Willem Claassen – Luc
‘Hé man! Alles goed?’
‘Jazeker! En jij?’
Ze deden een korte handshake, Luc en een onbekende, donkere jongen. Ik stond er naast met mijn handen in mijn jaszak.
‘Ook een beetje aan het dwalen hier?’ vroeg Luc.
‘Ik had nieuwe batterijen nodig.’
‘Dit is trouwens Simon. Ken ik van mijn studie.’
De jongen stak zijn hand naar me uit.
‘Kevin.’
‘Hoi.’
Hij keek me even aan en liet toen zijn blik afdwalen. Langs me heen, de straat in.
‘Zeg, ik bel je nog wel,’ zei hij tegen Luc.We hadden gewandeld vanaf Centraal Station. Daar hadden we afgesproken zonder te plannen waar we naartoe zouden gaan. Het was de eerste keer dat ik buiten de colleges een afspraak had met iemand van mijn studie.
‘Wat doen we? Weet jij iets leuks?’ vroeg Luc.
Ik had er niet bij stil gestaan dat we iets om handen moesten hebben voor deze afspraak. Het was wel zo logisch.
‘Zullen we de stad in lopen?’ opperde ik.
‘Da’s goed. We kunnen naar een van de cafés op het marktplein.’
Daarmee liepen we in feite weer terug richting mijn kamer. We hadden net zo goed voor mijn deur kunnen afspreken.
Een week eerder had ik een stadsplattegrond gekocht, omdat ik een paar keer de weg was kwijtgeraakt. Ik bestudeerde de kaart op mijn kamer. Ik had geen zin om er als een toerist mee door de stad te lopen. De straten moesten me eigen worden. Ik probeerde delen van de plattegrond in mijn hoofd op te slaan, maar uiteindelijk schreef ik toch wat straatnamen op een briefje om vervolgens de deur uit te gaan voor een ronde door het centrum.
Met de afspraak met Luc kon ik zien hoe goed ik de weg inmiddels kende. Zo dacht ik tenminste, maar we liepen door de grootste straat van het centrum die het belangrijkste herkenningspunt was al vanaf het begin dat ik hier kwam wonen.
Binnen die paar honderd meter had Luc al drie bekenden gezien. Elke keer was er een grote lach, werden er handen geschud en volgde een kort gesprek over wat iemand ging doen en hoe het met hem ging. Elke keer werd ik netjes voorgesteld als ‘ken ik van mijn studie’. De enige die ik herkende op weg naar het marktplein was een junk die om een euro vroeg. Hij had me al verschillende keren aangesproken. Zelfs een keer toen ik nog bezig was met pinnen. Luc kende hem ook.‘Laten we daar voor het raam gaan zitten.’
Luc wees naar een café waar al wat mensen zaten. Het was middag en ik wilde een cola bestellen. Maar Luc was het eerste die wat zei toen de serveerster kwam.
‘Doe maar twee biertjes.’
Toen ze terug naar de bar liep, tuitte hij zijn lippen. ‘Dat zag er mooi uit.’
Luc leunde achterover in de stoel, de knieën ver uit elkaar.
‘Moet je dat mens zien’, hij wees met zijn vinger naar een vrouw met een lubberende legging.
‘Wat een wijf. Allejezus.’
Ik was bang dat ze ons in de gaten kreeg, maar dat bleek niet het geval.
Nadat Luc drie keer iets had gezegd over de mensen die voorbij liepen, was het mijn beurt. Ik noemde een kleine, oude vrouw met een zwarte jas een pinguïn. Hij lachte en bestelde gelijk een tweede ronde, alsof ik zojuist examen had gedaan.
Luc sprak over politiek, maar daar wist ik niks vanaf. Toen vroeg hij naar mijn familie. Of ik broers en zussen had, en of ik die vaak zag.
‘Ik heb een zus, maar die zie ik niet zo vaak.’
‘Heeft ze verkering?’
Hij lachte en rolde een shag.
Luc had twee zussen. Allebei ouder. Eentje was zwanger van haar tweede, de ander maakte een wereldreis en was nu in Peru.
‘Eigenlijk is het geweldig om de jongste te zijn. Ze doen alles voor je. Dat is toch zo?’
Luc trok zijn jas aan om buiten te gaan roken. Hij vroeg of ik binnen wilde blijven.
‘Anders staat het zo raar. We hebben nog niet betaald.’
Terwijl hij buiten met de rug naar me toe stond, keek ik om me heen. Het café had een vitrinekast met allerlei spellen. Ik bestudeerde de zijkanten. Ze waren vaak gebruikt, hier en daar zat er een scheur in de doos. Ik kende de helft van de spellen van naam. Er stond nergens dat je moest betalen om zo’n spel te spelen, maar ik dacht dat het toch niets voor Luc zou zijn.
Toen hij weer binnen was, bestelden we gelijk een derde biertje. Ik stelde voor om na het bier weer een eindje te gaan lopen.
‘Gewoon ergens heen,’ zei ik. ‘Om hier nu de hele middag te gaan zitten is ook zo wat.’
‘Doe niet zo gek,’ zei Luc lachend. En hij maakte weer een opmerking over iemand die voorbij kwam lopen.
Er volgde een vierde bier. Ik voelde hem goed op de lege maag.
Uiteindelijk stelde hij voor om ergens te gaan eten. Ik vond dat een goed idee.
‘Niet te moeilijk.’
‘Nee, niet te moeilijk’.
Maar eerst moesten we afrekenen. Ik had het niet goed uitgeteld en kon mijn deel net niet betalen. Luc schoot voor.
‘Geen probleem.’
We aten in een kebabzaak, maar eerst gingen we pinnen. Het lopen was me wat. Mijn benen waren slap. Ik kon ze maar moeilijk onder controle houden. Ik voelde me hierdoor opgelaten, zo midden op de dag. Aan Luc was niets te merken.
We werden enthousiast begroet door de twee mannen van ‘Istanbul’, zoals de kebabzaak heette. Luc kende ze.
‘Mehmed en Mehmed!’ riep hij.
Ik bestelde een broodje döner en een grote cola. Ik stelde voor om Lucs eten te betalen, maar dat wuifde hij weg.
We gingen aan een tafeltje zitten. Het was niet druk in de zaak. Luc vertelde dat Mehmed en Mehmed twee neven waren.
‘Die kleine doet altijd het woord, de grote maakt schoon.’
Ze lachten naar ons en zeiden iets in het Turks tegen elkaar.
‘Kun je dit?’ vroeg Luc toen we klaar waren met eten en van de servetten propjes hadden gemaakt. Hij rolde zijn tong op tot wat leek op een sardientje.
‘Nee.’
‘En dit?’ Hij bewoog zijn oren.
‘Nee.’
‘Ik kan wel dit,’ zei ik, en drukte de top van mijn duim tegen mijn bovenarm aan.
‘Wow!’
Luc klapte in zijn handen.
‘Je moet donderdag eens mee’, zei hij toen.
‘Donderdag?’
Ik deed alsof ik niet wist wat hij bedoelde. Maar ik had er al het een en ander over opgevangen, in de rookpauzes van de werkcolleges op vrijdag. Ze gingen regelmatig met een groep uit.
‘Stappen in de stad,’ zei Luc. ‘Ik laat het je nog weten.’
‘Da’s prima.’
Ik probeerde niet te laten merken hoe blij ik hier mee was.
‘Kun je dit?’ vroeg ik, bijna overmoedig. Het duurde even, maar ik raakte heel kort met mijn tong het puntje van mijn neus. Een oud trucje, van mijn moeder geleerd.
Luc probeerde het, maar kwam niet in de buurt van zijn neus. Ik moest het van hem voordoen aan Mehmed en Mehmed. Zij deden me na, alleen de langste lukte het bijna. We moesten er alle vier hard om lachen.
Willem Claassen publiceerde verhalen in verschillende literaire tijdschriften. Hij is werkzaam bij Literair Productiehuis Wintertuin. Het verhaal Luc is een fragment uit een groter verhaal. Work in progress, zoals dat zo mooi heet.



-
Daniel




