmeegs matje in zijn nek kun je studenten er vaak zo uithalen. ‘Je hebt van die types waaraan je het meteen kunt zien. Dat zijn van die eitjes, weet je wel. Laatst bij de MacDonalds komt er zo’n eitje binnen en die bestelt twee milkshakes. Laat ‘ie ze gelijk uit z’n handen vallen. Dat is nou een typische student.’ Naast onschuldige eitjes blijken er echter ook agressievelingen rond te lopen. Twee Nijmeegse gabbers: ‘Een vriend van ons is een keer in elkaar geramd door een stel studenten. Klootzakken waren dat, maar die heb je natuurlijk overal. Over het algemeen zijn het wel aardige lui. Ze kunnen in ieder geval lekker maf doen.’ Ronduit impopulair is de Nijmeegse studiebol bij schoolmeisjes in de bakvissen-leeftijd. ‘Studenten vind ik niks aan’, ginnegapt een van hen met een vies gezicht. ‘Waarom?... Nou gewoon, ik vind ze stom. We hebben ze op school wel als stagiaires.’ ‘Ze zijn wel leuker dan onze eigen leraar’, vult haar vriendin aan. ‘Die is helemááál waardeloos (giechel, giechel).’ Een wat rijpere Nijmeegse jongere oordeelt een heel stuk positiever. ‘Ik vind ze okee, die studenten’, zegt hij. ‘Ze zorgen voor wat afwisseling doordat ze uit andere steden komen. Een beetje leven in de brouwerij is nooit weg.’ Een meisje van voor in de twintig is van dezelfde mening toegedaan. Ze meent dat studenten de stad gezelliger maken. ‘In de zomer heb je hier altijd volle terrassen en dat vind ik hardstikke geinig.’ Haar vriend is om een andere reden wel te spreken over studenten. Hij zit in de kamerverhuurbusiness. ‘Ik heb een aardige broodwinning aan ze’, zegt hij. ‘In onze huizen hebben we heel wat studenten zitten. Nooit problemen mee. Hoge huren?... Nee hoor, heel redelijk voor een kamer midden in het centrum.’

Rondlummelen Wanneer studenten èrgens nadrukkelijk aanwezig zijn dan is het wel in het centrum. Vooral het Koningsplein is bij mooi weer een ware pleisterplaats. Een van de ondervraagden is over het studentenpubliek op het Koningsplein niet zo te spreken. Nog zichtbaar geïrriteerd stort hij zijn hart uit. ‘Wil ik daar pas geleden met paar vrienden een pilsje drinken, zijn er niet genoeg stoelen vrij. Ik vraag dus vriendelijk aan een groepje studenten of ik de lege stoel, die bij hun tafeltje staat, kan meenemen. Dat kon. Ik heb me nog niet omgedraaid of ik hoor achter mijn rug “hoorde je dat, dat was nou een èchte Nijmegenaar”. Daar ga ik dus echt verschrikkelijk van over mijn nek.’ Dat studenten de vrijheid hebben om op zonnige werkdagen op een terrasje neer te strijken, is sommige een doorn in het oog. ‘Ik werk hier in het centrum en dan zie je die studenten rondlummelen’, klaagt een man van middelbare leeftijd. ‘Laat ze godverdomme zelf eens gaan werken, dan weten ze ook wat dat is.’ Een jongen van midden twintig: ‘Ik ben af en toe jaloers op ze omdat ze zoveel vrije tijd hebben. Aan de andere kant begrijp ik wel dat ze hun afstuderen uitstellen want met hun arbeidskansen is het tegenwoordig beroerd gesteld.’ Volgens een meisje worden studenten door jongere Nijmegenaren echter niet als luilakken gezien. ‘Bij de oudere generatie leeft nog wel het idee dat ze werkschuw zijn maar ik ben het daar helemaal niet mee eens.’ Een links imago hebben studenten nog steeds, blijkt tijdens de straatinterviews. ‘Rooie rakkers zijn het, allemaal’, gromt een man van rond de zeventig. Een jonge Nijmeegse drukt zich wat voorzichtiger uit. ‘Dat de PvdA en Groen Links hier zo sterk zijn komt denk ik vooral door al die studenten’, zegt ze met een beschuldigende ondertoon. Verontschuldigend: ‘Maar ik heb helemaal geen hekel aan ze hoor. Ik heb zelf een broer die hier studeert.’ Een van de mannelijke ondervraagden beklaagt zich erover dat er zoveel studenten in Nijmegen naar de stembus gaan. ‘Daarmee bepalen ze wel even wat hier in de politiek gebeurt. Maar na vijf jaar zijn ze mooi vertrokken naar een andere stad en zitten wij met de brokken.’

De Jezus-freak heeft inmiddels zijn hielen gelicht en ook de Veronica-meisjes zijn verdwenen. De Broerstraat begint leeg en koud te worden. In opperste verwarring spoedt een interview-team zich kroegwaarts.

 

Kiki Kolman

Uit de oude doos: Skinner op studenten

Iedere twee weken rakelt ANS herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Deze week in de nostalgische rubriek: rendementsmaatregelen 1.0

De langstudeerder is in gevaar. Maatregel op maatregel rolt uit de rendementskoker van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om studenten maar zo snel mogelijk met mastertitel in de hand de arbeidsmarkt op te duwen. Even de voet van het gaspedaal halen voor een bestuursfunctie, een oriëntatiejaar of wat dan ook is nauwelijks meer mogelijk. Nee, dan vroeger, 'toen je nog zo lang mocht studeren als je zelf wilde'. Tenminste, zo lijkt het voor veel studenten.

De werkelijkheid was helaas minder rooskleurig. Rendementsmaatregelen zijn van alle tijden, zo blijkt uit het artikel op de voorpagina van de oktober-ANS uit 1989. Lees het artikel en verwissel de naam van Roel in 't Veld met die van Jet Bussemaker, het rapport 'Leren loont' met het wetsvoorstel 'Kwaliteit in verscheidenheid' en de guldens met euro's. Dan had je dit artikel net zo goed in de ANS die nu in de bakken ligt kunnen vinden.

Lees hier het artikel uit de oktober-editie van 1989:

Met een kluitje in 't Veld

Geprikkelde studenten studeren sneller?

In het ministerie is de geest uit de fles. Efficiency is het toverwoord van deze tijd. Ook studenten zullen daar aan moeten geloven. Studenten zouden geprikkeld moeten worden om snelstudeerders te worden, zo redeneert men in Zoetermeer. Roel in 't Veld, ex-crisismanager uit Groningen, werd aan het werk gezet. Met een commissie bedacht hij een plan waarin studietempo aan studiefinanciering gekoppeld wordt. Het rapport 'Leren loont' stimuleert tot lezen en vrezen. Het plan heeft veel meer haken en ogen dan de meeste kranten hebben bericht.

Tekst: Jan Maurits Schouten en Wouter Hesseling

Het hele hoger onderwijs zou een school moeten zijn. Een school waar je een duidelijk vakkenpakket krijgt, waar je later iets mee kunt doen. 'Toegesneden op de behoeften van de maatschappij', zoals dat zo mooi heet. Je eigen behoeften zijn van minder belang. Die school moet je zo snel mogelijk doorlopen. Op de middelbare school halen veel meer mensen hun diploma binnen de gestelde tijd en HBO-ers verlaten over het algemeen ook netjes op tijd hun opleiding. De ellende begint pas op de universiteit. Daar studeert bijna geen enkele student af binnen de geplande studieduur: vier jaar. Op de universiteit duurt het maar en duurt het maar voordat mensen eens een keer een diploma halen. En dat kost natuurlijk veel te veel geld. Tijd dus voor gedragsveranderingen bij studenten. Een beetje psycholoog weet dat je gedrag kunt veranderen door personen stimuli toe te dienen of ze die juist te onthouden. Je hoeft geen Skinner te heten om te weten dat je gewenst gedrag van kinderen kunt versterken door ze een snoepje te geven, en dat je niet gewenst gedrag kunt afleren door kinderen dat snoepje niet meer te geven, of te dreigen met 'geen snoepjes meer'. In Den Haag pasten ze de 'Skinneriaanse' gedachtengang toe op studenten. Hoe prikkel je studenten het best om harder door studieland te lopen dan door hen een som geld te onthouden wanneer het niet snel genoeg gaat?

Rendement Om de mogelijkheid en de uitvoerbaarheid van dergelijke financiële stimuli te onderzoeken, stelde Deetman, toen nog minister, een commissie in. In 't Veld zou daar voorzitter van zijn. Een gelukkige keuze, want als er iemand weet wat efficiency is, dan is hij dat wel. Nog voordat de commissie de eerste keer bij elkaar kwam, had hij al een startnotitie klaar. Net drie weken na de eerste vergadering kon de commissie haar oordeel over het conceptrapport uitspreken; de week daarop was het rapport klaar. Einde commissie.

In het rapport 'Leren loont' wordt ervoor gepleit studenten na vijf jaar studie op een universiteit of hogeschool een lagere beurs te geven. In die tijd heb je de mogelijkheid gehad om een keer over te stappen, om iets extra's te doen en om af te studeren. Gevolg kan zijn dat je op een bepaald moment jaarlijks met 3600 gulden minder per jaar moet zien rond te komen. Dat bedrag wordt dan gekort op je basisbeurs. De commissie ziet ook dat het een probleem kan zijn als je van 300 gulden per maand minder moet leven. In 't Velt zegt dan ook dat de 'minimaal noodzakelijke hoeveelheid voedsel natuurlijk niet afhankelijk is van iemands studierendement'. Hoe je dan toch rond moet komen wanneer je studierendement laag is, is niet duidelijk.

In 't Veld heeft het aardig door: stimuli bestaan natuurlijk niet alleen maar uit straffen. Positief prikkelen doet het goed bij proefdieren, dus met studenten moet dat ook lukken. Studenten die maar één jaar over hun propedeuse doen, mogen een extra graantje meepikken: ze mogen meer bijverdienen. De commissie denkt aan 500 gulden per maand in plaats van de 200 gulden die je nu mag bijverdienen. Natuurlijk komt dan de vraag bij je op hoe je veel bijverdienen kunt combineren met snel studeren. De commissie zag dat probleem ook wel, maar vond dat 'deze groep studenten heeft laten zien goed met de beschikbare tijd om te kunnen gaan'. Als je je propedeuse in één keer haalt, heb je daarmee zo'n prestatie geleverd dat de rest van je studietijd eigenlijk niet mis kan gaan.

Een andere groep studenten die alleen maar geld kost, bestaat uit mensen die halverwege een jaar besluiten niet verder te gaan met hun studie. Die krijgen nog steeds studiefinanciering, en kosten daardoor het ministerie geld. Als ze niet zouden studeren, zouden ze waarschijnlijk een uitkering krijgen die nog meer kost, maar dat valt niet onder het Ministerie van Onderwijs. Al die mensen hebben volgens de commissie eigenlijk geen recht op studiefinanciering. Die zou moeten worden stopgezet. Waar die mensen dan wel van moeten rondkomen, daar is verder niet over nagedacht. Een uitkering kun je pas krijgen wanneer je bent uitgeschreven. Maar door de harmonisatiewet kun je je niet meer tijdens een studiejaar uitschrijven. En een baantje heb je ook niet zomaar als je je opleiding hebt afgebroken. Kom je na een Skinneriaanse behandeling mooi in een niemandsland terecht. 'Dat kunnen ze in Groningen toch niet allemaal controleren?', zo zul je je afvragen. Inderdaad, maar dat hoeft ook niet. Welke instelling heeft het best zicht op de voortgang van je studie? Inderdaad, de universiteit. En die zal dan ook aan Groningen door moeten geven of het wel opschiet met je studie. Om te stimuleren dat dat ook daadwerkelijk gebeurt, zijn er weet andere prikkels bedacht, in dit geval voor de universiteiten. Elke instelling voor hoger onderwijs krijgt, net als de studenten, geld van de overheid. Het plan is nu de universiteiten voor elke trage student te korten op het budget. Zo wordt de universiteit gestimuleerd ervoor te zorgen dat mensen snel afstuderen. Mensen die langzaam studeren leveren immers voor de universiteit minder geld op. Zo zouden universiteiten ook gestimuleerd moeten worden om door te geven welke mensen niet meer daadwerkelijk studeren. Als een universiteit een beetje krap bij kas zit, kan het dus een oplossing zijn ervoor te zorgen dat er minder mensen blijven hangen. Heeft een student even pech wanneer hij op een universiteit zit die krap bij kas zit...

Buiten spel In 't Veld gaat met z'n Skinneriaanse gefröbel voorbij aan de werkelijke obstakels in het universitaire onderwijs. Zo ligt de reële studieduur van de meeste studies nog steeds rond de 5,4 jaar. Dat wordt dus zonder bokkesprongen of zijpaden je studie doorlopen en opletten voor dat kritieke punt: vijf jaar. Het ergst is nog dat In 't Veld vergeet dat mensen geen 'black boxen' zijn, waar allerlei stimuli ingestopt kunnen worden en waar de gewenste reactie probleemloos uit zal rollen. Gelukkig zijn studenten nog denkende wezens die af en toe twijfelen of een fout maken. Daarom is het belangrijk dat er in ieder geval meer aandacht komt voor andere factoren die de studieduur kunnen beïnvloeden. Goede voorlichting en betere studiebegeleiding bijvoorbeeld. Bij de drastische plannetjes van meneer In 't Veld zal de Kamer wel de nodige kanttekeningen plaatsen. Jammer dan. Die bedenkingen kan de Kamer wel hebben, maar ze heeft niets te vertellen over deze maatregelen. Er hoeft helemaal geen wetsvoorstel voor te worden ingediend. In de Wet op de Studiefinanciering staat dat wie daadwerkelijk studeert, recht heeft op studiefinanciering. Een simpele wijziging van de interpretatie van het begrip 'daadwerkelijk studeren' is dus al voldoende voor de invoering van de meeste maatregelen. In 't Veld heeft gedaan wat Deetman als minister van Onderwijs ook zoveel mogelijk deed: de Kamer buiten spel zetten. Alleen is diezelfde Deetman nu voorzitter van de Kamer die buitenspel is gezet. Hoe was dat verhaal van die tovenaar en de tovenaarsleerling ook al weer?

 

Mickey

Uit de Oude Doos: Radboud host

Iedere twee weken rakelt ANS herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Deze week in de nostalgische rubriek: de Hollandse drieslag op het lustrum van 2008

De RU is in de ban van het lustrum. Al maandenlang wordt de Nijmeegse student warm gemaakt voor het feestje, via legio banners, een spannende stopwatch op de RU-site en Angelsaksische terminologie. Oja, en Angela Merkel. De negentigste verjaardag van onze universiteit mag niet mislukken, zoveel is duidelijk.

Morgen beginnen de festiviteiten, met een sportdag en Radboud Rocks. Dat laatste moet uitgroeien tot het spectaculaire begin, maar was tot nu toe vooral dankbaar voer voor critici. Er zouden te weinig kaartjes voor studenten zijn, de line-up heeft weinig met Nijmegen te maken en het geheel kost ook nog eens te veel geld. Ei ei ei, we zijn niet blij.

Maar okee, ANS is de kwaadste niet. Daarom laten we bij dezen zien dat het erger kan. Stukken erger. Vijf jaar geleden werd het feest namelijk opgeluisterd met een bezoek van 'de Hollandse drieslag'. In lijn met onze voorgangers noemen we geen achternamen, vul zelf maar in. Dries, Corry en Lee. Vergeleken met zo'n line-up is Ilse Delange een hippe popdiva en Racoon dé band van dit moment.

Lees hieronder het Commentaar uit de ANS van mei 2008

 

Commentaar

Alles moet gevierd. Zo ook het zeventiende lustrum onzer universiteit: groots, vol van spektakel en onder begeleiding van de vertegenwoordigers der Nederlandstalige wanstaltigheid. Trakteerde de fijnzinnige organisatie van het Diesfeest ons vorig jaar op een lichamelijk verantwoord portie jumpen, dit jaar blijft het grootschalig verbranden van calorieën achterwege. Hijsen en deinen lijkt het te voeren devies.

Waarom de vijfderangs vertegenwoordigers van het Nederlandse lied geschikt werden bevonden voor het opluisteren van het 85-jarig bestaan van de Radboud Universiteit is ons niet duidelijk. Ook het thema ‘Luxe en decadentie’ geeft er weinig aanleiding toe. Met luxe heeft het in ieder geval niets van doen. Hoogstens getuigt het voor ongetwijfeld te veel geld boeken van een batterij afgeschreven artiesten van een vreemdsoortige decadentie.

Enige troost biedt, zoals ook vorig jaar, hetgeen ons te wachten staat in het Cultuur Café. Weggestopt op de affiches, maar bekend en bemind bij muziekliefhebbend Nederland: New Cool Collective. Wij voorspellen een café dat uit haar voegen barst.

Terzijde de nare voorsmaak door de op stapel staande Hollandse drieslag – Dries, Corry en Lee. Terzijde al wat zich artiest mag, of durft te noemen. Waarom eens in de vijf jaar die grootse feestelijkheden? Waarom lustra? Voort teren op eeuwenoude universitaire tradities? Verbondenheid et cetera, de universiteit laten leven voor haar studenten en al wie wil. Ach en wee. In the end is het simpelweg eens in de zoveel jaar collectief net wat harder zuipen. En misschien, heel misschien wordt die drieslag straks, onder de bedwelmende invloed van dat beetje extra lustrumalcohol, een onverwacht en ongehoord succes. Al hijsend en deinend.

De hoofdredactie

 

Mickey

Uit de Oude Doos: Sjoerd Kooistra

Iedere twee weken rakelt ANS herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Deze week in de nostalgische rubriek: de expansiedrift van horecamagnaat Sjoerd Kooistra.

Ook op Koninginnedag 2013 stonden de Nijmeegse straten in het centrum weer vol met feestvierderders. Zo was er in Nijmegen het jaarlijkse Oranjepop in het Hunnerpark en waren er podia op de Grote Markt, het Koningsplein en in de Molenstraat.

Gouden tijden dus voor de kroegen in de binnenstad, waar horecamagnaat Sjoerd Kooistra zo'n tien jaar geleden nog de dienst uitmaakte. Cafés op het Koningsplein en in de Molenstraat behoorden tot zijn bezit. De horecamagnaat begon met één café in het Groningse Norg en breidde in enkele jaren tijd zijn imperium uit met tientallen bedrijven door heel Nederland. Die expansiedrift werd uiteindelijk zijn dood, want met een huurachterstand van 1 miljoen euro op zak pleegde Kooistra in 2010 zelfmoord.

ANS sprak de horecagigant in 1997 toen hij op het punt stond een Nijmeegse variant van De Drie Gezusters te openen. In het interview door Koen Dortmans wordt zijn expansiedrift duidelijk. 'Het is niet zo dat ik Nijmegen in het bijzonder wilde toevoegen. Het leek me leuk om er een derde stad bij te hebben.'

Lees hieronder het gehele interview met Sjoerd Kooistra uit de introductie-ANS van 1997.

'Geen gelul, gewoon kopen'

Sjoerd Kooistra is het typische voorbeeld van the American Dream. Stond hij vijfentwinitg jaar geleden nog de dronkemanspis van het urinoir te schrobben, nu rijdt hij de hele dag in de auto als nijmeegs grootkroegbezitter. Het Koningsplein, De Waag en binnenkort De Drie Gezusters in de Molenstraat behoren tot zijn imperium.

Tekst: Koen Dortmans Foto (alleen in blad): Frederik Leuschel

Kooistra boert goed. Hoewel hij pas 46 jaar oud is, behoren 53 bedrijven to zijn bezit. Cafés, restaurants, een eetcafé, snackbars en zelfs een hotel behoren tot het brede scala horecazaken van Kooistra. Het Koningsplein en De Waag in Nijmegen en vrijwel de gehele binnenstad van Groningen maken deel uit van zijn imperium. Maar ook 'zaken' op het Rembrandtplein in Amsterdam. Kooistra's corpulente gestalte leunt onhandig achterover in zijn leren fauteuil. Vanuit een lokaaltje boven De Stoof kan hij net een glip van 'zijn' Koningsplein zien, slechts een fractie van z'n bezit. Hij oogt veel jonger dan hij is. Met zijn ietwat rossige haar doet hij nog het meest aan een nette versie van Theo van Gogh denken. Zij npostuur verraadt zijn verleden als kastelein. Alleen is hij zelf nu achter de tapkast verdwenen en is zijn lichaam in een simpel gestreept, maar zakelijk overhemd gestoken. Hij praat snel en zakelijk, geen woord teveel. Jaartallen en namen lijken in zijn geheugen gegrift te staan en worden zonder hapering opgelepeld. Het horecawezen is Kooistra met de paplepel ingegoten. Al vroeg kwam hij in het kroegtumult terecht. 'Je kan eigenlijk zeggen dat ik al vanaf mijn tweede in het vak zit. Mijn pa was vanuit Emmen verhuisd naar Norg om er een kroeg te beginnen.' De kleine Sjoerd voelde zich van meet af aan onlosmakelijk verbonden met het café van zijn vader. jarenlang schrobde hij urine van de wc-bril, maakte borrelhapjes in de keuken en stond achter de bar. In 172 nam hij het café van zijn ouders over. Korte tijd later kocht hij een tweede zaak, in zijn geboorteplaats Groningen. En nadat haar binnenstad vrijwel tot zijn eigendom behoorde, viel het Amsterdamse en het Nijmeegse horecawezen ten prooi aan Kooistra's expansiedrift. Zijn leven is de laatste vijfentwintig jaar enorm veranderd. Hij is inmiddels uitgegroeid tot een succesvol zakenman. De uren die hij vroeger achter de tap stond, zit hij nu in de auto. Hij belt mobiel, faxt en heeft afspraak na afspraak. Nu eens zit hij in Groningen, dan weer in amsterdam of in Nijmegen. Tijd om zijn versnellingspook voor de bierpomp te verruilen heeft hij zelden. 'Alleen in Groningen wil ik af en toe achter de bar gaan staan.' 'Het leek me leuk om er een derde stad bij te hebben.' Dat de keuze op Nijmegen viel, is louter toeval. Kooistra: 'Het is niet dat ik Nijmegen in het bijzonder wilde toevoegen. Het had net zo goed Utrecht of Arnhem kunnen wezen. Mijn geluk was dat de drie zaken op het Koningsplein, De Deut, De Opera en De Stoof, tegelijkertijd op de markt kwamen. Bovendien leent het Nijmeegse horecaleven zich goed voor exploitatie. Er wonnen veel studenten en er zijn veel grote evenementen zoals de jaarlijks terugkerende Zomerfeesten.' Kooistra is een paar keer naar Nijmegen gegaan om te kijken. Snel ontdekte hij dat het terrasleven van de Keizerstad zich voornamelijk concentreert op het Koningsplein. Reden genoeg om deze florerende tenten toe te voegen aan zijn bezit. Het criterium voor kooistra om een kroeg over te nemen is simpel. Als het café goed loopt of potentie heeft dat op korte termijn te doen, is zijn motto: 'geen gelul, gewoon kopen'. Het maakt hem dan ook niet uit wat voor soort uitgaansgelegenheid het is. Een bruin café, een snackbar of een eetcafé. En een disco als De Swing? 'Voorwaarde is dat het goed voor exploitatie is. Persoonlijk zie ik niet zoveel in De Swing, maar als een disco prima draait, waarom niet?' Kooistra verandert in de regel weinig aan de inkleiding van zijn 'zaken'. 'Als een zaak eenmaal goed loopt, moet je het karakter zoveel mogelijk in tact laten. Wie ben ik om De Stoof te veranderen? Het is een winstgevend bedrijf. De klanten voelen zich er thuis.' Veranderingen zijn trouwens gevaarlijk. 'Je blijft in onzekerheid of het concept dat je bedenkt ook daadwerkelijk aanslaat. Een zaak in Amsterdam was niks vanaf het eerste moment en het zou ook nooit iets geworden zijn. Dan moet je realistisch zijn en de boel sluiten en iets anders bedenken. Nu loopt het als een trein.' Een beslissing is voor Kooistra een kwestie van intuïtie. Voor hem dus ook geen ingewikkelde strategische plannen. Met slechts lagere school en één jaar ULO bleek succes toch verzekerd. Zijn goede intuïtie heeft hem prima door zijn zakelijke bestaan geleid. Inmiddels is het namelijk niet bij de drie kroegen op het Koningsplein gebleven. Op het plein alleen al heeft hij, zoals hij daar zelf over spreekt twee 'uitbreidingen'. Aan De Stoof is een Irish Pub toegevoegd. En even verderop is een FEBO-snackbar ingericht waar kroeggangers zich hongerig van de vele biertjes kunnen volstouwen met frikandellen en kroketten uit de muur. In het pand waar vroeger het Chinese restaurant Kota Radja gelegen was, wordt nu gebouwd aan een hypernieuwe vesting van Kooistra's troetelkindje 'De Drie Gezusters'. Deze absolute succeskroeg kent haar oorsprong in Groningen, maar werd tevens vrijwel gekopieerd in Amsterdam. Nu wordt er ook een Nijmeegse variant geopend. Er komen in totaal twee bars. Eén vaste bar en een andere ronddraiende toog die op de begaande grond zo'n 250 vierkante meter in beslag gaan nemen. Het café krijgt een beetje het uiterlijk van een Ierse of Engelse pub. In de kelder van 300 vierkante meter komt een swingvloer. De bedoeling is dat er een discovloer komt met 'hitech sound' en lampen. 'Kortom alles wat tegenwoordig nodig is voor een goede dansgelegenheid die aan alle moderne eisen voldoet.' Daarmee is het karakter van de nieuwe 'Drie Gezusters' toch anders dan in Groningen en Amsterdam. Het concept is vrijwel identiek. 'Maar ik heb het aangepast aan het publiek van de verschillende steden. De mensen in Nijmegen hebben een grotere behoefte aan dansen. Vandaar dat ik die kelder geheel als dansvloer ga inrichten.' In Groningen zijn mensen juist heel erg op een kroeg gesteld, gezellig een biertje drinken met vrienden. Amsterdam is het publiek daarentegen luxer ingesteld en meer divers. 'Daar maken lunchende zakenmannen en toeristen ook een belangrijk deel uit van de klandizie.' Kooistra vindt dat horeca-exploitanten in Nijmegen veel te weinig aandacht spenderen aan de studenten. Dat komt omdat het Nijmeegse horecawezen minder bepaald wordt door het studentenleven. In Groningen zijn de maand juli en de eerste helft van augustus slappe tijden. De omzet daalt met meer dan dertig procent. Alle studenten zijn dan op vakantie. Tijdens de drie weken van de introductie maak je qua omzet die afgelopen vijf weken meer dan goed. In Nijmegen is dat contrast veel kleiner. Kooistra probeert deze tendens echter wel om te buigen. 'Studenten die hier voor een paar jaar komen studeren zijn al die tijd wel klanten. Die moet je dus in je zaak proberen te krijgen. Aan het begin van de Groningse introductieweken, de Keiweken, worden bonnenboekjes uitgedeeld. Sinds mijn komst in Nijmegen twee jaar geleden ben ik hier bezig met piekuren. In de introductie kunnen studenten voor een piek een pilsje krijgen. Op deze manier lok je klanten en laat je ze kennismaken met je kroeg.' Voorlopig dobbelt Kooistra verder met zijn Monoplyspelletje. Hij koopt kroeg na kroeg en snackbar na snackbar. Waar het zal stoppen weet hij zelf ook niet. 'Je groeit er nu eenmaal in. Het is je vak en dat wil je zo goed mogelijk uitoefenen. Een speler in het voetbal zal zijn carrière bij Milan ook niet zonder meer verruilen voor NEC. Ik stop als ik het niet meer leuk vind, maar tot nu toe ben ik nog veel te jong om te stoppen.' Wat zijn de toekomstplannen van de horecagigant? De Grunniger is bezig met een voorlopig laatste uitbreiding. 'Wat Nijmegen betreft houd ik het een tijdje voor gezien. Voorlopig heb ik hier genoeg.'

 

Erik