Het Issue – Taalstrijd in de Kamer
In deze rubriek staat iedere maand een ander issue centraal, waarover de meningen sterk zijn verdeeld. Deze maand: Krachttermen of onredelijk taalgebruik in de Tweede Kamer?
Als het aan Johan Remkes (VVD) ligt moet er een einde komen aan ‘onfatsoenlijk’ taalgebruik in Tweede Kamerdebatten. Kamerleden die een woord als ‘reet’ in de mond willen nemen zullen dit voortaan moeten inslikken. Medestanders zetten de morele oproep kracht bij in Remkes’ brief aan de Kamervoorzitter. Er is inmiddels afgezien van zijn eerdere voorstel om de lijkenregeling opnieuw in te voeren. Met die regeling kon de Kamervoorzitter tot 2001 onredelijke uitspraken uit de notulen schrappen.
Tegenstanders betitelen Remkes’ oproep als ‘muggenzifterij’. Zij hebben geen bezwaar tegen een stevig debat. Sterker nog, zij vinden dat de discussies er beter van worden. Meer emotie in de Kamer zou goed zijn. Is de verruwing van het Tweede Kamerdebat een probleem of is er sprake van gezeur door ouderwetse politici?
De stelling van deze maand:
Bezwaar tegen taalgebruik in de Tweede Kamer is gezanik
Charlie Aptroot, Kamerlid VVD, ondertekende de brief van Remkes
‘Het is een teken van zwakte wanneer grove taal in de mond wordt genomen. Van politici mag worden verwacht dat zij op niveau debatteren. Dit betekent niet dat dure woorden moeten worden gebruikt, maar er mag wel worden uitgegaan van bepaalde fatsoensnormen. Zelf doe ik wel eens bewust ongenuanceerde uitspraken, maar ik word niet grof. Een emotioneel debat betekent niet dat je onredelijk taalgebruik moet bezigen. Politici die dit wel doen en argumenteren dat ze de taal van het volk spreken, proberen slechts media-aandacht te trekken.
‘De meest puberale taal passeert de revue in de Kamer. Onlangs verloor een collega een debat, waarna hij de woorden “aan m’n reet” gebruikte. De Voorzitter kan in een dergelijke situatie een politicus het woord ontnemen, maar zij is niet alleen verantwoordelijk. Ik vloog meteen naar de microfoon om aan te geven dat zulk taalgebruik niet door de beugel kan. Alle 150 Kamerleden hebben de plicht zich te gedragen. De Kamer heeft een voorbeeldfunctie. Neem het Engelse Lagerhuis. Daar wordt geen onparlementaire taal gebruikt, maar wel een stevig debat gevoerd.
‘Er is een verschil tussen jezelf ongenuanceerd uitdrukken en het overschrijden van fatsoensnormen. Grof taalgebruik leidt af van de inhoud. Wanneer we ons hier voor behoeden en beschaafd met elkaar omgaan, kunnen we ons weer richten op de inhoud.’

Dick Pels, socioloog en publicist
‘Ik vind verruwing een gekleurde term. In Nederland is debatteren heel beleefd vergeleken met debatten in het Engelse Lagerhuis. De inhoud gaat niet verloren bij het gebruik van krachttermen. Populisten als Wilders bezigen bijvoorbeeld ferme taal. Het debat wordt daar beter van, omdat dit de verschillende opvattingen
‘Remkes is een ouderwetse VVD’er die harde taal plat en laag-bij-de-gronds vindt, zo blijkt uit zijn brief. Hij idealiseert een debatvorm waar alle scherpe randjes vanaf zijn, terwijl een emotioneler debat nodig is. Met Wilders hoef je het niet eens te zijn, maar hij maakt het debat wel interessanter. Het is jammer dat links geen tegenwicht kan bieden. Tekenend hiervoor is Vogelaar. Toen Wilders haar knettergek noemde, stond ze met haar mond vol tanden. De linkse partijen hebben angst voor verruwing door gebrek aan eigen visie. Inhoud gaat verloren door consensusdrang. Meer emotie maakt het debat juist levendiger. Het Nederlandse Kamerdebat is gewoon te braaf. Het mag allemaal wat onchristelijker.’
Ineke van Gent, Kamerlid GroenLinks
‘Vaststellen welk taalgebruik wel en niet door de beugel kan in een Tweede Kamerdebat is te subjectief. Kamerleden corrigeren door middel van een lijkenregister getuigt van partijdigheid. Bepaald taalgebruik verbieden heeft geen enkele zin. Voor een morele oproep als die van Johan Remkes voel ik wel iets. Ik vind dat een politicus die alleen maar grove taal uitslaat zichzelf niet serieus kan nemen. Politici met grootse woorden blijken vaak erg kwetsbaar wanneer ze inhoudelijk worden aangevallen.
‘Een stevig debat is prima, mits een Kamerlid zijn fatsoen houdt. Een minister voor knettergek uitmaken, gaat mij in dit opzicht te ver. Toen ik laatst het woord ‘waffel’ gebruikte tijdens een debat werd ik terecht teruggefloten door de Kamervoorzitter. Fatsoen houden is belangrijk, maar debatteren moet geen elitaire aangelegenheid worden.’
Carla Hoetink, junior onderzoeker Parlementaire Geschiedenis en auteur van het boek Over lijken over onparlementair taalgebruik in de Tweede Kamer
‘Verharding is van alle tijden. De situatie verschilt op dit moment echter op een belangrijk punt. Het lijkt alsof de Kamer zich herijkt. Fracties waarvan je het in eerste instantie niet verwacht, nemen de toon aan van extreme partijen uit angst om kiezers te verliezen.
‘Opvallend bij toepassing van de lijkenregeling was dat het vaker een correctie van de inhoud betrof dan een correctie van onacceptabele woorden. Er ging een grote symbolische waarde uit van het middel. De fatsoensgrens van de Kamer was bepaald. Deze waarde zie ik ook terug in de oproep van Remkes. Het probleem is namelijk dat in de Tweede Kamer een draagvlak ontbreekt om bepaalde individuen tot de orde te roepen. De Kamervoorzitter heeft daar in principe voldoende middelen voor. Wanneer een spreker te ver gaat, kan de voorzitter zijn microfoon uitzetten en hem de zaal uitsturen. Problemen ontstaan echter wanneer het gros van de Kamerleden er een apenkooi van maakt. De Kamervoorzitter staat in een dergelijke situatie machteloos.’
Tekst: Dave Willems en Mart Waterval
Illustratie: Erik Molkenboer
Klik hier voor alle artikelen van ANS december 2008

(Advertenties)







