Tom Bouwmeester – De Voorspeler
Vanuit het raam van mijn hotelkamer zie ik hem op de straathoek – hij speelt gitaar. Gekleed in een driedelig kostuum, met een bolhoed en een paraplu aan zijn voeten, beweegt hij zijn vingers over de fretten en snaren van zijn mahoniehouten instrument. Ik kan zijn ogen niet goed onderscheiden, want de schaduw van de stadsbank waarvoor hij staat te spelen schermt zijn gelaat af als de rand van een hoed.
Alleen zijn mond is zichtbaar, de smalle lippen waarmee hij vluchtig glimlacht wanneer er wordt geapplaudisseerd of een dollarbiljet in zijn bolhoed wordt gegooid. Maar hij kijkt niet op. Hij kijkt onafgebroken naar de snaren, de stoeptegels, het putdeksel, de brandkraan, of naar iets wat alleen in zijn werkelijkheid bestaat.
Hoewel ik de verhalen heb gehoord die over hem de ronde doen, ben ik niet met opzet naar hem op zoek gegaan. Hij reist rond, ik reis rond; en het toeval of het lot heeft er nu voor gezorgd dat onze reisschema’s elkaar overlappen. Zijn gitaarspel werkt hypnotisch – pas wanneer een trein de stad passeert of er geschreeuw klinkt uit de kamer naast me besef ik dat ik onafgebroken naar hem heb gestaard zonder dat ik het wilde. Het is als wakker worden en vergeten zijn dat je de bedoeling had in slaap te vallen. Op die momenten begin ik te denken dat er iets op komst is, waarvan de aankomst gemaskeerd moet worden.
Er werd verteld dat hij vergeefse pogingen had gedaan om de mondharmonica te bespelen en dat hij op een warme avond, kort voordat de schemering inviel, tot het inzicht was gekomen dat hij het instrument nooit meester zou worden. Achter het vervallen schoolgebouwtje in zijn geboortedorp had hij zich tussen de woekerende klimop verscholen met een fles whisky van zijn vader; de drank brandde in zijn keel, maar omdat hij de noodzaak voelde om te drinken, dronk hij door.
Toen had er, vanuit het niets, een man voor hem gestaan.Ik heb veel mensen gezien en gesproken voor mijn werk, maar niemand voldeed aan de beschrijvingen die van deze man werden gegeven. De enige overeenkomst in de signalementen was zijn uitzonderlijke lengte. Omdat ikzelf al opmerkelijk lang ben, hoefde ik dus alleen de persoon te vinden die nog langer was dan ikzelf – maar deze persoon heb ik nooit ontmoet. Eén keer dacht ik hem te zien, ver in de woestijn buiten een dorp waar ik net was aangekomen. De gestalte zwaaide naar me, nam zijn hoed af en maakte een buiging.
Maar dat kan ook een droom zijn geweest.Een gezette soldaat met een plunjebaal over zijn schouder blijft op de straathoek staan en fluit het laatste couplet van het volkslied. Ik weet zeker dat de gitarist het niet kent, maar hij speelt het, op gehoor; zuiver, feilloos. De soldaat applaudisseert lachend, gooit twee dollarbiljetten in de bolhoed en loopt dan door. De gitarist glimlacht. Hij staat nu al zeker vier uur te spelen zonder zijn voeten te hebben bewogen; alleen zijn handen, zijn vingers en de snaren van zijn instrument.
De man die hem bezocht had een gitaar in zijn hand gehad, of een gitaar opgepakt die daar al had gelegen tussen het struikgewas. Vanaf dit punt doen verschillende versies van het verhaal de ronde. Dat wat zeker is, is dat de man op de gitaar is gaan spelen; korte, eenvoudige melodieën en daarna heeft hij de gitaar overhandigd en is hij weggelopen. Nu trekt zijn leerling rond door de dorpen van de streek met een nooit eerder vertoonde vaardigheid.
Een instrumentbouwer uit mijn geboortedorp heeft nog geprobeerd om de voorgespeelde melodieën te reconstrueren, maar niemand wist hoe de muziek had geklonken. En als iemand al een verdwaald akkoord wist te noemen, bleek hij het verzonnen te hebben om het verhaal beter te laten klinken.
Naar de voorspeler is, behalve ikzelf, niemand ooit meer op zoek gegaan, en niemand heeft ooit beweerd hem te hebben gezien. Ook ik niet – want een vreemde die vanuit de verte een dankbare buiging maakt, is niemand.Nu ik hier ben, in deze kleine, muffe hotelkamer met een ets van een veldslag aan de muur, besef ik dat in een driehoek zit – de voorspeler, de gitarist en ik. Ik vraag me af of ik eerder in het dorp ben aangekomen dan de gitarist, of dat hij er al was – ergens ben ik ervan overtuigd dat we precies tegelijkertijd zijn gearriveerd. Ergens vermoed ik ook dat de voorspeler niet ver weg kan zijn. Ik heb hem nog niet gezien, maar hij mij wellicht wel. Ik betwijfel of de driehoek enige betekenis heeft en of ik over een paar dagen niet weer vertrek zonder dat er iets is gebeurd, om de illusies die ik me maakte te vergeten.
Het gitaarspel zal, dat weet ik nu al, nog lang in mijn dromen rondzingen.
Tom Bouwmeester (1991) is schrijver en journalist in opleiding. Hij schrijft momenteel vooral korte verhalen, al sluimeren er ideeën voor een debuutroman. Op zijn weblog experimenteert hij onder meer met columns over literatuur en muziek.



-
http://www.jkg-art.com Jolyn




