ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

De La Vigne

Ik word wakker in een lichte kamer. Aan de muur hangt een foto van een kleine jongen: Arthur 1983. Hij heeft meer schoenen dan ik. Hij ligt naast me te slapen. Zijn gezicht is rustig, veel rustiger dan wanneer hij wakker is. Een driftig mannetje. Als hij praat, verkrampen de spiertjes van zijn oog elke drie minuten: een tic. Ingehouden agressie, weet ik. Ik denk aan het advies dat ik ooit als lifter kreeg. ‘Nooit in de auto stappen bij kleine mannen met een grote neus,’ drukt de chauffeur, een lange blanke man, me op het hart. ‘60 % van de misdadigers is kleiner dan 1.75 m. en heeft een grote neus. Ik knik. ‘Minderwaardigheidscomplex,’ verklaart hij.
Arthur rolt zich grommend op zijn zij. De haartjes op zijn buik lopen in een puntje. Krijg ik het normaal gesproken al benauwd van een coltrui – laat staan van een relatie – ditmaal is het anders. Kut, ik ben verliefd. Voor het eerst sinds tien jaar. Paniek neemt bezit van me. Hoe ben ik hier eigenlijk beland? Het begon in Merleyn, reconstrueer ik. Een verzameling dansende individuen op een doordeweekse avond, die me niet de indruk gaven erg veel verplichtingen te hebben de volgende dag.
Ineens ben ik bij Arthur. ‘Mooi schilderij,’ zeg ik. ‘Van mijn ex,’ zegt hij enthousiast. ‘Niet zeiken over je ex,’ zeg ik dronken. Hij hoort het niet. ‘Wil je meer werk van haar zien?’ Ik voel geen dringende behoefte.
Ik ga naar de wc, geen spoor van andere vrouwen. Veel shampoo, veel parfum. Ik kijk lang in de spiegel. Op mijn dij staan zijn vingers, in mijn nek staan zijn tanden. De afdrukken zullen nog een week blijven. In de kast staan drie boeken: Geschiedenis voor Dummies, een onaangeroerd boekenweekgeschenk van Thomas Roosenboom en een werk van Houellebecq : geen grote lezer. Ik sluit mijn ogen en sla het laatste boek open : wat ik nu lees, slaat op ons: ‘Ik heb van haar gehouden, voor zover ik daartoe in staat was – wat veel liefde betekende. Deze liefde werd verspild en was puur verlies, weet ik nu. Ik had er beter aan gedaan haar beide armen te breken.’
Ik voel twee ogen op mijn kont. ‘Ik heb dinsdag een date,’ zegt het haantje. ‘Oh,’ zeg ik stom. Mijn lichaam staat doelloos in de ruimte. Ik weet niet goed waar ik mijn ledematen moet laten. Mijn lijf weet het wel : ik duik het bed in. ‘Ze heet toch geen Anne?’ vraag ik. ‘Hanneke.’ zegt hij. ‘Oh,’ zeg ik. ‘Ze is heel knap.’ Ik geef hem een aarzelende kus. ‘Jij vindt mij leuk hè?’ vraagt hij. Voordat ik kan antwoorden gaat zijn telefoon. ‘Hein!’ roept hij enthousiast. Zijn adem stokt niet als hij in me schuift. Ik zet mijn nagels in zijn billen. Het gesprek is technisch, over maten en gewichten. ‘17 cm,’ zegt Arthur. Dit is méér dan 17 cm, voel ik. ‘Hein is heel lief,’ zegt hij. Ik ook, denk ik, ik ben ook heel lief.
In mijn hoofd jengelt een liedje van Raymond van ‘t Groenewoud :
Je veux de l’amour, je veux de l’amour
Waar ik ga, waar ik sta,
Voor ik sterf, voor ik verga, je veux de l’amour
Ik wil geen geld terug van de telefoniste,
Ik wil dat ze van me houdt, pour toujours
Je veux de l’amour
In die hel,
Als ik kots in de goot
Onder ‘t kwijl, halfdood
Je veux de l’amour
Je veux de l’amour, putain.