ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Cleijne Column

Sommige mensen zien gewoon een kale stomme zak, maar de meesten aanschouwen een wonder der natuur. Exorbitant breed, onnoemelijk sterk en aantrekkelijk. Ik liep dan ook met welverdiende bravoure door de groene gangen van het sportcentrum, waar ik eigenlijk te gespierd voor ben geworden. Met hevig pulserende hoofdaderen begaf ik me door de draaideur en keek neder op een samengedromd schouwspel, waarvan de ogen zich allen richtten op het Erasmusgebouw, dat stond te rillen als riet. ‘Wat is hier aan de hand?’, vroeg ik aan een man met een blauwe cowboyhoed. Net toen hij wilde antwoorden, hoorde ik een vrouw schreeuwen ‘Oh mijn god het gebouw stort op!’ ‘Welnee, analfabeet, het gebouw stijgt op!’, riep ik haar toe. ‘Het stort anders wel op jou, hoor!’ En het Erasmusgebouw stortte zich op me en rammelde in elkaar. Het is nooit plezierig om begraven te worden onder puin. Zeker niet door enorm lelijk puin. Gelukkig kwam er al snel een vuilniswagen aangestuiterd. ‘Waarom rijd je niet gewoon, stinkbak?’ riep een meisje dat met me begraven was en tussen het puin door, dat op een kier stond, naar buiten keek. ‘Kan niet!’ klepperde de vuilniswagen. ‘Mijn chauffeur heeft de sleutels en moest helpen. Ze hadden een wespenplaag bij de DAR.’
‘Wat een enorm saaie woordgrap!’ schreeuwde het geplette meisje. ‘Nietes! ‘WEL!’ bulderde ze, en baande zich een weg door het puin naar boven om de vuilniswagen te lijf te gaan. Er ontstond een geweldige vechtpartij, waarbij alle vuilniswagens in de omgeving werden opgetoeterd. Ze namen al hun vuilnis mee, en ook van die dennenboomluchtverfrissers. Die hielpen geen reet. De stank was niet te harden. Ik lag met mijn kin in de stortbak van een wc waarvan de pot boven op mijn hoofd stond. Ik giechelde, en zag mezelf al een dansje doen met een pleepot op m’n bakkes. Wilde ik dat ooit doen, dan moest ik wel eerst onder het lelijkste gebouw ter wereld uit zien te komen.
Met één ferme trap van mijn robuuste benen wipte ik het valbouw de ruimte in. De grond trilde toen mijn spiervezels zich ontspanden. Ik wendde mij tot de DARfight en begon de boel te sussen. Alle vuilwagens keerden zich ineens tegen mij en begonnen op mij in te batsen. Hun kleppen hadden tanden gekregen en gingen continu open en dicht. De tanden werden steeds gemener en scherper, de kleppen klepperden steeds sneller, steeds harder. Ik was omsingeld. Kon nergens meer heen. Eén van hen scheurde mijn gluteus maximus aan flarden. Mijn strakke bilpartij desintegreerde tot een fractie van zijn voormalige zelf. Bebloede repen vlogen in het gezicht van mijn verscheurde voormalige puinpartner. Haar laatste blik vond de mijne, en ik krijste: ‘Lik m’n reet.’