M#
‘Watskeburt?’ durfde ze te vragen aan een tranen met tuiten huilend meisje op een skailederen bank. Nou weet ik wel dat je niet al te veel moet verwachten van iets als Patty Brard, dat je eigenlijk snel verder moet zappen als het in beeld komt, maar ik kan het niet helpen. Ergens hoop ik steeds dat er toch iets menselijks te ontdekken valt in dat siliconenomhulsel. Maar dingen als zij komen niet op tv om hun normaalheid. Er is geen logica in wat wel op tv komt en wat niet. Als een bekwaam scherpschutter een musje in een bepaalde hal uit de lucht schiet, veroorzaakt dat meer ophef dan wanneer een man met een sporttas de laatste Nijmeegse linkse activist weet om te leggen.
Het vreemde van een moord ‘om de hoek’ is dat er niets verandert. Ik was toevallig niet in de buurt, heb geen man met gemillimeterd haar gezien en geen schoten gehoord. Toen ik de eerste foto’s zag van de plaats delict, het met roodwitte linten afgezette stuk stoep, was het eerste wat ik dacht: ook lullig als dat jouw fiets is die daar in dat afgezette stukje staat. Hoe kom je dan thuis? Misschien zit er wel bloed op. Dat je eerst de spetters van je zadel moet vegen voor je het ding weer kan bestijgen. Natuurlijk dacht ik ook wel: waarom in vredesnaam? En aan Louis en alle mensen die om hem huilen. Maar de banale dingen vragen hun aandacht. Het grootste gedeelte van Nederland vindt de banale dingen het belangrijkst.
In de ‘documentaire’ die Katja Schuurman maakte over de moord op haar dikke vriend vertelde een ooggetuige zijn verhaal. Hij deelde de argeloze kijker mede dat er mensen waren die, vlak na de moord, de straat in fietsten en óm het lichaam van Theo heen reden. Stel, je bent een nietsvermoedende Amsterdammer en je ziet een nog warm lijk op je fietspad. Dat is lastig. Als je niet oppast val je, en als je afstapt om te schreeuwen van afgrijzen kom je te laat op je werk. Dat is natuurlijk voor niemand leuk. Nee, even om die hoop ellende heen rijden lijkt mij ook veruit het verstandigst.
Laatst luisterde ik een telefoongesprek af van een vrouw die met een vriendin aan het bellen was. ‘Gevallen,’ zei ze. ‘Ze reed met haar voorwiel in de tramrails.’ Typisch Amsterdams ongeluk, leek me. ‘Nee, alleen haar kin ligt open, verder valt het mee. Ze is alleen verschrikkelijk verdrietig, het gebeurde midden op de dag, midden op de Dam, maar niemand hielp haar.’ Welja. Waarom zou je ook. Iemand ligt bloedend op straat. Loop maar door, hoor. Als je haar op gaat rapen komen er misschien wel lastige vlekken op je kleren.
Gisteren kwam ik uit het CultuurCafé. Buiten was het stervenskoud. Naast de deur, op de harde stenen, knielde een vrouw zonder jas met een mobieltje aan haar oor. Ze huilde hartverscheurend. Ik had haar kunnen oprapen, mijn jas aan kunnen bieden, kunnen vragen watskeburt. Ik liep door.






