ANS-Online

Website van het Algemeen Nijmeegs Studentenblad

Van Casteren en de bizarre werkelijkheid

Wat bezielt een journalist om de sleur van Nederland te beschrijven? Joris van Casteren maakt mooie verhalen over onderwerpen die zonder hem in de vergetelheid raken. Een boek over vergeten schrijvers ligt klaar om gedrukt te worden. ‘Ik ben doodsbang dat iemand hetzelfde doet als ik.’

Tekst: Maartje Bakker en Iris Ruijs
Foto’s: Anouk Rutten

Omgekeerde paraplu’s als lampen, overvliegende bierviltjes en een man met een bloesje van tijgerbont: welkom in café Schuim. Dit cokehol aan de hoofdstedelijke Spuistraat is het voormalige stamcafé van Joris van Casteren. Zenuwachtig schuiven we heen en weer op onze leren stoelen: hoe normaal is Van Casteren eigenlijk? En hoe clean?
Het blijkt alleszins mee te vallen: Joris van Casteren (29) is een verzorgde man; leren jasje, gel in zijn haar, plastic tas met voetbalspullen in zijn hand. Hij schreef voor De Groene Amsterdammer en zit momenteel in de redactie van Vrij Nederland. In 2001 publiceerde hij de dichtbundel Grote atomen. Enkele reportagereeksen – aanvankelijk waren ze te lezen in opiniebladen – zijn ook uitgebracht in boekvorm.
In 2005 won Van Casteren de Gouden Pen, een aanmoedigingsprijs voor jong journalistiek talent. Het juryrapport looft zijn ‘grote talent om over schijnbaar kleine gebeurtenissen prachtige reportages te schrijven. Hij pelt zijn onderwerp in alle rust schil voor schil af; in zijn verhalen ontrolt zich een bizarre werkelijkheid.’

Voyeur
Omdat de cocaïneverslaafden wat te rumoerig zijn, verruilen we ze voor de bedeesde pianomuziek van het chique hotel de l’Europe. Van Casteren schuift naar het puntje van zijn stoel en begint te vertellen. ‘Ik wil mooie verhalen maken. Ik beschouw het als een uitdaging om binnen de journalistiek mijn literaire ambities te botvieren. De werkelijkheid is mijn inspiratiebron. Mijn interesse gaat uit naar kleine dingen die niet of nauwelijks in het nieuws komen. Zo probeer ik de identiteit van Nederland vast te leggen.’
Van Casteren gaat op zoek naar de wereld die niet wordt belicht in het journaal. Hij schrijft over mensen die de snelle veranderingen in de maatschappij niet kunnen bijbenen en ‘bijna buiten de samenleving vallen’. Zulke situaties zijn overal om ons heen te vinden. ‘Als ik ergens loop, heb ik voortdurend ideeën. Dan denk ik: dat is een briljant verhaal. Ik zie het meteen voor me. Zo liep ik een maand geleden over het Mercatorplein, toen er opeens een oud smerig vrachtwagentje stopte. Er stapten twee mannen in overall uit, ze hadden echte inteelthoofden. Imbeciel zagen ze eruit. Ze gingen een shoarmatent binnen en kwamen terug met afgewerkt vet in grote zware tonnen. Die boeren sjouwden de vaten met een kromme rug, alle voorschriften voor arbeidsomstandigheden tartend, en gooiden ze in hun wrakkige busje. Die gasten wil ik dan meteen hebben, ik wil mee in hun busje.’
De meeste journalisten vinden dit soort verhalen irrelevant. Oninteressant. Niet de moeite waard om aandacht aan te besteden. Voor Van Casteren vormen ze echter het neusje van de zalm: ‘Ik wil mensen portretteren zoals ze zijn, zonder dat ik hun situatie beïnvloed. Dat kan alleen als ze er zelf geen belang bij hebben. Alleen dan krijg je een eerlijk beeld. Ik bewonder mensen die oprecht zijn. Als journalisten met Haagse politici werken, horen ze vooral voorbedachte onzin en voorgekauwde ideeën. De betrokkenen krijgen dan een soort onechtheid over zich heen. Dat geldt ook als er een grote ramp plaatsvindt. Iedereen duikt erop en verslaggevers doen allemaal hun best zo veel mogelijk aandacht te krijgen. Ik wil niet over iets schrijven waar andere mensen ook mee bezig zijn. Daar word ik bloednerveus van.’

Tweeënhalf jaar dood
‘Iemand die dood in zijn huis ligt en door iedereen is vergeten, dat vind ik fascinerend.’ De opmerking klinkt hard in de stille atmosfeer van de hotelloge. Zijn vingers spelen met een doosje lucifers, voordat hij nuancerend zegt: ‘Dat is mijn manier van maatschappijkritiek. Ongewild bereik ik er ook iets mee. Naar aanleiding van dat artikel, het titelverhaal van De man die 2 1/2 jaar dood lag, werden bijvoorbeeld nieuwe richtlijnen opgesteld door het Riagg, om te voorkomen dat zoiets nog eens gebeurt.’
Toch vindt de jonge schrijver het niet zijn taak oplossingen aan te dragen voor de onderwerpen die hij aan de kaak stelt. Wat hij wil, is registreren. Meewarig vertelt hij: ‘Voor een reportage ging ik naar Veendam, om de aftrap van een buddyproject mee te maken. Daarbij werden vers ingevlogen imams gekoppeld aan Veendammers, die hen moesten vertellen hoe de Nederlandse samenleving in elkaar steekt. Er werd gedaan alsof die mensen volslagen achterlijk zijn, terwijl hun cultuur misschien wel honderd keer verfijnder is. Een imam werd meegenomen naar de supermarkt: “Kijk meneer, dit is een tomaat.” Immigranten zijn leuke mensen, maar ook eng. We hopen dat ze brave christenen worden en dat ze doen zoals wij doen. Er heerst zo’n superieur zelfbeeld onder Nederlanders.’

Mislukt
Verschillende delen van het gelauwerde werk van Van Casteren zijn gebundeld. In de schaduw van de Parnassus gaat over dichters die succesvol waren, maar voor wie na verloop van tijd geen belangstelling meer bestond. ‘Ik heb die dichters geïnterviewd, omdat ik geïnteresseerd ben in hun tragiek. Tegelijkertijd is het leuk om ze heroïsch neer te zetten, alsof ze Napoleon zijn. Bij die mensen blijft het in het midden of zí­j hebben gefaald, of dat hun briljantheid niet is erkend. Zijn zij geniaal en heeft het publiek ze niet op waarde geschat? Of zijn ze gek en beelden ze zich iets in? Tegenwoordig is de cultuur gericht op perfectie; niemand mag een mislukkeling zijn.’ De schrijver zucht mismoedig. ‘Ik vind het juist mooi om te laten zien dat het leven uit mislukkingen en ellende bestaat. Het zijn wezenlijke aspecten van het leven.’
Bij het schrijven over dit onderwerp dient de vraag zich aan wat talent is. ‘Kan het opraken? Feit is dat de scheidslijn tussen succes hebben of falen flinterdun is. Met dat idee speelt de reportageserie heel erg.’ De vergeten dichters uit de reeksen kenmerken zich doordat ze doorgingen, ook als ze geen succes meer hadden. ‘Het schrijversbestaan is niet iets waarvoor je kiest. Mensen zeiden ook: “Het is mijn ademtocht.” Het zit in hun genen, dat geldt ook voor mij,’ bekent Van Casteren, die op 25-jarige leeftijd zijn eerste dichtbundel uitbracht. Hij is niet bang zelf ook een vergeten dichter te worden. ‘Met mijn reportages heb ik meer bekendheid gekregen. Door mijn bekendheid als journalist zal ik nooit een vergeten dí­chter worden.’

Geen idealen
In de toekomst zal Van Casteren ook kiezen voor de journalistiek. Zijn volgende project gaat waarschijnlijk over Lelystad. ‘Dat is een totaal bedachte stad; daar hoort een verregaand idealisme bij. Ik ben daar opgegroeid, ken alle finesses, de mentaliteit door en door. Daarom denk ik dat ik er een mooi verhaal van kan maken.’ Tot nu toe werden zijn reportages pas achteraf gebundeld, nu wil hij direct een boek uitbrengen, zonder voorpublicaties. ‘Het is moeilijk om een onderwerp te kiezen waarmee ik het aandurf. Het zou een behoorlijke gok zijn om hiervoor mijn baan op te zeggen.’
‘Het wordt een non-fictieboek,’ kondigt Van Casteren aan, ‘dat wel literair is geschreven. In Nederland wordt een scherpe grens tussen romans en non-fictie getrokken. Als een schrijver een onderwerp niet voor honderd procent behandelt, belandt zijn boek automatisch op de plan van de romans. Voor mij is het vertellen van een mooi verhaal het belangrijkste. Wat me niet bevalt, gooi ik er gewoon uit. Daar is in Nederland niet zo veel begrip voor. A. F. Th. van der Heijden doet bijvoorbeeld enorm veel research voor zijn boek, en toch staat hij bekend als romancier en niet als journalist. Terwijl hij dat in feite net zo goed is.’
Van Casteren zal niet snel een boek schrijven over mondiale problemen. ‘Dat interesseert me niet. Journalisten die daar wel over schrijven moeten er ook zijn, maar aan mij is het niet besteed. Ik word somber van zulke onderwerpen. De journalistiek kan toch niet de redding zijn van bijvoorbeeld de milieuproblematiek.’ Het pessimisme van Van Casteren blijkt ook wanneer hij zegt dat hij allesbehalve idealistisch is. ‘Waarom zou ik een moraal moeten hebben? Idealisme werkt niet langer. Mensen willen niet meer één wereldopvatting horen. Ik wil anderen dan ook niet overtuigen van een bepaald idee. Hooguit van het feit dat alles een grote ellende is. Misschien is dat mijn ideaal.’