Universiteit in oorlogstijd
In het Collegezalen-complex, tegenover zaal CC5, herinnert een plaquette aan het verzet van Nijmeegse docenten, studenten en alumni tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze herdenkingsplaat gaat opmerkelijk genoeg schuil achter informatieborden, het verhaal van de universitaire oorlogsjaren is namelijk even spannend als aangrijpend.
Tekst: Pepijn Reeser
Toen de nazi’s op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen, stapte de Nijmeegse professor Robert Regout op zijn fiets. Hij reed de wijde omgeving af om iedereen die hij van een slappe houding tegenover de bezetter verdacht op andere gedachten te brengen. Dit kwam de hoogleraar Volkenrecht duur te staan: enkele weken na zijn fietstocht werd hij, net als enkele collega’s, gearresteerd door de Sicherheitsdienst (SD). Hij stierf twee jaar later in het concentratiekamp Dachau. Ook zijn collega Titus Brandsma, geëerd met een standbeeld in de Thomas van Aquinostraat en sinds begin dit jaar Grootste Nijmegenaar aller tijden, vond daar in 1942 de dood.
Stil protest
De studenten moesten de arrestatie van hun hoogleraren volgens het Nijmeegs studentenblad Vox Carolina ‘met machteloze woede’ toelaten. Massaal protest bleef uit want de verwachting was dat de verdwenen hoogleraren snel terug zouden komen. Sluiting van de academie dreigde: nieuwe hoogleraren mochten vanaf eind 1940 alleen nog met toestemming van de Duitsers worden benoemd, waardoor er geen oraties meer plaatsvonden in de Nijmeegse aula. Volgens dr. Jan Brabers, auteur van universiteitsgeschiedenis Proeven van eigen cultuur, gaf dit praktische problemen: ‘In totaal kwamen in de oorlogsjaren vijf hoogleraren te overlijden, gingen twee professoren met emeritaat en zaten drie docenten in hechtenis of in het buitenland. De werkdruk voor de overige docenten nam daardoor sterk toe. Dit kwam ook doordat studenten door de onzekere oorlogssituatie zo snel mogelijk probeerden hun bul te behalen en studenten van de gesloten Leidse universiteit in Nijmegen tentamens mochten afleggen.’ Chaos en wanorde waren het gevolg.
Er vonden incidenten plaats. In 1940 wapperde tijdens de jaarlijkse inauguratie van het sociëteitsbestuur van het Nijmeegs Studenten Corps (NSC), de voorloper van NSV Carolus Magnus, de Nederlandse vlag. Het Wilhelmus werd gezongen. Toen een Duits lid weigerde op te staan om mee te zingen en bovendien demonstratief pijprokend bleef zitten, ontstond er een vechtpartij. De arrestatie van de preses van het NSC, de latere minister-president Jo Cals, was het gevolg. Ruim een jaar na dit incident kwam de studentenvereniging opnieuw in aanvaring met de Duitsers. Vanaf november 1941 mochten joden niet langer lid zijn van Nederlandse verenigingen. Het NSC bestond weliswaar alleen uit katholieke leden, maar weigerde principieel om het bordje ‘Voor Joden verboden’ bij de hoofdingang te hangen. Hierop werd de sociëteit gesloten en gevorderd door de Wehrmacht. Ondergronds ging het verenigingsleven verder: de ontgroeningen vonden voortaan plaats in studentenkamers.
Openlijk verzet
Na 1943, toen de slag om Stalingrad was verloren en de krijgskansen voor de nazi’s leken te keren, werden studenten sterker geconfronteerd met de oorlog. In Duitsland was er een groot tekort aan arbeidskrachten en daarom werden alle Nederlandse mannen vanaf 18 jaar verplicht in Duitsland te gaan werken, de zogeheten Arbeitseinsatz. Bedrijven, overheden en ook universiteiten moesten lijsten opstellen van mensen die konden worden gemist; zo’n 40 procent van alle Nederlandse studenten zou worden tewerkgesteld. Op zijn kleine kamertje, volgeladen met boeken en papieren, formeerde de Nijmeegse student Psychologie Antoon Frederiks een verzetskern en schreef hij een pamflet waarin hij opriep tot een landelijke staking. De massale werkweigering ontstond inderdaad en werd hardhandig neergeslagen. Frederiks zou de oorlog niet overleven; hij werd verraden en gefusilleerd. Vox Carolina wijdde na de oorlog enkele regels aan zijn veroordeling: ‘Tijdens zijn gevangenschap en proces toont hij bijzonder zijn moed: hij verraadt zijn vrienden niet, en in plaats van zich te verdedigen tegen zijn zogenaamde rechter – hij wist dat de uitslag toch vaststond – valt hij het nationaal-socialisme in de leer aan.’
De Arbeitseinsatz was niet alleen een middel om de oorlogsindustrie draaiende te houden, maar werd ook ingezet om meer greep te krijgen op de universitaire gemeenschap. Studenten die hun studie wilden voortzetten, moesten een loyaliteitsverklaring tekenen. Hiermee gaf de student aan ‘zich te onthouden van iedere tegen het Duitsche Rijk gerichte handeling’. Historicus Brabers spreekt van een groot moreel dilemma. ‘Bij niet tekenen wachtte het transport naar een werkkamp in Duitsland, in het andere geval verklaarde men zich loyaal aan de bezetter. Veel Nijmeegse studenten wisten niet wat te doen en schreven, als goede katholieken, de aartsbisschop om raad.’ Zowel de Nederlandse bisschoppen als de in Londen in ballingsschap verkerende minister van Onderwijs, Gerrit Bolkestein, waren faliekant tegen ondertekening. Ook het landelijke studentenverzet, de Raad van Negen, nam een principiële houding aan – ‘Tekenen van de loyaliteitsverklaring is landverraad.’ – en stuurde studenten het land in met de opdracht twijfelaars om te praten.
De Nijmeegse rector magnificus B.H.D. Hermesdorf besloot na lang beraad om als enige Nederlandse universiteit de loyaliteitsverklaring niet aan haar studenten voor te leggen. ‘Een uniek besluit’, zo benadrukt Brabers. De universiteit sloot vanaf 10 april 1943, de datum dat de verklaring moest zijn ondertekend, zelf haar deuren. Uiteindelijk werd de loyaliteitsverklaring slechts door twee Nijmeegse studenten getekend: zij reisden op eigen gelegenheid af naar het ministerie om daar hun handtekening te zetten.
Onderduiken of dwangarbeid?
De principiële opstelling van het universiteitsbestuur had grote gevolgen. Aan de vooravond van de sluiting leek het toenmalige hoofdgebouw aan het Keizer Karelplein, zo formuleerde rector Hermesdorf, ‘plotseling herschapen te zijn in een zoemende bijenkorf’. Op de valreep probeerden studenten nog een tentamen te halen alvorens de stad te verlaten. De nazi’s reageerden met de verklaring dat er represailles tegen ouders zouden volgen indien studenten weigerden zich te melden voor de Arbeitseinsatz. Van de 639 Nijmeegse studenten zwichtten er 83 voor deze chantage. Uit een brief van student Rechten Louis Corten valt op te maken hoe zij vervolgens werden afgebeuld in Duitse werkkampen: ‘Fruit heb ik er nooit gezien. Van de beloofde drie eieren per twee weken ontvingen we er één per maand. Om te roken verkocht men ons in ‘t kamp onverpakte Bulgaarse sigaretten, merk Bregava, welke naam als volgt verklaard werd: Brandt Rot En Gemeen Alleen Voor Ausländer. Het woord Ausländer hield alle mogelijke verachting, minachting en zelfs haat in.’ Het werk begon om zes uur ’s ochtends en eindigde pas laat. Iedere fout werd gezien als sabotage, met de isoleercel als gevolg. ‘Het is bijzonder tragisch dat de tewerkgestelde studenten na de oorlog door hun ondergedoken medestudenten van collaboratie werden beschuldigd,’ aldus Brabers.
De meeste studenten doken massaal onder, liefst zo ver mogelijk van huis vandaan. Dat betekent echter niet dat er niet werd gestudeerd. B. Van Ogtrop, verantwoordelijk voor het welzijn der katholieke studenten, verklaarde na de oorlog dat hij ‘langs alle onderduikadressen reisde om studenten de heilige mis te lezen en te voorzien van bonkaarten, studieboeken, geld en clandestiene tentamens’. In deze periode werden maar liefst 365 tentamens afgelegd; dat was mogelijk doordat de universiteitsbibliotheek illegaal boeken bleef uitlenen.
Sommige studenten kwamen in het verzet terecht. In Nijmegen was hun inbreng volgens historicus dr. Henk Termeer opvallend groot. ‘De ondergrondse bestond hier uit ruim tweehonderd mensen, waarvan ongeveer een derde het activisme met de dood moest bekopen. Een van hen was de student Rechten Joseph van Hövell van Wezeveld en Westerflier. Hij vertegenwoordigde Nijmegen bij het landelijke studentenverzet, de Raad van Negen, en zorgde ervoor dat het landelijke studentenblad De Geus werd verspreid – door vrouwelijke studenten, want die werden minder vaak gecontroleerd. Aan een ander verzetsblad, Christofoor, werkte de Nijmeegse student Wim van Kempen mee.
De beroemdste Nijmeegse verzetsheld is ongetwijfeld Jan van Hoof, student Rechten. Hij speelde een belangrijke rol bij het in kaart brengen van de Duitse verdedigingswerken aan de vooravond van de bevrijding van de Keizerstad. Op 17 september 1944 begon operatie Market Garden, waarbij de geallieerden landden nabij Eindhoven, Nijmegen en Arnhem. In Nijmegen werd hevig gevochten om de strategisch gelegen Waalbrug, die eerder door de Duitsers met explosieven was ondermijnd. Of Jan van Hoof deze bommen heeft verwijderd, is altijd onduidelijk gebleven. Hij heeft zelf nooit uitsluitsel kunnen geven: de volgende dag leidde hij een Engelse pantserwagen het centrum in en kwam aan het einde van de Lange Hezelstraat een Duitse verdedigingspost tegen die het vuur opende. Van Hoof, gewond aan zijn voet en met zijn broek studentikoos in de sokken, gaf zich over, werd mishandeld en uiteindelijk door een SS’er in de rug geschoten.
Rechte rug
Over het algemeen nam de Nijmeegse academische gemeenschap een zeer principiële houding aan, al waren er ook uitzonderingen. Zo vochten enkele studenten aan het oostfront tegen de Sovjet-Unie en was één hoogleraar een rasechte nazi: professor Theodor Baader verscheen daags na de Duitse inval in uniform, speelde informatie door naar de bezetter en verraadde zijn collega’s. Vlak voor de bevrijding vluchtte hij naar Duitsland zonder een spoor achter te laten.
Nadat Nijmegen in september 1944 werd bevrijd, keerden de studenten langzaam terug en vanaf het voorjaar werd er weer college gegeven. Nijmegen bevond zich nog een half jaar in de frontlinie, waardoor de stad bijna iedere dag werd gebombardeerd. Ongeveer achthonderd Nijmegenaren vonden in die angstige tijd de dood en veel universitaire gebouwen, die het bombardement op Nijmegen van 22 februari 1944 grotendeels hadden overleefd, werden alsnog vernietigd. Een kleine veertig Nijmeegse docenten, studenten en alumni overleefden de oorlog niet. Zij leven voort in monumenten zoals de herdenkingplaquette in het Collegezalencomplex – een monument dat meer aandacht verdient.






