ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Het elfde gebod

Hoe is het mogelijk dat Farid toelaat dat die streberige heks hem in zijn nek zoent, terwijl ik nota bene in de kamer ernaast ben?! In blinde woede knal ik de deur achter me dicht en ga naar huis.
Tien telefoontjes en vijftien smsjes van Farid later besluit ik toch maar op te nemen. ‘Wat is er met jou aan de hand?’, snauwt hij. ‘Waarom neem je je telefoon niet op?’. ‘Dat snap je best!’, roep ik. Farid lacht schamper: ‘Dat met Cindy? Dat stelde toch helemaal niets voor. Ik troostte haar, stel je niet zo aan!’ Woedend hang ik op.
Twee dagen later, op de eerste écht mooie dag van het voorjaar, ga ik met collega’s naar het terras. Vier witbiertjes – met citroen – en een frietje op het Koningsplein later heb ik ontzettend veel zin om uit te gaan. En stiekem ook om te flirten. Om één uur sta ik behoorlijk aangeschoten mee te lallen met Het is een nacht in de Fuik. De kroeg is vol, de ramen zijn beslagen. Ik wurm me langs mensen die ongewild tegen elkaar aan staan te rijden onderweg naar het vrouwentoilet. Halverwege de toch onlangs nog verbrede trap dendert een laveloos wicht recht op me af, stukjes braaksel kleven nog aan haar bruine leren laarzen. Ik probeer uit te wijken, maar verlies mijn evenwicht. Toch te veel biertjes gedronken. Ik schaaf langs de muur en knal keihard tegen het hoofd van een dispuutsjongen die me vaag bekend voorkomt. Het zal wel door mijn breuk met het verenigingsleven komen, want hij reageert agressief: ‘Kun je niet uitkijken, stomme trut!’.
Na een korte maar driftige woordenwisseling met veel woeste gebaren komt de barman tussenbeide: ‘Laat dat meisje eens met rust.’ Mij vraagt hij of ik een pleister wil voor mijn geschaafde elleboog. Ik loop dankbaar mee naar de bar.
Even later luidt André Hazes de laatste ronde in. De barman, Mick, vraagt of ik nog even blijf. We drinken een biertje en eindigen heftig zoenend en half ontkleed op een tafel. Ben ik even blij dat de gordijnen al dicht zijn. Als ik mijn ogen sluit draait alles en voel ik me opeens ontzettend schuldig. Ik duw Mick van me af en vlucht naar buiten. De koele buitenlucht werkt ontnuchterend en ik fiets als een razende naar huis. Wanneer ik langs de snackbar op het Keizer Karelplein rijd, hoor ik mijn naam. Ik kijk achter me en zie Farid in dronken enthousiasme naar me zwaaien, een frietje oorlog in zijn hand.