Uit de Oude Doos: dichter aan de drugs

Iedere twee weken rakelt ANS herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Deze week in de nostalgische rubriek: Simon Vinkenoog tript op Van Gogh.

Creativiteit en drugsgebruik, het schijnt vrij sterk samen te hangen. Voor de nieuwste editie van het ANS (sinds gisteren in de bakken) spraken we met Hafid Bouazza, een Marokkaanse schrijver die zich ontpopte als groot liefhebber van de Nederlandse taal. Hij vertaalde Arabische literatuur naar het Hollands en schreef tussendoor nog enkele romans. Tegelijkertijd worstelt hij met drugs- en alcoholproblemen, waar hij wonderlijk openhartig over spreekt in de media. Hij zal niet de eerste zijn. In april 2006 verscheen bij ons een interview met de legendarische Simon Vinkenoog. Inmiddels is hij overleden, toen prees hij nog de kwaliteiten van LSD en strooide hij met citaten als 'Internet schijnt tijdens een LSD-trip te zijn ontstaan,' en 'Ik heb ooit een Van Gogh zien krioelen en in een zelfportret van Henri Michel heb ik alle geluidsuitdrukkingen van een leven aanschouwd.' Lees hieronder het volledige artikel met Vinkenoog.

Het alziend Vinkenoog

Simon Vinkenoog is behalve poëet tevens kenner van het leven. Zijn onverzadigbare behoefte naar kennis in combinatie met talloze LSD-trips, heeft voor een eigenzinnige kijk op Het Bestaan gezorgd. 'We hebben geen tijd om bang te zijn.'

Tekst: Roel Neijts
Foto's:
Jos Janssen, Overasselt

Vanuit de woonkamer van Simon Vinkenoog (77) en zijn zesde vrouw Edith Ringnalda (51) is het uitzicht op de Amstel, het Amstelhotel en grachtenpanden een plaatje. De residentie zelf is eveneens inspirerend. Eén wand wordt ingenomen door een overvolle boekenkast. Andere muren zijn versierd met persoonlijke relikwieën als originele Corneilles, foto's van Parijse vrienden en objecten, verzameld tijdens de talloze reizen die de dichter hebben gevormd. Nog even en hij zal tachtig jaar oud zijn. Achter de geraniums zit Vinkenoog echter niet: nog steeds is hij vaste bezoeker van het illustere Boekenbal; onlangs maakte hij samen met Spinvis de cd JA! en elke dag publiceert hij op simonvinkenoog.nl zijn dagelijkse gebeurtenissen en hersenspinsels. 'Voorheen schreef ik kronieken, elke maand tien pagina's. Sinds twee jaar plaats ik elke dag een digitale pagina, een soort dagboek. Transparantie is belangrijk voor me. Ik wil mensen laten zien welke wijsheden ik in het leven heb opgedaan.' Ondanks zijn hoge leeftijd is de dichter niet bang voor de dood. 'Er is veel duidelijkheid ontstaan in mijn leven. Ik zou niet weten waarvoor ik nog bang zou moeten zijn. Ik weet dat ik sterf, volgens de statistieken eerder dan mijn vrouw, en daarbij heb ik me neergelegd. Er is geen tijd om bang te zijn. Lees het optimistisch credo op mijn site maar.'

Knappe kop
Al vroeg bleek Vinkenoog een pientere jongen. 'Tegen mijn moeder werd gezegd: "Die jongen moet doorleren, hij heeft een knappe kop." En doorleren betekende voor mensen zonder geld - ik woonde alleen met mijn moeder - geen gymnasium of hogere burgerschool, maar MULO.' In 1944 studeerde hij af, maar waar een diploma logischerwijs een middel is om een goede baan te vinden, zag Vinkenoog het papiertje vooral als een opstapje. De weg naar een alomvattende studie werd geopend: de universiteit van het leven. Drie jaar na de Tweede Wereldoorlog vluchtte de jonge Simon naar Parijs. Nederland was een puinhoop; een bouwput van de wederopbouw. Hij verruilde zijn eerste vrouw waarmee hij een kind kreeg voor de acht jaar oudere Judith. De Franse hoofdstad, die in de eerste helft van de twintigste eeuw dadaïsten en surrealisten lokte, had zijn aantrekkingskracht nog niet verloren. De onconventionele jeugd zocht na de Tweede Wereldoorlog zijn heil in Parijs, om een weg te zoeken waarvan de richting onbekend was. 'Het was een hele stap om te gaan: ik moest afscheid nemen van mijn vrienden en familie.' Vinkenoog kreeg een baan bij Unesco, op de afdeling boeken en publicaties. Een ideale baan.'Ik had zes weken per jaar vakantie, zodat ik af en toe naar Nederland kon gaan om mijn oude vrienden op te zoeken. Bovendien kon ik op de afdeling aan informatie komen die me een bredere kijk op de wereld gaf. Ik las alles wat er maar te lezen viel. Bij Unesco kreeg ik reeds documenten onder ogen over de huidige wereldproblematiek: ontbossing en watertekorten bijvoorbeeld. Nu pas, vijftig jaar later, dringt dat door tot de burger.' Parijs betekende voor hem niet alleen een nieuwe impuls voor het vergaren van kennis. Belangrijker was misschien nog wel dat de Amsterdammer werd opgenomen in een internationaal, inmiddels legendarisch netwerk van jonge kunstenaars als Karel Appel, Corneille, Hugo Claus, Lucebert en Remco Campert. Zijn artistieke kant kwam bloot te liggen, waardoor Vinkenoog zich ontpopte tot een respectabele poëet.

Simon in the sky with diamonds
Terug uit la Ville lumière ontdekte de jonge dichter de drug die ook The Beatles en The Rolling Stones inspireerde.'Mijn LSD-ervaringen hebben ontzettend veel deuren geopend. Als je eenmaal LSD hebt gebruikt, kom je vaak op die ervaring terug. Je kunt nooit meer onbevangen staan tegenover het de mystieke verschijnsel wat 'leven' heet.' Vinkenoog benadrukt de creativiteitskick die de acid teweeg kan brengen: 'Ik was in januari op het LSD-congres in Basel, waar Albert Hofmann, de uitvinder van de drug, zijn honderdste verjaardag vierde. Tachtig sprekers uit de gehele wereld deelden hun ervaringen. Zo vertelden enkele aanwezige Amerikanen met afgetrapte laarzen en cowboyhoeden het verhaal van hun briljante bevindingen tijdens hun trips. Die ideeën hadden ze commercieel uitgebuit en verkocht aan Microsoft. De rest van hun leven hebben ze in weelde kunnen leven. Overigens schijnt ook internet dankzij LSD de wereld in te zijn geholpen.' LSD is en blijft een serieuze zaak. Ooit raadde Vinkenoog in een interview iedereen aan de drug te gebruiken. Die woorden neemt hij nu echter terug. 'De post zou nooit meer worden bezorgd, en de melkboer zou niet meer langskomen,' grapt de dichter. In alle ernst vervolgt hij: 'Wie LSD neemt, moet een dag van tevoren afscheid nemen van iedereen, zorgen dat de stekker van de telefoon is uitgeplugd en dat er vooral geen huilende kinderen in de buurt komen. De mooiste trips ontstaan in de nabijheid van schoonheid: temidden van de natuur, of in een museum. Ik heb ooit een Van Gogh zien krioelen en in een zelfportret van Henri Michel heb ik alle geluidsuitdrukkingen van een leven aanschouwd. Zo diep ging dat. Een bad trip kan gebeuren: angsten komen tot leven als demonen. Met een gelukkige jeugd is er echter niets te vrezen.'

Oase in de woestijn
LSD is voor de dichter niet alleen een bron van creativiteit geweest. Dankzij de drug heeft Vinkenoog een eigenzinnige kijk op het leven gekregen. 'Ik doe niet aan value judgements. Alles heeft zijn eigen waarde. Het is gemakkelijk een persoon aan te vallen door te zeggen: "Wat jij doet, stelt niets voor". Maar binnen wat hij doet, is het zijn alles. Het is niet moeilijk om door deze wereld te gaan en alles af te kraken zonder betrokkenheid te tonen. Beter is te zoeken naar overeenkomsten tussen mensen, dan te zoeken naar zaken die mensen doen scheiden. Zoek geestverwanten op.' Ook zijn manier van vertellen, beïnvloed door zijn grote kennis en trips naar zijn innerlijk, is kenmerkend voor de Amsterdammer. Bij het aanboren van een onderwerp slaat hij al snel zijpaden in, waarna een complex netwerk van samenhangende gedachten ontstaat. In grote lijnen, vanuit het evolutionaire perspectief, is alles immers in elkaar verweven. Centraal in Vinkenoogs redeneringen staat de mens, die bij een overvloed aan invloeden al snel in een hokje wordt gedrukt, alwaar hij een eigen wereld creëert met eigen interesses en prioriteiten. Als ze eenmaal in die wereld zitten, kijken mensen niet snel meer over hun grenzen heen. Vinkenoog zegt niet in een hokje te leven, maar in het alomvattende. 'Ik ben een species internatus, ik kijk naar de mens vanuit de eeuwigheid. Ik weet dat de menselijke evolutie altijd zal blijven doorgaan, en op dit moment ziet het er niet leuk uit voor de mens als slaaf, beul of kannibaal.' Dan slaat Vinkenoog weer een zijpad in: 'Kijk alleen al naar de politiek, gouverner, c'est prévoir is niet meer. Bestuurders zijn enkel bezig met scherven ruimen. Niemand kan vooruitzien, we weten niet welke rampen ons te wachten staan.' Kortzichtigheid komt niet alleen voor in de politiek. De langetermijnvisie ontbreekt nagenoeg bij iedere burger, bij elk maatschappelijk onderwerp. Ook als het gaat om massamedia zijn veel mensen de basis uit het oog verloren en heeft het volk bijzaken getransformeerd tot hoofdzaken. Al in 1959, toen de televisie in Nederland nog in de kinderschoenen stond, was Vinkenoog als documentairemaker werkzaam. Inmiddels is televisiekijken uitgegroeid tot een van de belangrijkste tijdsbestedingen van de Nederlanders. Vinkenoog betreurt deze explosieve groei niet. 'Het is zoals elk medium: met een mes kun je een boterham smeren, maar ook iemand doodsteken. Alles wat de mens doet, kan voor of tegen hem worden gebruikt. Ik ben geen persoon die afgeeft op de televisie, hoewel ik besef dat het niet goed voor de geest is om alleen maar lelijke beelden te zien. Misschien dat ik tot een elite behoor die dit beseft, maar zo zijn er ontzettend veel dingen waar mensen niets van weten.' Hoewel Vinkenoog drie kranten per dag leest, maakt hij zich niet druk om maatschappelijke problemen. 'Ik leef niet in de huidige commerciële wereld. Ik trek mijn eigen plan. Iedereen kan toch zijn eigen leven indelen? Je hóeft geen deel uit te maken van een systeem. Ik voel me nog steeds behoren tot een tegencultuur: een cultuur tegen deze maatschappij vol leugens en hypocrisie.' Vanuit evolutionair oogpunt is het belangrijk dat de basis, de liefde, in orde is. Ook in een wereld vol onzekerheden is het mogelijk stabiel in het leven te staan. 'Het enige wat je kunt doen voor jezelf en je omgeving is vrede scheppen. Omringd door vrede ben je een oase in de woestijn.'

Verbreed je wereld
Vinkenoog voelt zich niet verantwoordelijk voor het grootschalige gebrek aan inzicht in het leven. 'Ik heb altijd geprobeerd mensen wakker te schudden, te laten zien hoe de wereld in elkaar steekt. Dat kan alleen op individueel niveau. Elk gesprek gaat van mens tot mens. Daarom ben ik ook zo gelukkig met mijn website. Via internet kan ik de mens persoonlijk bereiken. Zo geef ik bijvoorbeeld geschiedenisles en levenslessen vanuit de spirituele hoek. Het zou helemaal niet verkeerd zijn als studenten elke dag een halfuurtje op mijn site zouden kijken en vervolgens na zouden denken over een thema zoals de dood. Op universiteiten wordt geen aandacht besteed om ook via alternatieve ingangen over de werkelijkheid na te denken.' Vinkenoog wordt niet voor niets vaak een moderne profeet genoemd. 'Ik zie heel veel mensen instemmend knikken als ik vertel over het bestaan. Veel mensen voelen het leven precies zoals ik het omschrijf. Vaak is het zelfs zo dat je met de meest eenvoudige woorden het verst komt. Laatst las ik een gedicht op van een Afrikaanse dichter, dat louter bestond uit titels van boeken uit de wereldliteratuur. Het gedicht eindigt met: "En dit is de tijd om de beste dromer te zijn van alle tijden. Dit is de tijd om te dromen van betere tijden". Een utopie is weliswaar nooit haalbaar, maar je kunt er wel naartoe werken. Iedereen een dak boven zijn hoofd, iedereen te eten. Een tijd dat alle misverstanden de wereld uit zijn geholpen. Mensen laten zich te veel beïnvloeden door anderen en geven anderen de schuld wanneer er iets mis gaat in hun leven. Het wordt tijd dat mensen diep in zichzelf gaan kijken.'

 

Joeripisrat

Uit de Oude Doos: doodenge steeg of gezellig dorp?

Iedere twee weken rakelt ANS herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Deze week in de nostalgische rubriek: De gevaarlijkste plek van Nijmegen.

Uitgekotste dönerresten en wildplassende studenten vullen het meest ranzige plekje van Nijmegen op menig stapavond. Eerder op de avond is het knetterstoned scootertuig dat de klok slaat. Tussen de Molenstraat en de Tweede Walstraat hangt een zurige pisgeur die nooit lijkt te verdwijnen en wordt alleen bezocht door types die voorbestemd zijn voor een tuigdorp. De Vlaamse Gas heeft de reputatie van een drugssteeg waar je je liever niet vertoont. Al jaren. In juni 1990 ging ANS op bezoek in de Vlaamse Gas om te kijken of het afvoerputje van de Nijmeegse binnenstad haar reputatie waar maakt.

In het nauw gedreven

Het gevaarlijkste plekje van Nijmegen is volgens velen het Vlaamse Gas. Dat steegje heeft de naam van rovershol. Iedereen kent het wel, maar weinigen durven te gaan kijken of alle verhalen over deze straat vol koffieshops wel kloppen.

Tekst: Marc Janssen en Hanno Smits

Ingeklemd tussen Molenstraat en Tweede Walstraat ligt het engste straatje van Nijmegen. Het is er smal en donker en ruikt er niet vaak fris. Koffieshops en jonge buitenlanders bepalen het beeld. Op zonnige lentemiddagen is het buiten lekker druk, maar openstaande deuren met veel donker erachter rieken naar duisteren praktijken. Weinig brave burgers durven door de Vlaamse Gas te lopen, want ze vermoeden er junks, vechtpartijen, gevaarlijke dealers en rondvliegende kogels. De Vlaamse Gas heeft de naam van een super-criminele staat waar verslaving en dood achter elke straatsteen wachten. Hoe kan het ook anders met al die koffieshops, louche disco's en muren vol graffiti. Vorig jaar nog werd Willie's Space Bar opgedoekt door de politie vanwege de vreselijk verboden handel die er plaatsvond. Volgens de barman van Dread's Jet Set (de zaak is familie van overbuurman Dreadlock) zijn al die verhalen over het gevaar in de Gas onterecht. 'Het is hier nu een stuk rustiger dan vroeger. Toen was het zuipe zuipe zuipe en dan flink vechten. De mensen die nu komen, roken een blowtje en drinken wat. Ze blijven heel relaxed. Je kunt echt zonder gevaar door de straat lopen. Je kunt zelfs beter hier zitten dan in een discotheek. De mensen die hier komen zijn vooral jongeren. Veel jeugd van veertien of vijftien jaar probeert binnen te komen, maar dat mag niet. Die lui worden weggestuurd, anders krijgen we trammelant met de politie. Maar tegen jongens van 16 of 17 jaar die er uit zien als achttien doen we niks. Er komen hier lang niet zoveel junks als gedacht wordt. Meestal maar een paar. Het is typisch dat elke koffieshop zijn eigen volk trekt. In de Kronkel zitten vooral studenten, in Jet Set komen vooral jongeren uit de stad, in Street Life zitten veel buitenlanders.' Lang niet iedereen denkt even positief. Alle pogingen om de straat te verbeteren ontgaan de enige nette middenstander van de Gas. 'Van mij mogen ze dat hele spul opblazen'zegt de schilder op de hoek Vlaamse Gas-Tweede Walstraat. Voor vijfentwintigduizend gulden heeft hij moeten verbouwen om 'dat spul' na sluitingstijd buiten de deur te houden. Rolluiken zijn aangebracht voor de ramen, en de ingang is verplaatst. Via de Molenstraat komen zijn klanten niet meer, want dan moeten ze door de Gas. 'Ik wil niet discrimineren, maar als er opeens veertig, vijftig van onze etnische minderheden daar in de meest vreemde uitdossingen staan loop je wel een straatje om. Terwijl het vroeger leuk was. Toen zaten er nog gezellige kroegen, een kruidenier en een aannemer. Hier tegenover zat een broodjeszaak waar half Nijmegen kwam.' Nu zit er tegenover de schilder een groezelige shoarmatent. De barman van Dread's Jet Set geeft toe dat de Gas er erg lelijk uitziet. 'Een paar jaar terug hebben de mensen van de straat geld bij elkaar gelegd en alle muren in één keer geschilderd. Dat zag er veel vriendelijker uit. Twee weken ging dat goed, en toen stond alles weer vol graffiti. Nu zijn we bezig om een tafelvoetbaltoernooi te organiseren met de koffieshops. Daarmee hopen we ook mensen te trekken die normaal niet in koffieshops komen. We willen er in elk geval wel iets aan doen om van het slechte image af te komen. De Gas is gewoon een lekker relaxte straat waar je fijn een jointje kunt zitten roken.'

Bruin spul Vijftien jaar geleden begon het met de komst van de discotheken en sindsdien is het alleen nog maar bergafwaarts gegaan. De middenstand verdween en heeft plaatsgemaakt voor koffieshops en het daarbij horende 'bruin spul', zoals de schilder de buitenlandse ondernemers noemt. Nu voelt de schilder zich vaak niet veilig; 'Het is toch heel logisch. Mensen die drugs gebruiken hebben geld nodig en dan beroven ze een winkel.' Van de politie hoef je niet veel te verwachten volgens hem. 'Een paar jaar geleden woonde ik nog tegenover de zaak. Ik zag toen een keer dat iemand halfdood geslagen werd en belde de politie. Die kwam pas na een half uur, drie kwartier en reed eerst een paar keer langs de ingang van de Vlaamse Gas en door de Molenstraat. Pas toen ze de zaak goed verkend hadden durfden ze de Gas in. De vechtpartij was toen al lang en breed afgelopen.' Ondanks angst en pessimisme over de toekomst weigert hij de zaak, die al generaties in dit pand zit, te verhuizen. Hij gelooft niet dat het voor hem nog eens gezellig wordt in de Gas. 'Nee, er zal waarschijnlijk niemand meer komen, die hier een café zal openen dat gezellig is en waar iedereen graag komt. Er zitten hier nu alleen maar kroegjes van de tweede en derde garnituur.' Ondanks al zijn bezwaren tegen de Vlaamse Gas blijkt dat de schilder er weinig last van heeft. 'Ja, dat spul komt pas om twaalf uur het bed uit, dus 's morgens heb ik er geen last van. Pas tegen de middag gaat dat bruin spul hier tegen de gevel hangen. En in de winter blijven ze binnen.'

Gezellig dorp Hij kan zelfs begrip opbrengen voor het gemeentebeleid. 'De politie is natuurlijk blij, dat alles hier bij elkaar zit. Dan kunnen ze het in de gaten houden. Als ze de boel hier oprollen, dan gaat het zootje toch weer ergens anders zitten. Net als met de prostituées. Die moeten ook ergens een gedoogzone hebben.' De eigenaar van Dreadlock komt elke week vijf meter zwart plastic kopen bij hem. 'Ik heb een keer gevraagd waar dat voor was. Nou, dat was om alle drugs in te verpakken, zodat de honden het niet kunnen ruiken. Dat geeft wel aan hoeveel daar verhandeld wordt.' Zo verdient hij ook nog wat aan zijn buren. Maar met een muur voor de Vlaamse Gas zou hij niet ongelukkig zijn. In deze duistere steeg wonen echte mensen, hoe onwaarschijnlijk het gezien de reputatie ook lijkt. Ze wonen boven de Kronkel, boven Dreadlock, en boven de disco en de shoarma op de hoek. Op papier wonen er nog veel meer: dubieuze lieden die er hun postadres hebben. Vandaar dat de sociale dienst nu en dan een volkstelling in de steeg houdt. Diamanda woont boven de disco. 'Ja, ik woon er recht boven. Dat is een enorme herrie, maar het went wel. Bovendien is de disco maar drie dagen per week open, en ook maar tot twee uur. 's Nachts ga ik gewoon zelf uit. Verder is het een te gek huis, lekker midden in de stad, overal dichtbij. Ik woon er nu al twee jaar. Toen ik hier kwam wonen vertelde iedereen allemaal enge verhalen tegen me. Maar toen er na twee weken nog niets gebeurd was, geloofde ik daar niet meer in. Nu, na twee jaar, is me nog steeds niets overkomen. Op straat hoef ik echt geen schrik te hebben. De buitenlanders die rondhangen zijn meestal knetterstoned, dus daar heb ik geen last van. Meestal doen ze zelfs wel aardig. Het is net een klein dorp: als de mensen je wat vaker zien en ze weten dat je er woont, doen ze juist extra aardig. Verder is de straat wel gezellig. Overal vandaan komt muziek, in de zomer zijn er steeds mensen. Alleen houd ik niet van reggae. De eigenaar van de disco is ook wel aardig. Beter in elk geval dan de vorige. Die stond bij ons in de trappehal wapens te verhandelen, en in de disco danste hij heel geil met dames terwijl zijn vrouw sjagrijnig achter de bar stond. Hij was ook pooier.' Het pand waar Diamanda woont is, net als de meeste andere in de Gas, eigendom van Bavaria. 'Het gaat hen vooral om de disco's, om het bier dat daar verkocht wordt. Als wij onze huur niet betalen geven ze daar niet veel om. Pas na een half jaar komen ze in actie. De huisbaas is ook maar een dom, lui figuur. Die doet niks als er hier in huis iets gerepareerd moet worden. En de elektriciteit in de disco is levensgevaarlijk aangesloten. Overal in het plafond liggen leidingen bloot. En onze ingang zit bij die van de discotheek, dus als er brand komt zijn wij weg. Ja, ik heb wel een goede brandverzekering.' Volgens Diamanda gaan ruzies in de Gas meestal om meisjes. Ik heb zelfs al twee keer gezien dat een meisje door haar eigen vriend in elkaar werd geslagen. Vaak gaan zich met de ruzies keiveel mensen bemoeien. Vooral de meiden gaan dan keihard staan gillen, van die ordinaire dellen. Wij doen dan de lampen uit en de luxaflex open en dan kunnen we lekker kijken. Spannend! Weet je waar ik last van heb? Van die rolluiken van de schilder! Als die open gaan, om half acht 's morgens dan word ik toch steeds wakker. Die dingen piepen me toch! En de kerkklokken, vooral op zondag. Dan word ik elk uur weer wakker. Het poetswagentje van de gemeente maakt ook erg veel herrie. Maar als die niet komt, op zondag, dan is het meteen een enorme troep. Kots, smurrie, kapot glas, bakjes van MacDonalds. Gelukkig wordt hier goed schoongemaakt. Er gebeurt in de Vlaamse Gas van alles, maar ik heb daar geen last van. Het is hier gewoon prima wonen.

 

Fich

Uit de Oude Doos: Werken met kerst

Iedere twee weken rakelt ANS herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Deze week in de nostalgische rubriek: De handen uit de mouwen tijdens de feestdagen.

Voor studenten komt de kerstperiode over het algemeen neer op eindelijk ongegeneerd luieren en je volvreten aan moeders kookkunst. Zo'n winters walhalla is echter niet voor iedereen weggelegd. Voor sommige mensen is het heel gewoon om bij de feestdagen de kalkoenkluif te verwisselen voor een stethoscoop. Achttien jaar geleden schreef de toenmalige ANS-redactie over de ervaringen van zulke personen. Aan het woord komen onder andere een psychiatrisch verpleegkundige en een voormalig dienstplichtige. 'Ik vond het niet erg. Het eten was er veel beter dan thuis. Ik zat dan ook op een luxe kazerne.' Lees hieronder het artikel van december 1993

Kerstmis: Heel Nederland zwelgt in familiale gezelligheid rond open haard en feestkalkoen. Eten, staren, wandelen, scrabblen, maar vooral: nietsdoen. De culinaire inspanningen daargelaten bestaat de enige activiteit die massaal beoefend wordt uit het cultiveren van ledigheid. Maar hulpverleners, ordebewakers en andere plichtsgetrouwen hebben geen tijd om te luieren. Deze maand in ANS een vergeten groep tijdens de kerstdagen: de werkenden.

In de psychiatrische hulpverlening wordt tijdens de kerst doorgewerkt. Lida Bontekoning is sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en werkt voor het Riagg in Arnhem. ‘Nee, déze kerst hoef ik gelukkig niet te werken, maar wanneer je deel uitmaakt van het crisisteam van het Riagg, heeft dat als consequentie dat je ook met feestdagen moet werken. Je bent dan wel niet op kantoor, maar kunt wel ieder moment door de huisarts van een cliënt of de politie gebeld worden met het verzoek om acuut psychotisch geworden, manische of suïcidale personen te begeleiden. En dat kunnen gevaarlijke situaties zijn. Voor de patiënt zelf, of voor zijn of har omgeving, maar ook voor de hulpverlener zelf. Toen het onlangs tien graden vroor, werd ik opgepiept om een paranoïde zwerfster die in de bosjes sliep aan een verblijfplaats te helpen. Ik vroeg haar naar haar naam, adres en familie maar ze sloeg wartaal uit. Wel liet ze een foto van een aantrekkelijke jonge blonde vrouw zien. “Dat ben ik,” zei ze. “En ik ben op de vlucht voor iemand.” De beschrijving van haar achtervolgster was een beschrijving van de zwerfster zelf. Ze was als her ware voor zichzelf op de vlucht.’ ‘Het bezwaar tegen werken met kerst is dat je ieder moment paraat moet staan om te kunnen werken. Dat betekent dat je in deze regio moet blijven, niet kunt drinken en geen bezoek kunt ontvangen. Het kan namelijk gebeuren dat je ineens weg moet. Je kunt natuurlijk anderen bezoeken, maar je houdt toch in je achterhoofd dat je wel eens opgepiept kan worden. Mijn ouders wonen in Lelystad, dat is buiten het rayon. En soms wordt je helemaal niet opgepiept, maar dan moet je wel bereikbaar zijn. Overigens is het hier met kerst niet zo druk, normaal komt er anderhalve melding per dag binnen, met de feestdagen een halve. Als er een pak sneeuw valt, of als er zoiets als de Bijlmerramp gebeurt, is dat ook merkbaar. Mensen worden dan afgeleid, hun persoonlijke ellende raakt even op de achtergrond.’ Ook op scholen wordt rond de kerstdagen even stilgestaan bij het leed in de wereld. Harry de Ridder, contactpersoon van de Amnesty Scholengroep, heeft het vlak voor de kerstdagen drukker dan anders. De Amnesty Scholengroep verzorgt informatielessen over mensenrechten. De Ridder: ‘Zowel vanuit het basis- als vanuit het middelbaar onderwijs is er tijdens de donkere dagen veel belangstelling voor voorlichting over mensenrechten. Een verschil met de gewone voorlichting is er niet, of het moest zijn dat er wat meer behoefte is aan een actieles, waarin bijvoorbeeld brieven worden geschreven. Vaak wordt je rond die dagen wel ergens uitgenodigd om mee te eten of blijf je ergens hangen.’ Tijdens de kerstdagen zijn de scholen dan wel dicht, maar de ziekenhuizen draaien gewoon door. Mirjam (22) voltooide onlangs haar opleiding als A-verpleegkundige in het Radboud-ziekenhuis. ‘Met oud en nieuw wordt er meestal geloot, maar met de kerst móeten we werken. Je werkt met drie diensten op een afdeling, en dan kan het niet anders. Zelf vind ik het nooit zo erg om met kerst te werken. Overdag doe je toch niks thuis, en meestal is het op de afdeling wel gezellig. Dan nemen we een cassettespeler mee en draaien kerstmuziek bij de balie, het centrale punt van de afdeling. Ik probeer het wel altijd zo te regelen dat ik op eerste kerstdag een dagdienst heb, en de tweede een avonddienst. Kan ik toch nog even naar mijn ouders om lekker te eten. Op eerste kerstdag hebben we altijd een kerstontbijt, met de verpleegkundigen. De nachtdienst heeft dat voorbereid en die eten dan mee. Hoe de patiënten het vinden? Nou, de meesten hebben wel veel bezoek, en met het warme eten ’s middags mag er iemand mee eten, en ook met de uitgebreide broodmaaltijd ’s avonds. De saamhorigheid onder patiënten die samen op een kamer liggen is heel groot. En de mensen die alleen liggen hebben meestal de hele dag bezoek. En tja, sommigen zijn te ziek om zich er echt druk over te maken.’ Soldaten hebben een luizeleventje met Kerstmis. Marco (27), werkzaam bij een telecommunicatiebedrijf, was vorig jaar dienstplichtig soldaat. Ook met Kerstmis moest hij vijandelijke morsecodes onderscheppen op de kazerne in Ede. ‘Ik vond het niet erg. Het eten was er veel beter dan thuis. Ik zat dan ook op een luxe kazerne. Wij kregen een vijfgangen-diner voorgeschoteld door kelners in jacquet. Lekkere rollades, smeuïge bavarois en de wijn vloeide rijkelijk. Ook op de werkplek was er een echte kerstsfeer gecreëerd. Kerst zegt me niks, maar deze dagen waren onvergetelijk!’

Dit artikel was onderdeel van een middenpagina geschreven door Nils ten Brinke, Arjan Broers, Esther Mollema en Alex Scheffer.

 

Mickey

Uit de Oude Doos: Straatslapers

Iedere twee weken rakelt ANS herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Deze week in de nostalgische rubriek: 24 uur dakloos.

Het is een idee dat menig redactie mateloos boeit, omdat het zo ver van de gemiddelde mens afstaat: leven als een dakloze. Helaas is het door onze voorgangers al een keer gedaan. In november 2002 gingen twee redacteuren de straat op om te spreken met de mannen die wij alleen maar in het voorbijgaan zien. Ze doken volledig onder in het straatleven, sliepen op straat, aten een boterham bij de dagopvang en verkochten de straatkant bij hun eigen Albert Heijn. Het is alweer bijna tien jaar geleden, maar het onderwerp blijft actueel. Al was het maar omdat het buiten weer langzaam kouder wordt.

Lees hieronder het artikel van november 2002

Keerzijde van de Keizerstad

Tekst: Luuk Willems en Matthijs van den Broek

Woensdagochtend, 11:00 uur. In een muffe kleedkamer ontdoet Eddy zich haastig van zijn kapotgelopen sokken en vuile kleren. Ondertussen speurt hij naar de sportkleding van de dagopvang. ‘Deze wedstrijd gaan we makkelijk winnen. Op straat bouw je weerstand op, een bepaalheid taaiheid. Bij het voetbal buiten we dat uit.’ Onder zijn wilde krullen gaat een mager en scherp afgetekend gezicht schuil, dat een hard leven verraadt. Eddy voetbalt al een tijd in het team van de dagopvang. Monter veert hij op, klaar om de arena te betreden. ‘Voor mij is dit het hoogetpunt van de week,’ vertrouwt hij ons toe. Gezien het enthousiasme waarmee in de zaal wordt gevoetbald, moet dat gelden voor de meeste spelers. Wedstrijdvoetbal was niet het eerste dat bij ons opkwam bij het woord ‘dakloos’. Maar toen we de uitdaging aangingen 24 uur op straat te leven, wisten we sowieso niet wat we moesten verwachten. Hoe zouden de echte daklozen reageren op onze aanwezigheid? Nu we teruglopen naar de dagopvang voor daklozen, genaamd ‘Het Kasteel’, is die vraag al achterhaald. Vanochtend zijn we open en enthousiast ontvangen. De dagopvang is gevestigd in een oud stadspand aan de Bijleveldsingel. Iedereen is er welkom voor een praatje of een bak koffie, maar ook voor pastorale, maatschappelijke of medische hulp. In een soort huiskamer kijken mensen tv, lezen de krant, of praten wat. Anderen kijken apathisch voor zich uit: een stille verwijzing naar de psychische problemen waar veel dak- en thuislozen mee kampen. Schulden, familieproblemen en drugsgebruik zijn andere belangrijke oorzaken van dakloosheid. Vaak volgt het ene probleem op het andere, zoals bij Paul (34), vader van twee kinderen. Na een echtscheiding in 1988 raakte hij verslaafd aan harddrugs. Twee jaar geleden werd hij op eigen kracht clean. De hardste klap kwam toen zijn nieuwe vriendin hem een half jaar geleden op straat zette. Naast een woning kostte hem dit ook zijn werk. ‘Als je buiten slaapt, kun je de volgende dag niet fris op je werk verschijnen.’ Het aanbod om in te trekken bij zijn ouders sloeg hij af: ‘Op mijn achttiende ging ik het huis uit. Die beslissing zal ik nooit terugdraaien.’ Paul en zijn vriend Thomas (34) bieden aan om met hen de straat op te gaan. Lopend door de stad proeven we van het ‘echte’ daklozenbestaan. Paul formuleert rustig, kijkt bedachtzaam om zich heen en draait voortdurend shaggies. Thomas is de tegenpool van Paul. De goedlachse Molukker compenseert zijn kleine gestalte met een grote bek. Druk gebarend legt hij uit hoe de dag van een dakloze er uitziet: ‘Degene die in de nachtopvang verblijven, worden er om acht uur uitgeknikkerd. Veel mensen lopen dan naar de dagopvang voor een bak koffie. De gebruikers zullen ’s ochtends proberen te scoren. ’s Middags ga je naar het park of naar de coffeeshop, tenzij je geld nodig hebt.’ Aangezien ik noch mijn collega een cent op zak hebben, is ontspannen er voor ons niet bij. De opties zijn beperkt tot stelen, bedelen, het slijten van de daklozenkrant of het verkopen van parkeerkaartjes. We kiezen voor het laatste en lopen naar de Wedren.

Woensdagmiddag, 14:00 uur. ‘Het parkeersysteem in Nijmegen is ons gunstig gezind,’ stelt Thomas op plechtige toon. Niet volledig verbruikte dagkaarten worden door daklozen doorverkocht aan nieuwe parkeerders. Het lijkt makkelijk geld verdienen, maar Paul wijst ons op de addertjes onder het gras. Allereerst blijkt er een parkeer-godfather te zijn, die het werk al acht jaar doet. ‘Alleen van hem gedoogt de gemeente dat hij kaartjes verkoopt, dus hij bepaalt wie mag helpen.’ Een ander gevaar schuilt in de listige medewerkers van de Sociale Dienst. ‘Die maken foto’s van je, op basis waarvan ze proberen je uitkering stop te zetten.’ Veel daklozen ontvangen maandelijks zeshonderd euro doordat ze als postadres de dagopvang op mogen geven. Thomas: ‘Maar met dat geld heb je nog geen werk, en ook geen woning. Uitzendbureaus willen vaak niet bemiddelen voor daklozen; via de woningstichting onderdak vinden duurt jaren.’ Zelf staat hij nog maar drie maanden op straat, na uit de hand gelopen familieproblemen. Thomas drukt ons een brief onder de neus waarin hij zichzelf voorstelt en om werk vraagt. ‘Deze brief ga ik afgeven bij bedrijven in Nijmegen. Als ik hier geen werk kan vinden, ga ik misschien wel naar Italië. Het schijnt dat de baantjes daar voor het oprapen liggen.’

Woensdagmiddag, 16:00 uur. Met het geld dat we zojuist hebben verdiend, kopen we grote blikken lauw Aldi-bier. Genietend van het herfstzonnetje drinken we ze op in het Valkhof. Paul zit hier elke dag. ‘Dit is beter dan breedbeeldtelevisie, dit is live,’ lacht hij. Passanten groeten vriendelijk of maken een praatje. ‘Iedereen kent me hier. Als ik er een paar dagen niet ben, merk ik dat ze me gemist hebben.’ Als we stilzwijgend de conclusie trekken dat het daklozenbestaan zo kwaad nog niet is, lijkt het alsof Paul onze gedachtes raadt. Hij wijst naar het bankje naast ons. ‘Op dat bankje zal ik nooit gaan zitten,’ zegt hij zacht. ‘Daar is een vriend van me overleden. Wilde niet meer eten, drinken, niets. Hij lag daar te vervuilen, tot hij stierf aan een hartstilstand.’ En zo wijst het bankje ons op het feit dat er niet voor iedereen hulp is, dat we vandaag alleen het topje van de ijsberg zien. De zwarte kant van het daklozenbestaan komt met het naderen van de winter steeds dichterbij. Paul blijft positief: ‘Ik ben een doorzetter. Mijn vader knokte zich er na drie hersenbloedingen ook bovenop. Daar kan ik nog een voorbeeld aan nemen.’ Hij vindt zelfs de kracht anderen te helpen vanuit stichting Straatmensen voor Straatmensen. Deze stichting verstrekt elke woensdag gratis warm eten bij het oude gebouw van de Sociale Dienst, naast Lux. Om zeven uur voegen we ons met flinke honger in de rij. Twintig daklozen wachten geduldig tot er een spekpanneenkoek op hun bord ligt. Dit zijn de mensen die echt op straat leven, in tegenstelling tot de grote groep die een (semi-)vaste plek in de nachtopvang heeft. Het merendeel van hen heeft te kampen met ernstige vormen van verslaving. Matthijs (23) is één van de mensen die op straat leeft. Op mijn vraag waar hij vannacht slaapt, blijft het antwoord vaag. Als hij mijn door de avondkou ingegeven zorgelijke blik ziet, probeert hij me gerust te stellen. ‘Als ik de capuchon over m’n hoofd doe en de rits goed dicht zit, dan heb ik het niet koud hoor.’ Ik opper dat hij een van de dekens kan lenen die wij van Straatmensen voor Straatmensen hebben gekregen, omdat ook wij vannacht buiten slapen. Ik krijg slechts een zure glimlach retour. ‘Regel één van het straatleven: zorg eerst voor jezelf. Het is ieder voor zich.’

Woensdagavond, 21:30 uur. Met de wijze woorden van Matthijs in ons achterhoofd nemen we afscheid. Paul wijst ons een beschutte plaats, ergens in de struiken van het Valkhof, waar hij zelf ook een paar maanden verbleef. De schuilplaats is niet zichtbaar vanaf de weg. Zo lopen we minder kans om slachtoffer te worden van criminelen. Ook de politie zal ons hier niet verjagen, wat in de binnenstad wel regelmatig voorkomt. Verzekerd van een veilige slaapplaats, besluiten we nog even door de stad te wandelen. Met moegelopen voeten en een onbevredigbre behoefte aan warmte en rust, beginnen we ons echt dakloos te velen. We twijfelen of we onze laatste euro’s toch maar zullen spenderen in een gezellige kreog. Maar als we om kwart over elf een studentenkroeg in stappen, deelt de barman ons doodleuk mee dat de laatste ronde al is geweest. Schijnbaar is de grote Aldi-tas met bier, gecombineerd met ons inmiddels onfrisse uiterlijk, voldoende om de alarmbellen te doen rinkelen. We voelen ons uitgescheten, smerig en moe. In het park kruipen we onder onze vuile dekens, na uitgebreid te hebben gecontroleerd of we niet zijn gevolgd. ‘De nacht is koud en eenzaam – als een maatschappij’, zong De Dijk ooit. Ik weet niet of Huub van der Lubbe ook in parken bivakkeerde, maar zijn beschrijving is niet verkeerd. Elk geluid wijst op een mogelijke bedreiging: het geritsel van de struiken, stem, een harde knap, piepende autobanden in het park. Paranoïde turen we door de struiken. De opluchting is groot wanneer het langzaam licht wordt. Als we op willen staan vliegt een grommende hond ons bijna aan. Het baasje sleurt het dier mee en werpt ons een bedenkelijke blik toe. Donderdagochtend, 9:00 uur. De dagopvang heeft de rolluiken nog maar net open, of we zitten al binnen voor een kop koffie en een boterham. ‘Hebben jullie buiten geslapen? Jullie zijn echt niet goed schik!’ roept een dakloze ons lachend toeHij heeft een vaste plaats in de nachtopvang. Het feit dat we in de open lucht hebben gebivakkeerd, dwingt bij de aanwezigen duidelijk respect af. De aangeboden shaggies slaan we beleefd af. ‘Jullie zijn goede daklozen,’ krijgen we goedkeurend te horen. ‘Alhoewel, je moet geen tabak weigeren. En met dat nette brilletje lijk je op Jan-Peter Balkenende.’ We ontvluchten de dagopvang met Mike, die de daklozenkrant Impuls verkoopt. Naar eigen zeggen verdient hij er tachtig euro per dag mee. We volgen zijn ochtendritueel: we halen kranten bij het distributiekantoor, gaan even naar de coffeeshop en begeven ons dan naar de Albert Heijn aan de Daalseweg. Na Mike’s verkooptechnieken kort te hebben geanalyseerd, waag ik zelf een poging, daarbij plechtig zwerend niet te stoppen voor er één krant verkocht is. Vriendelijk groet ik het publiek van het filiaal waar ik normaal gesproken zelf met mijn bonuskaart op jacht ga. In mijn hoofd houd ik de statistieken bij: eenderde van de mensen zegt al een krant te hebben, eenderde probeert me te negeren en eenderde groet vriendelijk terug zonder iets te kopen. Wel krijg ik af en toe wat kleingeld in mijn hand gedrukt, wat nog vernederender is dan het leuren met het blad. Na twintig minuten verkooppraat hebik eindelijk een klant, waarmee ik de afspraak met Mike nakom. We nemen afscheid.

Donderdagochtend, 11:30 uur. Doodmoe maar met een opgelucht gevoel zwaai ik mijn kamerdeur open. Voordat ik een warme douche neem, kijk ik nog even wat Mike in mijn notitieblok heeft geschreven – de rolverwisseling was compleet. ‘Best even wennen om je trots opzij te zetten,’ staat er in een keurig handschrift. Daarmee vat hij een gedeelte van de afgelopen 24 uur treffend samen. Geweigerd worden in de kroeg, slapen in het park, en het trotseren van afkeurende blikken bij het verkopen van de daklozenkrant was ronduit vernederend. Aan de andere kant was er gezelligheid, openheid en zelfs verbondenheid. Buiten begint het te regenen. Vallende bladeren kondigen de komst van een nieuw jaargetijde aan. Ik hoop dat de winter niet al te streng wordt.

 

Jozien

Uit de Oude Doos: Jonas Staal

Iedere twee weken rakelt ANS herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Deze week in de nostalgische rubriek: provocerende kunst.

Een vorm van verzet, zo zou men het werk van Jonas Staal mogen typeren. Laat dit toevallig tevens het thema van het literaire Wintertuinfestival zijn. Het is dus niet zonder reden dat de kunstenaar in dat kader 24 november een masterclass op de universiteit geeft. Drie jaar geleden sprak ANS hem over zijn bermmonumenten voor Geert Wilders. Zonder enige toelichting plaatste hij foto's van de politicus, omringd met bloemen en kaarsen, naast de weg. Inmiddels schrijdt zijn fascinatie voor de PVV voort: uit het architectonische afstudeerproject van Fleur Agema, schetsen voor een enorm gevangeniscomplex, destilleert hij kille beelden en intrigerende gedachten.

Rode draad in zijn werk blijft de dunne scheidslijn tussen kunst en politiek. Experimenten in dat domein leveren hem in 2008 een rechtszaak op, in 2011 een volle collegezaal. Wij voorspellen dat, met een steeds verhitter politiek klimaat, Staal een naam blijft om in de gaten te houden.

Lees hieronder het artikel van februari 2008

Jonas Staal – Kunst als wapen

Een verwrongen autowrak op een kruising in hartje Rotterdam; de slotsom van een tragedie, zo lijkt het. Kunstenaar Jonas Staal plaatst zijn spraakmakende werk zonder verdere uitleg in de openbare ruimte. ‘Kunst’, zegt hij, ‘bedreigend’, zegt een ander.

Tekst: Boy van Dijk

In Rotown, een Rotterdams equivalent van Doornroosje, stapt kunstenaar Jonas Staal (26) binnen om klokslag twaalf uur. Met zijn lange, nette jas, gestileerd brilletje en gemillimeterd haar is hij een keurige verschijning. Niet iemand waarvan je zou verwachten dat hij vorig jaar terecht heeft gestaan wegens doodsbedreiging. Toch vormde die rechtszaak tot nu het klapstuk in de pas jonge carrière van de opzienbarende kunstenaar. Staal maakte De Geert Wilders werken al in 2005. Op zestien verschillende plekken in Rotterdam richtte hij herdenkingsplekken in voor de geblondeerde politicus. Het concept was telkens hetzelfde: foto’s vergezeld van kaarsen, bloemen en soms een teddybeer. Op geen enkele wijze werd duidelijk gemaakt dat het kunst betrof. ‘Ik wil toeschouwers met mijn werk een bepaalde manier van denken opdringen, zonder dat uit de presentatie te laten blijken. Het moet een zekere verwarring stichten, aanzetten tot het heroverwegen van standpunten.’ Wilders deed aangifte van bedreiging en er werd een half jaar voorwaardelijk en 240 uur werkstraf tegen Staal geëist.

Hij zag dit directe gevolg van zijn kunst als onderdeel ervan en presenteerde De Geert Wilders werken – een rechtszaak alsof hij de procedure zelf was gestart. ‘Ik voerde de rechtszaak op als kunstwerk omdat het de aspecten van mijn eigen werk bezit: het behoort tot het publieke domein en er is een directe link tussen het maken en bediscussiëren van het werk. Met mijn werk claim ik maatschappelijke fenomenen als kunst en plaats die binnen een andere context.’ De vraag wat kunst is, boeit Staal mateloos. ‘Die vraagstelling is voor mij als kunstenaar essentieel. De uitspraak van de rechter vormde een mooie scheidingslijn. Als ik werd vrijgesproken was mijn werk beeldende kunst, als ik werd veroordeeld was ik een bedreiger en dus strafbaar.’ Staal werd vrijgesproken. Tegen die uitspraak heeft het Openbaar Ministerie inmiddels hoger beroep aangetekend. ‘Het feit dat er sprake is van een rechtszaak bevestigt de problematiek die ik met De Geert Wilders werken wilde duiden: dat de grens tussen de politicus en zijn boodschap sterk is vervaagd.’

Het gevaar van de eenwording van persoon en boodschap gaat eigenlijk ook op voor jou als kunstenaar. Bijvoorbeeld door je hoofdrol in de rechtszaak over je werk. ‘Ik zie een duidelijk onderscheid omdat ik een performer ben. Sommige performances moeten zo nauwkeurig worden uitgevoerd dat ik ze niet kan uitbesteden aan iemand anders. Dat was duidelijk te zien bij de rechtszaak: ik kon mijn advocaat niet toevertrouwen het referentiekader over te brengen dat ik als beeldend kunstenaar wil opdringen aan mijn publiek en daarom deed ik het zelf.’

Je schrijft ook pamfletten, daarin ageer je vaak tegen de vervlakking en vercommercialisering binnen de nieuwsvoorziening door de media. Tegelijkertijd profiteer je van de media-aandacht die jouw installaties krijgen. ‘Op die paradox word ik vaker aangesproken. Ik zie de media als vijand, als concurrent, omdat ze hetzelfde doel hebben als ik: een bepaalde manier van kijken opdringen aan de toeschouwers. Wat ik constateer in de nieuwsvoorziening en de manier waarop de politiek daarvan gebruikmaakt, is dat het streven naar objectiviteit, de waarheidsvinding verloren is gegaan. Natuurlijk bestaat er geen onbetwistbare en ultieme waarheid, maar dat betekent niet dat er geen onderscheid moet worden gemaakt. Het is geen reden om een waardeloze krant als De Telegraaf te lezen in plaats van NRC Handelsblad.’

Onlangs was er een grote controverse rondom een geplande fototentoonstelling van de fotografe Sooreh Hera in het Gemeentemuseum in Den Haag. Die tentoonstelling, waarin onder andere homoseksuele moslims met de beeltenis van de Profeet als hoofd te zien zouden zijn, werd later alsnog afgewezen door het museum. Je zei toen te twijfelen aan de legitimiteit van haar werk. ‘Een aantal journalisten vroegen toen of ik haar steunde. De verwachting was dat ik het met haar eens zou zijn, omdat zij net als ik bepaalde kwesties op een zeer nadrukkelijke wijze aan de orde stelde.’

Je besloot je af te zetten tegen dat verwachtingspatroon? ‘Nee, ik was het gewoon niet eens met de inhoud van haar werk en hoe zij die uitdroeg. De media hebben een ontzettend grote rol gespeeld in de discussie over haar werk. Als je daar als kunstenaar in participeert en het gebruikt, is voor mij de vraag: hoe en waarom? In mijn werk zijn ook de media een deel van het onderwerp, met als doel daarin te infiltreren en bepaalde verschuivingen teweeg te brengen. Uiteindelijk is de vraag of ik daarin ben geslaagd. In het geval van Sooreh Hera was het heel duidelijk dat zij zowel in haar werk, als in haar uitspraken en haar gebruik van de media zich geenszins bewust was van een referentiekader waarin zij haar werk plaatste. Terwijl daarin juist het belang van het kunstwerk schuilt. Als het openbreken van een referentiekader ontbreekt, dan bestaat wat je zegt eigenlijk niet of enkel en alleen in de context van de kunstvorm.’

In je reactie op Sooreh Hera trek je een vergelijking tussen haar werk en Submission van Van Gogh en Hirsi Ali. ‘Naast het fotografisch werk van Sooreh Hera heb ik ook het filmpje Allah el gay bar van haar hand gezien. De vergelijking met Submission komt voort uit de keiharde misvatting dat dergelijk materiaal werkelijk als film moet worden bediscussieerd. Cinematografisch is Submission het meest wrakkige ding dat ik ooit heb gezien. Ook het filmpje van Sooreh Hera getuigt van een vreselijk slecht inzicht in editing, filmkwaliteit en het gebruik van symbolen. Uit de platvloerse vergelijking van de premier van Iran met homo’s in gay bars spreekt een totaal gebrek aan inzicht in de door haar gehanteerde beeldtaal.’

Binnenkort komt de film van Geert Wilders uit, wat verwacht je daarvan? ‘Ik vind het uitermate boeiend. Het is een nieuw fenomeen in Nederland dat er op zo’n ondubbelzinnige wijze propaganda wordt gevoerd. Het zou Der ewige Jude van 2008 kunnen worden.’

In het NRC Handelsblad van 7 augustus 2007 noemde je Geert Wilders jouw muze. Vanwaar die fascinatie? ‘Geert Wilders is in zijn uitspraken transparant, ondubbelzinnig en extreem. Tegelijkertijd is hij de oprichter van een partij die volkomen ontransparant, dictatoriaal en totalitair is opgezet en op geen enkele wijze direct contact heeft met zijn kiezers, bijvoorbeeld in de vorm van de mogelijkheid lid te worden van de partij en inspraak te hebben in bestuurlijke keuzes. Dat die twee extremen in één persoon zijn verenigd vind ik uitermate interessant. ‘Hij is de exponent van het populisme, maar de typische reactie van zijn kiezers is niet “wat Geert Wilders zegt, klopt”. Als hij de Koran wil verbieden, dan zeggen zij: “In principe ben ik het er niet mee eens, maar iemand moet het zeggen.” Wilders leunt dus op uitspraken die nooit werkelijkheid kunnen worden en zelfs zijn kiezers weten dat.’

In hoeverre kan, na alle ophef in het afgelopen jaar, Geert Wilders of de Haagse politiek in het algemeen nog als inspiratiebron voor je werk dienen? ‘Als onderwerp is Wilders te beladen doordat ik als persoon bekend ben geworden in de context van de rechtszaak. Daardoor kan ik niet meer op een waardevolle manier met hem bezig zijn, mijn relatie tot hem is daarvoor teveel vertroebeld. ‘Ik wil me minder gaan richten op de populistische stroming en meer op het democratische bestel als geheel. Daarvoor ben ik samen met mijn collega Vincent van Gerven Oei bezig met het oprichten van een politieke partij die de blanco stem moet gaan vertegenwoordigen. De democratie zoals die in Nederland bestaat, dwingt je tot het conformeren aan een standaard, aan criteria die door het systeem worden opgelegd. Het staat voor “vrijheid” en een ”eigen mening”, maar die vrijheid is al opgesplitst in de keuzes ‘voor’ of ‘tegen’. Het kader waarin je als burger mag participeren is vooraf vastgesteld. Het incasseren van kritiek op het systeem, bijvoorbeeld in de vorm van de blanco stem, maakt onderdeel uit van dat systeem. ‘Wij willen als kunstenaars ruimte creëren om posities in te nemen die niet vooraf zijn gedefinieerd. Op dit moment is de blanco stem in Nederland al van betekenis voorzien, hij wordt verdeeld over alle politieke partijen. Daarnaast is het onthouden van stemming vastgelegd als het niet in staat zijn tot of het niet willen vellen van een inhoudelijk oordeel. Zelfs de keuze niet te participeren is dus geïntegreerd in het systeem. Wij claimen het recht om niet te participeren als een op zichzelf staande en legitieme keuze.’

Om het recht op onttrekking aan het systeem te claimen moet je als partij wel eerst toegeven aan dat systeem, onderdeel worden van hetgeen je bestrijdt. ‘Dat klopt, maar die deelname wordt beperkt tot een minimum. Als partij willen we binnen het bestel ruimte scheppen om de blanco stem te herdefiniëren tot een open, zoekende, constant vragende vorm. Als we worden gekozen voor de Tweede Kamer hebben we daarom een vaste spreektekst: “Wij van de blanco partij kiezen ervoor ons te onthouden van onze stem om deze en deze reden.”’ ‘Democratie zoals wij die in Nederland kennen, staat niet voor vrijheid binnen de ontwikkeling van een individu, een individu dat vanuit zichzelf een mening over dingen kan vormen. Vrijheid van meningsuiting is op dit moment niets meer dan het “voor” of “tegen” stemmen tijdens een referendum. Je bent voor of tegen Sooreh Hera, voor of tegen Hirsi Ali, dat heeft voor mij niets te maken met werkelijke vrijheid.’

Wat is vrijheid voor jou dan wel? ‘Ik zie vrijheid als de mogelijkheid om je eigen conflict te bepalen. Vrijheid als de maximale afstand die je kunt verkrijgen tot de wereld om je heen en het uitzoeken van de conflicten die je interesseren. In mijn geval gebruik ik de politiek om dieper liggende vragen over waarheidsvinding te kunnen stellen.’

Zie je zo’n situatie als een reële mogelijkheid? ‘Door me te schikken naar het systeem en dat systeem tegen zichzelf te gebruiken, probeer ik het maximaal uit te putten. Er komt een moment dat het systeem zichzelf blokkeert. Dan is er een vrijwaarding van betekenissen, worden de dingen opnieuw geordend en is er een kort moment van afstand waarin posities opnieuw kunnen worden gedefinieerd. Dat biedt de mogelijkheid om jezelf als persoon anders tot de dingen te verhouden en je als individu te ontwikkelen. Op die manier kan kunst worden gezien als wapen om jezelf te herdefiniëren.’

 

Joeripisrat

Uit de Oude Doos: Schuimbekkende Nederhop

Iedere twee weken rakelt ANS herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Deze week in de nostalgische rubriek: obscure Nederhoppers in Doornroosje.

Er was een tijd waarin je nog prima met ons blad je reet kon afvegen. In 1997 was ANS nog een grauw vodje in krantformaat. Tevens waren rappers toen nog rotte appels. Eind van vorig academisch jaar spraken we met Zo Moeilijk. De heren, allen in hun dertiger jaren, kwamen beangstigend lief over. Geen stoerdoenerij, slechts gematigde woorden over vaderschap en afspraken nakomen werden geuit.

Anno 2011 is je gedragen als rockster blijkbaar passé. Om in DWDD te belandden moet je niet spannend en eigenzinnig zijn, maar een geinige anekdote hebben of een voor iedereen bekend nummer lafjes vertolken. Het publiek moet immers mee kunnen neuriën, niet? Zo was het niet altijd. Dit artikel bewijst dat Nederlandstalige hiphop, nu verpest door zoete teksten van knuffel-Marokkanen en klinische beats door nep aso's, ooit rauw en hard was. Met een naam als Neuk! weet je in dat geval dat het goed zit.

Lees hieronder het artikel van maart 1997

Moederneukende halfgoden

Neuk! en White Wolf in Doornroosje

Tekst: Kasper van Zundert

Sinds Osdorp Posse eind jaren tachtig met Nederlandstalige hiphop begon, heeft het genre zich in rap tempo ontwikkeld. De tweede generatie Nederhoppers wil eindelijk eens het juk van Osdorp Posse van zich afschudden en laat van zich horen: ‘Hebben jullie hier in Nijmegen ook wouten?’

‘Godverdomme, wat een moederneukers hier.’ Zanger/rapper Het Beest van de Nederhop-formatie Neuk! komt kwaad de kleedkamer van Doornroosje binnen stormen. ‘Beloven ze ons een vijfdelig drumstel en dan stáát het er niet.’ Mederapper De Maniak houdt een verfrommeld blaadje omhoog. ‘Kijk nou zelf, het staat gewoon in het contract. Ze zouden ook voor eten zorgen, nou zie jij het? Ik niet.’ Voor Neuk! is de toon gezet. ‘Het wordt rellen vanavond’, schreeuwt Het Beest door de kleedkamer. Kans om uit te leggen wat hij daarmee precies bedoelt, krijgt hij niet, want collega-Nederhopformatie White Wolf heeft zojuist het podium betreden en blaast de eerste beats de zaal in. Het Nijmeegse publiek laat zich de eerste verrichtingen van White Wolf aarzelend welgevallen. Maar als woordkunstenaars Samp B. en C.M.C. (in het dagelijks leven Bas van Velzen en Camiel van Dorsellaer), langzaam warm draaien merkt het publiek dat ze toch wel met een uitzonderlijke Nederlandse act te maken hebben. Met tekstueel goed doordachte raps laten de twee zien dat ze het niet schuwen om ook over serieuze onderwerpen hun zegje te doen. Het ene moment bedachtzaam, het andere moment plotseling fel en vol woede. Voeg daarbij de funky beats van de begenadigde dj en beatcreator P.W.B., en zelfs de enkeling die daarstraks nog vond dat deze jongens ‘maar een kopie van de Osdorp Posse’ waren, is overtuigd. Het overgrote deel van de nummers dat gespeeld wordt is afkomstig van de laatste cd Bij nacht en ontij. Maar ook als enkele nummers van het eerste album Hondsdolheid worden vertolkt, is er in de zaal een kleine harde kern die de teksten letterlijk meeschreeuwt. ‘Daar stond ik wel een beetje van te kijken’, vertelt Van Velzen na het optreden. ‘Maar dat er tussen onze fans echte die-hards zitten, wist ik al.’ Ter gelegenheid van de tweede cd werd bij wijze van grap een wedstrijd uitgeschreven waarbij gegadigden een tatoeage van het logo van de band konden winnen. Van Velzen: ‘Inmiddels lopen er in Nederland vijf gekken rond met ons logo ergens op hun lijf. Een ronduit belachelijk idee.’ Nederhop zit in de lift, dat mag duidelijk zijn. Nadat de Osdorp Posse eind jaren tachtig met Nederlandstalige rap aan de weg begon te timmeren, heeft het genre zich behoorlijk ontwikkeld. Toch zijn er velen die het succes van de tweede generatie Nederhoppers, waaronder White Wolf en Neuk!, vooral op het conto van de Osdorp Posse schrijven. Van Velzen vindt dit een kwalijke zaak. ‘In het begin zijn we erg door hen beïnvloed. Maar al snel daarna zijn we onze eigen stijl gaan ontwikkelen. We zijn nu al zo’n zes jaar bezig, en de credits daarvoor komen echt aan onszelf toe.’ Volgens Van Velzen drukt de Osdorp Posse als een behoorlijk zware last op de rest van de Nederhop bands. ‘Wat je ook doet en hoe je het ook doet, je wordt tot in den treure met ze vergeleken.’ Voorman Het Beest van Neuk! is het hiermee roerend eens. ‘Iedereen is nu opeens op de pik van Def P van de O.P. gesprongen. Vroeger moest niemand hem. Toen ze eenmaal in de gaten kregen dat ze gewoon niet om hem heen konden, ging de voltallige vaderlandse pers hem opeens hypen. Nu is híj opeens God, en wij doen hem zogenaamd allemaal na. Op onze volgende cd wil ik al die critici die minachtend over ons werk doen, eens stevig onder de reet trappen, stelletje klootzakken.’ Toch zijn Het Beest en Van Velzen het erover eens dat ze van Def P een beslissend zetje in de rug hebben gekregen. Door het samenstellen van twee Nederhop-verzamelalbums onder de naam De Posse, Nederhop Groeit en De Posse, Deel Twee, creëerde hij voor een aantal bands de mogelijkheid om uit de anonimiteit te treden. Voor zowel Neuk! als White Wolf resulteerde het eenmalige uitstapje op de verzamel-cd in een platencontract bij het roemruchte Djax-label. Over de samenwerking met hen is Het Beest razend enthousiast: ‘Het voordeel van Djax is dat ze je geen eisen opleggen. Zolang wij onze muziek netjes blijven afleveren is het wat hen betreft okee. Op die manier kunnen we precies doen waar we zelf zin in hebben. En dat is mooi, want we hebben ons eigen willetje en vooral onze eigen mening.’ Dat laatste blijkt even later wel als ze op het podium staan, samen met hun vaste aanhang, de Kankerlijers for Life-posse. ‘Jullie hebben hier zeker ook wel wouten?’ vraagt Het Beest. Zonder op antwoord te wachten dondert er een geluidsmuur op de zaal neer. Op een mengeling van hardcore, punk en funk pogoot het publiek dat het een lieve lust is. Het Beest springt van links naar rechts over het podium. ‘Je beste vriend, de politie! De politie je fokkin’ beste vriend het is een moederneukende sukkel die de wet dient!’ Als een goed voor zijn kroost zorgende vader informeert hij even later of er in de zaal wel genoeg bas klinkt. Dat maakt het publiek niet zoveel uit. Laat de band maar door spelen. Een ongekend felle tirade treft de ‘Bloesjesman’. ‘Hebben jullie hier ook zo’n plein waar van die Diesel-gozers komen met van die vriendinnen met zo’n klein rugzakje, en weten jullie ook nooit wat er in die rugzakjes zit?’ De Maniak valt hem bij: ‘Je kent het wel, met zichzelf in de knel, uitdagend, bloesdragend, schop ze naar de hel!’ Het publiek springt en stagedivet ondertussen in volle vaart door. Op sommige momenten stapt Het Beest even op de rem en laat hij als een volleerd rockster de aanwezigen a capella zijn tekst meebrullen. Waarna de band uptempo de leiding terug eist. Even plotseling als het geraas begon, stopt het, als Het Beest vloekend en tierend richting kleedkamer verdwijnt. Zijn bril is stuk. In de kleedkamer lopen de emoties hoog op als hij een medebandlid ervan beschuldigt zijn bril te hebben vertrapt. Enkele omstanders weten de gemoederen te sussen. Maar van doorspelen is geen sprake. ‘Ik heb min zes, dit zijn mijn ogen’, roept Het Beest. ‘Ik kan dat podium echt niet meer op.’ En zo moet het publiek zonder toegift naar huis. Even later als hij weer een beetje bij zinnen is, relativeert Het Beest de gang van zaken. ‘Het ene moment zit je thuis en het volgende moment heb je een platencontract en sta je in Nijmegen op te treden waar iedereen denkt dat je een soort halfgod bent. Dat is gewoon lachen. Je lacht je hele reet eraf als je zoiets meemaakt.’

 

Joeripisrat

Uit de Oude Doos: vervelend vlees

Iedere twee weken rakelt ANS herinneringen op door een artikel uit de archieven te plukken. Deze week in de nostalgische rubriek: van koe naar koeling.

Wegens alle commotie rondom ons aller Roosje lijken sommige mensen te vergeten dat vegetariërs niet per definitie de wortel van het kwaad zijn. Onlangs gooide een van onze redactieleden zelfs zijn idealen overboord en smikkelde eenmalig van een onbeperkt spareribs-menu, naar eigen zeggen om journalistieke redenen.

Hoe het ook zij, de man met de geitenwollen sokken onder zijn rode broek heeft betere tijden gekend. Enige jaren geleden, toen sommigen Katja en Georgina nog lekker vonden, was vleesabstinentie zelfs bijzonder trendy. ANS volgde toentertijd de waan van de dag en besloot een blikje te werpen in een bloederig abattoir.

Lees hieronder het artikel van maart 2004

Berichten uit het abattoir

Dierenliefde is in, bio-industrie uit. Hippe BN'ers als Katja Schuurman en Jort Kelder houden zich bezig met het wel en wee van gedierte in de bio-industrie. Stichtingen als Wakkerdier, Animal freedom en Bont voor Dieren staan op de barricades voor de grazende viervoeter. Omdat ANS niet wil achterblijven bezoeken we Slachthuis Veenendaal. Slachtpraktijken in ons laagland: over dierenliefde, slachtprocessen en tweekoppige wormen.

Tekst: Joep Smaling

Schuurman en Verbaan liggen samen in bed. Verleidelijk kijken ze de camera in. Het is geen reclameposter van een nieuwe Johan Nijenhuis-film waarin lesbische escapades van de twee schoonheden centraal staan. Tussen hen in ligt namelijk een schattig biggetje dat volgens de poster onverdoofd wordt gecastreerd. 'Eet geen dierenleed' is de slogan waarmee BN'ers zich sinds kort inzetten tegen 'gruwelpraktijken' in de bio-industrie. Gruwelijk of niet, de feiten zijn op zijn minst confronterend: in Nederland worden jaarlijks 22 miljoen runderen, varkens, schapen en geiten geslacht. De Nederlandse veehouderij produceert jaarlijks zo'n drie miljoen ton vlees. Slachthuis Veenendaal is een klein familiebedrijf in een industrie waarin miljarden euro's omgaan. We worden verwelkomd door Co van Ginkel, de vriendelijke, potige eigenaar. Aanvankelijk slachtte hij zo'n 450 varkens per dag en veertig koeien per week. Toen na de MKZ-crisis het verwerken van varkens niet meer rendabel was, stapte Van Ginkel over op het slachten van louter schapen, koeien en stieren. Nu worden per week een paar honderd beesten gedood, afhankelijk van de vraag die voornamelijk van slagers komt. Soms kan het SHV goedkoop vee 'op de kop tikken' om er vervolgens geïnteresseerde slagers voor te zoeken.

Hersenpin De entree van het abattoir ziet er uit als elk boerenbedrijf. Er is een laad- en losruimte waar de beesten worden binnengebracht om vervolgens door een stelsel van hekken te worden gejaagd. Het ruikt er naar urine en mest. De stieren worden onmiddellijk gescheiden van de koeien om te voorkomen dat die worden gedekt. Paren is geen optie in het voorportaal van de dood. Eenmaal het hekkenstelsel door wacht er iemand met een apparaat dat, aangedreven door de explosie van een klein kogeltje, een centimeterlange pin door de schedel van de herbivoor schiet. Recht tussen de ogen. 'De bedoeling is een flinke hersenbloeding te veroorzaken zodat het beest meteen wordt verdoofd.' Hierna volgt onmiddellijk de neksnede. Van Ginkel: 'Omdat het beest nog niet helemaal dood is, blijft het hart pompen. Dat is dan ook de bedoeling: op deze wijze bloedt het in een razend tempo dood.' De eigenaar vertelt dat bij het openzagen van het lichaam het hart soms nog klopt. Boven ons vult een stelsel van hefmechanismen, kettingen, haken en zagen de ruimte. Ik kijk er naar en ben als de dood dat ik ergens tegen een knop aan stoot en een of ander mechanisme in werking stel waardoor ik word opgetild om te worden gevild: het volgende procédé. Het nog warme rund wordt omhoog getrokken en de huid van een poot gedeeltelijk verwijderd. De kettingen transporteren het naar een ander mechaniek dat de prooi in één ruk ontdoet van zijn huid. Vervolgens wordt het beest met elektrische zagen geopend vanaf het borstbeen en worden alle ingewanden er uitgehaald. Ingewanden en bloed worden meteen verbrand. Op zaterdag wordt hier geen vee geslacht. Medewerkers zijn dan voornamelijk bezig met het reinigen van de ruimten. De schoonmaakdiensten kunnen niet voorkomen dat er een penetrante lucht van rauw vlees hangt. Het is alsof er continu een lauwe, ongebakken biefstuk onder je neus hangt die te lang in de zon heeft gelegen.

Dode ogen In de koelruimte hangen gigantische torso's van koeien, stieren en schapen. De compacte vleesbonken, gestempeld en gekeurd, zien er niet eens zo heel onsmakelijk uit. Wel smerig zijn de bakken met slachtafval, dat wil zeggen: met koeien- en schapenkoppen. Van Ginkel wijst op de kleine schotgaten tussen de ogen. Ik word langzaamaan een beetje onpasselijk van de vleesgeur en al het dode, gekoelde vlees om me heen. De schedels bevatten nog hersenen, ogen en wat willekeurige lappen vlees als een verdwaald, harig oor. De ogen staren me wezenloos aan en de koppen lijken sullige glimlachen te vertonen. Ik vraag me af of ze boos zijn op de potige slachter. Bij de varkenskoppen wijst hij op de schroeiplekken om het oog: biggen worden geëlektrocuteerd omdat ze, eenmaal de hekken ingedreven, nogal wild worden en de schietpin dus niet het gewenste doel raakt. Het SHV denkt ook aan de koranvaste medemens: het levert aan islamitische slagerijen. Als er een bestelling is geplaatst komt een imam langs om de schapen ritueel te slachten: 'Dit stelt weinig voor,' zegt Van Ginkel. 'Het enige verschil met de normale slachtprocedure is dat het beest geen pin door zijn hoofd krijgt maar dat rechtstreeks de strot wordt doorgesneden.'

Slachten voor de kost De eigenaar verklaart waarom veel slachthuizen terughoudend zijn ten opzichte van de media. 'Voor de leek ziet het er allemaal heel luguber uit. Dat is natuurlijk niet bevorderlijk voor de sector.' En waarschijnlijk een van de redenen waarom wij vandaag geen slachtpraktijken te zien krijgen. De varkenspest, BSE en mond-en-klauwzeerplaag hebben hun stempel gedrukt op de vleesindustrie. Controles zijn aan de orde van de dag: Van Ginkel spreekt zelfs van 'overcontrole'. Dagelijks komen ambtenaren langs om de vleeskwaliteit en de koeltemperatuur te keuren. Deze ambtenaren worden op hun beurt weer door andere overheidsfunctionarissen gecontroleerd. Het bedrijf heeft ook een eigen keurmeester in dienst. Deze controleert of er geen 'vinnen' in de kop zitten: 'Een vin is een klein wormpje met twee koppen. Als consumenten het vlees niet goed genoeg bakken overleeft het wormpje en kunnen ze ziek worden. Ouderen en mensen met weinig weerstand kunnen er zelfs aan overlijden,' aldus de eigenaar. Ook wordt gecontroleerd of er geen groeihormonen in het vlees zitten. Hoewel het gebruik ervan verboden is, is het mogelijk dat een leverancier ze toch heeft toegediend. Heeft Van Ginkel geen moeite met de systematische slachting van talloze beesten als broodwinning? Hij antwoordt gelaten. 'Alles went. Aanvankelijk had ik er wel moeite mee, ik kom uit een agrarisch milieu, ik hou van dieren.' De ingelijste portretten van vredig grazende koeien die de kantine opleuken, lijken dat te bevestigen. Hoe paradoxaal ook, hij brengt het met veel overtuigingskracht. Wel heeft hij nog veel moeite met het slachten van paarden. 'Dat zijn immers edele dieren.'

Als we vertrekken schudt de eigenaar ons vriendelijk de hand. 'Mocht ik nog iets voor je kunnen doen, je zegt het maar.' Aardige man, wrede broodwinning. 's Avonds werk ik twee vettige braadworsten naar binnen en denk ik aan de starende koeienkoppen. Even overweeg ik vegetariër te worden. Als omnivoor werk ik immers mee aan het niet geringe leed dat wordt toegebracht aan miljoenen machteloze dieren. I'm loving it! schreeuwt de McDonalds reclame van de beeldbuis. De beelden van de slachtpraktijken zullen snel vervagen. De meeste vleeseters zien ze niet eens. Toch wel lekker, die braadworsten.

 

Joeripisrat